Eigenschap:Toelichting op definitie
Klik op de button om een nieuwe eigenschap te maken:
nl
s
Bij een systeem gaat het vaak om een relatie tussen een inputsignaal en een outputsignaal. Een signaal beschrijft of definieert een bepaald fenomeen. Een dynamisch systeem is een systeem dat zich in een tijdsafhankelijke toestand bevindt. Soms is de theorie daarvan ook toepasbaar bij een andere afhankelijkheid, bijvoorbeeld van plaats. +
(bron: Sjabloon Systeemspecificatie) <br/>
<br/>
Beschrijving van een systeem in de vorm van een verzameling geordende eisen, van het object in zijn directe omgeving en van de in het ontwerpproces gemaakte ontwerpkeuzes. (bron: Uitvoeren functie-analyse) <br/>
<br/>
De extern begrenzende en intern structurerende specificatie van het beschouwde systeem. (bron: Structureren van eisen (vervallen)) <br/>
<br/>
Een project specifieke specificatie, opgesteld met behulp van één of meerdere basisspecificaties. (bron: Werken met basisspecificaties) <br/>
<br/>
Gestructureerd overzicht van het betreffende systeem, de beschikbare oplossingsruimte, een beschrijving van de benodigde functionaliteiten, de context van het systeem, de geïdentificeerde raakvlakken met (andere systemen in) de omgeving, de eisen gesteld aan het systeem alsmede een beschrijving van de gemaakte ontwerpkeuzes. (bron: Leidraad voor Systems Engineering (SE) in de GWW sector) <br/>
<br/>
The requirements to be met by the system (bron: Bijlage bij IA J-STD-016-1995, code: F.2.2) +
Dit gaat over de structurele afwijking die een meetinstrument of rekenmodel model vertoont. Als dit een bekende afwijking is dan kunnen data hierop kunnen worden gecorrigeerd. Vergelijk dit bijvoorbeeld met een geweer waarvan de loop kom is, waarbij uit de hoek van de loop kan worden bepaald hoe ver je naast een doel schiet als je gewoon rechtdoor schiet. Systematische afwijking moet in relatie tot nauwkeurigheid en statistische precisie worden beschouwd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen systematische afwijkingen, toevallige afwijkingen en grove fouten. Deze kwaliteitsaspecten zijn nadrukkelijk meer statistisch van aard dan de meer administratieve indicatoren. Systematische afwijking gaat over de mate waarin het resultaat van een groot aantal metingen of berekeningen overeenkomt met een geaccepteerde referentiewaarde. Toevallige afwijking gaat over de mate waarin herhaalde metingen of berekeningen met elkaar oveenkomen. Dit valt in het kwaliteitsraamwerk onder statistische precisie. Systematische afwijkingen en toevallige afwijkingen worden ook wel fouten genoemd. Een andere categorie van fouten zijn grove fouten, wat zowel onverklaarbaar buitensporige waarden (ook wel: outliers) als menselijke vergissingen kunnen zijn. Nauwkeurigheid is het resultaat van de combinatie van systematische afwijking en toevallige afwijking. Afhankelijk van waar de meting of berekening betrekking op heeft gaat dit bijvoorbeeld over positionele nauwkeurigheid (coördinaten), temporele nauwkeurigheid (tijdmetingen) of kwantitatieve nauwkeurigheid (getallen). (bron: ArchiXL) +
Systematische fouten worden veroorzaakt door niet-willekeurige fout, bijvoorbeeld een verkeerde ijking, het consequent verkeerd hanteren van een instrument of het verkeerd aflezen van een schaal. Meestal kan bij nader onderzoek deze systematische fout worden bepaald en kunnen de meetgegevens zo gecorrigeerd.
Een recent voorbeeld is de neutrino's in het CERN Neutrinos to Gran Sasso-experiment die sneller dan het licht zouden gaan. Uiteindelijk bleek dit te wijten te zijn aan een slechte glasvezelverbinding. +
t
Binnen de wiskunde bestaat de matrix, wat een tabel is met speciale eigenschappen. In het dagelijkse spraakgebruik wordt de term "matrix" ook vaker gebruikt voor een tabel die strikt wiskundig gezien geen matrix is. +
Een total station wordt bij het waterschap gebruikt op locaties waar GPS apparatuur onvoldoende GPS signaal ontvangt heeft, zoals in bosrijke gebieden.
Beschrijving en gebruik
Meestal is de hoekaflezing digitaal en zorgt een ingebouwde computer voor de aansturing hiervan.
De gegevens die een tachymeter feitelijk kan meten zijn:
* horizontale richting
* verticale hoek
* (schuine) afstand.
De schuine afstand kan omgerekend (gereduceerd) worden naar de horizontale afstand. Tweedimensionaal gezien vormen de horizontale hoek en horizontale afstand samen poolcoördinaten, die omgerekend kunnen worden naar rechthoekige coördinaten met een X- en Y-as. Ook is het mogelijk om met een tachymeter hoogtes (Z-coördinaat) te bepalen (zie trigonometrische hoogtemeting). In Nederland wordt voor het platte vlak (2-dimensionaal) vrijwel uitsluitend gebruikgemaakt van het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel, ook wel RD genoemd. Voor België wordt veelal gewerkt in het Lambert72-coördinatenstelsel (dat samenhangt met de in België gebruikte Lambertprojectie. Voor de verticale component zijn dit in Nederland het NAP en in België de TAW.
Huidige instrumenten (veelal total station genaamd) kunnen de berekeningen zelf uitvoeren, waarbij de coördinaten in beeld verschijnen en opgeslagen worden. De modernste tachymeters kunnen zelfs een kaartje weergeven van de gemeten punten.
Ook is het mogelijk om punten vanuit een ontwerptekening uit te zetten in het terrein met de tachymeter. Eerst wordt daarbij de positie van de tachymeter bepaald met behulp van bekende punten. Vervolgens wordt de berekening omgekeerd uitgevoerd en wordt met behulp van meerdere metingen informatie verkregen over waar het uit te zetten punt zich bevindt.
Tachymeters maken gebruik van elektro-optische afstandmeting. De meeste voor tachymetrie gebruikte afstandmeters maken gebruik van infrarood licht. De nauwkeurigheid is in de praktijk vooral afhankelijk van de nauwkeurigheid van de opstelling van het prisma (zie figuur 2) en van de tachymeter.
Kunstmatige glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enz. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10). (bron: Krebs, C. J., Ecology. The experimental analysis of distribution and abundance. Harper international edition, Harper & Row, Publishers, New York, 1972. / Marechal / UIVO-W / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het talud (van het Franse talus, helling, ook wel beloop, is het bouwkundig aangelegde schuine vlak langs een weg, spoor, watergang, dijk, naar een brug of tunnel waarmee een hoogteverschil wordt overwonnen tussen bouwwerk en maaiveld. Een talud kan een ophoging zijn of een ingraving.
De helling van een talud wordt weergegeven als de verhouding hoogte : aanleg (ofwel de tangens van de helling), waarbij voor de hoogte in Nederland meestal één wordt aangehouden. De hellingshoek is afhankelijk van de grondsoort of het bouwmateriaal, van bouwkundige- en veiligheidseisen en van de ruimte die ter beschikking staat. Iedere grondsoort heeft, afhankelijk van de cohesie en hoek van inwendige wrijving, een natuurlijk talud waarbij de grondsoort niet gaat schuiven. Bij zand is dit veelal 1 : 1 dus 45°, bij watergangen wordt meestal 1 : 1½ aangehouden. Bij spoorwegen of dijken worden, in verband met bouwkundige eisen, flauwere hellingen aangehouden, bijvoorbeeld 1 : 3. Door een flauwere en dus langere helling bij een zeedijk, breken hogere golven voordat ze daadwerkelijk de dijk bereiken en wordt het dijklichaam minder zwaar belast. De verhouding van de maximale golfhoogte gedeeld door de lokale diepgang is ongeveer 0,75. Bij de oprit naar een brug voor auto- of treinverkeer moet rekening worden gehouden met maximaal toegestane stijgingspercentages. Vaak wordt een talud bekleed met bijvoorbeeld gras of stortsteen, wat het afschuiven helpt tegengaan.
Bij aanleg van infrastructuur in bebouwde gebieden is vaak onvoldoende ruimte om een natuurlijk talud te realiseren, dan wordt met bouwkundige verstevigingen gewerkt, bijvoorbeeld wapening. (bron: Wikipedia)
De taludbekleding bestaat uit een erosiebestendige toplaag, inclusief de onderliggende vlijlaag, filterlaag, kleilaag en/of geotextiel. +
(bron: CHO (325), gecomb. met WMD1090 en gewijzigd / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een talweg is de lijn die de laagste punten in de vallei van een helling met elkaar verbindt. Een talweg geeft zo ook het natuurlijke profiel weer van een waterloop. Het woord is afkomstig uit het Duits: Tal (vallei) en Weg (weg, route).
In het internationaal recht wordt gesproken over de Thalweg Doctrine (talwegprincipe): het trekken van een grens tussen twee staten op basis van een waterweg, waarbij de grenslijn langs de talweg wordt getrokken. De precieze demarcatie van riviergrenzen is vaak van belang geweest in de geschiedenis. Bekende voorbeelden zijn de Sjatt al-Arab (in Iran Arvand Rud genoemd) tussen Irak en Iran, de Donau in Midden-Europa en het Kasikili/Sedudu-eilandconflict tussen Namibië en Botswana (opgelost in het voordeel van de laatste door het Internationaal Gerechtshof in 1999). +
Het waterschap kan volgens de Waterschapswet de volgende heffingen voor het bekostigen van activiteiten voor de watersysteemtaak opleggen: <br/>
1. watersysteemheffing ingezetenen <br/>
2. watersysteemheffing overig ongebouwd (binnendijks en buitendijks) <br/>
3. watersysteemheffing overig ongebouwd wegen (binnendijks en buitendijks) <br/>
4. watersysteemheffing natuur <br/>
5. watersysteemheffing gebouwd (binnendijks en buitendijks). <br/>
<br/>
Voor het kunnen opleggen van aanslagen waterschapsbelastingen voor de watersysteemheffing 2, 3, 4 en 5 moet het waterschap over een kaart beschikken van het hele beheergebied van het waterschap waarin per kadastraal perceel is aangeven hoeveel procent van dat perceel overig ongebouwd wegen en natuur is. De rest van het perceel valt dan automatisch onder de categorie overig ongebouwd. Dat is een rest categorie. Het NBK filtert van deze restcategorie ongebouwd dan de percelen gebouwd uit. Hiervoor maakt het NBK gebruik van de WOZ bestanden (met daaraan gekoppelde de aan een WOZ object toegerekende oppervlaktes) van de gemeenten binnen het beheergebied van Hunze en Aa’s. +
Door H.J. Lam ingevoerd begrip. Meervoud: taxa. Een groep van organismen die op grond van een zekere overeenkomst een taxonomische eenheid vormen, onafhankelijk van de grootte of de rangorde van die eenheid. Van hoog naar laag in het classificatiesysteem zijn dat fylum, klasse, orde, familie, genus, soort en ondersoort. Bron: Westhof, V., en A. J. den Held, Plantengemeenschappen in Nederland. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 2e oplaag, 1975 (gewijzigd) (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een taxon (meervoud: taxa) is een taxonomische eenheid of taxonomische groep, een groep organismen die volgens een taxonoom een van andere groepen te onderscheiden eenheid vormt. (bro: Wikipedia) <br/>
<br/>
Samenvattende naam voor biologische categorieën zoals phylum, klasse, orde, familie, geslacht, soort en ondersoort. (HEA) <br/>
<br/>
Een taxonomische rang of taxon is een niveau in de hiërarchische indeling (taxonomie) van organismen. <br/>
<br/>
In de taxonomie is de rang van een bepaalde taxonomische groep enigszins arbitrair. Een rang wordt door de onderzoeker mede gekozen op grond van reeds bekende informatie over onderliggende en bovenliggende groepen, en die van zustergroepen. Taxonomische groepen kunnen dus op grond van nieuwe inzichten een andere rang krijgen. <br/>
De naamgeving van organismen staat beschreven in de verschillende nomenclatuurcodes. De namen van de hogere taxa hebben vaak een uitgang die de taxonomische rang van dat taxon aangeven. Deze uitgangen zijn niet altijd voorgeschreven, er kan van worden afgeweken. Zo verschilt de uitgang voor dezelfde taxonomische rang van 'familie' voor verschillende groepen organismen: -oidea bij dieren, -aceae bij planten en schimmels, en -viridae bij virussen. (Wikipedia) <br/>
<br/>
Samenvattende naam voor biologische categorieën zoals phylum, klasse, orde, familie, geslacht, soort en ondersoort. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Naam voor taxonomische categorieën van de levende natuur. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Eenheid in het classificatiesysteem van organismen. (bron: DIV).
Taxonomie (Grieks: τάξις táxis ordening, schikking en νόμος nómos gebruik, wet) is, in wetenschappelijk en technologisch verband, het indelen van individuen of objecten in groepen (taxa, enkelvoud taxon). Taxonomie is hiermee een vorm van classificatie.
Taxonomie verwijst naar zowel de gehanteerde methodologie van de indeling als naar de hiërarchische ordening die hiervan het resultaat is. In oorsprong, en in algemene zin, is taxonomie een onderdeel van de biologie, waar het een wetenschap is; inmiddels wordt de term ook wel elders gebezigd.
Een taxonomie is een systematische ordening op basis van óf a priori (vooraf gestelde) óf a posteriori (achteraf gestelde) criteria. Taxonomieën worden aangepast naargelang er nieuwe waarnemingen of ontdekkingen (in de biologie bijvoorbeeld van nieuwe soorten organismen) optreden. Op fundamenteler niveau kunnen, als gevolg van hierdoor nieuw gevormde inzichten, ook de indelingsprincipes gewijzigd worden.
In de informatica ontstaat meer en meer de behoefte te komen tot een gemeenschappelijke terminologie in systemen en databases, onder andere ten behoeve van de integratie van gegevens uit verschillende systemen en ten behoeve van de eenduidige uitwisseling van productgegevens, zoals in e-business systemen en kennisgestuurde ontwerpen. Daartoe wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde definities van begrippen, waarbij de begrippen in een subtype-supertype hiërarchie of taxonomie gerangschikt worden. Deze structuur heeft onder andere als groot voordeel dat eigenschappen van supertypen geërfd worden door de subtypen. Een voorbeeld van zo'n subtype-supertype hiërarchie van begrippen is het elektronische Gellish Nederlands Taxonomisch Woordenboek, waarvan tevens een uitgebreidere Engelse variant beschikbaar is.
Binnen de vakgebieden informatica en kunstmatige intelligentie wordt getracht een machine door clusteranalyse automatisch een taxonomie of classificatiesysteem te laten maken van een verzameling objecten (dingen, entiteiten of individuen) op grond van hun kenmerken (eigenschappen, attributen). Een voorbeeld is het automatisch laten classificeren van een groep documenten, voor bijvoorbeeld digitale bibliotheken.
In dit vakgebied wordt een onderscheid gemaakt tussen een taxonomie en een typologie. Het verschil zit vooral in de manier waarop de indeling tot stand komt (in de informatica: het classificatie-algoritme).
Bij een taxonomie gaat men uit van een groep voorbeeld-objecten die men probeert te verdelen. Vervolgens wordt bekeken wat de karakteristieken van de objecten in een groep zijn, en op deze manier krijgt de taxonomie gestalte.
Bij een typologie begint men vanuit het concept. Men bedenkt welke onderscheidende eigenschappen eventuele objecten normaliter zouden kunnen bezitten, en gaat vervolgens de daadwerkelijke objecten volgens deze regels indelen.
Men zou kunnen zeggen dat taxonomieën empirisch (inductief) tot stand komen, en typologieën conceptueel (deductief).
Een systematische ordening op basis van óf a priori (vooraf gestelde) óf a posteriori (achteraf gestelde) criteria. (ArchiXL) <br/>
<br/>
Studie of leer van de onderliggende verwantschap van organismen. Het classificeren van planten- en dierensoorten. (bron: Woordenwijzer Ecologie. /Aquo / DIV)
(bron: GR, 1998a. / Aquo / DIV) +
Het begrip techniek wordt in verschillende betekenissen gebruikt:
* Het geheel van materiële zaken als voorwerpen, meubels, apparaten, dat niet tot de natuur behoort maar eens door de mens is uitgevonden, verwant met uitvinding. <br/>
* Het op systematische manier toepassen van nieuwe natuurwetenschappelijke of andere georganiseerde kennis ten behoeve van praktische doeleinden, verwant met technologie. <br/>
* Een bepaalde aangeleerde vaardigheid in het werk, sport of spel of in het huishouden om een bepaalde activiteit te verrichten, verwant met gestructureerd handelen. <br/>
* Een vak in het onderwijs over het maatschappelijk functioneren van techniek, over technische ontwikkelingen, over de pijlers van techniek als materie, energie en informatie, over in de relatie tussen techniek en natuurwetenschappen, over de technieken om techniek voort te brengen, en of het zelf praktisch bezig te zijn op dit gebied. <br/>
* Een tak van wetenschap naast de geesteswetenschap, de natuurwetenschap, en de sociale wetenschap, verwant met technische wetenschappen. +
(bron: Maarten Looijen, ArchiXL) +
Bijvoorbeeld een sluis of stuw. (bron: Informatie analyse keuze technische beheersactie BOAC, technisch rapport / Aquo / DIV) +
(bron: BEBOP, gewijzigd / Aquo / DIV) +
(bron: RWS-A, 1997 / RWS-R, 1996: Boog, T. H. M. van der, Gegevenswoordenboek Bestuurlijk-Juridische Zaken Klaswat en Wvo, EDS, nr. A2403-R-3, 15 mei 1996, pag. 37. / Aquo / DIV) +
(bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo / DIV) +
In de architectuur en mechanica maakt men gebruik van projectie, perspectief, maataanduiding, tolerantie e.d. om zo precies mogelijk het voorwerp weer te geven. Aan de hand van een technische tekening kan dat voorwerp dan precies gemaakt worden.
In de elektriciteit en elektronica dient de technische tekening of schema om de werking van een installatie of toestel voor te stellen of om aan te geven hoe de onderdelen met elkaar verbonden zijn. Deze onderdelen worden zo mogelijk voorgesteld door gestandaardiseerde symbolen; de verbindingen ertussen door lijnen. (bron: Wikipedia) +
De eenvoudigste vorm van technologie is de ontwikkeling en het gebruik van werktuigen. Na de prehistorische ontdekking van vuurbeheersing en de latere neolithische revolutie kreeg de mens met behulp van werktuigen een grote controle over zijn voedselbronnen. De uitvinding van het wiel stelde de mens vervolgens in staat om te reizen en de omgeving sterker te beïnvloeden. Latere technologische ontwikkelingen zoals de drukpers, de telefoon en het internet, maakten het mogelijk dat mensen over langere afstanden konden communiceren.
Technologie heeft belangrijke effecten. Ze ligt bijvoorbeeld aan de basis van geavanceerde economieën (inclusief de huidige wereldeconomie) en ze is een centrale component van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding geworden. Veel technologische processen produceren ongewenste bijproducten (vervuiling). Innovaties op het gebied van technologie beïnvloeden waarden binnen een samenleving en werpen vaak ethische vragen op. Bijvoorbeeld de opkomst van het begrip efficiëntie in termen van menselijke productiviteit, of nieuwe uitdagingen binnen de bio-ethiek.
Vanaf de industriële revolutie ontstonden filosofische debatten over gebruik van technologie. Onenigheid bestaat over de vraag of technologie de menselijke staat verbetert of verslechtert. Het neoluddisme, het anarchoprimitivisme en soortgelijke reactionaire bewegingen bekritiseren de alomtegenwoordigheid van technologie, met als argument dat ze het milieu schaadt en sociale vervreemding vergroot. Voorstanders van ideologieën zoals transhumanisme beschouwen technologische vooruitgang juist als bevorderlijk voor de mens en de samenleving. +
In het verlengde hiervan ligt de kweek. Zo geeft een teeltkalender aan wanneer bepaalde gewassen gezaaid, gepoot/geplant en geoogst kunnen of moeten worden. (bron: Wikipedia) +
Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, anti-worteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten. (bron: www.waterwizard.nl / Aquo) +
(bron: HEA) <br/>
<br/>
De teeltvrije zone is de strook tussen de insteek van het talud en het hart van de buitenste plantenrij van het gewas op het perceel.
Teeltvrije zones zijn nodig om het water in sloten beter te beschermen tegen afspoeling en verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen. Ook mag er in de teeltvrije zone niet worden bemest. Hierdoor wordt de uitspoeling en afspoeling van meststoffen beperkt. (bron: waterschap Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een teeltvrije zone is een strook land tussen het land waarop gewassen worden geteeld en een oppervlaktewaterlichaam. In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. <br/>
<br/>
De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel:
* Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater.
* Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen. <br/>
Daarbij hebben teeltvrije zones volgens onderzoek van het RIVM positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer. <br/>
<br/>
Een teeltvrije zone heeft ook een vangnet functie. Apparatuur realiseert niet altijd en overal de gemeten driftreductie. Dit komt door normale slijtage of invloed van andere factoren (bron: InfoMill)) <br/>
<br/>
Teeltvrije zones moeten worden aangehouden langs sloten en greppels die tussen 1 april en 1 oktober (spuitseizoen) water bevatten. <br/>
<br/>
Teeltvrije zones zijn niet nodig als er sprake is van droge sloten en greppels én watergangen met stuwtjes die zonder stuwtjes niet watervoerend zijn tussen 1 april en 1 oktober. <br/>
<br/>
De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. <br/>
<br/>
In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel: Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen. Daarbij hebben teeltvrije zones volgens onderzoek van het RIVM positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer <br/> (bron: Waterschap Hunze en Aa's.) <br/>
<br/>
Artikel 3.85 Activiteitenbesluit <br/>
* 1. Binnen een teeltvrije zone als bedoeld in artikel 3.79, tweede lid, worden geen meststoffen gebruikt. <br/>
* 2. In afwijking van het eerste lid is het bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen of van appelen, peren en overige pitvruchten en steenvruchten, toegestaan binnen een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken op een afstand van ten minste 25 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, indien binnen die zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld. <br/>
* 3. In afwijking van het eerste lid en onverminderd het zesde lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de teeltvrije zone op een afstand van ten minste 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam toegestaan, indien het vanggewas voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. <br/>
* 4. Bij het gebruik van korrelvormige of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone gebruik gemaakt van een voorziening die de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewaterlichaam verhindert. <br/>
* 5. Bij het gebruik van bladmeststoffen op een strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone: o a. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, eerste en vierde lid, gebruik gemaakt van kantdoppen die aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligen en andere driftarme doppen die zich niet hoger dan 50 centimeter boven het gewas of de kale bodem bevinden, of o b. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, tweede en derde lid, geen gebruik gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur. <br/>
* 6. Bij het gebruik van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas waarbij ingevolge artikel 3.79, zevende lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik gemaakt van een emissiescherm, dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. <br/>
* 7. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het gebruik van meststoffen langs de oppervlaktewaterlichamen, aangewezen in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. <br/>
* 8. Op braakliggend land worden binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen meststoffen gebruikt. <br/>
Horizontaal gedeelte van een dijk, aan de buitenzijde gelegen, als overgang tussen de harde bekleding en de rest van het talud of de vooroever Ook wel ‘kreukelberm’ (Zeeland) of ‘plasberm’ genoemd. (Bron: Delta Expertise) +
(bron: Themagroep: Geografie/watersystemen / Aquo) <br/>
<br/>
Een tekening is een duurzame neerslag van tekenmateriaal (potlood, pen, penseel, plotter) op een drager (papier, doek of plaat).
Men maakt onderscheid tussen:
* een kunstzinnige tekening
* een technische tekening <br/>
(bron: Wikipedia) +
Textmining is verwant aan tekstanalyse; de termen worden vaak door elkaar gebruikt.
Hoewel ook in tekstanalyse kwantitatieve methoden worden gebruikt, verwijst textmining eerder naar analyse op grote schaal: bij ondernemingen in het kader van business intelligence, bijvoorbeeld om feedback van klanten te analyseren, en bijvoorbeeld in de sociale media om de publieke opinie in kaart te brengen (sentiment analysis). In de biotechnologie wordt textmining ingezet om wetenschappelijke informatie te analyseren uit de gigantische hoeveelheid publicaties. Textmining wordt ook benut door inlichtingendiensten. In die zin kan textmining beschouwd worden als een vorm van datamining. Textmining kan daarbij als doel dienen om een dataset te genereren waarop vervolgens statistische analyses worden toegepast.
Textmining is een toegankelijker woord voor bepaalde onderdelen uit het brede gebied van computationele taalkunde. Dit kennisgebied houdt zich bezig met het verwerken van menselijke taal door computers. +
Moderne vormen van telecommunicatie zijn: (mobiele) telefoon, radio, televisie en internet. Een oudere vorm is telegrafie. Experimenten om te communiceren op afstand zijn zeer oud (vuur, rooksignalen, heliograaf, de optisch-mechanische telegrafie ontwikkeld door Claude Chappe in Frankrijk vanaf 1793 enz.). <br/>
<br/>
De overdracht van informatie vindt via elektromagnetische weg plaats, bijvoorbeeld in kabels (elektrische signalen), glasvezel (licht) of met radiogolven door 'de ether'. Door koppeling met randapparatuur, multiplexers en schakelapparatuur (bijvoorbeeld een telefooncentrale of een IP-router of een ATM-switch) ontstaan telecommunicatienetwerken waarop grote aantallen gebruikers kunnen worden aangesloten, en waarmee de gewenste Quality of Service kan worden gerealiseerd. +
Verbinding tussen twee (digitale) systemen waarbij de waarneming van het ene systeem op afstand door het andere systeem kan worden uitgelezen.
Het gebruik van radiogolven, telefoonlijnen enz. Om de meetwaarden van meetinstrumenten door te sturen naar een apparaat waarop de meetwaarden kunnen worden aangegeven of geregistreerd. +
Dit is vergelijkbaar met thematische nauwkeurigheid, maar gaat specifiek in op attributen die betrekking hebben op tijd. Deze data moeten zoveel mogelijk overeenkomen met de daadwerkelijke tijd. (bron: ArchiXL) +
Met temporele resolutie wordt bedoeld hoe vaak een satelliet over komt.
Temporele resolutie verwijst naar de discrete resolutie van een meting met betrekking tot tijd. +
In de eenvoudigste vorm is dit een met water gevulde buis, aan een kant verbonden met een vloeistof manometer en aan de andere kant voorzien van een poreus materiaal of een waterdoorlatend membraan, geplaatst in het beschouwde punt van de onverzadigde zone. (bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een tensiometer is een meetinstrument dat gebruikt wordt voor het meten van het vochtgehalte van de bodem aan de hand van de zuigspanning. Een tensiometer met watervulling kan zuigspanningen van 0 tot ongeveer -850 hPa of 2,7 pF meten.
Het meten gebeurt met behulp van een luchtdichte, poreuze keramiekcel, die een maximale poriëngrootte heeft van ongeveer 1 µm. De keramiekcel wordt in de bodem geplaatst. Door het doorzichtige, kunststof peilglas kan gezien worden of deze geheel met water gevuld is. Het peilglas wordt gevuld met ontgast water, dat eventueel met een kleurstof gekleurd is.
Wanneer de bodem rond de keramiekcel uitdroogt wordt er zoveel water aan de keramiekcel onttrokken totdat er een evenwicht met het omringende bodemvocht is. De ontstaande onderdruk wordt zichtbaar gemaakt met een manometer of met een elektronische druksensor vastgelegd.
Bij bodemfysische onderzoekingen kan met behulp van tensiometers op verschillende diepten de waterhuishouding van de bodem continue gemeten worden. In de land- en tuinbouw worden tensiometers gebruikt voor de automatische beregeningsinstallaties. Hierbij kan zoveel water gegeven worden dat de planten de optimale waterhoeveelheden krijgen zonder dat er uitspoeling van voedingsstoffen optreedt. (bron: Wikipedia) +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Teratogeen (Grieks teras = monster, gennan = voortbrengen) is de eigenschap van een stof of een ziekte om bij de foetus afwijkingen te veroorzaken als de moeder tijdens de zwangerschap met de stof in aanraking komt, deze inademt of inneemt, dan wel de ziekte doormaakt.
Van een groot aantal chemische stoffen en van sommige geneesmiddelen is bekend dat zij aangeboren afwijkingen kunnen veroorzaken. Het slaapmiddel thalidomide (merknaam Softenon) en DES, dat vroeger werd gegeven om miskramen te voorkomen, zijn hiervan bekende voorbeelden.
Ook alcoholgebruik tijdens de zwangerschap, roken en vele drugs hebben aangetoonde nadelige gevolgen voor de vrucht. Verder kan besmetting met een virus dit verschijnsel veroorzaken, zoals rodehond. (bron: Wikipedia) +
(Bron: Kadaster) <br/>
<br/>
Heuvel aangelegd tot wijkplaats bij overstroming, vaak permanent bewoond. (bron: Aquo)
<br/>
Heuvel, terp, voor de veiligheid opgeworpen tegen vijandelijke aanvallen of watervloed, om er een sterkte (burcht, donjon) of wijkplaats op te bouwen. (Bron: Haslinghuis) <br/>
<br/.
In het kustgebied stammen de terpen uit de periode vóór de bedijking. De oudste zijn opgeworpen vanaf de 4e eeuw v. Chr. De woonheuvels werden opgeworpen met huisvuil, mest en kwelderzoden. Terpen werden naderhand vaak meermalen verhoogd. De aanvankelijke kleine huisterpen Groeiden soms in de loop van de tijd aaneen tot grote dorpsterpen.De terpen zijn niet alle in dezelfde tijd ontstaan. Nog in de Vroege Middeleeuwen werden nieuwe opgeworpen. Veel terpen zijn periodiek onbewoond geweest. De bewoningshiaten waren vermoedelijk het gevolg van het feit dat in sommige tijdperken de overstromingsfrequentie of -hevigheid relatief groot was. Ook werden sommige terpen in dergelijke tijdperken voorgoed verlaten.De locatie van een terp werd in sterke mate bepaald door de mogelijkheden die ter plaatse aanwezig waren voor agrarische activiteiten. De terpbewoners waren voor hun levensonderhoud voor een belangrijk deel aangewezen op landbouw. De hier gebruikelijke vormen van landbouw richtten zich zowel op de voortbrenging van voedsel- en gebruiksgewassen als op de instandhouding van een veestapel. De hoogteligging en de waterhuishouding waren dus zeer belangrijk voor de keuze van een bewoningslocatie. De akkers lagen het hoogst: op de hogere oeverwallen en kwelderruggen. Ook de randen van de terpen zelf waren in gebruik als akkerland. De weilanden bevonden zich op de lagere delen van de kwelders. De weg rondom een terp wordt een ossenweg genoemd.Een groot aantal terpen is vanaf de negentiende eeuw afgegraven voor de winning van terpaarde.De terpen in het Rivierengebied zijn juist na de bedijking opgeworpen, toen een dijkdoorbraak tot hogere overstromingen leidde dan in het eerdere onbedijkte landschap. In het veengebied zijn terpjes aangelegd om droog te kunnen wonen in een gebied dat van nature erg nat was en bovendien door maaivelddaling steeds natter werd. (Bron: CHT) <br/>
<br/>
Een terp is een ter bewoning aangelegde verhoging in het landschap.
Het woord terp is een Friese variant van "thorp" (dorp), dat in vele varianten van het Oudgermaans voorkomt (Gotisch: thaurp). Er wordt een kunstmatige heuvel (landvorm) mee aangeduid, die werd opgeworpen om bij hoogwater een droge plek te hebben.
In Groningen wordt meestal de benaming wierde gebruikt, in Noord-Holland en het eiland Marken de benaming werf, in Noord-Duitsland de benamingen warft, wurt of wierde en in Denemarken værft, varft of verft. Berendsen (2005) stelt dat het Groningse woord wierde eigenlijk een betere benaming is dan terp, omdat het eerste 'woonheuvel' zou betekenen en het tweede 'dorp' (zie ook de betreffende paragraaf). De etymologie van het woord wierde (dat mogelijk op meerdere woorden teruggaat) is volgens het WNT echter onzeker en zou eerder samenhangen met het woord 'weren' (zich verdedigen).
Deze woonheuvels zijn geleidelijk ontstaan nadat bewoners zich in het Fries-Groningse kweldergebied gevestigd hadden vanaf de zesde eeuw voor Christus. Deze door aanslibbing van de zee gevormde vruchtbare gronden, op sommige plaatsen een lage kwelderwal, boden een goede woonplaats. De boeren waren echter door de stijgende zeespiegel gedwongen hun huis en have te redden op terpen, die in omvang en hoogte steeds toenamen.[3][4] Terpen kwamen voor langs de hele Waddenkust van West-Europa; in België, Noord-Nederland, Noord-Duitsland en West-Denemarken. In Groningen en Friesland liggen waarschijnlijk rond de 2000 terpen. Bij een inventarisatie in 1963 werden 587 terpen geteld in Groningen en bij een inventarisatie in 1979 955 in Friesland. Er worden echter nog regelmatig nieuwe terpen ontdekt, waarvan de meeste in de loop der tijd overslibd zijn geraakt. (Bron: Wikipedia)
De definitie houdt sterk verband met die voor water: in principe kan alles dat geen water is, worden beschouwd als terrein. <br/>
<br/>
Door een type landgebruik gekarakteriseerd, zichtbaar begrensd stuk grond. Bron NEN 2767-4 (CBNL) <br/>
<br/>
Een zichtbaar begrensd gedeelte van het aardoppervlak dat niet bedekt is met water. (bron: DIV) +
Een terristrische meting is een meting vanaf de aarde, bijv. een meting met een waterpasinstrument, tachymeter of GPS toestel (rover). (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Op het land (in tegenstelling met 'aquatisch'). (bron: DIV) <br/>
<br/>
Voorkomend (groeiend) op minerale substraten - op het land. Tegenstelling: aquatisch (bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo) +
KRW categorie om het gedeelte van de Nederlandse territoriale zee van 1 tot 12 zeemijl aan te duiden. Van 0 tot 1 zeemijl is kustwater. Territoriaal water wordt niet genoemd als waterlichaamcategorie in de KRW. Echter, artikel 2.1 van de KRW geeft aan dat de chemische status ook voor territoriaal water geldt. Deze optie als categorie geeft lidstaten de mogelijkheid om voor territoriaal water relevante informatie te rapporteren. (Bron: Dienst Hydrografie van Defensie) <br/>
<br/>
Territoriale wateren (ook wel: territoriale zone, territoriale zee) zijn een zeestrook, grenzend aan het landgebied van een kuststaat, waarover de soevereiniteit van deze staat zich uitstrekt (met inbegrip van het luchtruim, de bodem en de ondergrond). De territoriale wateren worden gescheiden van het landgebied en de binnenwateren door de basislijn. Binnen de territoriale wateren kan een land zelf zijn wetten bepalen en rechtspraak toepassen. +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een territorium of revier is bij dieren een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied, hetzij door een individu, hetzij door een sociale groep. Het is een gebied om voedsel te zoeken en de jongen te verzorgen. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het Tertiair is een geologisch tijdperk dat volgt op het Krijt en wordt opgevolgd door het Kwartair. Het Tertiair duurde van 66,0 tot 2,58 miljoen jaar (Ma) geleden.
Het 'Tertiair' is een eenheid binnen de era Cenozoïcum. De term 'Tertiar' werd voor het eerst gebruikt door de Italiaanse geoloog Giovanni Arduino rond 1750. Hij verdeelde de geologische tijdschaal in een eerste 'primitief' tijdperk (Primair), een tweede meer ontwikkeld tijdperk (Secondair) en een derde tijdperk (Tertiair). Later werd er een vierde 'modern' tijdperk (Quartair) aan toegevoegd. Hij baseerde dit op zijn observaties van de geologie van Noord-Italië.[1] Bij een latere revisie van de geologische tijdschaal is het begrip 'Tertiair' verlaten en vervangen door Neogeen en Paleogeen. Ondanks deze verandering wordt het begrip 'Tertiair' nog steeds zeer veel gebruikt. Er is in de geologische wereld verschil van mening over het verdwijnen van deze term. Zo heeft de Amerikaanse Geologische Dienst besloten de term gewoon te handhaven. Ook in Nederland (en andere Europese landen) wordt de term nog veel gebruikt (bijvoorbeeld: Wong, et al., 2007). Er zijn grote groepen invloedrijke geologen die terugkeer van de term 'Tertiair' voorstaan en het is zeker niet ondenkbaar dat zij toch weer in de stratigrafische kolom terugkeert. Het Tertiair is hier als sub-era gehandhaafd. Omdat vooraf en erna geen sub-era's aanwezig zijn, 'hangt' het Tertiair in de huidige indeling. Tijdens het Internationaal Geologisch Congres van 2008 in Oslo is een formeel voorstel gedaan dat als volgt luidt: "Het Tertiair wordt hier voorgesteld als een periode/systeem voorafgaand aan het Kwartair en met een basis zoals gedefinieerd door het GSSP dat de basis van de Danien etage aangeeft bij ongeveer 66,0 Ma. Het Neogeen en het Paleogeen, thans aangemerkt als perioden, worden dan sub-perioden binnen het Tertiair. De top van het Tertiair zou worden aangegeven door de basis van het Kwartair bij 2.6 Ma." Dit voorstel is aangehouden en niet in stemming gebracht.
Het Tertiair wordt onderverdeeld in de volgende tijdvakken:
* Plioceen (5,333 - 2,58 Ma)
* Mioceen (23,03 - 5,333 Ma)
* Oligoceen (33,9 - 23,03 Ma)
* Eoceen (56,0 - 33,9 Ma)
* Paleoceen (66,0 - 56,0 Ma)
(bron: Wikipedia)
Tertiaire oppervlaktewaterlichamen zijn de (particuliere) sloten (groen weergegeven op de gis-kaart) die niet op de schouwlegger staan. Deze oppervlaktewaterlichamen kunnen soms een belangrijke functie voor de waterhuishouding hebben, echter is er in dit geval dan maar een belanghebbende. Deze waterlichamen mogen niet gedempt worden tenzij ze in hoog en droog gebied liggen, zie hiervoor de algemene regel dempen kaart. +
Een sloot is een watergang (keur: zegt oppervlaktewatersysteem) op plaatsen waar regenwater samenstroomt, zodat het gezamenlijk kan worden afgevoerd om wateroverlast te voorkomen. Een sloot is een onderdeel van de waterhuishoudkundige infrastructuur. Het via sloten afgevoerde water wordt elders weggepompt. Het is belangrijk dat de stroming van het water onbelemmerd is. Hiervoor worden schouwsloten bij de schouw gecontroleerd. Overige sloten worden niet geschouwd. De sloten worden naar de afvoerrichting gedigitaliseerd. +
(bron: NCS / Aquo) <br/>
<br/>
Afsluitconstructie waardoor stroming in slechts één richting mogelijk is. <br/>
<br/>
Een terugslagventiel, terugstroombeveiliger, terugslagklep of keerklep, is een ventiel dat wordt gebruikt om water, vloeistof, granulaat, poeder of gas in één richting door te laten. Meestal duwt het medium de klep bij het heenstromen open en sluit een veer of de zwaartekracht de klep. In andere gevallen duwt het medium bij het terugstromen de klep zelf dicht. Het onderscheid ligt in de uitvoering en de toepassing. Terugslagventielen zijn te vinden in bijvoorbeeld de pomp en de luchtbanden voor fietsen (zie fietsventiel), luchtbedden of auto's. In de hydrauliek komen al dan niet gestuurde terugslagkleppen veelvuldig voor. (bron: GWSW) +
(bron: IDsW / Aquo) <br/>
<br/>
Witte fosfor of tetrafosfor is een allotroop van fosfor met als brutoformule P4.
Witte fosfor (kleine nucleaire) kan verkregen worden door de damp die uit P4-moleculen bestaat tot een vaste stof te laten condenseren. Witte fosfor heeft bij gewone temperaturen een kubische structuur. Bij lage temperaturen gaat de stof reversibel over in een structuur die waarschijnlijk hexagonaal is. Witte fosfor is metastabiel en lichtgevoelig. Onder invloed van licht kunnen de bindingen in het molecuul openbreken en nieuwe bindingen met een buurmolecuul ontstaan. Dit is het begin van de overgang tot de stabielere rode vorm maar vaak ontstaat een amorfe gele overgangstoestand die slechts bij verwarming uitkristalliseert tot de rode vorm. (bron: Wikipedia) +
Dit gaat vooral over of data inhoudelijk kloppen. Idealiter is dat of ze overeenkomen met de werkelijkheid, maar in de praktijk is dat of ze overeenkomen met een registratie die dichter bij de werkelijkheid ligt of meer betrouwbaar is. Heel specifiek gaat het alleen over die data die geen betrekking hebben op locatie, tijd of kwantiteit omdat die onder andere, meer specifieke indicatoren vallen. ISO/IEC 25012 maakt daarbij nog onderscheid tussen syntactische en semantische juistheid. De eerste gaat bijvoorbeeld over het registreren van het woord Mary als Marj. De tweede gaat bijvoorbeeld over het registreren van het woord John als George. Er bestaan methoden om de mate van syntactische en semantische juistheid van woorden te bepalen. Syntactische juistheid kan bijvoorbeeld worden bepaald met vergelijkingsfuncties die het aantal toevoegingen, verwijderingen of wijzigingen tellen om te komen van de attribuutwaarde tot de werkelijke waarde. Semantische juistheid kun je bijvoorbeeld bepalen door te kijken naar de onderlinge relatie van de attribuutwaarde en de werkelijke waarde in een thesaurus. (bron: ArchiXL) +
Met een theodoliet kan men horizontale en verticale hoeken meten met een hoge nauwkeurigheid. Dit toestel is in essentie niet meer dan een kijker die om twee assen draait: een verticale as, ook wel de eerste as genoemd en een horizontale as, ook wel de tweede as genoemd.
Op beide assen zit een systeem dat het toelaat de waarde van de betreffende hoek af te lezen. Bij de oudere optisch-mechanische toestellen gebeurde dat met een ringvormige glasplaat waarin een verdeling was aangebracht. Met behulp van een index en afleesinrichting, en soms met microscopen, werd de waarde gelezen. Het waren kolossale instrumenten, die soms wel 90 kg wogen.[1] Bij de huidige elektronische theodoliet gebeurt dit met behulp van een roterende glazen cirkelrand waarop een vast aantal verdelingen is aangebracht (bijvoorbeeld 1024). Een stel indexen leveren hier de hoekwaarde.
Een buisniveau, zoals in een waterpas, in het toestel ingebouwd, laat het toe om het toestel op waterpas te zetten. In die toestand zou de eerste as verticaal moeten staan en de tweede as horizontaal.
Om voldoende nauwkeurig te werken voor de landmeetkunde bruikbare resultaten, dient een theodoliet zeer nauwkeurig gebouwd te worden. Niettegenstaande zijn hoge nauwkeurigheid heeft elk toestel nog steeds een aantal fouten in zich. De landmeter of topograaf dient daarmee vertrouwd te zijn.
Een theodoliet is niet in staat om afstanden te meten. Nochtans zijn afstanden meestal essentiële elementen bij de meetmethoden waarin een theodoliet wordt ingezet (driehoeksmeting, veelhoeksmeting etc.). Die afstanden dienen dus met andere instrumenten te worden gemeten. Een moderne, gecomputeriseerde theodoliet met afstandsmeter is een totaalstation of tachymeter.
Het is pas sedert de opkomst van de digitale afstandsmeter en later de digitale theodoliet dat beide toestellen steeds meer met elkaar zijn versmolten. Tegenwoordig gebruikt de landmeter meestal een totaalstation, zijnde de combinatie van theodoliet, afstandsmeter en digitale registratie.
Thermisch infrarood wordt vaak gebruikt in thermografie, een techniek waarbij speciale camera’s warmtebeelden maken van objecten. Deze beelden kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om warmteverlies in gebouwen op te sporen, elektrische installaties te controleren of zelfs in medische toepassingen. (bron: Wikipedia)
Het waterschap gebruikt deze techniek om o.a. wellen op te sporen achter de waterkeringen. (bron Hunze en Aa's) +
Een plotselinge stijging van de watertemperatuur in een waterlichaam waarin thermisch effluent wordt geloosd veroorzaakt aanzienlijke schade aan de fysiologische functies van vissen en schaaldieren die geen homotherm bloed hebben. Bron: International Navigation Association (2000) Glossary of Selected Environmental Terms, Report of Working Group n.º3 of the Permanent Environmental Commission, Supplement to Bulletin No. 104. +
(bron: http://www.vliz.be / Aquo) +
Het verrichten van arbeid door warmte toe te voegen aan een arbeidsmedium (gas).
De thermodynamica vindt zijn oorsprong in de praktische behoefte de efficiëntie van stoommachines te verbeteren. +
Thermoharders blijven hard als ze worden verhit, in tegenstelling tot de thermoplasten, die zacht worden bij verhitting. Dit komt door crosslinks (dwarsverbindingen) tussen de individuele ketens. Thermoharders kunnen niet op dezelfde manier worden verwerkt als thermoplasten. Dit omdat een thermoharder na verwerking niet meer om te vormen is. Als een thermoharder wordt verhit, smelt het niet maar het ontleedt zich zonder vloeibaar te worden. De oorzaak hiervan zijn de crosslinks, die covalent zijn. Om deze reden smelt een thermoharder niet (in tegenstelling tot thermoplasten waarbij de meeste interactie tussen de macromoleculen bestaat uit vanderwaalskrachten). <br/>
Thermoharders worden minder gebruikt dan thermoplasten, omdat ze lastiger te produceren zijn door middel van spuitgieten en slecht recycleerbaar zijn. Thermohardende kunststoffen zijn normaal een stuk brozer dan thermoplastische kunststoffen. Voorbeelden van thermohardende materialen zijn:
* Alkydharsen
* Bakeliet
* Diallylftalaat (DAP)
* Melamineformaldehyde (MF)
* Polyesterharsen
* Ureumformaldehyde (UF) <br/>
(Bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Een thermoharder is een kunststof die hard wordt bij verhitting en daarna hard blijft . In tegenstelling tot een thermoplast kan een thermoharder niet meer van vorm veranderen (anders dan te ontleden, een soort verkolen zou je kunnen zeggen).
Thermoharders worden minder gebruikt dan thermoplasten omdat ze (bijna) niet met spuitgieten zijn te verwerken en slecht recyclebaar zijn. Thermohardende kunststoffen zijn normaal een stuk brosser dan thermoplastische kunststoffen. Thermoharders zijn altijd harde kunststoffen. Ze zijn moeilijk te krassen en je kunt er moeilijk een stukje afsnijden.
Een thermoharder is een materiaal dat verkregen wordt door het samen van monomeren, die verhit boven een definitieve temperatuur, een vernet polymeer dat niet langer van vorm kan veranderen. Dit netwerk van monomeren is door verhitting via atoombindingen met elkaar verbonden. De bindingen tussen de atomen zijn sterk omdat ze covalent zijn, dwz de atomen hebben één of meer elektronenpaar gemeenschappelijk. Tijdens het proces kunnen ze daarom maar één keer "gegoten" worden, later het plastic niet meer vervormbaar is.
Een voorbeeld van een thermoharder is bakeliet, de eerste kunststof die gefabriceerd werd; het is een hars op basis van fenol en formaldehyde (PF). Andere voorbeelden zijn alkydharsen, epoxyharsen (EP), polyurethaan ( PUR ), melamineformaldehyde (MF), onverzadigde polyesters (UP en GUP ). (Bron: Joost de Vree)
Deze materiaalgroep bestaat uit lineaire macromoleculen zonder dwarsverbindingen, hoewel soms een zekere vertakking kan optreden. In de moleculen zijn de bindingen covalent en sterk, terwijl de moleculen onderling slechts gebonden zijn door vanderwaalsbindingen. Deze laatste verbreken bij opwarmen, waardoor de individuele ketens langs elkaar kunnen 'glijden' en zo kan een thermoplast smelten. (Bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Een thermoplast is een kunststof die bij fabricage zacht is en daarna ook meer of minder zacht blijft . Thermoplasten zijn plastics die bestaan uit lange molecuulketens ( polymeren ) die bijeengehouden worden door vanderwaalsbindingen en soms ook waterstofbruggen. In tegenstelling tot thermoharders kennen thermoplasten een verwekingspunt , de glastransitietemperatuur Tg. Boven deze temperatuur kan deze plastic vervormd worden ("smelten"), zodat ze tot draden gesponnen of tot folie geblazen kan worden. Zonder bewerkingen verglaast een thermoplast bij afkoelen beneden Tg volledig.
Thermoplasten lenen zich zeer goed voorspuitgiettechnieken .
Meer dan 80% van de industriële polymeren zijn thermoplasten. Voorbeelden Zijn acrylonitril Butadieen styreen ( ABS ), polycarbonaat (PC), polyethyleen ( Polyetheen PE), polyether-ether-keton (PEEK), polymethylmetth acrylaat (PMMA), polypropyleen ( polypropeen , PP), polystyreen ( PS ), polyvinylchloride ( PVC ), tereftalaat.
Thermoplasten kom je overal tegen; ook de belijningen op wegen zijn van thermoplast.
("PEEK wordt over het algemeen beschouwd als één van de best ervaren thermoplasten in de wereld.") (Bron: Joost de Vree) +
Een thesaurus gebruikt men om het exacte woord voor een voorwerp (een bepaalde vakterm) of een woord met de gewenste connotatie (uit stijloverwegingen) te vinden.
Een thesaurus verbindt begrippen door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties. Je kunt een thesaurus gebruiken om het exacte woord voor een voorwerp of met de gewenste connotatie te vinden. (ArchiXL, bron: Merriam-Webster) <br/>
<br/>
In de klassieke betekenis is een thesaurus een soort naslagwerk. Een thesaurus gebruikt men om het exacte woord voor een voorwerp (een bepaalde vakterm) of een woord met de gewenste connotatie (uit stijloverwegingen) te vinden. In de moderne tijd is het een ontsluitingsmiddel waarbij unieke concepten door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties verbonden worden. Een semantisch netwerk voor het toegankelijk maken en koppelen van (collectie)gegevens. <br/>
<br/>
De term komt uit het Grieks θησαυρός (thèsauros) en werd in het Latijn overgenomen als thesaurus (meervoud thesauri) en betekent schatkamer, het weggelegde. Het werd aanvankelijk in de taalkunde opgesteld als een logisch-systematisch (en ook alfabetisch, maar niet verklarend) woordenboek: de begrippen van een taal werden gecategoriseerd en vergeleken met verwante begrippen:
* synoniemen
* woorden die een ruimer begrip beschrijven: hyperoniemen
* woorden die een engere betekenis hebben: hyponiemen
* woorden met tegengestelde betekenis: antoniemen, of
* begrippen die aan het lemma verwant zijn, maar een andere nuance uitdrukken, of een overlappende betekenis hebben. <br/>
<br/>
Uit een Nederlandstalige thesaurus kan men besluiten dat synoniemenlijst een nauwere betekenis heeft dan thesaurus en het begrip lexicon overlapt. Soms hanteert men betekeniswoordenboek als synoniem van thesaurus, maar de betekenis van een woord is in dit bijzondere geval niet gelijk aan de verklaring ervan, maar vloeit voort uit de situering van dit woord binnen het geheel. <br/>
<br/>
De aanduiding "thesaurus" wordt nu ook gebruikt voor een naslagwerk met geselecteerde woorden of concepten, bv. een gespecialiseerd vocabularium binnen een bepaald interesse- of vakgebied, zoals geneeskunde of muziek. <br/>
<br/>
Met behulp van een thesaurus kan men bijvoorbeeld de catalogus van een bibliotheek beter toegankelijk maken dan door middel van een ordening, die uiteindelijk willekeurig is. Zo is men niet meer strikt gebonden aan de terminologie - en de taal! - van een boek of andere informatiedrager. Per publicatie of informatie-item kan men meerdere descriptoren (thesaurustermen) toekennen. Een itemsgewijze beschrijving wordt zodoende versterkt door een systematische ontsluiting. Er bestaan thesauri voor vele wetenschappelijke disciplines. Zo bestaan voor de beschrijving en ontsluiting van erfgoed bijvoorbeeld de Art and Architecture Thesaurus en de erfgoedthesaurus van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Beide richten zich vooral op materiële cultuur en objecten. Voor het beschrijven van de iconografie van beeldende kunst is er Iconclass, een meertalig classificatiesysteem. <br/>
<br/>
Taxonomieën zijn aan thesauri verwant. De benaming thesaurus wordt ook gebruikt in de taalkunde voor de grote gegevensbestanden met de woordenschat van het Latijn, de Thesaurus Linguae Latinae te München, en die van het Grieks, de Thesaurus Linguae Graecae van de Universiteit van Californië. Het is dan de "schatkamer" van oorspronkelijke teksten, waarop men zich baseert om de dode taal (Latijn of Grieks) te reconstrueren. <br/>
<br/>
Thesauri treft men in papieren vorm (boek) aan, maar ook als elektronisch medium. Een juiste vakterm kan ook worden gezocht, als het internet wordt uitgesloten, door het raadplegen van een beeldwoordenboek.
De getagde structuur is ontworpen om gemakkelijk uit te breiden en veel leveranciers hebben eigen speciale tags geïntroduceerd - met als resultaat dat geen enkele lezer elke smaak van het TIFF-bestand verwerkt. [ nodig citaat ] TIFF's kunnen lossy of lossless zijn, afhankelijk van de gekozen techniek voor het opslaan van de pixeldata. Sommige bieden relatief goede compressie zonder verlies voor afbeeldingen op twee niveaus (zwart-wit) . Sommige digitale camera's kunnen afbeeldingen opslaan in TIFF-indeling met behulp van het LZW- compressie-algoritme voor verliesloze opslag. TIFF-afbeeldingsformaat wordt niet algemeen ondersteund door webbrowsers. TIFF blijft algemeen geaccepteerd als standaard voor fotobestanden in de drukkerij. TIFF kan apparaatspecifieke kleurruimten verwerken, zoals de CMYK die wordt gedefinieerd door een bepaalde set drukpersinkten. OCR- softwarepakketten (Optical Character Recognition) genereren gewoonlijk een of andere vorm van TIFF-afbeelding (vaak monochroom ) voor gescande tekstpagina's.
Luchtfoto's worden meestal door de opdrachtnemer in het tif formaat uitgeleverd. +
De tijd wordt wel gezien als een opeenvolging van tijdstippen. Daarnaast kan bepaald worden hoeveel tijd een gebeurtenis na een andere plaatsvindt. Het betreft dan de tijdsduur tussen twee tijdstippen. Met het begrip tijd worden deze volgorde en duur beschreven. Tijd kan na hoogte, breedte en lengte gezien worden als een vierde dimensie.
Naast het verschijnsel van de lineaire, kwantitatieve en meetbare (klok)tijd, is tijd ook een ervaring van elk subject die op een unieke eigen kwalitatieve wijze beleefd wordt. Zie ook: tijdsperceptie.
In de filosofie en taalwetenschap, met name de semantiek, wordt tijdslogica onderzocht. Dit zijn formele logische systemen die het begrip tijd formaliseren.
De speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein stelde het begrip bij van tijd, causaliteit en snelheid waarmee informatie zich kan verplaatsen. +
(bron: DIV) +
Dit heeft betrekking op hoe oud data zijn. data moeten periodiek opnieuw worden gemeten of gecontroleerd of ze nog correct zijn. Het kan ook zijn dat het bij actualisatie noodzakelijk is dat de oude data worden verwijderd. Dit is de meest voorkomende interpretatie van actualiteit, maar is in deze context specifieker gedefinieerd omdat actualiteit ook betrekking heeft op frequentie. +
De reeks legt de waarden vast van een type parameter over een periode. Waterstandmetingen zijn een duidelijk voorbeeld van een waardereekstijd. Er worden op 1 meetobject gedurende langere tijd met vaste intervallen waterhoogten bepaald. (bron: STOWA/Unie-stekkerdoos / Aquo) <br/>
Reeks van waarden van parameters variërend in tijd. (bron: DIV) +
Meestal betreft het gegevens die gedurende een bepaalde periode op equidistante tijdstippen zijn waargenomen. Voorbeelden van tijdreeksen zijn de dagelijkse sluitingswaarde van de Dow Jones index en het jaarlijkse stroomvolume van de Nijl bij Aswan. Tijdreeksanalyse beoogt onder andere zinnige statistieken en andere karakteristieken te beschrijven. Tijdreeksanalyse wordt veel gebruikt om met behulp van een model een goede voorspelling te geven, zoals de waarde van een aandeel. Tijdreeksgegevens hebben een natuurlijke tijdsordening. Dit onderscheidt tijdreeksanalyse van andere gemeenschappelijke data-analyseproblemen, waarbij er geen natuurlijke ordening van de waarnemingen is. Een tijdreeksmodel zal over het algemeen waarnemingen in de nabije toekomst beter voorspellen dan waarnemingen verder weg in de toekomst. +
Bijvoorbeeld de periode tussen twee opeenvolgende tijdstippen waarvoor een model binnen de simulatieperiode de hydrologische processen en gesteldheid berekent. (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Tijdsverschil tussen twee tijdstippen. (bron: DIV) +
(bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Geheel of gedeeltelijk droogvallende gronden die buitendijks gelegen zijn. (bron:
Informatiemodel van de Basisregistratie Topografie (IMBRT) / SOR) +
(bron: VROM, 1995: Gegevenswoordenboek milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1 juni 1995, pag. 93. / Aquo / DIV) +
Bron: NTA 8035.
Unieke configuratie van informatie (toestands-variabelen) in een programma of machine (definitie uit de automaten theorie). In de tunnelstandaard wordt ‘State’ gebruikt voor de toestand van de TTI van verkeersbuizen. (bron: LTS-1.10)
Entiteit gedurende een periode tussen twee gebeurtenissen. Een toestand wordt gekenmerkt door de eigenschappen en relaties van de entiteit. (bron: NEN 2660-1 (Ontw)) +
De gevolgschade is groot en de zekerheid over faaltijdstip klein, de toestand van de onderdelen moet regelmatig worden geïnspecteerd en vervanging vindt preventief plaats als het interventieniveau wordt bereikt. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo) <br/>
<br/>
Methode van preventief onderhoud op basis van vooraf gestelde criteria. Als voorbeeld een vooruit werkende inspectie of meting (periodiek controleren van kritische parameters). Zo'n korte inspectie kan opgevolgd worden door uitgebreider onderhoud na overschrijden van belangrijke grenswaarden. TAO is een planmatig soort onderhoud, kritieke parameters controlerend en pas bij noodzaak planmatig herstellend (conditieafhankelijk) vervangen van onderdelen. Deze vorm van onderhoud heeft een zeer hoge voorspelbaarheid vanwege de controles. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Dit is onderhoud dat wordt uitgevoerd, nadat tijdens een inspectie is gebleken dat het interventieniveau van een visuele of door meting vast te stellen grootheid is overschreden. (bron: DIV) +
Bron: WWB0044. <br/>
Gerichte toetsing, mede gebaseerd op risicoanalyse, voor het vaststellen van de huidige toestand en het huidig functioneren van objecten en onderdelen alsmede de houdbaarheid van de aangedragen risico’s en onder-houdsinterventies (maatregelen) met bijbehorende planning. (bron: Vraagspecificatie Algemeen PRC (oud)) <br/>
Resultaat van een conditiemeting betreffende gebouwen of installaties (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/>
Gerichte inspectie (toetsing), mede gebaseerd op risicoanalyse, voor het vaststellen van de huidige toestand en het huidig functioneren van objecten en onderdelen alsmede de houdbaarheid van het bijbehorende instandhoudingsplan. (bron: Inspectiekader RWS) <br/> +
(bron: LTS-1.10) <br/>
Relatie tussen twee toestanden (van een entiteit), waarin de begintoestand overgaat in de eindtoestand. (bron: NEN 2660-1 (Ontw)) +
De toetsingswaarden zijn niet gebaseerd op (eco)toxiciteitgegevens. De toetsingswaarden liggen op of boven de grenswaarden nieuw gevormd sediment en op of onder de interventiewaarden waterbodem. (bron: WSV-info, aangepast / Aquo) <br/>
<br/>
Waarde die aan de normwaarde getoetst wordt (bijvoorbeeld 90-percentiel van de in een jaar gemeten concentratie). (bron: DIV) +
In het geval van wegenbeheer is er sprake van een CROW-norm. (bron: GW'96 / Aquo / DIV) +
(bron: DBW / Aquo / DIV) +
Bijvoorbeeld 90-percentiel van de in een jaar gemeten concentratie. (bron: Aquo / DIV) +
Een fout die niet door een functie kan worden beschreven, (ofwel waarvan de waarde statistisch onafhankelijk is van voorgaande of latere waarden.) De kansverdeling van deze variabele wordt beschreven door een willekeurige, begrensde functie. De toevallige fout wordt (meestal) beschreven door de standaard deviatie. (bron: Aquo)
Bij toevallige fouten is de gemiddelde fout nul. Bij voldoende waarnemingen zullen deze fouten zich volgens de normale verdeling rond de werkelijke waarde, de verwachting μ, vormen.
Hierbij geldt dat bij meer metingen de normale verdeling steeds beter gevolgd gaat worden en dat het gemiddelde de werkelijke waarde steeds beter benadert. Doordat veel waarnemingen afgerond worden, zal er ook sprake zijn van een uniforme verdeling. (bron: Wikipedia) +
(bron: GW art. 133 - Waterstaatswet 1900 S.176) / Verwijzend en verklarend juridisch woordenboek, N.E. Algra en H.R.W. Gokkel, 1995 / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De door de Kroon uit te oefenen controle op de behartiging van de waterstaatszorg (incl. het provinciale toezicht). (bron: DIV) +
(https://webuildapps.com/definition/tool) <br/>
<br/>
Softwaregereedschap. Een tool is vaak een klein programma voor het uitvoeren van algemene taken. (https://www.encyclo.nl/lokaal/10230) <br/>
<br/>
Gereedschap. Middelen waarmee je de bewerkingen uitvoert. Gewoonlijk altijd bediend met de muis. De muispijl kan verschillende vormen aannemen, bijvoorbeeld een potloodje, een gummetje, een luidsprekertje of een nootje. Dat zijn allemaal verschillende tools. (https://www.encyclo.nl/lokaal/10272) <br/>
<br/>
Een tool is vaak een klein programma voor het uitvoeren van vaak terugkerende taken. Bijvoorbeeld in reporttool: een programma waarmee op een gemakkelijke manier overzichten uit een database kunnen worden gemaakt. (bron: Ensie) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
(bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/>
<br/>
Op waterkeringen wordt de deklaag, ook wel toplaag genoemd, vooral gebruikt om de slijtweerstand van de waterkering te verbeteren. <br/>
<br/>
Het betreft een overkoepelend object met enkele algemene attributen die gelden voor elk type toplaag. Daarnaast is het object Toplaag een specialisatie van bekledingslaag, waardoor het zodoende naast de eigen attributen ook alle attributen van bekledingslaag bevat. Elk object dat een type toplaag beschrijft (bijvoorbeeld ToplaagAsfalt) erft zowel de attributen van bekledingslaag als van Toplaag. <br/>
<br/>
In onderstaande afbeelding staat de afbakening in dwarsrichting van een aantal bekledingconstructies met verschillende type toplagen. (Bron: DAMO begrippen) +
(Bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/>
<br/>
Toplaag asfalt is een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. toplaag asfalt erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. ToplaagBetonbekleding erft de attributen van Toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. toplaag gras erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag losgestort materiaal erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag steenzetting erft de attributen van toplaag. (bron: DAMO) +
Een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag verpakte bekleding erft de attributen van Toplaag. (Bron: DAMO) +
Voorbeelden hiervan zijn: Het lijnenwerk op (een elektronische representatie van) een landkaart. Beschrijving van hoogteligging en -verdeling ten opzichte van een referentievlak. (bron: RWS, 1997: themagroep Geografie/Watersystemen / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het lijnenwerk op (een elektronische representatie van) een landkaart. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Beschrijving van hoogteligging en -verdeling ten opzichte van een referentievlak. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Topografie (uit het Grieks, letterlijk "plaatsbeschrijving") is de studie van de beschrijving van kenmerken van plaatsen en gebieden. Tot de topografie behoort ook de studie van de ligging en de namen van plaatsen, wateren, bergen, streken, landen, en andere geografische vormen. Het woord topografie komt uit het Oudgrieks (τόπος topos, plaats, plek; γράφειν graphein = schrijven, beschrijving).
Wordt gebruikt voor het nauwkeurig, grafisch in kaart brengen van natuurlijke en door de mens gemaakte landschapselementen van een specifiek verstedelijkt gebied, stuk land of andere plaats, met name om hun ligging ten opzichte van elkaar en hun hoogte te laten zien. Gebruik 'topografie (kenmerk)' voor de reliëfelementen of de oppervlaktekenmerken van een plaats of object, waaronder natuurlijke en door de mens gecreëerde elementen.
Het belang van topografie is in de moderne geografiebeoefening sterk afgenomen, omdat bijna alle plaatsen eenvoudig opgezocht kunnen worden met een gedetailleerde atlas of computerprogramma. Het belang van bezit van parate kennis is verschoven naar de vaardigheid het te kunnen opzoeken.
De werkelijke waarde van topografische kennis is niet alleen het weten waar een stad of rivier ligt. De waarde van de topografie schuilt in het vormen van een juiste mentale kaart van een gebied. Men dient bij de topografie niet op de absolute maar de relatieve ligging of afstand te wijzen. De relatieve ligging van een plaats is de ligging ten opzichte van een andere plaats. Een relatieve afstand wordt uitgedrukt in de tijd, geld en/of moeite om die afstand te overbruggen.
Topografie is om de volgende redenen nog van belang:
* Zonder topografie kan men in feite geen geografie bedrijven. In de geografie is de basisvraag immers "waar is het en waarom is het daar?" De nadruk in het thematisch geografieonderwijs ligt vooral op het waarom daar?, maar die vraag krijgt pas zin na het antwoord op de vraag waar?.
* Topografie is een symbolische taal, een systeem dat zich manifesteert in een landkaart. Door de studie van de topografie wordt de leerling getraind in rangschikking en associatie.
* Topografie is nuttig en noodzakelijk in het dagelijkse leven. Als er iets in China gebeurt, moet men een idee hebben of het ver weg is gelegen of juist dichtbij.
* Een basiskennis van de topografie bevordert het inzicht in feiten en gebeurtenissen die met elkaar samenhangen in de ruimte. <br/>
De keuze van plaatsen die geleerd moeten worden, wordt bepaald aan de hand van geografische en didactische criteria. Voorbeelden van geografische criteria zijn:
* het aantal inwoners (grote steden wel, kleine dorpjes niet),
* de geografische afstand tot de plaats (een stad van 200.000 inwoners in China niet, een kleine stad in de eigen provincie wel),
* het politieke, historische, of economische belang van de plaats (bijvoorbeeld hoofdsteden, historische machtscentra). <br/>
Voorbeelden van didactische criteria zijn:
* beperking van de selectie tot een aantal dat in redelijke tijd te leren is.
* het selecteren van plaatsen die horen bij een bepaald thema, waaraan speciale aandacht wordt besteed, bijvoorbeeld "kolonisatie", of een bepaald werelddeel. (bron: WIkipedia)
Een topografische kaart is dus voor algemeen gebruik bedoeld, in tegenstelling tot een thematische kaart. In principe kan in iedere schaal een topografische kaart gemaakt worden, maar meestal gaat het om kaarten in de schaal 1:50.000 of 1:25.000. In het dagelijks taalgebruik duidt men dit soort kaarten ook wel aan met de (ietwat verouderde) term stafkaart. De kleur van een vlak kan eveneens als symbool worden aangemerkt, daar zij informatie over de terreingesteldheid geeft.
Om alle informatie op schaal weer te geven is een schaal van 1:25.000 of gedetailleerder nodig. Op deze schaal kan een weg nog net op schaal worden weergegeven (een weg van 2,5 m breed wordt 0,1 mm breed afgebeeld). Bij 1:50.000 en kleinere schalen moeten concessies worden gedaan. Wegen worden dan breder (dus niet op schaal) afgebeeld en objecten zoals gebouwen aan de weg worden daarvoor iets verschoven afgebeeld. Om de kaart leesbaar te houden worden kleinere wegen en andere details weggelaten (zie generalisatie).
Door de keuze van de schaal en van de kaartprojectie is de vervorming op topografische kaarten klein: in alle richtingen is de schaal gelijk, de hoeken die je op de kaart meet komen overeen met die in het veld en ook de vorm van de afgebeelde percelen is correct (hoekgetrouwe projectie).
Om een kaart leesbaar en overzichtelijk te houden worden er voor de afbeelding van bijzondere objecten, terreinkenmerken en bestuurlijke grenzen symbolen gebruikt. Enkele voorbeelden: wegwijzers, gemeentehuis, hunebedden, taludlijnen, bruggen, torens, hoogtelijnen, gemeentegrenzen.
De kleur van een vlak kan eveneens als symbool worden aangemerkt, daar zij informatie over de terreingesteldheid geeft. Paars kan op een kaart bijvoorbeeld een heideveld aangeven, terwijl de heide slechts enkele weken per jaar paars bloeit. Gebruikelijke keuzes voor de kleuren zijn groen voor bos, geel voor zand, blauw voor water en rood of zwart voor bebouwing.
Afhankelijk van de uitgever kunnen er andere kleuren en symbolen worden gebruikt, daarom is er een verklaring van gebruikte tekens (legenda) opgenomen.
(Bron: Wikipedia)
Met topologische regels kun je controleren of een duiker op een watergang ligt of dat een stuw op het einde van een watergang ligt maar ook op de begrenzing van een peilgebied ligt.
De topologie is een uitgroeisel van de meetkunde, maar anders dan de meetkunde, houdt de topologie zich niet bezig met metrische eigenschappen zoals de afstand tussen punten, maar met eigenschappen die beschrijven hoe een ruimte is samengesteld, zoals samenhang en oriëntatie.
Het woord topologie wordt zowel gebruikt om het studiegebied zelf aan te duiden, als voor de familie van verzamelingen die bepaalde eigenschappen beschrijft die worden gebruikt om een topologische ruimte te definiëren (het basisobject van de topologie). Van bijzonder belang in de studie van de topologie zijn de vervormingen die homeomorfismen worden genoemd. Informeel kunnen deze functies worden gezien als functies die de ruimte uitrekken zonder deze echter te scheuren of verschillende delen samen te plakken. Een meer abstracte notie van een vervorming is een homotopische equivalentie, een begrip dat ook een fundamentele rol speelt.
Toen de discipline aan het eind van de 19de eeuw ontstond, noemde men de topologie aanvankelijk geometria situs (Latijn: meetkunde van plaats) en analysis situs (Latijn: analyse van plaats). Topologie is intussen een grote tak van de wiskunde, die op zijn beurt weer vele deelgebieden kent. Van ongeveer 1925 tot 1975 kende de topologie een bloeiperiode en was zij een belangrijk groeigebied in de wiskunde.
De meest basale en traditionele verdeling binnen de topologie is de driedeling tussen
de point-set topologie, die de fundamenten van de topologie neerzet en concepten zoals compactheid en samenhangendheid onderzoekt;
de algebraïsche topologie, die algemeen gesteld probeert om de graden van samenhang te meten, en die daar gebruikmaakt van algebraïsche constructies, zoals homotopiegroepen en homologie en ten slotte
de meetkundige topologie, die in de eerste plaats variëteiten en hun inbedding in andere variëteiten bestudeert.
Een voorbeeld van topologisch editen is het tegelijkertijd verplaatsen van de begrenzing van 2 peilgebieden die een gemeenschappelijke geometrie bevatten. +
De topologie in termen van verbindingen verandert meestal niet als de posities van de items veranderen. +
Dit gaat over de relatie die verschillende vlakken met elkaar hebben. Deze vlakken kunnen onderdeel zijn van dezelfde geometrie (één attribuutwaarde) of van verschillende geometrieën (meerdere attribuutwaarden). Er zijn verschillende interpretaties bij topologische consistentie, waarbij bijvoorbeeld zelf-intersecties of onnodige slivers soms als onderdeel van geometrische correctheid worden gezien en soms als onderdeel van topologische consistentie. (bron: ArchiXL) +
(bron: CHO (544) / Aquo / DIV) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Denk aan aandrijfas van een voertuig, of aan een boring naar olie of gas. De boorkop bevindt zich honderden meters of kilometers onder de grond en hij wordt aangedreven via een lange pijp. Deze pijp ondervindt torsie. Torsie vervormt de pijp, zodat de boorkop ettelijke omwentelingen achter kan lopen op zijn aandrijfmechanisme. Torsie kan ontbonden worden in schuifkrachten, waarbij de schuifkracht toeneemt naarmate het verder is verwijderd van het zwaartepunt van het profiel. Bij een gelijke hoeveelheid materiaal per meter (ofwel een gelijk gewicht per meter) is een holle staaf daarom veel beter in staat om torsie op te nemen dan een massieve staaf. +
(bron: Aquo / DIV) +
(bron: Aquo / DIV) +
(bron: Westhof & den Held, 1975. / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo) +
Stof die, reeds in een relatief kleine hoeveelheid toegediend of ingenomen, de levensfuncties ernstig verstoort of zelfs de dood teweegbrengt. Elk vergif afkomstig van een plant (fytotoxine) of een dier (zoötoxine). (bron: Marechal, P., Gegevenswoordenboek Ecologie, Reaal Uitgevers, Lisse, 1991 / NEN 6599 / Aquo) <br/>
<br/>
Specifiek giftige stof. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een vergif (ook wel vergift of gif) is een stof die in kleine hoeveelheden een schadelijke invloed heeft op een organisme. Het begrip wordt vooral op chemische verbindingen toegepast.
Het eerste basisprincipe van de toxicologie is dat vrijwel iedere stof, die in overmaat aanwezig is, schadelijk (en dus niet giftig!) kan zijn.
Dosis sola facit venenum (alleen de hoeveelheid maakt het vergif) zei Paracelsus al in de 16e eeuw.
De keerzijde hiervan is dat er voor iedere (giftige) stof ook een drempelwaarde te vinden is waarbij het nadelig effect op het organisme aantoonbaar is. De giftigheid van een stof hangt niet alleen af van de drempelwaarde, maar ook van de sterkte van de effecten.
Er zijn ook andere factoren, zoals de wijze van opnemen of de aggregatietoestand van de stof (kwikdamp die wordt geïnhaleerd is bijvoorbeeld veel schadelijker dan vloeibaar kwik dat wordt doorgeslikt). Bij zware metalen is de geïoniseerde vorm veel makkelijker opneembaar en dus gevaarlijker dan de elementaire vorm. Soms is de stof zelf niet of weinig giftig, maar metaboliseert het lichaam de stof in een (nog) giftiger stof. Voorbeelden hiervan zijn methanol (wordt omgezet in methanal) en chloroform (wordt omgezet in fosgeen).
Vele vergiften worden in heel lage dosering zelfs als geneesmiddel gebruikt. De toxicologie en de farmacologie zijn dan ook nauw verwante wetenschappen. Andere vergiften worden gebruikt als chemisch bestrijdingsmiddel tegen plantenziekten en plagen. Veel van de meest effectieve of gevaarlijkste vergiften zijn de neurotoxinen van biologische oorsprong, vaak als afweermiddel van een organisme tegen het opgegeten of aangevallen worden door andere organismen. Ook zijn er minerale vergiften, zoals kwik- of arseenbevattende ertsen.
In de natuur komen veel giftige planten, dieren, en bacteriën voor. Sommige diersoorten gebruiken gif om makkelijker een prooi te kunnen vangen, andere om zich tegen aanvallers (dieren) of tegen vraat (planten) te verdedigen. Giftige dieren hebben niet zelden waarschuwende, felle ('aposematische') kleuren. (bron: Wikipedia)
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een vergif (ook wel vergift of gif) is een stof die in kleine hoeveelheden een schadelijke invloed heeft op een organisme. Het begrip wordt vooral op chemische verbindingen toegepast.
Het eerste basisprincipe van de toxicologie is dat vrijwel iedere stof, die in overmaat aanwezig is, schadelijk (en dus niet giftig!) kan zijn.
Dosis sola facit venenum (alleen de hoeveelheid maakt het vergif) zei Paracelsus al in de 16e eeuw.
De keerzijde hiervan is dat er voor iedere (giftige) stof ook een drempelwaarde te vinden is waarbij het nadelig effect op het organisme aantoonbaar is. De giftigheid van een stof hangt niet alleen af van de drempelwaarde, maar ook van de sterkte van de effecten.
Er zijn ook andere factoren, zoals de wijze van opnemen of de aggregatietoestand van de stof (kwikdamp die wordt geïnhaleerd is bijvoorbeeld veel schadelijker dan vloeibaar kwik dat wordt doorgeslikt). Bij zware metalen is de geïoniseerde vorm veel makkelijker opneembaar en dus gevaarlijker dan de elementaire vorm. Soms is de stof zelf niet of weinig giftig, maar metaboliseert het lichaam de stof in een (nog) giftiger stof. Voorbeelden hiervan zijn methanol (wordt omgezet in methanal) en chloroform (wordt omgezet in fosgeen).
Vele vergiften worden in heel lage dosering zelfs als geneesmiddel gebruikt. De toxicologie en de farmacologie zijn dan ook nauw verwante wetenschappen. Andere vergiften worden gebruikt als chemisch bestrijdingsmiddel tegen plantenziekten en plagen. Veel van de meest effectieve of gevaarlijkste vergiften zijn de neurotoxinen van biologische oorsprong, vaak als afweermiddel van een organisme tegen het opgegeten of aangevallen worden door andere organismen. Ook zijn er minerale vergiften, zoals kwik- of arseenbevattende ertsen.
In de natuur komen veel giftige planten, dieren, en bacteriën voor. Sommige diersoorten gebruiken gif om makkelijker een prooi te kunnen vangen, andere om zich tegen aanvallers (dieren) of tegen vraat (planten) te verdedigen. Giftige dieren hebben niet zelden waarschuwende, felle ('aposematische') kleuren.
Vergiften kunnen op verschillende manieren werkzaam zijn. Ze kunnen het zuurstoftransport blokkeren (blauwzuur, koolstofmonoxide), of bepaalde zenuwen verlammen door neurotransmitters na te bootsen of juist te blokkeren. Zware metalen kunnen enzymen blokkeren waardoor deze onwerkzaam worden. Halogenen reageren vrijwel met iedere stof in het lichaam. Natriumhydroxide breekt vrijwel iedere vetachtige verbinding af in zijn componenten. Zelfs water kan in hoge doses schadelijk of zelfs dodelijk zijn. De schadelijke werking van water is gebaseerd op de verstoring van de osmotische waarde van het bloed, waardoor de rode bloedcellen kapotgaan en kalium vrijkomt dat het hart ontregelt. Ieder vergif is gebaseerd op de ontregeling van een chemisch proces in het lichaam.
Verder reageren sommige diersoorten anders op bepaalde stoffen dan andere. Zo kunnen stoffen die voor de mens nauwelijks giftig zijn dodelijk zijn voor sommige dieren, en vice versa. Theobromine, dat in chocola zit, kan dodelijk zijn voor honden. Bepaalde organo-tinverbindingen zijn nauwelijks giftig voor mensen, maar zeer giftig voor micro-organismen. Op zeeslakken hebben deze stoffen weer een ander effect: het verstoort hun hormoonhuishouding. Door bioaccumulatie kunnen sommige schadelijke stoffen zich via de voedselketen ophopen in de organismen hoog in de voedselketens, inclusief de mens. Meestal betreft dit verontreinigingen met zware metalen door menselijk handelen, maar ook gechloreerde koolstofverbindingen zoals DDT zijn hierom berucht. (bron: Wikipedia)
Dit is het traagheidsprincipe, overeenkomend met het ervaringsfeit dat een voorwerp het traject gaat volgen van de minste actie. De bijbehorende beweging -zonder dat er een resulterende kracht op een voorwerp wordt uitgeoefend- heet een traagheidsbeweging.
Anders gesteld: de totale impuls (de hoeveelheid beweging, massa maal snelheid) van een systeem kan niet veranderen, tenzij er een externe kracht op inwerkt, waardoor er arbeid wordt verricht die een verplaatsing of rotatie van het voorwerp tot gevolg heeft.
Een ander woord voor traagheid is inertie.
Om de traagheidsbeweging van een voorwerp te veranderen is een kracht nodig. Daarbij manifesteert traagheid zich als een optredende weerstand tegen die verandering. Traagheid is een aspect van de massa van een object.
Ronddraaiende voorwerpen hebben de eigenschap dat ze hun "hoeveelheid draaiing" behouden, zie daarvoor "Traagheidsmoment". (bron: Wikipedia) +
Dit gaat vooral over het beschikbaar zijn van informatie over de herkomst en totstandkoming van data. Dit wordt ook wel 'data provenance' of 'data lineage' genoemd. Het vraagt een audit trail waarin dergelijke data beschikbaar zijn. In tegenstelling tot een meer algemene audit trail is deze onderdeel van de data zelf. Het detailniveau van de audit trail is op het niveau van handelingen van subjecten. (bron: ISO/IEC 25012 / ArchiXL) +
Het waterschap maakt onderscheid in de volgende tracties.
T0: transportmiddelen <br/>
T1: breedspoor tractor + dumper etc. <br/>
T2: breedspoor tractor + aanbouw <br/>
T3: breedspoor tractor + wiel- en rupskraan en shovel (los) <br/>
T4: smalspoor rupskraan + dieplader + tractor <br/>
T5: breedspoor rupskraan + dieplader + tractor <br/>
T6: smalspoor tractor + dumper etc. <br/>
T7: smalspoor tractor + aanbouw <br/>
T8: maaiboot, veegboot, amfibievoertuig <br/>
<br/>
Tractie is mechanische trekkracht om iets in beweging te brengen. Het woord wordt vaak gebruikt voor de aandrijving van spoorvoertuigen en tractoren.
Het object dat de tractie teweegbrengt wordt eveneens tractie genoemd, zoals een tractor.
<br/>
Overbrenging van de ronddraaiende beweging van de aangedreven wielen op het wegdek of rails. +
Tractors worden binnen het waterschap veel gebruikt voor onderhouds- en beheertaken in het veld, zoals maaien, baggeren, transport van materialen en werkzaamheden langs watergangen, dijken en onderhoudsstroken. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een tractor of trekker is een voertuig dat speciaal is ontwikkeld voor gebruik in de landbouw, maar nu ook voor andere doeleinden wordt gebruikt. (bron: Cultureel erfgoed.nl) <br/>
<br/>
Het woord tractor (afgeleid van het Latijnse trahere, dat "trekken" betekent) is een algemene omschrijving voor een voertuig dat een passief voorwerp dat geen eigen aandrijving heeft, kan trekken, duwen of slepen. In de geïndustrialiseerde wereld heeft de tractor de rol van trekdieren in het boerenbedrijf en elders vrijwel volledig overgenomen. In Nederland wordt voornamelijk trekker gebruikt, in België is tractor meer gangbaar. (bron: Wikipedia) +
Afgebakende aslijn van een weg, spoorweg of waterweg. (bron: Woordgebruik bij Waterschappen, C. Euser, Heemraad Waterschap Ijsselmonde, 1985 / Aquo / DIV) +
(bron: NPR 4768 / ABDL) +
Een normale trailerhelling is een helling die gemaakt is van beton, staal, steen of zelfs hout. Het getij kan de bruikbaarheid van een trailerhelling beïnvloeden. Tenzij de helling bij zowel eb als vloed onder water ligt.
Als een trailerhelling wordt gebruikt voor het bouwen en repareren van kleine schepen (schepen die niet zwaarder zijn dan 300 ton) wordt er gebruikgemaakt van een dragend voorwerp op wielen waarop de boot wordt gedragen. Deze loopt de helling af totdat de boot in het water ligt en geheel van de trailerhelling is losgekomen.
Bij recreatief gebruik van een trailerhelling staat de boot vaak op een trailer. De trailer wordt hierbij via de helling gedeeltelijk het water in gereden, zodat de boot langzaam het water in kan. Bij het uit het water halen van een boot wordt een lier gebruikt. (bron: Wikipedia) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Een bekende transitie uit het verleden was de energietransitie van steenkool naar aardgas als belangrijkste energiedrager. Dit vergde systeeminnovaties voor aardgaswinning en distributie, woningbouw en de ontwikkeling van (huishoudelijke) apparatuur. Destijds leek het onvoorstelbaar dat steenkool niet langer gebruikt zou worden en dat aardgas de toekomst zou worden. Andere transities waren de overgang van een industriële economie naar een diensteneconomie, en de demografische transitie van een hoog naar een laag sterfte- en geboortecijfer in West-Europa tussen 1750 en 1960.
In de huidige maatschappij worstelen diverse sectoren en domeinen - landbouw, verkeer en vervoer, waterbeheer, energievoorziening, bouwsector en gezondheidszorg - met hardnekkige, langslepende problemen van 'onduurzaamheid' die alleen door middel van transities op te lossen lijken te zijn. Voor het bewerkstelligen van die transities zijn tal van samenhangende 'systeeminnovaties' nodig: vernieuwingen op het niveau van technologieën, regels en organisatievormen. Transities duren vaak lang, tot zelfs meerdere generaties, en vergen de steun en inzet van bedrijven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en burgers, als onderdelen van maatschappelijke netwerken. De afgelopen jaren is men zowel wetenschappelijk als in het beleid druk bezig met experimenten met nieuwe vormen van sturing speciaal gericht op deze transities naar duurzaamheid, onder de noemer transitiemanagement. Ook vanuit de maatschappij worden diverse initiatieven ontplooid. Voorbeelden daarvan zijn de lokale gemeenschappen die onder de noemer van Transitiestad (Transition town) zelf aan de slag gaan om hun manier van wonen, werken en leven duurzamer te maken.
Omdat transities structurele veranderingen zijn die een grote impact op de samenleving hebben, veronderstellen ze ook de nodige tijd om die verandering te kunnen laten plaatsvinden. Als die tijd niet beschikbaar is, en de verandering dus op korte tijd moet plaatsvinden, dan gaat ze gepaard met grote overgangsmoeilijkheden. We spreken dan eerder over een revolutie. Schrijver en activist Rob Hopkins spreekt daarom over de nood om de verandering tijdig voor te bereiden. Hij stelt dat de maatschappij de keuze heeft om kiezen voor een transitie, waarbij de samenleving zich gedurende 1 à 2 decennia voorbereidt op een toekomst met bijvoorbeeld minder energievoorzieningen. Indien we ons hierop niet voorbereiden, en de transitie haar tijd dus niet gunnen, zal er eerder sprake zijn van een revolutie. De verandering wordt dan op een niet-comfortabele en vaak gewelddadige wijze door externe factoren opgedrongen. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Transitie verwijst naar een proces van verandering, overgang of overgang van de ene toestand naar de andere. Het kan betrekking hebben op verschillende aspecten van het leven, zoals persoonlijke groei, carrièreverandering, maatschappelijke ontwikkeling of zelfs klimaatverandering. Transitie impliceert vaak dat er aanpassingen, aanpassingen en nieuwe manieren van denken en handelen nodig zijn om de gewenste verandering te bereiken. Het kan een uitdagende maar ook een waardevolle periode zijn, waarin nieuwe mogelijkheden en perspectieven kunnen ontstaan. (bron: HEA)
Een verplaatsing van een puntmassa is altijd een translatie, omdat alle punten van dat voorwerp (hier de puntmassa) samenvallen met die ene puntmassa. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Een translatie (in de meetkunde) is een zuivere verschuiving, zonder een rotatie. Meetkundig is een translatie een affiene transformatie waarbij ieder punt van het vlak of de ruimte over dezelfde vector wordt verschoven, dat houdt in over dezelfde afstand in een gespecificeerde richting. +
Lopende golf, waarbij de waterdeeltjes gedurende het passeren van de golf ofwel uitsluitend voorwaarts dan wel uitsluitend achterwaarts bewegen en niet terugkeren. <br/>
voorbeeld: <br/>
* de golven die zich voordoen in kanaalpanden tengevolge van het schutten - bij het vullen van de sluiskolk een negatieve golf in het bovenpand, bij het ledigen een positieve golf in het benedenpand. (bron: CHO (565) / Aquo / DIV) +
Planten nemen het water in vloeibare vorm op via de wortels en verliezen water in gasvormige toestand langs de huidmondjes (stomata) op de bladeren. Een klein deel van het water (ongeveer 1%) dat door de wortels van de plant wordt opgenomen blijft in de plant. De rest van het water transpireert vanaf de bladeren in de atmosfeer. De grootte van transpiratie hangt af van de luchtvochtigheid en van de regulatie door de huidmondjes, die kunnen opengaan en sluiten.
De evaporatie en de transpiratie samen vormen de evapotranspiratie van een vegetatie. +
(bron: (AAT-Ned) / CHT)
<br/>
Van de ene plaats naar de andere brengen. (bron: Woordenboek.org) +
[NEN 3300:1996] Riool hoofdzakelijk bestemd voor het transport van afvalwater. +
Deze entiteit bevat de subentiteiten AFVALWATERTRANSPORTWERK en RIOLERINGSELEMENT en is zelf onderdeel van de superentiteit ZUIVERINGSINFRASTRUCTUUR. (Bron: Aquo) +
(bron: Wijk, J van der, Taal van het Water / Aquo) +
Een voorwerp waaraan wordt getrokken, wordt niet alleen langer, maar ook dunner. Dit verschijnsel wordt dwarscontractie genoemd. Een hangbrug is een succesvol brugtype voor bruggen, omdat het gewicht opgevangen kan worden met trekspanning. Omdat bij trekspanning geen rekening gehouden hoeft te worden met knik kan het materiaal tot zijn maximum sterkte (met inachtneming van een veiligheidsfactor) belast worden. +
Trillen of "intrillen" is zowel van toepassing voor stalen als betonnen damwandprofielen.
De in Nederland meest toegepaste techniek voor het inbrengen en verwijderen van stalen damwanden is trillen met behulp van een trilblok.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen elektrisch en hydraulisch aangedreven trilblokken.
De afgelopen jaren zijn hoogfrequente en variabel moment trilblokken ontwikkeld, die trillingsoverlast in de directe omgeving sterk reduceren. Een nadeel is dat deze trilblokken niet bij alle grondsoorten inzetbaar zijn. Trillingshinder voor belendingen kan een belemmerende factor zijn.
Vergelijkbaar met trillen is het "resoneren": de damwand (of buis of paal) wordt in trilling gebracht door een oscillerende cilinder die de damwand in eigenfrequentie brengt. Grootste voordelen van de Resonator van de Dieseko Group is dat de grond zo goed als trillingsvrij en dat het weinig energie kost om de damwand in de grond te brengen. (bron: Joost de Vree.nl) <br/>
<br/>
Trillen (in Vlaanderen soms ook trilheien genoemd) is een alternatieve heimethode waarbij men met een trilblok een funderingspaal of damwand in trilling brengt. Hierdoor verliest de onderliggende grond zijn draagkracht en zakt onder het gewicht van het trilblok en het eigen gewicht van de paal de grond in.
Trillen is ook een verdichtingsmethode om een dichtere pakking van mengsels te krijgen door middel van een trilplaat of trilstamper. Bijvoorbeeld toe te passen bij de aanleg van straatwerk waarbij het zandpakket wordt verdicht, zodat de tegels of straatstenen niet verzakken. Het trillen van beton, om luchtbelinsluiting te voorkomen. (bron: Wikipedia) +
Een trilplaat wordt hoofdzakelijk gebruikt om een dichtere pakking van mengsels te krijgen. Bij grote oppervlakten wordt daarvoor meestal een wals gebruikt. Men kan de trilplaat gebruiken bij de aanleg van een weg, een stoep zodat de tegels niet verzakken, aantrillen van bestrating of het trillen van beton, om luchtbelinsluiting te voorkomen. Een trilplaat wordt dan door een motor aangedreven. De meest basale trilplaat is een sleeptriller, deze kan enkel vooruit. Om het gebruiksgemak te verhogen is er de geschakelde trilplaat die zowel vooruit als achteruit kan. Dit wordt met name gebruikt voor de 'zwaardere' trilplaten.
Voor het aftrillen van straatwerk levert de sleeptriller een mooier resultaat dan de geschakelde trilplaat. Dit heeft te maken met de manier van voortbewegen omdat het onbalansgewicht bij een sleeptriller voor in de machine zit.
Een veel gebruikte manier om trilplaten met elkaar te vergelijken is slagkracht. Deze is afhankelijk van de combinatie tussen eigen gewicht, massa van onbalansgewicht(en) en trilfrequentie. +
(bron: NH / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De troebelheid of turbiditeit van een vloeistof, is de mate waarin kleine deeltjes in die vloeistof het licht dat erdoor valt verstrooien, zodat die vloeistof ondoorzichtig wordt. Troebelheid is daarmee het omgekeerde van helderheid. Suspensies en emulsies kunnen troebel zijn.
Troebelheid wordt meestal beïnvloed door onopgeloste zwevende deeltjes die te klein zijn om waar te worden genomen zonder vergroting, maar wel variëren in deeltjesdiameter. Ditzelfde geldt ook voor rook in de lucht, die eveneens bestaat uit zwevende deeltjes, maar dan in een gas(mengsel).
Wanneer de grootte of eigenlijk dichtheid van de deeltjes, groter is dan die van water zullen ze uiteindelijk naar de bodem zinken, wanneer de vloeistof een bepaalde tijd ergens stil staat. Als de dichtheid van de deeltjes nagenoeg gelijk is aan de dichtheid van de vloeistof zelf, of de deeltjes zijn coloïdaal dan blijven de deeltjes ergens in de vloeistof zweven.
De eenheid waarin de troebelheid wordt uitgedrukt is de Nephelometric Turbidity Unit (NTU) of Jackson Turbidity Unit (JTU). De troebelheid kan ook gemeten worden in absorptie-eenheden.
Bij celkweekexperimenten is de troebelheid een maat voor de concentratie van cellen. Bij deze experimenten wordt vaak gebruikgemaakt van de OD600, waarbij OD staat voor optische dichtheid (eigenlijk identiek aan de absorptie; niet te verwarren met optische dichtheid als synoniem voor brekingsindex) en 600 voor 600 nanometer, de golflengte waarbij doorgaans wordt gemeten. Andere golflengtes kunnen ook gebruikt worden. (bron: Wikipedia) +
(bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Het begrip wordt veelal in combinatie met 'saprobie' gebruikt: saprobie slaat dan op voeding met organische stof (voor heterotrofe organismen). (bron: GR, 1989. / Aquo) <br/>
<br/>
Voeding (meestal verstaat met hieronder de voeding van primaire producenten (algen, planten) met nutriënten als stikstof, fosfor of silicium). (bron: DIV) +
Binnen de trofie is er een schaalverdeling.
Vaak wordt de trofiegraad samen met de saprobie (de hoeveelheid afbreekbaar organische stof) gebruikt voor de beoordeling van een water-ecosysteem.
Voor zoet oppervlaktewater is er een indeling in enkele categorieën voor de voedselrijdom in oligotroof, mesotroof, eutroof en hypertroof water.
* Oligotroof oppervlaktewater bevat weinig voedingsstoffen (nutriënten) en er zal weinig plantengroei en algengroei plaatsvinden. Het water is helder en na de zomer is de verzadiging met zuurstof 70%.
* Mesotroof oppervlaktewater bevat meer nutriënten dan oligotroof water. Het water is nog steeds helder. In het water groeit echter wel fytoplankton. Na de zomer is de verzadiging met zuurstof 30 tot 70%.
* Eutroof oppervlaktewater is rijk aan nutriënten, bijvoorbeeld fosfaten. Hierdoor kan fytoplankton zich sterker vermeerderen. De transparantie van het water neemt hierdoor af. In het hypolimnion van het water bevindt zich nauwelijks zuurstof. Het epilimnion is oververzadigd met zuurstof door de fotosynthese van de algen en waterplanten.
* In hypertroof (of polytroof) oppervlaktewater is in de zomer door de algengroei de zuurstofvoorraad grotendeels verbruikt. Door het lage zuurstofgehalte treedt er vaak vissterfte op. +
(bron: Aquo / DIV) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De troposfeer is de onderste laag van de dampkring en bevat ongeveer 80% van de totale massa aan lucht. De meeste meteorologische verschijnselen vinden in dit deel van de atmosfeer plaats.
De troposfeer reikt boven tropische gebieden tot een hoogte van 16 tot 18 km. Boven de polen gaat hij na slechts 6 km via de tropopauze over in de stratosfeer.
De term troposfeer is afgeleid van het Griekse woord "tropos", dat staat voor bewegen of mengen. Deze regio, die constant in beweging is, heeft de hoogste dichtheid. De troposfeer bestaat voornamelijk uit stikstofgas en zuurstofgas en wordt onderscheiden door twee verschillende luchtlagen. Onmiddellijk boven het aardoppervlak bevindt zich de planetaire grenslaag (Engels: planetary boundary layer), pas daarboven begint de zogenoemde vrije atmosfeer. In de planetaire grenslaag ontstaan specifieke meteorologische verschijnselen door atmosferische wrijving met het aardoppervlak. De luchtstromen in deze onderste laag van de troposfeer wijken daardoor sterk af van de veel meer in geostrofisch evenwicht heersende stroming die zich daarboven bevindt.
Het verschil in luchttemperatuur in deze laag is groot in vergelijking met de andere lagen. Op zeeniveau ongeveer 17 °C tot −52 °C bij het begin van de tropopauze. De oorzaak van dat temperatuurverloop is het broeikaseffect. De aarde zendt aardse straling uit. Terwijl de inkomende zonnestraling een korte golflengte heeft, is de uitgaande aardse straling langgolfig (infrarood). Dit komt doordat de temperatuur van de aarde lager is dan die van de zon. De atmosfeer absorbeert langgolvige straling beter dan kortgolvige, zodat de opwarming van de atmosfeer vooral via het aardoppervlak plaatsvindt. Van de uitgaande straling wordt 82% geabsorbeerd door de broeikasgassen in de atmosfeer. Daardoor is de gemiddelde temperatuur op aarde niet −18°C, maar 15°C.
Hoe hoger in de atmosfeer, hoe minder van die straling doordringt en geabsorbeerd kan worden en dus hoe kouder. De verticale temperatuurgradiënt in de troposfeer neemt gemiddeld 6,5 °C per km af. Er komen echter tropopauzebreuken voor met een ander temperatuurverloop. Dit is het geval bij de straalstromen. In de tropopauze stijgt of daalt de temperatuur nauwelijks. Dit is de scheidslijn met de stratosfeer. Hier neemt de temperatuur toe met de hoogte.
In de troposfeer is er een relatief hoog waterdampgehalte. Vrijwel alle waterdamp in de atmosfeer bevindt zich in deze onderste laag. Daardoor komt vooral in deze laag bewolking en neerslag voor. Door het hoge waterdampgehalte is er veel turbulentie en door de veelvuldige instabiliteit van de troposfeer is er veel convectie. Er is daardoor een sterke menging, zodat de lucht geen kans krijgt om zich te scheiden in de zwaardere en lichtere bestanddelen. Daarmee is de troposfeer het onderste deel van de homosfeer. (bron: Wikipedia)
Een true ortho foto kan alleen gemaakt worden indien er met een overlap van 80%-60% wordt gevlogen.
In tegenstelling tot het truepixeelproduct bevat de true otho geen gaten.
True Orthofoto.
De True Orthofoto wordt opgenomen met een hoge voorwaartse en zijwaartse overlap. Deze extra opgenomen data wordt vervolgens door specifieke camera-software zodanig bewerkt dat een eindproduct ontstaat waarbij de omvalling 0% bedraagt. Kort uitgelegd gaat dit als volgt: als een gebouw rechtop wordt gezet, dan ontstaat er achter het gebouw een gat waar, als het met 1 foto wordt gedaan, geen data beschikbaar is. De data was immers verscholen achter het gebouw. Dit is bij een hoog gebouw een groot gat maar ook bij kleine gebouwen is invulling nodig. Dit is de reden dat we vliegen met een hogere overlap; hierdoor kan de software data uit naastliggende foto's gebruiken om alles in te vullen. Dit werkt alleen als de inpassing zeer accuraat is.
Inpassing en nauwkeurigheid.
Een nauwkeurige inpassing wordt mogelijk gemaakt door een intensieve aero-triangulatie, gecombineerd met paspunten en INS- en GPS data. Het resultaat bestaat uit een hoge absolute en relatieve nauwkeurigheid, waardoor de luchtfoto met hoge precisie kan worden ingezet voor veel gebruiksdoeleinden en processen. De nauwkeurigheid is gelijk of beter dan 2 pixels. Bij een 5cm resolutie houdt dit een maximale onnauwkeurigheid in van 10cm.
Gebruiksdoeleinden
Om bovengenoemde redenen is het ECW product tevens geschikt en voldoet het aan de eisen om in te zetten voor kartering.Karteren met behulp van het ecw product is nu zeer goed mogelijk: door het ontbreken van de omvalling in de ecw ontstaat er een optimaal overzicht voor processen als karteren.
Hoogtemodel
Bij de True-Orthofoto wordt een hoogtemodel gegenereerd uit de luchtfoto's zelf, bovendien met een hogere dichtheid dan het AHN hoogtemodel. Deze zogenaamde "dense pointcloud" wordt vervolgens gebruikt om de orthofoto te corrigeren. Op deze manier wordt niet alleen op maaiveld gecorrigeerd maar ook objecten boven het maaiveld zoals gebouwen worden gecorrigeerd zodat iedere pixel op de juiste locatie ligt. Verticaal gezien ligt de dakgoot van een gebouw perfect recht boven de voet van het gebouw en dat is ook wat in de True Orthofoto het geval zal zijn. De omvalling in de ECW prodcuten bedraagt 0%.
Een bijkomend voordeel van het gebruik van het uit de foto's gegenereerde hoogtemodel, is dat dit exact past bij het moment van de opname. Bij het AHN is het mogelijk dat er wijzigingen in het landschap zijn geweest die wel op de nieuwe luchtfoto staan maar niet in het AHN omdat dit enkele jaren oud is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan wijzigingen aan infrastructuur of een nieuwbouwwijk etc. Overal waar hoogtes zijn aangepast na de inwindatum van het AHN, is dat bestand niet correct en als het AHN wordt gebruikt voor correctie dan zal de orthofoto ook niet correct zijn. Dit is waar het verschil tussen de orthofoto en stereofoto belangrijk is, voor kartering wordt uiteraard gebruik gemaakt van de stereofoto's en daar is geen hoogtemodel op toegepast en de kartering is daarmee onafhankelijk. De karteerder maakt ook uit de foto's zelf een hoogtecorrectie voordat de karteer werkzaamheden worden gestart.
Bestandsformaat en gebruikssoftware
True Orthofoto wordt net als de standaard Orthofoto geleverd als Stereofoto (.jpg) Geotiff (.tiff) en ECW (.ecw). Hierbij zijn ook diverse variaties mogelijk, zoals levering van .jp2000 i.p.v. .ecw en de levering van Nabij InraRood (NIR) beelden in diverse outputs.
Dit betekent dat de foto geen perspectiefvervorming heeft, wat voorkomt bij traditionele ortho luchtfoto's. Hierdoor is een true pixel luchtfoto ideaal voor nauwkeurige kartering, zoals voor de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en het beheerregister. (bron: waterschap Hunze en Aa's) +
(Bron: BOKWA / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een tunnel is een kunstmatig aangelegde onderdoorgang om tussen twee punten transport, passage of communicatie mogelijk te maken. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk onder een of meerdere wegen, spoorwegen, waterwegen en/of andere hindernissen, als ondergrondse doorgang voor verkeer, leidingen of dieren. (bron: CROW 156) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk onder een of meerdere wegen, spoorwegen, waterwegen en/of andere hindernissen, als ondergrondse doorgang voor verkeer, leidingen of dieren. (bron: RTD 1001) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk onder een of meerdere wegen, spoorwegen, waterwegen en/of andere hindernissen, als ondergrondse doorgang voor verkeer, leidingen of dieren. (bron: Stelsel RWS Basisspecificaties) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk waarmee een weg, spoorweg, waterweg of leiding door een hindernis of daar onderdoor wordt geleid. (bron: Digitaal Topografisch Bestand) <br/>
<br/>
Kunstmatig aangelegde geboorde, afgezonken of in het droge gebouwde koker of buisvormige gang onder maaiveldniveau, dat aan beide zijdes is voorzien van een open bakconstructie, met als doel om spoor- en/ of wegverkeer tussen twee punten over een grote afstand mogelijk te maken. (bron: NPR 4768) <br/>
<br/>
Kunstmatig aangelegde, koker- of buisvormige gang(gen) onder maaiveld aan beide einden voorzien van een open bakconstructie (geboord, afgezonken of in de droge gebouwd). (bron: Netwerkwerkmanagement Informatiesysteem (NIS) - Definities)
altDef: Kunstmatig aangelegde, koker- of buisvormige gang onder maaiveld. (bron: OBR Kunstwerken droog zonder kosten) <br/>
<br/>
Ondergrondse of onder water gelegen civiel-bouwkundige constructie, die onderdeel is van een (auto-, spoor- of water)weg bij kruising met een andere weg of een terreinverdieping waarbij aan beide zijden grond en/of (grond)water moet worden gekeerd en/of een overdekt gedeelde van meer dan 80 m ontstaat voor de onderdoorgaande weg. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) (bron: ABDL)
Typische voorbeelden van een turbopomp zijn de centrifugaalpomp en de pomp met axiale rotor. Turbopompen hebben typisch hoge debieten, maar lage opvoerdrukken (althans in vergelijking met zuigerpompen). De opvoerdruk is in tegenstelling tot zuigerpompen niet enkel beperkt door sterkte overwegingen, ze kan nooit groter worden dan de Eulerse opvoerdruk.
De aanduiding turbopomp wordt ook wel gebruikt voor een turbomoleculaire pomp. Deze pomp wordt gebruikt om een hoog of 'ultrahoog' vacuüm (minder dan 10−7 Pa) te bereiken. Bij zulke lage drukken werkt de gewone vloeistofdynamica niet meer, en is een beschrijving in termen van afzonderlijke gasmoleculen nodig. De turbomoleculaire pomp werkt dan ook simpel gezegd door met de schoepen deze moleculen van de ingang naar de uitgang van de pomp te 'slaan'. (bron: Wikipedia) +
(bron: CHO (503), aangepast / Aquo) <br/>
<br/>
Turbulente stroming is een stroming die zich niet gelaagd, maar in wervels verplaatst. Er vindt veel stroming loodrecht op de hoofdstroom plaats. De tegenpool van turbulente stroming is laminaire stroming.
Turbulente stroming vindt plaats bij hogere stroomsnelheden. Wordt de snelheid kleiner, dan kan het type stroming omslaan naar laminair. Het moment waarop turbulente stroming overgaat in laminaire en andersom, wordt gekarakteriseerd door het reynoldsgetal. Het reynoldsgetal hangt niet alleen af van de snelheid, maar ook van de viscositeit. In viskeuze media zoals olie is de stroming daarom bij veel hogere snelheden nog laminair dan in bijvoorbeeld water. Turbulente stroming heeft een reynoldsgetal van meer dan circa 3500. Overigens is dit geen harde grens. Door zeer voorzichtig de snelheid te verhogen in een zeer gladde geometrie lukt het soms om ook bij hogere reynoldsgetallen nog laminaire stroming te krijgen. Andersom kan bij nog hogere snelheden of ongunstige vormen loslating van de grenslaag optreden, wat veelal een verdere vergroting van de luchtweerstand of stromingsweerstand oplevert.
In het algemeen is de stromingsweerstand voor turbulente stroming groter dan voor laminaire stroming. Door de aanwezigheid van wervels is de menging in een turbulente stroming veel sterker dan in een laminaire stroming. (bron: Wikipedia) +
(bron: CHO (503), aangepast / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Turbulente stroming is een stroming die zich niet gelaagd, maar in wervels verplaatst. Er vindt veel stroming loodrecht op de hoofdstroom plaats. De tegenpool van turbulente stroming is laminaire stroming.
Turbulente stroming vindt plaats bij hogere stroomsnelheden. Wordt de snelheid kleiner, dan kan het type stroming omslaan naar laminair. Het moment waarop turbulente stroming overgaat in laminaire en andersom, wordt gekarakteriseerd door het reynoldsgetal. Het reynoldsgetal hangt niet alleen af van de snelheid, maar ook van de viscositeit. In viskeuze media zoals olie is de stroming daarom bij veel hogere snelheden nog laminair dan in bijvoorbeeld water. Turbulente stroming heeft een reynoldsgetal van meer dan circa 3500. Overigens is dit geen harde grens. Door zeer voorzichtig de snelheid te verhogen in een zeer gladde geometrie lukt het soms om ook bij hogere reynoldsgetallen nog laminaire stroming te krijgen. Andersom kan bij nog hogere snelheden of ongunstige vormen loslating van de grenslaag optreden, wat veelal een verdere vergroting van de luchtweerstand of stromingsweerstand oplevert.
In het algemeen is de stromingsweerstand voor turbulente stroming groter dan voor laminaire stroming. Door de aanwezigheid van wervels is de menging in een turbulente stroming veel sterker dan in een laminaire stroming. (bron: Wikipedia) +
Civiel werk waarin de tussengemaalpompen of tussengemaalvijzels zijn opgesteld. +
Deze term wordt uitsluitend in het kader van het bouwstoffenbeleid gebezigd. (bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo / DIV) +
Waterdiepte, de vorm van de kust en de uitmonding van rivieren kunnen invloed hebben op het gedrag van het getij. De astronomische getijcyclus van 12 uur en 25 minuten blijft hetzelfde, maar op sommige plekken kan het door deze invloeden 2 keer zo lang eb of vloed zijn. Zo is er in Hoek van Holland sprake van een dubbel laagwater bij springtij en komen in Den Helder dubbele hoogwaters voor. (bron: RWS / Aquo) +
(bron: Aquo) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
u
Stroken land langs een rivier tussen de zomer en de winterdijk. Het zijn buitendijkse gronden die in de winter, bij aanvoer van veel regenwater, onder water staan. In de zomer worden ze meestal voor beweiding gebruikt. (bron: CHO(323) / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Uiterwaarden (ook: uiterwaarde en uiterdijk) zijn gronden die gelegen zijn tussen een winterdijk en de bedding van een beek of rivier. De primaire functie van de uiterwaard is waterhuishoudkundig. Het is de ruimte die de rivier nodig heeft om tijdelijke piekafvoeren aan te kunnen. In perioden van grote waterafvoer lopen de uiterwaarden tot aan de winterdijken onder water. Gebieden in de winterbedding die een deel van het jaar onder water staan worden broeken genoemd. In Vlaanderen worden uiterwaarden beemden of meersen genoemd. <br/>
Uiterwaarden zijn buitendijkse gronden. Ze ontstonden na bedijking van de rivieren in de middeleeuwen. Geulen binnen de uiterwaarden heten strang of hank. Door de uiterwaarden aan de rivierzijde van een (lage) zomerdijk te voorzien wordt de frequentie van overstromen beperkt. Dit is vooral belangrijk ten behoeve van het gebruik als weide voor vee. Incidentele bevloeiing in de wintermaanden werd vroeger door de boeren verwelkomd omdat sedimentering de vruchtbaarheid van de grond bevorderde. Soms zijn in uiterwaarden op pollen of terpen boerenbedrijven gebouwd. Ook steenfabrieken vestigden zich er vaak, ze dolven er de benodigde klei. (bron: Wikipedia) +
Opening waardoor water stroomt of onttrokken wordt aan een reservoir of oppervlaktewaterlichaam. (https://content.omgevingswet.overheid.nl/doc/concept/Uitlaat) +
([NEN-EN 752:2008] , [EN 1085:2007, definitie 1280]) <br/>
De constructie waar uitstroming van water uit een leiding naar het oppervlaktewater mogelijk is.
[NEN 3300:1996] Constructie waar uitstroming van afvalwater uit het in beschouwing genomen rioolstelsel naar het oppervlaktewater mogelijk is. +
(bron: NPR 4768) <br/>
<br/>
Constructiedeel van een riolering, bedoeld om hemelwater en/of afvalwater uit te laten (lozen). (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) +
Er zijn twee vormen van uitlekken, bewust en onbewust.
Onbewust lekken. <br/>
* Deze zijn spontaan, onbedoeld en vaak het gevolg van onoplettendheid. Een journalist treft nieuws aan op een vastgelopen pagina die in een kopieerapparaat is blijven steken, ontvangt fout geadresseerde post of krijgt een e-mail of sms die voor derden bestemd is. Het kan ook gaan om hoorbaar telefoneren in de trein of om een medewerker die zich verspreekt. Krijgt een journalist langs deze weg een fragment te pakken, dan kan hij of zij via sociale netwerken, reconstructie, door het combineren van informatiesnippers en via bluffen proberen meer details te pakken krijgen. De norm in de journalistiek is dat er zo mogelijk een tweede bron is die de juistheid van een feit bevestigt. Soms wordt een nieuwsfeit toegeschreven aan een lek maar dat is dan om de journalistieke primeur meer aanzien te geven terwijl de informatie gewoon opvraagbaar was.
Bewust lekken <br/>
Hierbij speelt een strategische of tactische opzet. Bewuste lekken zijn te onderscheiden naar het belang dat de lekker dient:
* Het persoonlijk belang: de tipgever strijkt met zijn onthulling geld of ander profijt op, ervaart statusverhoging of een andere vorm van waardering of probeert er goodwill mee op te bouwen bij een journalist. Een advocaat die lekt uit een strafdossier zal dat doen in het belang van diens cliënt. Ook emoties zoals wrok en rancune kunnen een persoonlijk motief zijn om via het lekken reputatieschade teweeg te brengen, ontwrichting te veroorzaken of om iemand in publieke verlegenheid te brengen. Speelt persoonlijke genoegdoening geen rol maar wel een (vermeend) hoger belang, dan is een van de navolgende belangen in het geding.
* Een organisatie- of beleidsbelang: de lekker gebruikt het lekken manipulatief om er een organisatiebelang mee te dienen. Een aantal voorbeelden. Hij of zij poogt er een aandachtsconcurrent mee in diskrediet te brengen of wil met ontijdige publieke aandacht andermans plannen in de kiem smoren. Dit laatste wordt in de politiek ook wel een afschietlek genoemd. Het verleggen of afleiden van de publieke aandacht kan eveneens gezien worden als een strategisch of tactisch doel van lekken. Het kan verder ook gaan om het oplaten van een proefballon om politieke reacties of het maatschappelijke draagvlak voor een ingreep te peilen. Deze vorm van lekken kan al dan niet geautoriseerd zijn door de organisatieleiding.
* Het publieke belang: een klokkenluider stelt misstanden zoals onrecht, fraude en niet-integer gedrag aan de kaak of onthult waardevolle feiten die dreigen te worden gewist. Een klokkenluider opereert niet per definitie op anonieme basis, soms wordt echter pas na jaren bekend wie het was. Deep Throat onthulde zijn identiteit toen hij 91 was, ruim 30 jaar na het Watergateschandaal. Klokkenluiders beroepen zich menigmaal op het belang van de democratische rechtsstaat. <br/>
Als iemand informatie onderbrengt bij een journalist voor het geval er iets met de ‘lekker’ zou gebeuren kan dit zowel het persoonlijke als het publieke belang dienen. (bron: Wikipedia)
Kan worden uitgedrukt als hoeveelheid van een stof per gewichtseenheid of per gewichtseenheid of per oppervlakte-eenheid. Bijvoorbeeld het (natuurlijk) proces waarbij de in duinzand aanwezige kalk (calciumcarbonaat) onder invloed van regen in oplossing gaat en naar dieper gelegen lagen verdwijnt. (bron: Checklist materialenmilieu, Rijkswaterstaat, H.P. Versteeg, P.P.M. van de Helm, J.W. Broers, 1996 / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Uitlogen is een proces waarbij mineralen uit een vaste substantie worden onttrokken door middel van oplossing in een vloeistof. Het kan zowel een natuurlijk als industrieel proces zijn. In het laatste geval wordt ook wel van extractie gesproken. Hoewel fysisch-chemisch het effect van uitlogen en extractie exact gelijk is, wordt de term uitlogen doorgaans gebruikt als de nadruk ligt op de substantie die achterblijft, terwijl extractie wordt gebruikt als de nadruk op de opgeloste component ligt.
Uitlogen wordt in een groot aantal industriële processen toegepast. Voorbeelden zijn de onttrekking van metalen uit erts met het gebruik van zuren of de onttrekking van suiker uit suikerbieten met behulp van heet water. Normaal gesproken bestaat de vaste substantie die wordt uitgeloogd uit de inerte onoplosbare drager A en het oplosbare B, dat onttrokken wordt. Het oplosmiddel C wordt toegevoegd om B op te lossen. Het proces produceert C met daarin opgelost B, terwijl er een mengsel van A met ditzelfde oplosmiddel achterblijft. In het ideale geval wordt B geheel opgelost en blijft A geheel inert.
Bij het logen van hout (met name eiken) wordt het natuurlijke, houtbeschermende looizuur met een daartoe geëigend middel (oxaalzuur of natronloog) aan het hout onttrokken, waarbij het hout van kleur verandert ('verweert'). Door oude meubels in een loogbad onder te dompelen, kunnen ze bovendien van hun verf-, lak- en beitslagen worden ontdaan. Nieuwe meubels werden vroeger vaak gebeitst om de kleur van dit geloogde hout na te bootsen.
Vroeger werd kaliumcarbonaat (het hoofdbestanddeel van potas) gewonnen door het uitlogen van houtas en indamping van de resulterende oplossing in een grote, ijzeren pot.
In de bodemkunde is uitlogen het verdwijnen van bepaalde mineralen en oplosbare organische stoffen uit de top van een bodem als gevolg van de percolatie van grondwater. Het speelt een belangrijke rol bij bodemvorming.
In de geologie speelt uitlogen een rol bij de diagenese van gesteenten. Bepaalde mineralen lossen bij dit uitlogen in grondwater op, waardoor holtes (poriën) in het gesteente ontstaan. In extreme gevallen kan het gesteente ook geheel oplossen, zoals het geval is bij karstvorming.
Een gevolg van het uitlogingsproces van zanden en kleien kan zijn dat de daarin aanwezige kalkige fossielen, zoals schelpen en foraminiferen, oplossen waardoor het lijkt alsof de betreffende sedimenten fossielloos zijn. Dit kan verwarring opleveren met vergelijkbare sedimenten die nooit fossielen hebben bevat. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Uitlogen is het langzaam oplossen in lucht of in water van stoffen die in vaste vorm gebonden zijn in (bouw)materialen. Voorbeelden zijn het uitlogen van metalen als lood, koper en zink van lantaarnpalen (foto) en dakgoten, het uitlogen van zouten uit verduurzaamd hout of van siliconen en olie uit afdichtingsmateriaal.
Uitloging hangt ook af van de permeabiliteit van de constructie: materialen waar water gemakkelijker in kan doordringen, zullen meestal eerder uitlogen.
Bouwmaterialen en afvalstoffen hebben soms de eigenschap dat ze uitlogen met als mogelijk gevolg dat er ongewenste stoffen in de bodem en in het oppervlaktewater en grondwater terecht komen. Hierover zijn echter nog weinig gegevens beschikbaar, maar er kunnen uitloogkarakteristieken worden bepaald en uitloogproeven worden verricht, waarbij bijvoorbeeld het materiaal een bepaalde tijd in aangezuurd water wordt gebracht, de zogenoemde diffusieproef en voor kleinkorrelige materialen de kolomproef. De resultaten van deze proeven geven de hoeveelheid van elke component die maximaal kan uitlogen. Daarnaast kan uit de meetgegevens het zuurneutraliserend vermogen van het materiaal berekend worden.
Met betrekking tot verontreinigde grond: door het toevoegen van de juiste verhouding additief en cement kan het geproduceerde immobilisaat niet meer uitlogen of eroderen.
Het uitlogen kan ook plaatsvinden onder invloed van meer extreme omstandigheden of door het toevoegen van een loog. Bijvoorbeeld beton van een vloer van een boerenstal wordt uitgeloogd door de voor beton agressieve stoffen die in de mest zitten.
De term "loog", oorspronkelijk een oplossing van soda, is het Middelnederlands al bekend als "zuiverend vocht". De term is o.m. verwant met het Latijnse lavare (wassen), het Griekse louein (wassen) en het Armeense loganam (wassen). De huidige betekenis is voortgekomen uit een oudere betekenis "wasmiddel". In het Scandinavisch heeft lögerdag (wasdag, baddag) zich ontwikkeld tot lördag (zaterdag). Bron Etymologiebank. (bron: Joost de Vree)
Deze term wordt uitsluitend in het kader van het bouwstoffenbeleid gebezigd. (bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo / DIV) +
(bron: CHO (543) / Aquo / DIV) +
(bron: Conditiemeting - Definities en foto's van decompositie en gebreken, code: 2060) <br/>
<br/>
Constructiedeel behorend bij een uitlaatvoorziening ter voorkoming van uitspoeling van grond. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OBI0269) <br/>
<br/>
Constructie ter plaatse van een riooluitlaat of -overstort, meestal van beton of metselwerk, om uitspoeling van het talud, het onderwatertalud en de bodem van een sloot of greppel te voorkomen. (bron: Nomenclatuur van weg en verkeer) +
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw) +
Om overtollig water, veroorzaakt door onder ander neerslag en kwel, af te voeren worden de deuren van de uitwateringssluis geopend zodra het buitenwaterpeil lager is dan het binnenwaterpeil. Het water stroomt dan onder vrij verval. Als het binnen- en buitenwaterpeil gelijk zijn, wordt de uitwateringssluis weer gesloten. Scheepvaart door deze sluis is niet mogelijk daarom passeert scheepvaart via de naastgelegen schutsluis.
(Bron: Aquo / naar NEN2767-4). <br/>
<br/>
Een uitwateringssluis is een kleine, zelfwerkende constructie (meestal met valkleppen) waarmee water passief kan afstromen naar lager gelegen buitenwater. De kleppen openen automatisch bij laag buitenwater en sluiten bij hoogwater. Het kunstwerk is bedoeld voor eenvoudige afwatering van polders of sloten en heeft geen actieve bediening.
Waarom dit géén spuisluis is:
* Een spuisluis is actief bediend, een uitwateringssluis zelfwerkend.
* Een spuisluis is ontworpen voor grote debieten, een uitwateringssluis voor kleine.
* Een spuisluis is onderdeel van gereguleerd waterbeheer, een uitwateringssluis van passieve afwatering. <br/>
<br/>
Waarom dit géén keersluis is: <br/>
* Een keersluis staat normaal open, een uitwateringssluis normaal dicht bij hoogwater.
* Een keersluis is ontworpen voor waterveiligheid, een uitwateringssluis voor afwatering.
* Een keersluis heeft grote deuren, een uitwateringssluis kleppen. <br/>
<br/>
Aquo relatie <br/>
Aquo gebruikt uitwateringssluis als verzamelterm voor kunstwerken die water afvoeren en buitenwater keren. In de praktijk wordt de term gebruikt voor zelfwerkende klepconstructies. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
<br/>
Een suatiesluis is een spuisluis waarbij de waterdruk aan weerszijden bepaalt of de klep open of dicht staat. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een uitwaeringssluis is een sluis voor het afvoeren van overtollig water. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een beweegbare waterkering dat wordt ingezet om overtollig binnenwater te spuien en buitenwater te keren. <br/>
Grote delen van ons land bevinden zich beneden het gemiddelde peil van de zee. Om het teveel aan water, ontstaan door neerslag en kwel naar zee af te voeren worden de deuren van de uitwateringssluis geopend zodra het buiten peil lager is als het peil van de boezem en stoomt het water onder vrij verval naar zee. Zodra het binnen- en buitenwaterpeil gelijk is wordt de uitwateringssluis weer gesloten. De scheepvaart passeert de uitwateringssluis via de naastgelegen schutsluis. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een spuisluis, ook wel keersluis, uitwateringssluis, suatiesluis of zijl genoemd, is een sluis bedoeld om binnenwater te spuien en buitenwater te keren. Vandaar dat het ook wel keersluis wordt genoemd. <br/>
De naam is afgeleid van Middelnederlands spoye dat 'sluis', 'sluiskolk', 'sluiskom' of 'sluisbekken' betekent. Het is verwant aan het woord spugen. (bron: Wikipedia). <br/>
<br/>
Een uitwateringssluis of suatiesluis is een duiker met een beweegbare waterkering. Via deze sluis is dus geen scheepvaartverkeer mogelijk.
Men onderscheidt de volgende 3 soorten uitwateringssluizen:
* geheel zelfwerkende keersluis met 1 of meer deuren
* niet zelfwerkende keersluis, uitgerust met een schuif
* open uitwateringssluis <br/>
<br/>
Grote delen van ons land bevinden zich beneden het gemiddelde peil van de zee. Om nu het teveel aan water, ontstaan door neerslag en kwel, naar open water (zee of benedenrivieren) te kunnen afvoeren, bouwt men uitwateringssluizen of suatiesluizen. Soms kan het water direct op zee geloosd worden. In laag gelegen gebieden (polders en droogmakerijen) vindt de lozing van het overtollige water plaats via een boezem. (bron: PBNA Waterbouwkunde) <br/>
* unsigned 8 bit heeft een bereik van 10000000 tot 11111111 --> 0 t/m 255 (256 posities)
* signed 8 bit loopt echter van -128 tot +127 (ook 256 posities)
[[Bestand:(un)signed bit.gif]]
"Unsigned" maakt geen onderscheid tussen positieve en negatieve waarden. Een ondertekende / niet-ondertekende variabele kan verwijzen naar elk numeriek gegevenstype (zoals binair, geheel getal, zwevend, enz.). Elk gegevenstype kan verder worden gedefinieerd als ondertekend of niet ondertekend.
Een 8-bits ondertekend binair bestand kan bijvoorbeeld waarden van 0-127 bevatten, zowel positief als negatief (1 bit wordt gebruikt voor het teken en 7 bits voor de waarde), terwijl een niet-ondertekend binair 8-bits waarden van 0- kan bevatten 255 (niets maakt uit of de waarde al dan niet als positief of negatief moet worden beschouwd, hoewel algemeen wordt aangenomen dat deze positief is).
+
Twee van de belangrijkste methoden die worden gebruikt bij onbewaakt leren zijn hoofdcomponent- en clusteranalyse . Clusteranalyse wordt gebruikt bij het zonder toezicht leren om datasets met gedeelde attributen te groeperen of te segmenteren om algoritmische relaties te extrapoleren. Clusteranalyse is een tak van machine learning die de gegevens groepeert die niet zijn gelabeld , geclassificeerd of gecategoriseerd. In plaats van te reageren op feedback, identificeert clusteranalyse overeenkomsten in de gegevens en reageert op basis van de aanwezigheid of afwezigheid van dergelijke overeenkomsten in elk nieuw stuk gegevens. Deze aanpak helpt bij het detecteren van afwijkende gegevenspunten die niet in een van beide groepen passen.
Een centrale toepassing van leren zonder toezicht ligt op het gebied van dichtheidsschatting in de statistiek, hoewel leren zonder toezicht veel andere domeinen omvat, waarbij gegevenskenmerken worden samengevat en verklaard. +
Bron: INSPIRE Register. +
Een zijde kan men lopend in één uur afleggen. (bron: Atlas van Nederlandse Dagvlinders / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een uurhok is in Nederland een vierkant gebied van 5 × 5 km, gekenmerkt door de coördinaten van de zuidwestelijke hoek, opgegeven in Rijksdriehoekscoördinaten (Amersfoortcoördinaten).
Uurhokken en de kleinere maar analoog gedefinieerde kilometerhokken worden gebruikt voor het in kaart brengen van de biodiversiteit van een gebied en voor het maken van verspreidingskaarten van dier- en plantensoorten. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo / DIV) +
v
(bron: Scheepvaartverkeerswet / ABDL) <br/>
<br/>
Een vaarbewijs of stuurbrevet (België) is een bewijs van het met goed gevolg afleggen van een examen, waarin de theoretische bekwaamheid voor het varen met een schip werd getest. Alleen voor het beperkt groot vaarbewijs is een praktijkproef verplicht, voor de andere vaarbewijzen zegt het niets over de feitelijke bekwaamheid om een schip te besturen. Het vaarbewijs werd op 1 april 1992 in kader van de verbetering van de veiligheid op het water in Nederland verplicht gesteld aan bestuurders van schepen. Een vaarbewijs kan worden aangevraagd door personen vanaf 18 jaar. Het examen ervoor kan al eerder afgelegd worden.
De verantwoordelijke schipper of kapitein van een binnenschip, de gezagvoerder, moet in Nederlandse wateren in het bezit zijn van een vaarbewijs om met dat schip op de binnenwateren te mogen varen. In plaats daarvan mag de gezagvoerder ook een vergelijkbaar Rijnpatent gebruiken. Het patent is namelijk gelijkgesteld aan het vaarbewijs met als vaargebied Alle Binnenwateren.
Voor vaarbewijzen of bewijzen van kennis en bekwaamheid die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in het buitenland geldt ook een vrijstelling van het vaarbewijs. Bezitters van een Duits, Fins, Frans, Oostenrijks vaarbewijs of een Belgisch stuurbrevet zijn in Nederland vrijgesteld van het bezit van een Nederlands vaarbewijs. De vrijstellingen zijn geregeld in Internationale afspraken en/of in de Binnenschepenwet, artikel 17, onder g. Aan bezitters van een dergelijk erkend diploma en/of vaarbewijs wordt geen Nederlands Vaarbewijs afgegeven. (bron: Wikipedia) +
Op de kaart is de volgende informatie te vinden:
• vaarweginformatie, inclusief brug- en sluisbedieningsinformatie en actuele scheepvaartberichten;
• informatie over zelfbedieningssleutels en uitgiftepunten daarvan +
We onderscheiden onder andere de droge vaart, de natte vaart en de wilde vaart. (Bron: Wijk, J van der, Taal van het Water) +
Zeilschepen, motorschepen, sloepen, kano's, roeiboten, vlotten, windsurfplanken en andere drijvende zaken waarmee gevaren kan worden.
Voer/vaartuig bestemd voor het verkeer over waterwegen. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL)) +
Tussen hoofd- en zijvaarwegen wordt geen onderscheid gemaakt.
(Bron: AVV/ Aquo / DIV) <br/>
Een vaarweg of waterweg is een water dat kan worden bevaren. Dit kan een rivier of kanaal zijn of een aangelegde geul in een verder ondiep water.
Zeeën en diepe meren zijn ook vaarwegen, al worden ze in het algemeen niet zo genoemd.
Een bijzonder geval is een vaarweg die niet tot de oppervlakte komt, en waar dus alleen een onderzeeboot kan varen, bijvoorbeeld onder ijs en in een watergrot.
Als het gaat om een weg van het water zelf in plaats van water dat dient als weg om te varen dan spreekt men van een watergang. Het een sluit het ander niet uit.
Het Nederlands vaarwegennet beslaat ongeveer 5046 km. De hoofdtransportassen en hoofdvaarwegen (beheerd door het rijk) zijn samen circa 1400 km lang. De overige vaarwegen hebben een gezamenlijke lengte van ongeveer 3400 km, en zijn in beheer door de regionale overheden.
Vaarwegen worden in Nederland ook onderverdeeld in verschillende klassen, al naargelang van het gebruik.
* vaarwegen type A: voor de grote beroepsvaart
* vaarwegen type B: voor de kleine beroepvaart
* vaarwegen type C: voor de pleziervaart
* vaarwegen type 0: voor de overige wateren (kano's en dergelijke)
(bron: Wikipedia) +
Vaarwegbeheer is de zorg van de overheid om scheepvaart mogelijk te maken en te houden, overeenkomstig de aan dat water toegekende vaarwegfunctie. Vaarwegbeheer wordt in de Waterwet beschouwd als een van de onderdelen van het watersysteembeheer.
Normen
Als een water de functie heeft gekregen als vaarweg zijn ook de normen vastgesteld waaraan die vaarweg moet voldoen. Bijvoorbeeld normen voor breedte, diepte en zichtlijnen. Voor zichtlijnen nemen gemeenten of andere overheden in de ruimtelijke plannen de ruimtelijke reservering op (AMvB Ruimte). Dit houdt in dat men bepaalde zones langs vaarwegen vrij houden van opstallen. Zodat schepen tijdens het varen vanuit de stuurhut voldoende zicht behouden om veilig gebruik te kunnen maken van die vaarweg. Die zichtlijnen zijn in ieder geval aan de orde bij de vaarwegen, bedoeld voor de beroepsvaart en de grotere recreatievaart.
Bevoegd gezag
Rijk en provincies leggen gebruiksfuncties van het rijkswater en het regionaal water vast in hun waterplannen. Het rijk doet dit voor de rijkswateren in het Nationaal Waterplan. De provincie voor de regionale wateren in het Regionaal Waterplan. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het vaarwegbeheer op de rijkswateren en de provincie voor het vaarwegbeheer op de regionale wateren.
Vaarwegbeheer is een onderdeel van het totale watersysteembeheer dat via de Waterwet wordt gereguleerd. De Provincie is belast met dit specifieke onderdeel van het waterbeheer, de vaarwegfunctie.
Wateren in beheer bij Rijk
Bijlage II van het Waterbesluit (op grond van artikel 3.1 Waterwet) wijst de wateren aan die in beheer zijn bij het Rijk.
Wateren in beheer bij provincie
Bij provinciale verordening (vaak het waterschapsreglement) worden overheden aangewezen die belast zijn met het beheer van de overige watersystemen (regionale wateren) of onderdelen daarvan (artikel 3.2 Waterwet). De provincie neemt daarbij artikel 2, tweede lid Waterschapswet in acht (het decentralisatiebeginsel). Dit houdt in: toekenning waterbeheertaken aan het waterschap, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging in het betreffende gebied. Dat laatste is aan de orde bij het regionale vaar- en havenbeheer.
De provincie kan het vaarwegbeheer over de regionale wateren zelf (blijven) uitoefenen. De provincie kan ook een waterschap aanwijzen of in geval van havens een gemeente.
Nautisch beheer
Het begrip ‘nautisch beheer’ kent geen definitie in de Nederlandse wetgeving. Onder nautisch beheer wordt meestal verstaan: de zorg voor de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer.
Nautisch beheer is iets wezenlijks anders dan vaarwegbeheer. Het vaarwegbeheer is gebaseerd op de Waterwet. Het nautisch beheer is geheel gebaseerd op de Scheepvaartverkeerswet. Het Nautisch Beheer uit zich dan ook in feitelijk geheel andere handelingen dan het vaarwegbeheer. Het vaarwegbeheer zorgt voor een adequate infrastructuur waarover gevaren wordt (door middel van de instrumenten uit de Waterwet). Het nautisch beheer ziet op de wijze waarop die infrastructuur door het scheepvaartverkeer gebruikt wordt. Bijvoorbeeld door het geven van verkeersaanwijzingen, het aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens (‘bebording’) en het handhaven van de verkeersregels voor het scheepvaartverkeer.
Het nautisch beheer (Scheepvaartverkeerswet) wordt verder niet behandeld in het Handboek water.
Voorbeelden: Europees: CEMT-klasse - BPN: vaarwegklassen VW1, VW2 en VW3. 9bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
[NEN 3300:1996] Leiding waardoor afvalwater door onderdruk wordt getransporteerd. +
[NEN 3300:1996] +
Riolering waarbij het transport plaatsvindt door onderdruk . +
De begrenzing van een vak wordt bepaald door bovenstroomse en benedenstroomse knooppunten. De begrenzingen worden zodanig gekozen dat er een vak ontstaat met uniforme kwalificaties en uniforme eigenschappen. Doordat knooppunten zowel de bovenstroomse als de benedenstroomse begrenzing van vakken kunnen vormen, kunnen aldus aaneengesloten vakken (strengen van vakken) worden gedefinieerd. (Bron: Legger info waterkwantiteit, gewijzigd / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Indien er een wijziging optreed in de dimensie van een waterloop (ander talud, sprong in de bodem, bredere bodem, stuw, inlaat, aflaat, gemaal, sluis), dan moet er op deze locatie een nieuw vak worden ingetekend. +
(bron: Aquo / DIV) +
Een dergelijke val bestaat uit een snelle opeenvolging van afschuivingen. (bron: CHO (383b) / Aquo / DIV) +
(bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst, CHO, "Rapporten en nota's" nr.16, 's-Gravenhage, 1986. / Aquo) <br/>
<br/>
Het dalen van de waterspiegel. (bron: DIV) +
Het principe van de valgewichtdeflectiemeter bestaat uit het meten van de doorbuiging van een verharding. Dit gebeurt door middel van een dynamische belasting met een vallend gewicht. Sensoren in direct contact met het oppervlak van de verharding meten de doorbuiging. Per klap op de verharding wordt data verzameld, deze data kan met behulp van software worden uitgelezen. <br/>
<br/>
Door gewicht toe te voegen kan zwaardere wielbelasting worden gesimuleerd, bijvoorbeeld dat van vliegtuigen. <br/>
<br/>
Valgewichtdeflectiemetingen zijn daarom ook geschikt om op vliegvelden toe te passen waar over het algemeen de verhardingen dikker en stijver zijn. <br/>
<br/>
Een valgewichtdeflectiemeting is niet-destructief en volledig automatisch. (Bron: Wegdekmeten.nl) <br/> +
In de praktijk blijft dit beperkt tot de juistheid van de resultaten van een modelberekening. Een voorbeeld hiervan is het doorrekenen (met hetzelfde model) en analyseren van de berekeningsresultaten van een andere (afwijkende) meetperiode dan die waarvoor het model is gekalibreerd. (bron: Aquo)
Een bevestiging dat iets voldoet aan een overeengekomen specificatie.
Validaties kunnen op allerlei soorten objecten worden uitgevoerd. Een veelvoorkomende validatie is een validatie van data. Een dergelijke validatie kan allerlei aspecten van data controleren, zowel technische als inhoudelijke aspecten. (bron: ArchiXL) <br/>
<br/>
Procedure om te controleren of een meetwaarde aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet. (bron: DIV) +
Ook toegepast bij modellen, m.n. m.b.t. de voorspellende waarde. (bron: SAMWAT, Meet-, signalerings- en regelsystemen voor het waterbeheer, werkgroep SAMWAT, 1987 (gewijzigd) / Aquo / DIV) +
In beginsel zonder hinder van andere deeltjes (dus bij voldoend lage concentratie). (bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Een vangbalk kan niet alleen drijfvuil en maaisel afvangen. Een vangbalk helpt mogelijk ook de verspreiding van exoten, zoals waternavel tegen te gaan. (bron: Aquo) +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL)) +
Voorbeelden: aanbrengen van nieuwe asfaltlaag - vervangen kribkop. (bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo) <br/>
<br/>
Variabel onderhoud zijn variabele maatregelen t.b.v. de instandhouding van één of meer functies. Het onderhoud is in de tijd variabel, maar kan ook planbaar zijn. Er kan onderscheid worden gemaakt naar storingsafhankelijk, gebruiksafhankelijk en toestandsafhankelijk onderhoud. De maatregelen betreffen o.a. vervangingen, renovaties, conserveringen en baggerwerkzaamheden. (bron: DIV) +
(Bron: Aquo)
Een variabele is in de wiskunde de aanduiding voor een willekeurig element van een verzameling.
Men zegt wel dat de variabele de verzameling doorloopt, of dat de variabele waarden aanneemt in die verzameling. Een variabele wordt meestal voorgesteld door een letter, maar soms door meer dan één letter uit het alfabet; ook letters uit andere alfabetten worden gebruikt. <br/>
<br/>
Ook buiten een wiskundige context spreekt men over variabelen. In het bijzonder bij onderzoek waarin aan verschillende objecten een (of meer) attribuut of kenmerk dezelfde grootheden gemeten of waargenomen worden. Afhankelijk van de rol die zij spelen in het onderzoek maakt men onderscheid tussen de volgende typen variabelen:
* Onafhankelijke variabelen: Een onafhankelijke variabele veronderstelt een oorzaak of een vraag, voorspelt het veranderen van een afhankelijke variabele.
** Een actieve (of experimentele) onafhankelijke variabele kan gemanipuleerd worden door de onderzoeker om de relatie tussen een aantal variabelen te onderzoeken en verklaren.
** Een passieve onafhankelijke variabele kan niet worden gemanipuleerd, zoals oogkleur, geslacht, leeftijd.
** Covariabelen zijn meetbare onafhankelijke variabelen, die niet gemanipuleerd worden, die eigenlijk constant gehouden zouden moeten worden. In de effecten daarvan op het object is men niet geïnteresseerd. Deze effecten kunnen op statistische manier worden weggerekend.
** Modererende variabele: Een tweede onafhankelijke variabele waarvan wordt verondersteld dat deze een significante bijdrage heeft, die noch uit te sluiten valt, noch volledig vast te stellen valt, op de relatie tussen de onafhankelijke- en afhankelijke variabelen.
* Afhankelijke variabelen of responsvariabelen: De gemeten variabelen, voorspeld of geobserveerd door de onderzoeker, waarvan verwacht wordt dat deze wordt beïnvloed door de onafhankelijke variabele.
* Tussenkomende variabele: Een variabele die de waarneming beïnvloedt, maar niet gezien, gemeten of beïnvloed kan worden. Daardoor kan men afleiden dat het effect van deze variabele beïnvloed wordt door onafhankelijke en modererende variabelen.
(Bron: Wikipedia)
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
(bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo / DIV)
Voorbeeld: het maaien van oevers en bermen. (zie ook het Handboek Vast onderhoud droge infrastructuur). +
Bij een vast peil is het winterpeil gelijk aan het zomerpeil. (Bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een peil dat niet mag variëren. (Bron: HDSR) +
* Het betreft de draagkrachtige, compacte ondergrond.
* Altijd onder de sliblaag. <br/>
(bron: waterschap Hunze en Aa's)
+
(bron: BOKWA / Aquo) <br/>
<br/>
Vaste verbinding uitgevoerd in beton en/of staal, voor het verkeer tussen twee punten, die door water zijn gescheiden. (bron: DIV) +
Deze voorziening heeft tot doel een waterscheiding te vormen. Een dam kan ook dienen om op een stuk grond (weiland, landbouwgrond, huisperceel) te komen. Een dam is dan vaak voorzien van een duiker. (Bron: Legger info waterkwantiteit / Aquo). <br/>
<br/>
Een voorziening in het water die tot doel heeft een waterscheiding te vormen (bron: DIV) <br/>
<br/>
In het noorden van Nederland worden dammen, met name als deze voorkomen in een watergang, ook wel pendam genoemd. Het woord pennen betekent het vasthouden of tegenhouden van water. Kades langs watergangen worden ook wel penning of pending genoemd. Omdat het woord niet meer als zodanig werd herkend, werd het soms verlengd tot penningsdijk (feitelijk een contaminatie). +
In Nederland is het beleid 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Het regenwater wordt eerst zoveel mogelijk lokaal vast gehouden, dan geborgen in oppervlaktewater of andere bergvoorzieningen, en pas als dit niet mogelijk is, wordt het regenwater afgevoerd.
De drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren is sinds het jaar 2000 de uitwerking van het beleid in Nederland om hemelwater niet direct af te voeren uit een gebied. De afvoer wordt door inzet van deze strategie zoveel mogelijk vertraagd om overlast benedenstrooms te voorkomen en verdroging van het bovenstroomse gebied tegen te gaan.
Het waterbeleid was er van oudsher op gericht om regenwater zo snel mogelijk uit het gebied waar het was gevallen af te voeren. Dit was vooral in het belang van de landbouw. Door verstening, ontbossing en klimaatsverandering werd dit steeds meer een probleem. Het werd steeds lastiger de soms zeer grote afvoer te verwerken. De capaciteit van afvoerkanalen, spuisluizen en gemalen was dan ontoereikend. Bovenstrooms dreigde evenwel verdroging van de bodem door een te lage stand van het grondwater.
De drietrapsstrategie bestaat uit achtereenvolgens het vasthouden van water, waterberging en waterafvoer. In het waterbeheer is deze strategie geïntroduceerd door de Commissie Waterbeheer 21ste Eeuw in het jaar 2000. Ze wordt algemeen toegepast door de waterschappen en is iets waarmee in de watertoets rekening gehouden moet worden.
Vasthouden <br/>
Oppervlaktewater laten infiltreren in de bodem, zodat het water niet de rivieren bereikt.
Om het vasthouden van water te bevorderen is het mogelijk gemaakt dat, voornamelijk in de midden- en bovenloop van een rivier, beek of wetering bepaalde retentiegebieden en -gebiedjes tijdelijk vol water lopen. Het water kan daar geleidelijk naar het grondwater infitreren. In stedelijke gebieden gebeurt dat in zogenoemde wadi's.
Bergen <br/>
Zo lang mogelijk vasthouden van oppervlaktewater, bijvoorbeeld in sloten, meren en uiterwaarden. Waterberging wordt vooral bevorderd door vergroten van uiterwaarden en door dijkverplaatsing, maar ook kunnen speciale wachtbekkens aangelegd worden die men bij een groot wateraanbod vol kan laten lopen, en na afloop van de regenperiode leeg kan laten lopen of leeg kan pompen. Het voordeel hiervan is dat de hoeveelheid weg te pompen water weliswaar gelijk blijft, maar omdat dit over een langere periode gespreid kan worden, er minder pompcapaciteit nodig is.
Afvoeren <br/>
Vergroten van de capaciteit waarmee water afgevoerd wordt, het debiet.
Soms kan dit door de stroomsnelheid te vergroten, maar meestal door de dwarsdoorsnede van de waterloop te vergroten of de weerstand te verkleinen. De waterafvoer wordt voornamelijk bevorderd door kribverlaging en het verwijderen van obstakels uit de rivier en de uiterwaarden.
(bron: Taxonomie van documenttypen / ABDL) +
Voorbeelden van vectordata zijn punt-, lijn- en vlak geometrie.
Vectorafbeeldingen komen tegenwoordig veel voor in de grafische bestandsindelingen SVG , EPS , PDF of AI en verschillen wezenlijk van de meer gebruikelijke bestandsindelingen voor rasterafbeeldingen , zoals JPEG , PNG , APNG , GIF en MPEG4 . +
(bron: Vechtstromen) +
Veelal ontstaan tijdens moerasachtige omstandigheden. (bron: Uit en thuisboek, Stichting het Limburgs Landschap, 1996 / Aquo) <br/>
<br/>
Opeenhoping van dode plantresten tijdens moerasachtige omstandigheden. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Veengrond is een grondsoort, die is opgebouwd uit gehumificeerd plantaardig materiaal. Deze natte, sponsachtige grondsoort is gevormd door afgestorven planten in moerassen en later bewaard gebleven onder natte, zuurstofarme omstandigheden. Zo'n ter plaatse gevormde grondsoort wordt wel een sedentaat genoemd.
In Noord- en West-Nederland worden uitgestrekte veengebieden al honderden jaren vooral als weidegebied voor koeien gebruikt. Gedroogd veen is bruikbaar als brandstof (turf). De drassige gronden en veengebieden of veenmoerassen waar turf werd of wordt gestoken, werden vroeger ook wel moer genoemd. Veen op grote diepte, blootgesteld aan toenemende druk en temperatuur, verandert in bruinkool of steenkool. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Veen is ontstaan na de ijstijden, in het begin van de huidige geologische periode het Holoceen. Toen werd het klimaat veel milder waardoor plantengroei weer mogelijk werd. In met water gevulde laagten hoopte in de loop van de tijd afgestorven plantenmateriaal zich op, oftewel er ontstond veen. Veengroei belemmerde niet alleen de afvoer van overtollig water, maar ook de aanvoer van vers zoet water. Het milieu werd zodoende steeds zuurstof- en voedselarmer., waardoor verder van de oevers verwijderd de plantengroei geheel van regenwater afhankelijk was, groeide veenmos. Deze plantensoort heeft de eigenschap dat het onafhankelijk van grondwater kan groeien. Het zuigt zich tijdens regenbuien vol water en groeit hierdoor langzaam maar zeker naar alle kanten uit, alle onderliggende veenlagen bedekkend. Veen dat ontstond uit veenmos heet ook wel hoogveen. Laagveen is veen bestaande uit resten van planten die in verbinding stonden met het grondwater. Hieronder is het ontstaan van veen schematisch weergegeven. (bron: W. Fluit, 1990)
Het bijzondere van deze kades is dat ze niet door mensenhanden neergelegd zijn, maar ontstaan doordat de naastliggende gronden ingezakt of afgegraven zijn. Moderne waterkeringen worden niet van veen, maar van zand en klei gemaakt.
Een veenkade is vaak ontstaan door het in het kader van ontginning ontwateren van het aanliggende veengebied. In boezemwaters werd het water verzameld en vervolgens door de veenrivieren afgevoerd. Dit ontwateren had tot gevolg dat de veengrond die in cultuur gebracht was inklonk. Direct langs de boezemwateren droogde de veengrond niet in, doordat het grondwaterpeil hier hoog bleef. Zo ontstonden hoger gelegen kades in het landschap. Het bovenste deel van een veenkade, vaak circa 1 m dik, is wel door mensen opgeworpen. Daarbij werd gedroogd veen gebruikt, dat lokaal beschikbaar was.
Ook was een veenkade oorspronkelijk soms een ontsluitingsweg, die niet afgegraven werd.Op sommige locaties werd de veengrond grootschalig afgegraven en weggebaggerd om turf te winnen. Hierdoor ontstonden uitgestrekte veenplassen, waarvan de meeste later weer zijn drooggelegd. De wegen naast kanalen en veenrivieren die bij de ontginning werden gebruikt zijn niet afgegraven en bestaan nog uit het oorspronkelijke veen.
De vele kilometers veendijk die Nederland telt hebben ook in de eenentwintigste eeuw nog een belangrijke waterkerende functie. Naar schatting gaat het om 3.500 km, vooral in West- en Noord-Nederland. Hoe belangrijk de kades zijn wordt soms duidelijk als bij een verzakking het achterliggende gebied, dat inmiddels vaak intensief in gebruik is, dreigt te overstromen.
Uitgedroogd veen is aanmerkelijk lichter van gewicht en neemt ook niet meer in gewicht toe omdat het geen water meer kan absorberen. Het is waterafstotend geworden. Barsten en scheuren kunnen het gevolg zijn. De meeste kadebreuken ontstaan door 'afschuiving'; water uit de naastliggende watergang zoekt zich een weg door en onder het verdroogde veen door en spoelt het zand waarop dit rust weg. Het gevolg kan zijn dat een kadedeel wegschuift en een gat ontstaat dat door de stroming snel groter wordt. Het nabije gelegen gebied kan hierdoor met grote wateroverlast te maken krijgen. Kadebeheerders letten daarom, vooral na de kadebreuk bij Wilnis in 2003, scherp op dreigende uitdroging en zullen zo nodig regelmatig de veenkade 'beregenen' met water uit sloot of kanaal. Bij droogte wordt het waterpeil in boezems zo lang mogelijk hoog gehouden. In West-Nederland wordt daarvoor zo nodig de Klimaatbestendige Wateraanvoervoorziening in gezet.
Bij veel regen kan de grondwaterstand nog hoger worden dan normaliter al het geval is. Daardoor neemt de stabiliteit af, waardoor de kade kan afschuiven. Een ander risico is regen na een periode van droogte. Als het boezempeil door veel regen snel stijgt, neemt de uitgedroogde kade slechts langzaam water op. De kade blijft licht van gewicht en kan hierdoor ook bezwijken.
Op 15 januari 1989 bezweek een veenkade in Ierland na een heftige regenbui. Het was een deel van de dijk van de Grand Canal tussen het Aquaduct Blundell en de brug Downshire. Meer dan 300.000 m3 water stroomde het omringende gebied in. Er was veel schade en de reparaties namen 13 maanden te beslag.
Verzakking van de bodem door oxidatie van veengronden is een proces dat in Nederland en elders al eeuwen aan de gang is. Bij de ontginning van veengebieden werden vaarten en sloten gegraven om het veen te ontwateren. Hierdoor werden deze gebieden geschikt voor landbouw. De waterstand zakte zover dat zelfs in bepaalde gebieden akkerbouw mogelijk is geweest. +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een veerboot, of veerpont, ook wel pont of veer, of op zijn Engels ferry genoemd, is een vaartuig waarmee een verbinding over water wordt onderhouden.
In Nederland wordt de term veerboot gebruikt voor een schip dat twee zeehavens met elkaar verbindt, terwijl veerpont refereert aan een vaartuig waarmee mensen (met of zonder een vervoermiddel, zoals een auto of een fiets) naar de andere kant van het water (rivier, kanaal, meer, baai of sloot) worden gebracht. De eerste vaart veelal volgens een dienstregeling, de tweede naar behoefte.
In Nederland wordt er wettelijk onderscheid gemaakt tussen een veerboot en een veerpont. Volgens het in Nederland geldige Binnenvaartbesluit is een:
* Veerboot: een schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar vervoersdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan.
* Veerpont: een schip, niet zijnde een veerboot, dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van een of meer personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar vervoersdienst onderhoudt. (bron: Wikipedia) +
In Nederland wordt er wettelijk onderscheid gemaakt tussen een veerboot en een veerpont, vastgelegd in het Nederland geldige Binnenvaartbesluit. (bron: Wikipedia) +
Vermogen tot herstel van een bodem nadat een verandering is ingetreden door een extreme gebeurtenis (bijv. een storm) (bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Vee- en wildroosters bestaan uit ijzeren spijlen. De spijlen van wildroosters liggen op kleinere afstand tot elkaar dan de spijlen van veeroosters.
De meeste dieren komen niet graag op een rooster, doordat enerzijds hun hoeven tussen de spijlen of anderzijds de spijlen tussen hun gespleten hoeven kunnen schieten. (Zie evenhoevigen).
Weggebruikers als fietsers en voetgangers hebben nauwelijks hinder bij het passeren van een vee- of wildrooster. Wel kan een rooster een obstakel zijn voor honden, rolstoelers en skeelers. Hiervoor wordt dan soms een zijdelingse passage via een klaphekje of koepoortje aangebracht. +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een veerpont is een schip, niet zijnde een veerboot, dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van een of meer personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar vervoersdienst onderhoudt.
In Nederland wordt er wettelijk onderscheid gemaakt tussen een veerboot en een veerpont, vastgelegd in het Nederland geldige Binnenvaartbesluit. (bron: Wikipedia) +
(bron: BOKWA / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een veerstoep of veersteiger bevindt zich aan een oever, dikwijls aan het eind van een veerweg of pad. Bij een voetveer bestaat hij soms uit een trap in een kademuur.
Hier meert een veerpont aan om personen of voertuigen van en aan boord te laten gaan. Een stoep voor voertuigen loopt vaak geleidelijk af in het water zodat de klep van de pont er bij verschillende waterhoogtes op neergelaten kan worden. In een riviermonding met flinke getijdenverschillen is meestal een reeks stoepen naast elkaar gebouwd. Zowel bij hoog- als bij laagwater kan dan gemakkelijk aangelegd worden. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Spontaan gegroeid palntendek (bron: DIV) <br/>
<br/>
Het ruimtelijk voorkomen van planten in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij spontaan hebben aangenomen. <br/>
<br/>
Vegetatie is "de ruimtelijke massa van planten-individuen, in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf (spontaan) hebben aangenomen" (Victor Westhoff). De termen begroeiing en aanplant of aanplanting zijn dus niet hetzelfde als vegetatie: begroeiïng kan spontaan zijn, maar ook aangeplant, aanplant is door menselijk toedoen tot stand gekomen. De vegetatie is het onderzoeksobject van de vegetatiekunde. <br/>
<br/>
Vegetatie wordt gekenmerkt door: <br/>
* de niet willekeurige samenstelling van de vegetatie - niet alle planten groeien spontaan samen.
* de samenhang met de plaats waar de planten groeien met abiotische en biotische factoren; de samenhang tussen standplaats (biotoop) en levensgemeenschap.
* de ruimtelijke en temporele vegetatiestructuur van de vegetatie. Ruimtelijke structuur bestaat uit horizontale patronen en verticale gelaagdheid van de vegetatie en temporele structuur uit patronen in de tijd.
* de textuur van de vegetatie: denk aan diversiteit aan soorten, groeivormen, levensvormen en levensstrategieën.
* het minimumareaal; de minimale ruimte die een vegetatietype nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen. <br/>
(bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Begroeiing, in casu op dijken. Een voorbeeld van een dijkvegetatie is een ‘grasmat’ (bestaande uit grasachtigen en kruiden) of een ruigte. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) <br/>
Natuurlijke en halfnatuurlijke begroeiing met alle spontaan gevestigde kruid-, struweel- en bosbegroeiingen. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/>
(bron: ABDL) +
(Bron: IMGeo / Aquo) <br/>
<br/>
Individuele bomen hoeven alleen te worden opgenomen indien dit gewenst is. Vaak zal dit in het stedelijk gebied wel gebeuren en in landelijk gebied niet, uitzonderingen daargelaten.
Onder vrijstaande vegetatieobjecten worden niet alleen die vegetatieobjecten opgenomen die strict genomen solitair zijn, zoals bomen, maar ook vegetatieobjecten die samen één geheel vormen zoals een heg. (Bron: DAMO) +
(bron: Themagroep: Ecologie / Aquo / DIV) +
Meest bekende definitie van vegetatie is gegeven door Victor Westhoff:
Vegetatie is de ruimtelijke massa van plant-individuen, in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf (spontaan) hebben aangenomen.
Om de algemene principes van de vegetatiekunde[1] weer te geven stuit men op de moeilijkheid, dat het onderzoeksobject in West- en Midden-Europa een uitzonderlijke situatie vormt: er komt nog nauwelijks vegetatie voor die niet door de mens beïnvloed is. Het sterk door de mens beïnvloede plantendek bestaat uit in gebruik genomen, antropogene begroeiing. Dat geldt niet alleen voor akkers en grasland, maar ook voor de bosvegetaties. Menselijke ingrepen bepalen in de eerste plaats de samenstelling van de plantengemeenschappen. Enkele uitzonderingen zijn sommige kleinere bronvenen of steile rotswanden.
De plantensociologie wordt onderverdeeld in een aantal onderzoekstakken. <br/>
- Symmorfologie: Onderzoek naar de structuur en textuur van plantengemeenschappen. <br/>
- Syndynamiek: Onderzoek naar de veranderingen van de vegetatie door de tijd. <br/>
- Synchorologie: Onderzoek naar de geografische verspreiding van plantengemeenschappen. <br/>
- Syntaxonomie: De classificatie van plantengemeenschappen. <br/>
- Synchronologie: Onderzoek naar de geschiedenis van vegetatie.<br/> +
(bron: Themagroep: Ecologie / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Vegetatiestructuur is het vegetatiekundige begrip dat duidt op de ruimtelijke en temporele opbouw van de vegetatie. Ruimtelijke structuur bestaat uit horizontale patronen en verticale gelaagdheid van de vegetatie en temporele structuur uit patronen in de tijd, zoals de seizoensaspecten.
Hiertegenover staat de vegetatietextuur, wat slaat op de samenstelling aan soorten (zoals diversiteit en dominantie), aan groeivormen, aan levensvormen en aan levensstrategieën. (bron: Wikipedia) +
Een plantengemeenschap met een kenmerkende structuur, een karakteristiek uiterlijk en milieu en met een karakteristieke plantensamenstelling. (bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Met een vegetatietype wordt een vegetatie bedoeld die volgens een bepaalde indeling is gecategoriseerd. Er bestaan verscheidene classificatiesystemen en typologieën waarmee vegetatietypen worden ingedeeld.
In de onderstaande lijst staan enkele veelgebruikte indelingen van vegetatietypen.
* Vegetatietypen naar formatie (bijvoorbeeld: grasland, ruigte, struweel, bos)
* Vegetatietypen naar syntaxonomische rang (bijvoorbeeld: klasse, orde, verbond, associatie)
* Vegetatietypen naar inundatietolerantie (bijvoorbeeld: watervegetatie, amfibische vegetatie)
* Vegetatietypen naar successiestadium (bijvoorbeeld: pioniervegetatie, climaxvegetatie)
* Vegetatietypen naar antropogene invloed (bijvoorbeeld: halfnatuurlijke vegetatie, natuurlijke vegetatie, potentieel natuurlijke vegetatie) <br/>
(bron: Wikipedia) +
Veiligheid is de mate van afwezigheid van potentiële oorzaken van een gevaarlijke situatie of de mate van aanwezigheid van beschermende maatregelen tegen deze potentiële oorzaken. Veiligheid is een relatief begrip, aangezien niets onder alle omstandigheden volledig zonder gevaar is.
Het begrip veiligheid bestaat zowel rationeel als denkbeeldig. Rationeel kunnen er allerlei berekeningen worden toegepast op een situatie om te bepalen of deze veilig is. Daarnaast is er nog denkbeeldige veiligheid. Iemand kan zich veilig voelen maar het rationeel gezien niet zijn en andersom. Dit wordt ook wel schijnveiligheid (resp. schijnonveiligheid) genoemd.
Om de veiligheid te waarborgen bestaat er regelgeving. Zo moeten bijvoorbeeld drukvaten aan strenge eisen voldoen om explosiegevaar te minimaliseren en moeten gebouwen voldoen aan allerlei brandveiligheidseisen om in geval van brand het aantal slachtoffers en de schade te minimaliseren. +
(bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
De ruimte tussen het interventieniveau en het niveau van functie-verlies. (bron: DIV) +
(bron: Basisrapport zandige kust, T.A.W., 1996. / Aquo) <br/>
<br/>
Getal dat door de bevoegde autoriteit is toegekend aan een dijkvak of dijkring, als relatieve maat voor de vereiste veiligheid in de bescherming tegen hoog water. (bron: DIV) +
Er zijn in Nederland 25 veiligheidsregio’s. (bron: Richtlijn hectometrering)
Een veiligheidsregio is in Nederland een gebied waarin wordt samengewerkt door verscheidene besturen en diensten bij de uitvoering van taken op het terrein van brandweerzorg, rampen- en crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening, openbare orde en veiligheid. De term veiligheidsregio betekent ook het desbetreffende openbaar lichaam.
Nederland kent 25 veiligheidsregio's. Een regio omvat de volledige grondgebieden van een aantal gemeenten. Het samenwerkingsverband wordt bestuurd door deze gemeenten. De samenwerking is gestoeld op de Wet veiligheidsregio's (Wvr) en de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr): de eerste bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding veiligheidsregio, maar wel met bepaalde afwijkingen van de Wgr.
De voorzitters van de 25 veiligheidsregio's vormen samen het Veiligheidsberaad. +
(bron: Aquo / DIV) +
Watervlakte (meestal zoet) die op natuurlijke wijze dan wel door menselijk ingrijpen (ingraving of afsluiting) is ontstaan. Bron RWS-OTL 2016 +
Door combinaties van kleppen krijgt men de beschikking over meerwegventielen, waarmee het medium in verschillende richtingen gestuurd kan worden. De bediening van een ventiel kan op allerlei manieren gebeuren, bijvoorbeeld mechanisch met een draaiknop, een drukknop, een zwengel of een hefboom. Op afstand bestuurbare kleppen kunnen elektrisch bediend worden met een elektromagneet of een elektromotor, of pneumatisch, met perslucht. Deze ventielen hebben een ruststand en een of meer geactiveerde standen. Een ventiel is niet hetzelfde als een kraan omdat de laatste een regelbereik heeft.
Als de bediening lucht of een ander gasmengsel is, spreekt men van een pneumatisch ventiel, is het een vloeistof dan heet het een hydraulisch ventiel.
Een ventiel kan - als onderdeel van een machine of installatie - ook als appendage betiteld worden. +
De woorden veranderen en wijzigen betekenen hetzelfde. In veel gevallen kan ook in een meer formele mededeling veranderen gebruikt worden: De dienstregeling is veranderd. Wel klinkt wijzigen heel vreemd in minder formeel taalgebruik. (bron: Jan Renkema schrijfwijzer)<br/><br/>
Voorbeeld : Ik ben van mening veranderd. <br/> De loop van de rivier heeft zich hier gewijzigd. <br/> De loop van de rivier is hier gewijzigd. +
Dit thema gaat in op:
* Het broeikaseffect. Dit houdt de verhoging van de gemiddelde temperatuur door toename in concentratie van zogeheten broeikasgassen in de troposfeer als gevolg van menselijke activiteiten in.
* Aantasting van de ozonlaag. <br/>
(bron: project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo / DIV) +
Bron: CHEOBS +
Jaarlijkse rapportage na afloop van het begrotingsjaar van Directie aan Directoraat-Generaal/Hoofddirectie (en van Directoraat-Generaal/Hoofddirectie aan Departement) waarin verantwoording wordt afgelegd over de realisatie van het werkplan c.q. contract en de besteding van de budgetten. (bron: Financieel Woordenboek / Aquo / DIV) +
(bron: AOA Begrippen- en Definitielijst) +
[NEN 3300:1996] Gescheiden rioolstelsel met voorzieningen waardoor een deel van de neerslag naar het vuilwaterriool wordt afgevoerd. +
(bron: Bron IMGEO / CBNL) <br/>
<br/>
Een mof is een verbindingsgreep die rondom afsluit. Een veelgebruikte mof is een bescherming van de plek waar twee elektriciteitskabels aan elkaar zijn gelast.
De mof kan bestaan uit twee op elkaar passende schalen. Bij gietijzeren moffen zet men de schalen met bouten vast, kunststof schalen klikken in elkaar. Ook kan de mof worden gemaakt door middel van de wikkelmoftechniek, waarbij er met gaas en tape een cocon wordt gecreëerd rondom de verbinding, die vervolgens wordt geïnjecteerd met kunsthars.
Net als bij het gelijknamige kledingstuk worden sommige moffen over de twee aan elkaar gelaste kabeluiteinden geschoven.
Er bestaan verschillende vormen van moffen, afhankelijk van de kabels waarvoor zij gebruikt worden: gietijzeren moffen, voornamelijk voor hoogspanningskabels en kabels die met jute en kalk zijn geïsoleerd loden moffen, die kunnen zelfstandig bestaan in gebouwen, vaak gebruikt voor telecommunicatiekabels en dan zijn ze vaak in de vorm van een fles uitgevoerd, maar ze worden ook als binnenmof gebruikt voor de gietijzeren mof
moffen van een stuk pvc-buis en giethars, die door de elektricien vaak zelf worden gemaakt
kunststof schalen, die in elkaar klikken en gevuld worden met giethars
wikkelmof, dit is de meest toegepaste techniek bij de Nederlandse energienetbeheerders voor laagspanningskabelnetwerken
Ook in bedrading kan een mof worden gebruikt; die wordt dan op de aders gekrompen met een krimptang.
In het Belgisch-Nederlands is de gangbare vorm moffel (vgl. Frans moufle), wat het oorspronkelijke Nederlandse woord is en waarvan mof is afgeleid. Ook de werkwoorden moffelen (rondom afdekken, verbergen) en wegmoffelen (verstoppen) zijn afgeleid van moffel. (bron: Wikipedia) +
Heeft extra M-dimensie (hoogte in meters t.o.v. NAP). (Bron: DAMO) +
Verdamping gebeurt via planten. De wortels nemen water uit de grond en de bladeren geven vocht af. Zon en temperatuur bepalen hoeveel er verdampt. Hoe warmer en zonniger hoe meer water er verdampt. +
Bouwwerk in een waterloop waarmee waterstromen kunnen worden gesplitst. +
Men kent twee soorten pompen:
* de turbopomp, ook wel turbinepomp genoemd: hierbij wordt de vloeistof eerst op een hoge snelheid gebracht en vervolgens wordt deze snelheid 'omgezet' in druk. Dit houdt in dat het debiet afhankelijk is van de druk van de ruimte waarheen de vloeistof wordt verpompt; bij een bepaalde tegendruk loopt het debiet zelfs terug tot nul of negatief (terugstroom).
* de verdringerpomp: Deze verplaatst een constant volume van een ruimte met een lage druk naar een ruimte met een hoge druk.
<br/><br/>
Het debiet van de volumetrische pomp is theoretisch onafhankelijk van de opvoerdruk. De maximale opvoerdruk wordt in feite uitsluitend beperkt door de mechanische sterkte, dit in tegenstelling tot turbopompen.
<br/>
Met soortgelijke machines kan ook een last worden aangedreven; dan wordt de pomp dus als motor gebruikt. In heel veel gevallen wordt een volumetrische motor ook als volumetrische pomp gebruikt; bijvoorbeeld bij een liersysteem. Tijdens het hijsen werkt hij als motor, tijdens het vieren als pomp. +
Verbeterdoelen zijn vooral geformuleerd voor soorten en habitattypen waar Nederland relatief belangrijk voor is en waarvan de staat van instandhouding matig of zeer ongunstig is. (bron: BPRW. / Aquo) <br/>
Prioritering voor de verdeling van het zoetwater in geval van waterschaarste. <br/>
De verdringingsreeks geeft de rangorde van maatschappelijke behoeften aan, die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen indien er sprake is van een watertekort. <br/>
De huidige verdringingsreeks is tot stand gekomen na de watertekorten in 2003 en de daarop volgende Evaluatienota Waterbeheer - Aanhoudende droogte 2003. <br/>
De verdringingsreeks bestaat uit vier categorieën. De rangorde van belangen binnen de categorieën 1 en 2 is op nationaal niveau vastgelegd. Binnen de categorieën 3 en 4 is op nationaal niveau geen rangorde vastgelegd. Binnen (maar niet tussen!) die categorieën kan bij provinciale verordening een verdere rangschikking plaatsvinden. <br/>
Er kunnen geen garanties worden gegeven dat er overal en altijd voldoende zoet water beschikbaar is. Bij ernstige watertekorten hanteren waterbeheerders de verdringingsreeks voor de verdeling van het beschikbare zoetwater. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod van water met een voor de diverse behoeften geschikte kwaliteit. De verdringingsreeks geeft de rangorde van maatschappelijke behoeften aan, die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. De verdringingsreeks was al opgenomen in onder meer de Tweede Nota Waterhuishouding. Met de inwerkingtreding van de Waterwet is dit voor het eerst wettelijk vastgelegd (artikel 2.9 van de Waterwet en artikel 2.1 van het Waterbesluit). +
In Nederland kan vooral in gebieden met veel veen in de ondergrond ook de veiligheid in het geding zijn door droogte. Denk aan het bezwijken van de veenkade bij Wilnis in 2003. Ook kan er onomkeerbare schade optreden door veenoxidatie en klink. Dit rechtvaardigt de afwijking van het Europese beleid. +
Onder energievoorziening worden zowel grote als kleine energiecentrales verstaan (centraal vermogen). Maar ook industriële voorzieningen (via warmtekoppeling, het nuttig toepassen van restwarmte die ontstaat bij energieopwekking) en andere leveranciers (decentraal vermogen). +
Het gaat om gewassen waarbij een totale mislukking van de oogst dreigt door watertekorten, terwijl met een relatief kleine hoeveelheid water grote schade kan worden voorkomen. +
Een gebied wordt als verdroogd aangemerkt als aan dat gebied een natuurfunctie is toegekend en de grondwaterstand in het gebied onvoldoende hoog is, dan wel de kwel onvoldoende sterk om bescherming van de karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden, waarop de functietoekenning is gebaseerd, te waarborgen. Een gebied met een natuurfunctie wordt ook als verdroogd aangemerkt als ter compensatie van een te lage grondwaterstand water van onvoldoende kwaliteit moet worden aangevoerd. (bron: Derde nota Waterhuishouding, 1989 / Evaluatienota 1994 / project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo) <br/>
<br/>
Verdroging is het verschijnsel waarbij de waterspiegel in het grondwater daalt ten opzichte van het "natuurlijke" niveau of waarbij water met een andere kwaliteit uit andere gebieden (gebiedsvreemd water) lokaal grondwater vervangt. De 4e Nota Waterhuishouding (1998) geeft de volgende definitie voor verdroging: <br/>
<br/>
Een gebied wordt als verdroogd aangemerkt als aan dat gebied een natuurfunctie is toegekend en de grondwaterstand in het gebied onvoldoende hoog is, dan wel de kwel onvoldoende sterk om bescherming van de karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden, waarop de functietoekenning is gebaseerd, te waarborgen. Een gebied met een natuurfunctie wordt ook als verdroogd aangemerkt als ter compensatie van een te lage grondwaterstand water van onvoldoende kwaliteit moet worden aangevoerd. Bron: Derde nota Waterhuishouding, 1989 / Evaluatienota 1994 / project Milieu indicatoren 1/1991. <br/>
<br/>
Op basis van de definitie in de 4e Nota Waterhuishouding kan gesplitst worden in twee soorten: verdroging waarbij sprake is van een afname van de hoeveelheid (grond)water en verdroging waarbij sprake is van een afname van de kwaliteit van het water als gevolg van toevoer van gebiedsvreemd water. <br/>
<br/>
De hoofdoorzaken van verdroging in de Benelux zijn: <br/>
* Drainage
* Waterwinning (voor consumptie, industrie of landbouw)
* Onttrekking van water in nabijgelegen gebieden.
* Opwarming van de Aarde <br/>
<br/>
Drainage zorgt voor een directe daling van het grondwaterpeil in een gebied. Het doel van drainage is doorgaans om een gebied droog genoeg te maken om het te kunnen gebruiken voor bouw- of landbouwactiviteiten. <br/>
<br/>
Waterwinning heeft een dubbel effect voor verdroging. Ten eerste zorgt waterwinning voor een daling van de waterstand nabij het punt waar het water wordt opgepompt. Verder zorgt waterwinning ook voor het veranderen van grondwaterstromingen. Door het wegpompen van water uit een gebied ontstaan er stromingen van grondwater richting dit gebied om het tekort aan te vullen. Dit kan zorgen voor een afname of zelfs het verdwijnen van kwel in aangrenzende gebieden. <br/>
<br/>
Onttrekking van water uit nabijgelegen gebieden kan dus zorgen voor een verstoring van kwelstromingen. Een ander gevolg is dat soms oppervlakte water gebruikt moet worden om het tekort aan kwel te compenseren. Kwelwater heeft van nature een hoge kwaliteit en lage concentraties voedingsstoffen (oligotroof) en vervuiling. Oppervlaktewater daarentegen is vaak vervuild en rijk aan voedingsstoffen (eutroof). <br/>
<br/>
In gebieden die te maken hebben met verdroging is vaak veel van de oorspronkelijke diversiteit aan planten (biodiversiteit) verloren gegaan. Dit omdat sommige plantensoorten niet meer voldoende water konden krijgen (door daling van het grondwaterniveau) of omdat de samenstelling van het water ongeschikt is. Bijzondere soorten die gevoelig zijn voor dergelijke veranderingen zoals orchideeën, parnassia en zonnedauw worden verdrongen door minder gevoelige soorten als riet, pijpenstrootje en brandnetels. Met het veranderen van de vegetatie verdwijnen ook lokale diersoorten. <br/>
<br/>
Enkele concrete gevolgen van verdroging in Nederland zijn zichtbaar bij de Noordoostpolder, veengebieden en vennen.<br/>
<br/>
De Noordoostpolder heeft geen randmeer. Doordat de polder dieper ligt dan omliggende gebieden trekt het grondwater vanuit het "oude land" aan. Hierdoor is het oude land verdroogd. Om dit effect tegen te gaan hebben de Flevoland polders wel een randmeer. Er wordt anno 2003 nog steeds gestudeerd op de wenselijkheid en de mogelijkheid om de Noordoostpolder een randmeer te geven. <br/>
<br/>
Wanneer de (grond)waterspiegel in veen verlaagd wordt, kan een onomkeerbaar proces optreden waardoor het veen later geen vocht meer opneemt en dus compacter blijft. Ook kan het veen oxideren doordat er zuurstof bij het veen komt. Hierdoor kan verzakking en bodemdaling optreden (waardoor er meer drainage nodig is en het grondwater nog verder daalt). <br/>
<br/>
Vennen zijn natuurgebieden met vegetatie die zeer specifieke eisen stelt aan de waterkwaliteit. Doordat er steeds meer landbouw kwam in de buurt van de vennen werden omliggende gebieden meer en meer gedraineerd. Dit heeft geleid tot wegzuiging van water uit de vennen. Om dit te compenseren werd op sommige plaatsen oppervlaktewater naar de vennen gepompt. Omdat vennen van nature voedselarm zijn (gevoed door regenwater of kwel) heeft de toevoer van voedselrijk water geleid tot het verdwijnen van ven-specifieke vegetatie en het toenemen van de hoeveelheid plaagsoorten. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Het begrip Verdroging is één van de Milieubeleidsthema's. Dit thema gaat in op het effect van grondwaterstandsdaling. Dit leidt tot:
* vochttekort,
* veranderingen in de watersamenstelling (= verhouding van neerslag),
* kwel- en oppervlaktewater en- chemische en fysische reacties in de bodem. <br/>
Er is sprake van verdroging als de gevolgen doorwerken in flora, fauna en landschap. (bron: DIV)
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een vergunning of ontheffing is een officiële (noodzakelijke) toestemming van de overheid om een bepaalde activiteit uit te voeren.
De wet kan bepalen dat iets verboden is zonder vergunning. De wet kan ook bepalen dat iets verboden is, met de mogelijkheid om een ontheffing van dat verbod te krijgen.
In veel gevallen was vóór invoering van een vergunningenstelsel de activiteit zonder vergunning toegestaan. In sommige gevallen was de activiteit eerst helemaal verboden.
Als de overheid een vergunning verleent wil dat niet zeggen dat de overheid de activiteit positief waardeert. Het kan bijvoorbeeld gaan om een demonstratie tegen een regeringsmaatregel.
Soms is voor een activiteit registratie verplicht, en wordt deze registratie slechts beperkt toegestaan. De registratie komt dan neer op een vergunning. Dit is soms van toepassing bij tippelprostitutie.
Een vergunde branche is een branche waarin een vergunning is vereist. Een vergund bedrijf is een bedrijf met een vergunning. De overige bedrijven zijn of illegaal, of ze behoren tot een niet-vergunde branche. (bron: Wikipedia) +
Heeft een relatie in Rol subject - contactpersoon derde samenhangende aanvraag. (bron: GUW, Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: GWN / Aquo / DIV) +
(bron: VROM, 1996: Gegevenswoordenboek milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1 juni 1995, pag. 74 / Aquo / DIV). +
De soorten vergunningen die onderscheiden worden zijn ondermeer:
* wvow-vergunningen <br/>
* beheersovereenkomsten <br/>
* gebruiksovereenkomsten, zoals jachtrecht, grasrecht, visrecht, erfdienstbaarheid en ingebruikgeving <br/>
* keurontheffingen <br/>
* peilbesluiten <br/>
* zakelijk recht, zoals eigendom en pacht <br/>
* meetbeschikkingen (zie gegevenselement 'soort vergunning') <br/>
* Rol subject: <br/>
** vergunningverlener <br/>
** vergunningverkrijger <br/>
** inhoudelijk behandelaar <br/>
** beleidsmatig contactpersoon vergunning (spoedeisende gevallen) <br/>
** uitvoerend contactpersoon vergunning (spoedeisende gevallen) <br/>
<br/>
(bron: Beleidsplan vastgoedinformatie/Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: Informatieplan Water 1987 / Aquo / DIV) +
Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het lozen van afvalwater, het aanleggen van waterwerken, het onttrekken van grondwater, het aanleggen van watergangen, enzovoort.
De vergunningplicht in de waterschapsverordening is bedoeld om ervoor te zorgen dat deze activiteiten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het waterschap, zoals het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast en het bevorderen van een duurzaam waterbeheer. Het vergunningsproces omvat meestal het indienen van een aanvraag, het voldoen aan bepaalde criteria en het naleven van eventuele voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
Het is belangrijk om de specifieke waterschapsverordening van het betreffende waterschap te raadplegen om te begrijpen welke activiteiten vergunningplichtig zijn en hoe het vergunningsproces verloopt. Daarnaast kan het raadplegen van het waterschap zelf of het inschakelen van professioneel advies ook nuttig zijn om aan de vergunningseisen te voldoen. (bron: Waterschap Hunze en Aa's) +
(bron: VNG / Aquo / DIV) +
(bron: Rivierenwet / Wet 1891 / WVO / Awb / RWS-A 1997 / RWS-R, 1996: Voorstudie WVO-INFO, Bijlage 12, pag. 40 (aangepast). / Aquo / DIV) +
(bron: Rivierenwet / Wet 1891 / WVO / Awb / Klassieke Waterstaatswetgeving en Wvo-vergunningverlening en -handhaving / Aquo / DIV) +
(bron: Boog, T. H. M. van der, Gegevenswoordenboek Bestuurlijk-Juridische Zaken Klaswat en Wvo, EDS, nr. A2403-R-3, 15 mei 1996, pag. 25 (aangepast). / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De verhanglijn (waterspiegelverhang) of lengteprofiel die optreedt in een rivier is het verloop van de waterspiegel in lengterichting. Voor een gegeven rivier kunnen de mogelijk optredende verhanglijnen bepaald worden.
Dit gebeurt door de vergelijking van Bresse op te lossen, rekening te houden met randvoorwaarden zoals instroom in een reservoir. Afhankelijk van de helling van de rivier (sterk of zwak) zijn er telkens vier mogelijke verhanglijnen.
De verhanglijnen worden theoretisch bepaald met de vergelijking van Bélanger. De vergelijking van Bélanger drukt namelijk het behoud van impuls uit en hiermee kan men bepalen waar er al dan niet een watersprong optreedt. Een watersprong is de overgang van superkritsche stroming (Fr>1) naar subkritische stroming (Fr<1), hierbij treedt er plots een sprong op in de hoogte van het wateroppervlak.
De meeste bevaarbare rivieren en kanalen hebben een zwakke helling, het scheepstransport over een te sterke helling zou een te hoog vermogen vragen. Op deze rivieren kunnen vier verschillende verhanglijnen voorkomen, de meeste eigenschappen ervan kunnen uit de onderstaande figuur afgelezen worden: A1, A2, A3, Au. <br/>
<br/>
De A3-verhanglijn is de enige verhanglijn die "opwaarts bepaald" is, bijvoorbeeld doordat het water onder een schuif door moet lopen. De beginhoogte van de andere wordt afwaarts bepaald, bijvoorbeeld uit een reservoir (meer, andere rivier). Het type verhanglijn is dan afhankelijk van de hoogte van het water in het afwaartse reservoir.
Wanneer de A2 en A3-verhanglijnen de "kritische hoogte" HK bereiken, staat de verhanglijn theoretisch loodrecht op de kritische hoogte. Dit geldt enkel theoretisch. In de praktijk betekent dit dat de verhanglijn daar doodloopt, en een andere begint. (bron: Wikipedia) +
Een dak of een (gesloten) bestrating. +
(bron: Bron CHEOBS, CBNL) <br/>
<br/> +
Als het quotiënt bijvoorbeeld 3 is wordt dit genoteerd als 3:1 en uitgesproken als 3 staat tot 1 of 3 op 1. Soms wordt een schuine streep gebruikt, dan kan de schrijfwijze overeenkomen met deze van een quotiënt. Zo kan 2/3, als getal, uitgesproken worden als twee derde, en als verhouding als 2 staat tot 3 of 2 op 3.
Een verhouding kan ook uitgedrukt worden door middel van een percentage. (bron: Wikipedia) +
(bron: Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten / ABDL) <br/>
<br/>
Iemand of organisatie die dingen tegen betaling ter beschikking stelt. (WikiWoordenboek) +
Bij fysiek verkeer kan men onderscheiden mensen die zichzelf verplaatsen met of zonder vervoermiddel (en dieren die zich verplaatsen) en mensen en goederen die vervoerd worden (met een vervoermiddel, of bijvoorbeeld een kind dat door een ouder wordt gedragen). De verplaatsingen gebeuren veelal plaats in een speciaal daarvoor bestemde infrastructuur, zoals auto-, spoor- en waterwegen. Ook pijpleidingen, kabels en glasvezelverbindingen kunnen aangemerkt worden als verkeersinfrastructuur. In het dagelijkse taalgebruik wordt met verkeer meestal het wegverkeer bedoeld.
Indien het verkeer stagneert door een te groot verkeersvolume ten opzichte van de actuele mogelijkheden van de infrastructuur, dan is er sprake van congestie. Op het autowegennet wordt dit ook wel filevorming genoemd; op het spoorwegennet heet dit vertraging. In 2019 vielen er 661 doden in het verkeer in Nederland, in 2018 678, dat is bijna twee doden per dag.
Het vakgebied dat zich met verkeer bezighoudt wordt verkeerskunde genoemd. (bron: Wikipedia) +
(bron: CROW / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Verkeersborden zijn een van de drie soorten verkeerstekens die de wegbeheerder kan gebruiken om het verkeer op de weg te regelen. De andere twee zijn verkeerslichten en wegmarkering. Verkeerstekens in het algemeen en borden in het bijzonder geven aanwijzingen aan verkeersdeelnemers over hoe zich te gedragen op de weg.
Verkeersborden zijn er in verschillende categorieën. Sommige geven verboden weer voor het wegverkeer in het algemeen of bestuurders van bepaalde voertuigen in het bijzonder, andere verkeersborden leggen juist verplichtingen op of geven informatie aan de verkeersdeelnemer. Het uiterlijk van de borden werd het laatst in internationaal verband vastgesteld in 1968 in het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens.
Naast het wegverkeer zijn er ook verkeersborden in andere vervoerssystemen, zoals in de scheepvaart, op de spoorwegen of op een luchthaven.
Sommige borden zijn niet altijd nodig of gewenst: de wegbeheerder kan dan door middel van een wisselbord (of -wegwijzer) of een elektronisch matrixbord de verkeerssituatie veranderen.
Verkeersborden die gelden op de waterwegen zijn bepaald in het Binnenvaartpolitiereglement. Hierin worden de volgende verkeersborden vastgesteld:
* Verbodstekens
* Gebodstekens
* Beperkingstekens
* Aanbevelingstekens
* Aanwijzingstekens
* Bijkomende tekens
* Tekens aan kunstwerken
* Overige aanduidingen <br/>
(bron: Wikipedia) +
De Verkeerskunde is als discipline ontstaan na de publicatie van "Traffic in Towns" (het Buchanan Report) in 1963. Daarvóór bestonden er alleen disciplines als Wegenbouwkunde en Spoorwegbouwkunde. Buchanan was de eerste die verkeer zag als een functie van de ruimtelijke ordening en niet als onbeheersbaar natuurverschijnsel. Na 1963 werd Verkeerskunde ook in Nederland ingevoerd als onderwijsvak (TU Delft ca. 1969, Verkeersakademie Tilburg, nu NHTV internationaal hoger onderwijs Breda, 1972). Naast kennisinstituten in WO en hbo zijn er organisaties als de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat die internationaal gewaardeerd onderzoek doen. (bron: Wikipedia) +
(bron: BABW / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Maatregel die een gebod of verbod inhoudt voor een weggebruiker.
Verkeersmaatregelen vereisen in permanente situaties vaak een verkeersbesluit. De situaties waarop dat van toepassing is, zijn vermeld in het Uitvoeringsbesluit BABW.
Het geheel van alle aanwijzingen naar de weggebruiker bij wegwerkzaamheden wordt ook vaak aangeduid als verkeersmaatregelen. (bron: Wegenwiki) +
(bron: CROW / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Gebeurtenis op een openbare weg, die verband houdt met het verkeer, ten gevolge waarvan schade ontstaat aan objecten en/of letsel bij personen, en waarbij tenminste een rijdend voertuig is betrokken. (Bron: ABDL) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een verkeerslicht is een seinlicht om het verkeer te kunnen regelen. Ook het openbaar vervoer, (goederen)treinen en schepen gebruiken verkeerslichten.
Verkeerslichten regelen met behulp van lichtsignalen het kunnen oprijden van een gelijkvloerse kruising, de toegang tot bruggen, tunnels en spoorwegovergangen, de toegang tot parkeergarages en -terreinen, evenals de toegangsregulering bij fabrieken, bedrijven en andere afgesloten terreinen. Ook bij wegwerkzaamheden kunnen verkeerslichten worden gebruikt.
Een verkeerslicht is een van de drie soorten verkeerstekens die een wegbeheerder kan gebruiken om het verkeer op de weg te regelen. De andere twee zijn verkeersborden en wegmarkeringen. Een combinatie ervan is ook mogelijk.
Bij toepassingen op de openbare weg zijn de verkeerslichten onderdeel van een verkeersregelinstallatie (VRI), die bestaat uit de verkeerslichten, voertuigdetectoren, detectielussen en een regelsysteem daarvoor. De reguliere lichten (lampen) zijn vrijwel altijd onder elkaar geplaatst, dus verticaal gepositioneerd. Dit geldt voor België en Nederland. In sommige andere landen (vooral Japan) zijn de reguliere verkeerslichten voor het autoverkeer naast elkaar gepositioneerd.
De lichten van onder andere spoorwegovergangen, ophaalbruggen en veerponten zijn vaak naast elkaar geplaatst. Wanneer de rode lampen bij bruggen en spoorwegovergangen branden, al dan niet knipperend, is stoppen verplicht; andere signalen kunnen met deze lichten niet worden gegeven. (bron: Wikipedia) +
(bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: dt00207 / Taxonomie van documenttypen) +
Het Nederlands erfrecht stelt de akte niet verplicht voor de erfopvolging, maar deze kan nodig zijn als officieel bewijs voor hetgeen er in staat, bijvoorbeeld bij banken, schuldeisers, verkoop van onroerend goed uit de nalatenschap of een rechtszaak over de nalatenschap.
In Nederland zijn er geen voorschriften wat in de verklaring moet worden opgenomen, wel wat kan, het is geregeld in artikel 4:188 BW (artikel 188 van Boek 4 Burgerlijk Wetboek (erfrecht)) en de Wet op het Notarisambt. Een verklaring van executele of van bewind is in Nederland een eenvoudige verklaring van erfrecht die alleen de erfrechtelijke feiten over een executeur of testamentair bewind bevat. In Nederland vindt de overdracht van de nalatenschap van overledene op de erfgenaam of erfgenamen van rechtswege plaats bij overlijden, er is geen formaliteit of handeling voor nodig (art. 4:182 BW). Het executeurschap geldt van rechtswege en kan zonder officieel document worden aanvaard, ook het testamentair bewind geldt van rechtswege, de bewindvoerder is daarbij ingesloten. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Indien de eigenaar van een kadastraal perceel komt te overlijden wordt niet automatisch deze registratie aangepast. Er moet een verklaring van erfrecht worden opgemaakt. +
Afwaaiing is een waterstandsverlaging ten gevolge van wrijving tussen wind en water. Door deze wrijving wordt de bovenste laag van het water met de wind meegevoerd. Aan de bovenwindse zijde wordt het water weggeblazen met een verlaging van de waterstand tot gevolg. Afwaaiing is hiermee het tegenovergestelde van opwaaiing.
De bovenlaag van het water stroomt met de wind mee waardoor een hellend wateroppervlak ontstaat. Dit vlak blijft bestaan zolang de wind waait en dus de wrijving in stand blijft. Onder het wateroppervlak ontstaat vervolgens een stroming die het tekort aan water bij afwaaiing wil compenseren met het overschot aan water aan de zijde van opwaaiing. De grootte van deze compenserende stroming is afhankelijk van de beschikbare waterdiepte. Bij ondieper water zal deze stroming kleiner zijn en dus zal de waterstandsverlaging door afwaaiing groter blijven.
Als voorbeeld kun je denken aan een westerstorm. De wind waait dan vanuit Engeland over de Noordzee naar Nederland. Engeland is dan de benedenwindse zijde en daar zal afwaaiing optreden. Het water wordt immers in de richting van Nederland geblazen. Aan de Nederlandse kust treedt vervolgens opwaaiing op. +
Verlanden is een proces waarbij drasland, moerassen, plassen en andere ondiepe wateren langs natuurlijke weg in land veranderen. Dit proces kan tientallen tot honderden jaren duren.
Verlanding komt het meest voor bij (ondiepe) meren. Dit betekent niet dat alle meren eens zullen verdwijnen: overstromingen, stormen en ook menselijk ingrijpen houden ze in stand en doen nieuwe ontstaan. Een moeras is vaak een tussenfase in een verlandingsproces.
Wanneer de mens niet ingrijpt zal verlanding van een plas als volgt plaats (kunnen) vinden:
Riet begint langs de oevers te groeien, en waterplanten in het water;
Dode plantenresten veranderen in humus en vullen de plas op. Het riet breidt zich sterk uit, tot bijna in het centrum van de plas;
Langs de voormalige oevers wordt het riet verdrongen door verlandingsvegetatie die aan drogere grond is aangepast;
Van de plas resteren nog kleine vijvertjes en slootjes, omringd door riet. Op veel gebieden is de bodem nu stevig genoeg voor andere planten, en zelfs voor een zogenaamd broekbos;
De laatste plasjes verlanden. Het broekbos verandert in een normaal bos.
Verlanding wordt vaak als ongewenst beschouwd, omdat men de wetlands of meren wil behouden. De ecologie kan uniek zijn, en meren trekken bovendien toeristen aan (zeilen op de Friese meren). De mens gaat verlanding daarom vaak tegen, bijvoorbeeld door het riet te verwijderen. +
(bron: Nederlands Normalisatie-instituut, Water - Termen en definities. NEN 6599, 1e druk, januari 1991- vertaald uit ISO 6107-2-5-2 / Aquo) <br/>
<br/>
De verrijking van water, zowel zoet als zout, met voedingsstoffen, in het bijzonder fosfor- en stikstofverbindingen, waardoor de groei van algen en hogere vormen van plantenleven wordt versneld. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Eutrofiëring (van het Oudgriekse εὐτροφία (eutrophia), dat goede voeding betekent) of vermesting is de vergroting van de voedselrijkdom in met name water en op arme zandgronden.<br/>
<br/>
In de ecologie en de limnologie wordt hiermee het verschijnsel aangeduid dat door toevoer van een overmaat aan voedingsstoffen een sterke groei en vermeerdering van bepaalde soorten optreedt, waarbij meestal de soortenrijkheid of biodiversiteit sterk afneemt. <br/>
<br/>
Eutrofiëring treedt bijvoorbeeld op in zoet water waar door uitspoeling veel meststoffen in terechtkomen, met name stikstof (ook als stikstofdepositie in de vorm van ammoniak en stikstofoxides) en fosfaat afkomstig van mest en kunstmest uit de agrarische industrie. Het resultaat is een sterke algenbloei. Dit kan opgemerkt worden aan donkere wateren die daarnaast ook behoorlijk stinken. Eutrofiëring kan leiden tot hypoxie, een tekort aan zuurstof in water. <br/>
<br/>
Het uitspoelen van meststoffen kan worden verminderd door bufferstroken aan te leggen tussen waterlopen en landbouwgrond. Door gebieden met onder andere rietkragen in te richten die als helofytenfilter kunnen fungeren, zullen veel meststoffen aan het milieu onttrokken kunnen worden en kan de natuurwaarde van de betrokken wateren toenemen. Met de aanleg van bufferstroken kunnen hoge kosten gemoeid zijn. <br/>
<br/>
Nitraten en fosfaten zijn dus nutriënten voor intensieve algengroei. Deze fungeren als een van de verontreinigende stoffen (kwaliteitsparameters) bij waterverontreiniging en -zuivering. <br/>
<br/>
Het effect op de bodemvruchtbaarheid en de eutrofiëring van meststoffen is terug te voeren op de chemische eigenschappen van de voornaamste mestcomponenten: stikstof (in de vorm van zowel nitraten als ammoniak, of beter ammoniumverbindingen), fosfor (in de vorm van fosfaten) en kalium. <br/>
<br/>
In een niet bemeste bodem zijn deze voor planten zeer belangrijke componenten niet goed beschikbaar. Zeker als de bodem voor voedselproductie gebruikt wordt: in planten aanwezige stoffen worden steeds afgevoerd (naar consumenten).
* Stikstof, noodzakelijk in de synthese van aminozuren, eiwitten, DNA en aanverwante verbindingen, omdat vrijwel alle nitraten en ammoniumzouten goed oplosbaar zijn in water. Deze verbindingen lossen op in regenwater en komen of in het diepe grondwater terecht, of spoelen af richting waterlopen en zee.
* Fosfor, noodzakelijk in de synthese van DNA en aanverwante verbindingen, omdat vrijwel alle fosfaten juist zeer slecht oplosbaar zijn. Fosfaten verplaatsen zich in de natuur vrijwel niet, zeker niet in het tempo waarin de voedingsstoffen geoogst worden.
* Kalium, noodzakelijk omdat het vaak in combinatie met natrium gebruikt wordt, omdat het een relatief zeldzaam element is, zeker in vergelijking met natrium en bovendien zijn kaliumzouten in de regel goed oplosbaar in water zodat uitspoeling, net als bij stikstof, makkelijk optreedt. <br/>
<br/>
In een bodem waar deze componenten weinig voorkomen zullen alleen specialisten die zuinig met de aanwezige voeding omgaan of een eigen synthese hebben (vlinderbloemigen in hun wortels) kunnen overleven. Bij te hoge concentraties dreigt:
* enerzijds vergiftiging. Het opnamesysteem voor de voedingsstof is veel te efficiënt en verzamelt veel te grote hoeveelheden ervan die vervolgens niet op een juiste wijze verwerkt kunnen worden.
* anderzijds overgroeiing door soorten die juist een hogere concentratie voedingsstof nodig hebben om te kunnen kiemen en groeien. <br/>
<br/>
Eutrofiëring kan ook optreden wanneer afvalwater ongezuiverd of onvoldoende gezuiverd wordt geloosd op oppervlaktewater. De oplossing zal dan gevonden moeten worden in reductie van de productie van afvalwater en in afvalwaterzuivering of het verbeteren hiervan. (bron: Wikipedia)
Men leest dan ook vaak het formeel onjuiste wattage in plaats van het officieel correcte vermogen.
Een andere bekende, maar verouderde, eenheid voor vermogen is de paardenkracht. Dat is oorspronkelijk het vermogen benodigd om een massa van 75 kg omhoog te trekken met een snelheid van een meter per seconde. Dit vermogen varieert met de zwaartekrachtversnelling, en dus met de plaats op aarde. Meestal rekent men een pk als 736 watt.
Het vermogen is gedefinieerd als de opgewekte of verbruikte hoeveelheid energie per tijdseenheid. (vermogen (watt) = (arbeid (joule)/ tijdsduur (sec.))) +
Vervuiling is een (ongewenste) substantie of activiteiten in een systeem of compartiment ingebracht. <br/>
<br/>
Contaminatie betekent letterlijk "besmetting" of "vervuiling". Het woord wordt in verschillende contexten gebruikt: <br/>
* contaminatie (taal), als een menging van twee taalvormen <br/>
* als een medische term voor besmetting of infectie <br/>
* verontreiniging van een stof: <br/>
** milieuverontreiniging <br/>
** bodemverontreiniging <br/>
** luchtvervuiling <br/>
** materiaal dat geen zuivere stof is, wordt als verontreinigd beschouwd <br/>
** watervervuiling <br/> +
Deze belasting betalen huishoudens en bedrijven. Deze belasting betaalt u als u uw afvalwater loost op oppervlaktewater (eventueel via een IBA die u zelf beheert) +
(bron: Eurovov) <br/>
<br/>
Het geheel aan wetten, verordeningen of voorschriften die worden opgesteld door een publiek lichaam, een stichting of een al dan niet in een vennootschap ondergebracht bedrijf om de eigen lokale of interne zaken, de betrekkingen met anderen, of het bestuur van de leden te regelen. (bron: Ensie) +
De betreffende overeenkomst wordt door de projecteigenaar aangegaan in het kader van de uitvoering van een goedgekeurd project. (bron: Handreiking Financieel Management) <br/>
<br/>
De voorwaardelijke of onvoorwaardelijke verplichting tot het in de toekomst doen van een kasbetaling aan een derde of aan een ander dienstonderdeel; (bron: Comptabiliteitswet) <br/>
Juridische verbintenis die: <br/>
* a) ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die
* b) tot uitgaven leidt of kan leiden. (bron: Begrippenlijst Verantwoordingsonderzoek) <br/>
<br/>
Een verplichting is het tegenovergestelde van een recht. (Zorgeloos vastgoed thesaurus) +
(bron: Handboek SWNBL / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Verruiging: Veel van hetzelfde. <br/>
Onder verruiging verstaat men doorgaans de vestiging van soortenarme vegetaties met veel algemene, en dus binnen het natuurbeheer ongewenste, soorten. <br/>
<br/>
Verruiging is in zekere zin een subjectief begrip. Een beheerder houdt bij het beheer een bepaald natuurdoeltype voor ogen, bijvoorbeeld een bloemrijk grasland. Door het niet meer of niet juist maaien of door een voedselaanrijking kan het grasland gaan verruigen. Hierdoor zal het aantal graslandsoorten afnemen en nemen de ruigtekruiden toe. Vaak ontstaan er zo soortenarme vegetaties met een paar dominante soorten, bv. een ruigte van enkel Grote brandnetel. Maar sommige ruigtes zoals de vochtige ruigte, kunnen ook bloemen- en soortenrijk zijn. Verruiging is een stap in de successie, die plaatsvindt wanneer beheer verminderd of stopgezet wordt. Wanneer je niet meer maait of begraast wordt het plantenmateriaal niet langer afgevoerd en komt er op de bodem een laag halfverteerde plantenresten (vervilting). Door deze laag van rottende planten kunnen alleen soorten groeien met een sterke groeikracht zoals ruigtekruiden en een aantal dominante grassoorten bv. Glanshaver. (bron: Ecopedia) +
Wanneer u een query uitvoert op een versieweergave, ziet u de gegevens in de basistabel (zakelijke) en de bewerkingen die zijn opgeslagen in de deltatabellen. De triggers die worden gebruikt door de versieweergaven werken de deltatabellen bij wanneer u de versieweergave met SQL bewerkt.
In tegenstelling tot database- of ruimtelijke weergaven, worden versieweergaven niet gebruikt om het schema van de tabel te wijzigen of de toegang ertoe te beperken; ze worden eerder gebruikt om de toegang tot een bepaalde versie van een tabel of functieklasse te vergemakkelijken. Daarom geeft u bij het maken van een versieweergave geen waar-clausule op. Als gevolg hiervan bevatten versieweergaven dezelfde kolommen en rijen als de basistabel die ze vertegenwoordigen.
Elke tabel of kenmerkklasse met versiebeheer heeft bijbehorende deltatabellen waarin de bewerkingen worden vastgelegd. Wanneer toegang wordt verkregen tot een versietabel of featureklasse via een versieweergave, worden alle records in de basistabel geselecteerd en samengevoegd met records uit de deltatabellen om een weergave te construeren die alle wijzigingen bevat die in de basistabel zijn aangebracht in de context van de opgegeven versie.
Zonder versieweergaven kunnen toepassingen die geen ondersteuning bieden voor geodatabaseversies, alleen rechtstreeks de basistabel van een functieklasse of tabel met versiebeheer opvragen en hebben ze geen verbinding met de deltatabellen. Het gebruik van versieweergaven met deze toepassingen is handig omdat het de toepassingen toegang geeft tot de gegevens in de deltatabellen.
Versieweergaven werken niet met functionaliteit die is geïmplementeerd op geodatabaseniveau. Daarom mogen ze niet worden gebruikt om gegevens te bewerken die deelnemen aan geodatabase-gedrag. Zie Welk type gegevens kan worden bewerkt met SQL voor meer informatie.
Als u een versie-weergave opvraagt zonder de versie en status in te stellen, verwijst u naar de huidige status van de DEFAULT-versie. Als andere gebruikers bewerkingen uitvoeren in de DEFAULT-versie (waardoor de status wordt gewijzigd waarnaar de DEFAULT-versie verwijst), zullen uw volgende zoekopdrachten de laatste status van DEFAULT en hun bewerkingen zien.
Als u de versie opgeeft die moet worden opgevraagd met behulp van de functie of procedure set_current_version (namen variëren enigszins afhankelijk van uw databasebeheersysteem), verwijst u naar de status waarnaar de opgegeven versie verwees toen u de versie instelde.
Als u bijvoorbeeld de functie set_current_version uitvoert om de versie in te stellen op een benoemde versie genaamd decedits en decedits verwijst naar status 4 in de statusstructuur, zullen alle volgende SQL-query's die u maakt tegen decedits status 4 van de gegevens zien, zelfs als andere gebruikers zijn het plaatsen van bewerkingen op decedits, waardoor de huidige staat van decedits staat 25 is. Om staat 25 te zien, voer je de set_current_version functie opnieuw uit om de versie in te stellen op de huidige staat van decedits.
(bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: dt00209) <br/>
<br/>
Schriftelijke vragen en opmerkingen van een commissie over wetsvoorstellen of andere aan de Tweede Kamer gezonden stukken. (bron: Overheid.nl Begrippenlijst) <br/>
<br/>
Document waarin handelingen en bevindingen in de vorm van een doorlopende (gesproken of geschreven) tekst of als chronologische aantekeningen worden vastgelegd. (bron: Taxonomie van documenttypen) <br/>
(bron: ABDL) +
Het versnipperen of het in oppervlakte verkleinen van habitatplekken is een groot probleem in de natuurbescherming. Hierdoor kunnen leefgebieden te klein worden en zodanig verspreid komen te liggen dat uitwisseling van populaties wordt bemoeilijkt. (bron: Themagroep: Ecologie / Aquo / DIV) +
Tijdens ruilverkavelingen en herinrichtingen wordt het onderhoud van kunstwerken soms toegewezen aan het waterschap terwijl deze geen onderdeel uitmaken van het primaire aan- afvoerstelsel van primaire watergangen. Het zijn kunstwerken die verspreid door het gebied liggen en waar het waterschap een onderhoudsverplichting heeft. Deze kunstwerken moeten op de legger worden geplaatst. +
De soort verankert zich met de rizomen in de bodem. In Europa zijn alleen vrouwelijke planten aanwezig waardoor de plant zich enkel kan verspreiden via fragmentatie. De plant kan enkele centimeters tot enkele meters lang worden en de lijnvormige bladeren (5-20 mm lang) staan verspreid, spiraalvormig ingeplant op de steel. Stengels die het wateroppervlak bereiken zijn bleker, smaller en weinig vertakt. +
Het thema Verspreiding betreft bijna alle milieu gevaarlijke stoffen (circa 100.000) en van genetische gemodificeerde organismen in het milieu. Het gaat om stoffen die door de mens geproduceerd of gebruikt worden, de afbraakproducten van deze stoffen en de vervalproducten van radioactieve stoffen. (bron: www.waterbodem.nl / Aquo / DIV) +
(bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Verstoring van de woon- en leefomgeving vindt voornamelijk plaats door:
* geluid: lawaai;
* stank;
* activiteiten, die de veiligheid aantasten ('externe veiligheid problematiek'). <br/>
Ook begrippen als lokale lucht- en bodemverontreiniging en versnippering zijn van belang. (bron: project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo / DIV) +
Onregelmatigheden bij golven zijn alle overgangen van een golf naar een medium met een hogere of lagere golfweerstand. De onregelmatigheden kunnen velerlei zijn, bij licht bijvoorbeeld mistdruppels of moleculen, maar het kunnen ook dichtheidsfluctuaties in vloeistoffen of gassen zijn of onregelmatigheden in kristallen.
Afhankelijk van de grootte van de verstrooiende objecten zijn de verstrooiingsrichtingen meer of minder willekeurig. Bij grotere onregelmatigheden is de verstrooide golf voornamelijk onder hoeken rond de 0 en de 180 graden afgebogen en is de intensiteit bij hoeken rond de 90 graden verwaarloosbaar. Bij kleine onregelmatigheden is het aandeel van de onder 90 graden afgebogen golven toe tot ongeveer de helft van die van de bijna doorlopende en of teruglopende golven en is de verstrooiing dus wat meer willekeurig. Te denken valt aan de blauwe lucht, die ook in richtingen die 90 graden afwijken van het invallende zonlicht nog een hoge lichtintensiteit heeft. (bron: Wikipedia) +
Van Latijn: vertebra = gewricht, wervel. Tegengesteld: evertebraat (bron: van Dale, 1993. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Gewervelden of vertebraten (Vertebrata) vormen een onderstam van chordadieren. Gewervelde dieren kenmerken zich door de aanwezigheid van een wervelkolom, een schedel en neurale lijstcellen. Tot de gewervelden behoren onder meer de prikken, vissen, amfibieën, reptielen, vogels en de zoogdieren. De gewervelden maken het grootste deel uit van de Chordata, dieren die (in aanleg) een chorda dorsalis hebben. Tot de Chordata behoren naast de gewervelden ook lancetvisjes (Cephalochordata) en manteldieren (Urochordata). Er zijn ongeveer 70.000 soorten gewervelde dieren benoemd en beschreven.
Ongeveer vijf procent van alle beschreven diersoorten zijn gewerveld; de overige 95% zijn ongewervelde dieren, zoals geleedpotigen, weekdieren en vele andere fyla. Moleculaire analyses hebben aangetoond dat slijmprikken nauwer verwant zijn aan prikachtigen,[3] wat inhoudt dat de gewervelde dieren een monofyletische groep vormen. Gewervelden worden soms ook beschouwd als een zustergroep van de prikken in het gemeenschappelijke taxon craniata. +
Deze diepte wordt bepaald direct voorafgaande aan het meten van de verticaal en is afhankelijk van de waterdiepte van de verticaal. (bron: Aquo) +
(bron: Themagroep: Waterbeweging / Aquo /DIV) +
Hierdoor kunnen op 1 ha meer kubieke meters water worden geborgen.
Door het oppervlaktewater bovenstrooms vast te houden (door de stuwen in geval van extreme neerslag te verhogen) voorkom je een overbelasting van het boezemgebied. +
Er zijn meerdere systemen om verticaal te bemalen, meestal gebruikt men hiervoor vacuüm (korte) - of zwaartekracht (lange) filters. Op regelmatige afstanden van bijvoorbeeld 2 m worden 4 tot 7 meter lange geperforeerde zuigbuizen (vacuümfilters) de grond ingebracht met behulp van een spuitlans. Deze buizen worden aangesloten op een verzamelleiding, die is aangesloten op een vacuümpomp. In de praktijk is de maximale zuighoogte 4 (vacuümfilter) à 5 (graviteitsfilter) m. In de afvoerslang kan een watermeter zitten, die in verband met lozingskosten de hoeveelheid opgepompt (en geloosd) water meet.
Bij bemalingen op dieptes meer dan 5 m worden dieptebronnen (deepwell) gebruikt, dit is een onder in het boorgat geplaatste elektrische centrifugaalpomp. +
Om het zettingsproces en de afname van de waterspanning te versnellen is het nodig de weg die het poriënwater moet afleggen te verkorten. Dit kan worden bereikt door verticale drains op regelmatige afstand van elkaar in de bodem aan te brengen. Door de aanwezigheid van dit drainagesysteem heeft het overspannen poriënwater de mogelijkheid ook in horizontale richting naar de dichtstbijzijnde drain te stromen, waarna het verder ongehinderd kan wegstromen. Het materiaal voor de verticale drainage bestaat een dun filterdoek met in het midden een kunststof plaatje waarlangs het water naar boven kan stromen (foto). De diepte van de verticale drainage is meestal ongeveer 1,5 m. Met behulp van een vacuümsysteem kan de atmosferische druk gebruikt worden als vervangende belasting. Extra drainage van water uit de grond wordt verkregen door horizontale drains aan te sluiten op de verticale drains. De verticale drains zijn meestal van kunststof maar zijn ook in jute verkrijgbaar. Verticale drainage is te vergelijken met een zandpaal. +
De gronddruk bestaat dus uit de druk van eventueel aanwezig aardgas, de korreldruk (lithostatische druk) en de hydrostatische druk van het grondwater. Bij evenwicht in de bodem is de totale gronddruk constant. Dus:
gronddruk = gasdruk + waterdruk + korreldruk = C
Als een van de componenten van de gronddruk wijzigt (bijvoorbeeld de waterdruk) en de bodem in evenwicht blijft, moeten één of meerdere andere componenten ook wijzigen. Bij afnemende waterdruk, door bijvoorbeeld bemalen of drainage, zal de korreldruk stijgen. Ook bij langzaam afnemende gasdruk door aardgaswinning zal de korreldruk toenemen, uiteindelijk tot een niveau waarbij de korrels bezwijken en er bodemdaling of een aardschok ontstaat waarbij zich een nieuw bodemevenwicht instelt. +
De vertragingstijd wordt beïnvloed door verstening, ontbossing, klimaatverandering en de helling van de oppervlakte waar de neerslag op valt. Ook spelen andere wateren een rol in de vertragingstijd; kanalisatie van bijv. een beek verkleint de vertragingstijd en kleinschalige meertjes die niet in contact komen met een rivier vergroten de vertragingstijd. Ideaal is om de vertragingstijd zo hoog mogelijk te houden. Hoe hoger de vertragingstijd, hoe gelijkmatiger het regenwater in de rivier komt, en dus hoe minder extreem hoog de afvoergolf wordt. Meren die wel in contact staan met de rivier vertragen niet de afvoer van water vanaf een bepaalde locatie naar de rivier, maar hebben wel een positief effect op de afvoergolf; die wordt door zo'n meer behoorlijk afgevlakt. Dit kan zowel het geval zijn bij meren waar de rivier doorheen loopt (bijv. het Bodenmeer in de Rijn) als een meer dat via een zijtak aan de rivier verbonden is (bijv. het Tonlé Sapmeer bij de Mekong in Cambodja). (bron: Wikipedia) +
Een maat voor de vertroebeling is de concentratie van sediment aangeduid in mg/l. (bron: waterbodemrichtlijn / Aquo) +
Vertrouwelijke gegevens zijn bijvoorbeeld:
* Persoonsgegevens
* Staats- en bedrijfsgeheimen
* Concurrentiegevoelige gegevens
* Patiëntgegevens <br/>
De vertrouwelijkheid van gegevens moet worden beschermd tegen uitlekken. Gegevens kunnen ook tijdelijk vertrouwelijk zijn. In dat geval vallen ze onder een embargo dat door de eigenaar van de gegevens is opgelegd.
Wettelijke voorschriften rond de bescherming van persoonsgegevens zijn in Nederland opgenomen in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), in België in de Privacywet. Artsen kennen de eed van Hippocrates.
Een maatregel om vertrouwelijkheid te garanderen is cryptografie. Een andere maatregel is toegangsbeveiliging (autorisatie). (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
De mate waarin data niet beschikbaar worden gesteld of bekend worden gemaakt aan niet-geautoriseerde partijen. (bron: ArchiXL) +
Deze vertrouwenspersoon biedt een luisterend oor, geeft advies over mogelijke stappen en helpt bij het indienen van klachten als dat nodig is. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Functionaris die binnen een onderwijsorganisatie is aangewezen of gekozen om anderen te ondersteunen, adviseren en begeleiden bij problemen, klachten, of zorgen met betrekking tot bijvoorbeeld werk- of onderwijs gerelateerde kwesties, ongewenst gedrag, intimidatie, discriminatie, of persoonlijke aangelegenheden. <br/>
<br/>
Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met seksuele intimidatie of pesten. Er kunnen interne en externe vertrouwenspersonen zijn. Een interne vertrouwenspersoon fungeert meestal als eerste aanspreekpunt. (bron: ROSA) +
Het is af te raden deze term te gebruiken voor getijverschil. (bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst, CHO, "Rapporten en nota's" nr.16, 's-Gravenhage, 1986 (gewijzigd). / UIVO-W / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het verval is het absolute hoogteverschil tussen twee willekeurige punten van een watergang, bijvoorbeeld bij een sluis, een stuw of een watermolen.
Zo is het verval van de beek de Geul ongeveer 250 meter, gemeten van het beginpunt in België tot zijn eindpunt, de uitmonding in de Maas.
Het relatieve hoogteverschil heet verhang wanneer het in eenheden wordt uitgedrukt en hellingsgraad of hellingspromillage wanneer het in respectievelijk graden of promilles wordt afgezet. (bron: Wikipedia) +
Een vervuilingseenheid is voor zuurstofbindende stoffen gelijk aan een inwonerequivalent. Voor andere stoffen wordt in de verordening een vracht per heffingsjaar vastgesteld, bijvoorbeeld een kilogram voor chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink en 100 gram voor arseen, cadmium en kwik. Eenpersoonshuishoudens betalen een v.e., onafhankelijk van de hoeveelheid afvalwater. Bedrijven met een waterverbruik kleiner dan 44 m³ per jaar, worden aangeslagen voor een v.e. <br/>
<br/>
Een vervuilingseenheid staat voor de hoeveelheid vervuiling in water. Ieder jaar bepaalt het waterschap hoeveel één vervuilingseenheid kost. Het aantal vervuilingseenheden verschilt per situatie. U betaalt voor één vervuilingseenheid als u alleen woont. U betaalt voor drie vervuilingseenheden als u met twee of meer personen woont. GBLT bepaalt hoeveel mensen er bij u wonen met informatie van de gemeente. Ieder woonadres in Nederland betaalt voor één vervuilingseenheid of drie vervuilingseenheden. <br/>
<br/>
Capaciteit in vervuilingseenheden / capaciteit zuiveringsinstallatie:
Het vermogen van een installatie die bestemd is voor de verwijdering van afbreekbare voornamelijk organische verontreinigingen uit afvalwater. <br/>
De vervuilingseenheid (afgekort VE) is een maat voor de hoeveelheid zuurstofbindende stoffen die zich in het afvalwater van een persoon per etmaal bevindt.
De capaciteit in vervuilingseenheid (v.e.) wordt berekend als: 1 vervuilingseenheid = 150 g TZV (Totaal Zuurstofverbruik) per dag.
De vervuilingseenheid wordt ook gebruikt als basis voor de berekening van de verontreinigingsheffing die door huishoudens en bedrijven moet worden betaald. (Bron: CBS) <br/>
<br/>
De Vervuilingseenheid ve is de eenheid waarin de vervuiling van afvalwater wordt gemeten en waarmee in Nederland de verontreinigingsheffing en zuiveringsheffing worden vastgesteld.
De vervuilingseenheid werd vroeger alleen voor industrieel afvalwater gebruikt, dat met zware metalen was verontreinigd, terwijl voor huishoudelijk afvalwater de inwonerequivalent ie gold. Deze was gebaseerd op de gemiddelde vervuiling door zuurstofbindende stoffen die een persoon per etmaal produceerde. De huidige eenheid kan voor beide soorten vervuiling worden gebruikt. (bron: Wikipedia)
De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in vervuilingseenheden (ve) of inwoner equivalenten (ie, alleen bij vervuiling door zuurstofbindende stoffen). Bron: Helpdesk water. +
Het VR komt in principe overeen met 1/100 van het MTR. (bron: STOWA, 1996 / Aquo / DIV) +
Een verwachting kan realistisch zijn, maar dat hoeft niet. Als een verwachting niet uitkomt, kan er sprake zijn van acceptatie, maar ook van teleurstelling, verwarring, onzekerheid en angst. Verwachtingen worden ook wel gedefinieerd als datgene waardoor men sneller reageert wanneer de verwachting klopt. (bron: Wikipedia / ArchiXL) +
Water dat onder de dijk stroomt via de zandlagen en door de afdekkende slecht waterdoorlatende kleilaag wordt geperst, leidt tot verweking van deze afdekkende kleilaag. +
Processen: ontwateren, bufferen, bewerken en afzetten t.b.v. nuttig hergebruik. Indien dit laatste niet mogelijk is het toepassen van massareductie en afzetten van het restproduct naar een stortplaats. Het tot stand brengen en in stand houden van de daarvoor benodigde voorzieningen. Bestaat uit de volgende BBP beheerproducten: Bouw en verwerving slibverwerkinginstallaties, Onderhoud slibverwerkingsinstallaties, Beheer slibverwerkingsinstallaties, Afzet slib/restproducten. +
Deze hebben betrekking op:
* vast afval, exclusief radioactief afval
** radioactief afval
** afvalwater (riolering), verontreinigde grond (bodemsanering). <br/>
Vooral ook de verschillende verwerkingsmethodes (zoals hergebruik, nuttige toepassing, verbranden en storten) dragen bij aan de totale verwijdering van afvalstoffen. (bron: project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo / DIV) +
Bron: Aquo Lex en Objectencatalogus. <br/>
Meervoudig ding, dat bestaat uit de elementen die lid zijn van de verzameling. Eventuele relaties tussen de leden van de verzameling zijn niet van belang. (bron: NEN 2660-1 (Ontw)) +
De bovenstaande definitie is specifek voor een verzamelmonster binnen afvalwaterzuiverisngsbeheer. (bron: naar NEN 6600-1:2019 / Aquo / DIV) +
(bron: CHO (486) / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Verzilting (bodemverzouting) is het geleidelijk toenemen van het zoutgehalte van bodem of water.
Verzilting kan komen door overstromingen vanuit zee, door zoute kwel (opwelling) waarbij zeewater via de ondergrond het land binnendringt of door onzorgvuldige irrigatiemethoden.
Verzilting van de bodem is al een oud probleem. Het kanaal dat Entemena van Lagasj liet aanleggen rond 2400 v.Chr. leidde al tot grote problemen in de landbouw van Sumer.
In Nederland vormt verzilting voornamelijk in het westen een probleem. De laaggelegen polders en droogmakerijen hebben hier het meest mee te maken. Door de ontwatering van deze gebieden neemt de kweldruk vanuit de diepere bodemlagen toe. Deze diepe lagen bevatten brak water. De drinkwaterwinning in het duingebied draagt bij aan verzilting doordat de zoetwaterbel, die onder de duinen ligt, door onttrekking van drinkwater kleiner wordt. Het gevolg is dat zout water vanuit zee gemakkelijker naar het binnenland kan stromen. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Ongewenst doordringen van zeewater of zoute kwel in rivieren, of kanalen, of gronden waarvan het beheer, omwille van het gebruik, gericht is op het zoet houden van het water. (bron: Handreiking verzilting)
Toename van het zoutgehalte in de bodem of het water. Dit ontstaat als gevolg van opkwellend zout grondwater of indringing van zeewater via het oppervlaktewatersysteem. +
(bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: dt00211 / Taxonomie van documenttypen) +
Het begrip Verzuring is één van de milieubeleidthema's. Onder verzuring wordt verstaan de neerslag van verzurende stoffen uit de lucht en de daarmee gepaard gaande processen:
* verzuring van bodem
* en oppervlaktewater
** door verzuring van de bodem kunnen milieuschadelijke stoffen opgelost worden en uitspoelen naar het grondwater
** door zure neerslag wordt de corrosie bevorderd van materialen als onbehandeld staal, zink en kalksteen. <br/>
Depositie van NOx en NH3 leidt daarnaast tevens tot eutrofiëring en verdringing van voedingsstoffen. (bron: Milieubeheer IMPM 1985-1989 / project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Verzuring is het gevolg van verontreiniging van de lucht met zuurvormende stoffen (stoffen die door chemische reacties zuren vormen zwaveldioxide, stikstofoxide, ammoniak).
(bron: DIV) <br/>
<br/>
Verzuring betekent letterlijk 'het zuurder worden van iets' en wordt gebruikt in het kader van milieuvervuiling.
Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van vervuilende gassen door fabrieken, landbouwbedrijven, elektriciteitscentrales en (vracht)verkeer. De uitstoot bevat onder andere zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) - een verzamelnaam voor stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2) - ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (VOS). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht. Dat wordt zure depositie genoemd.
De stoffen dringen via bladeren en wortels in planten en bomen, waardoor deze vatbaarder worden voor ziekten. Zure depositie tast ook rivieren en meren, en uiteindelijk de dieren die er in leven of uit drinken, aan door hogere zuur- en aluminiumconcentraties. Daarnaast tast verzuring het grondwater aan. Omdat twee derde van het Nederlandse drinkwater uit de grond komt, is het een mogelijke bedreiging voor de volksgezondheid. Een te hoge concentratie nitraat in het drinkwater is met name schadelijk voor baby's.
Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging stopt niet bij de landsgrenzen. Zure depositie en stikstofdepositie in Nederland komt voor 40%, respectievelijk 30% uit het buitenland. Nederland exporteert zelf ongeveer drie keer zoveel zure depositie dan dat het door andere landen aangevoerd krijgt. De percentages zijn zelfs hoger voor de concentraties ozon (90%), NO2 (40%) en fijnstof (75%) (gegevens voor het jaar 2003). (bron: Wikipedia)
Een viaduct is een grote verkeersbrug die meestal uit meerdere overspanningen bestaat.
Een viaduct onderscheidt zich van een tunnel door de afwezigheid van natuurlijke elementen tussen de kruisende infrastructuur. Bij een tunnel zijn er wel natuurlijke elementen aanwezig.
Men onderscheidt onder andere een viaduct voor wegverkeer en een spoorviaduct, al naargelang van het soort verkeer dat over de brug gaat. Een viaduct kan bijvoorbeeld gaan over een verkeersweg, spoorweg of ravijn. +
Niet alle computers hebben anno 2021 nog een discrete ('losse') videokaart. De meeste pc's, laptops en tablets die worden geproduceerd, hebben een videokaart die is geïntegreerd in de processor of het moederbord. Losse grafische kaarten worden normaal gesproken in de computer zelf ondergebracht. <br/>
<br/>
Grofweg zijn er twee typen videokaarten te onderscheiden:
* Onboard: De elektronica is in het moederbord of de processor geïntegreerd. Deze versie bezit vaak geen eigen geheugen, maar gebruikt het werkgeheugen van het systeem. Deze oplossing biedt standaardprestaties. Omdat de video een deel van het gewone werkgeheugen gebruikt wordt deze oplossing wel Shared Memory Architecture (SMA) genoemd. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid die in BIOS is in te stellen. Nieuwere desktop-processors van zowel Intel als AMD bevatten geïntegreerde grafische functionaliteit die de onboard-videokaart in het moederbord overbodig maken.
* Insteekkaart: Deze kaarten worden op het moederbord aangesloten door middel van een bus of een poort. In chronologische volgorde, met steeds betere prestaties, zijn de volgende architecturen gangbaar in pc-systemen:
** ISA (Industry Standard Architecture). Deze kaarten worden niet meer geproduceerd.
** PCI (Peripheral Component Interconnect). Deze worden nog wel geproduceerd, maar niet veel meer. De kaarten zijn niet erg krachtig naar moderne maatstaven.
** AGP (accelerated graphics port). Deze worden nog wel gemaakt, maar door de lagere bandbreedte ten opzichte van PCI-Express worden ze in geavanceerde systemen niet meer toegepast.
** PCI-Express (Peripheral Component Interconnect Express). De verbeterde, seriële versie van PCI. +
Een view ontleent zijn gegevens aan de tabellen waarop hij is gebaseerd. Deze tabellen worden basistabellen genoemd . Basistabellen kunnen op hun beurt werkelijke tabellen zijn of kunnen zelf views zijn. Alle bewerkingen die op een weergave worden uitgevoerd, hebben daadwerkelijk invloed op de basistabel van de weergave. U kunt weergaven op bijna dezelfde manier gebruiken als tabellen. U kunt weergaven opvragen, bijwerken, invoegen in en verwijderen uit weergaven, net zoals u dat kunt met standaardtabellen.
Weergaven kunnen een andere weergave bieden (zoals subsets of supersets) van de gegevens die zich in andere tabellen en weergaven bevinden. Weergaven zijn erg krachtig omdat u de presentatie van gegevens kunt aanpassen aan verschillende soorten gebruikers. +
Een groepering van objecttypen die gespecificeerd zijn in een extern informatiemodel en vanuit het perspectief van het eigen informatiemodel inzicht geeft welke gegevens van deze objecttypen relevant zijn binnen het eigen informatiemodel. +
(Bron: CHEOBS.)
Een vijver is een door de mens aangelegd, relatief klein meer.
Klein opslag reservoir. (Bron: Aquo)
Aangelegd waterbekken dat dient ter verfraaiing, maar ook als berging voor water. (bron: NPR 4768)
Gegraven waterpartij, aangelegd in stedelijke omgeving of in een parklandschap. (bron: Digitaal Topografisch Bestand) +
Via een VPN is het mogelijk via een bestaand netwerk, zoals het internet, gegevens te delen tussen fysiek gescheiden netwerken. Zo kan een werknemer thuis via VPN inloggen op het netwerk van de werkgever. Het bekendste en meest gangbare protocol is IPsec. Al wordt tegenwoordig, vooral door moderne VPN's, ook veelvuldig van het protocol OpenVPN gebruik gemaakt. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
VPN staat voor “virtual private network”, een dienst die jouw internetverbinding versleutelt en je online privacy beschermt.
Hoe werkt een VPN? <br/>
Een VPN oftewel Virtueel Private Network is een versleutelde, veilige verbinding tussen jouw computer, smartphone of tablet en het internet. <br/>
<br/>
Een VPN verbergt je IP-adres en je locatie. Een IP-adres is een uniek adres dat is terug te leiden tot jouw computer (net zoals een mobiel nummer of je woonadres). Als je gebruik maakt van een VPN neem je het IP-adres en locatie van de VPN-server aan. <br/>
<br/>
De VPN werkt als een soort beveiligde tunnel. Als je per ongeluk verbinding maakt met een netwerk van een hacker (omdat je denkt dat je gebruik maakt van openbare wifi in een hotel of restaurant), dan zorgt de VPN ervoor dat de hacker geen gegevens kan inzien die je verstuurt naar en ontvangt van internet. Dat kan dus wel als je niet gebruik maakt van een VPN en verbind met een openbaar wifinetwerk. <br/>
<br/>
Waarom wil je gebruik maken van een VPN?
Een VPN versleutelt alle gegevens die jij verzendt of ontvangt. Bijvoorbeeld je creditcardgegevens bij een aankoop of je BSN bij een inschrijving en je inloggegevens voor een bepaald account. Als een internetcrimineel jouw gegevens probeert te stelen via een openbare wifi dan vindt hij alleen versleutelde en daarmee onleesbare gegevens. Internetten met een VPN-verbinding is dus veel veiliger. <br/>
<br/>
Moet je toch internetten zonder een VPN? Zorg er dan voor dat je in plaats van te verbinden met een openbaar wifinetwerk, gebruik maakt van en databundel. Je maakt dan van je mobiele telefoon een hotspot en gebruikt de data van je mobiele abonnement. Als je toch een openbaar wifi-netwerk wilt gebruiken zonder een VPN, gebruik het dan in ieder geval niet om te internetbankieren of andere onlineactiviteiten doet waar persoonsgegevens of inloggegevens aan te pas komen. (bron: ICT, Hunze en Aa's)
Vissen (Pisces) zijn in het water levende gewervelde dieren die in de regel ademhalen met kieuwen. De meeste vissen zijn koudbloedig, maar sommige grotere soorten vertonen warmbloedige trekjes. Vissen komen over de hele wereld voor. Er zijn ruim 32.000 bekende soorten, in meer dan 500 families onderverdeeld en er wordt met regelmaat een nieuwe soort ontdekt. <br/>
Vis vormt voor mensen een voorname voedselbron. De vis heeft ook een belangrijke cultuurhistorische en symbolische betekenis. <br/>
Vissen zijn op vele manieren in te delen: taxonomie, grootte, giftigheid, hoe ze eruitzien, waar ze van afstammen, hoe ze zich voeden, de manier van voortplanten, levensduur, voortbewegen, zicht, in welk milieu ze leven en naar gebruik door de mens. <br/>
Ingedeeld naar milieu onderscheiden we: <br/>
* zoetwatervissen: komen voor in plassen, beken, rivieren en andere stromen;
* brakwatervissen: komen voor in mangroves en overgangsgebieden tussen zee en rivieren;
* zoutwatervissen: komen voor in zeeën en saline milieus. <br/>
Daarnaast zijn er anadrome vissen (bijvoorbeeld zalm), die opgroeien in zout water en zich voortplanten in zoet water. Katadrome vissen zijn vissen die zich in zee voortplanten en opgroeien in zoet water, zoals de paling. +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Inwendige wrijving bij vloeistof (tenacitiet) (bron: DIV) <br/>
<br/>
Viscositeit, ook bekend als stroperigheid, traagvloeibaarheid of dikvloeibaarheid, is een fysische materiaaleigenschap van een vloeistof of van een gas. Het is de eigenschap van een fluïdum die aangeeft in welke mate deze weerstand biedt tegen vervorming door schuifspanning.
Zo is water een voorbeeld van een vloeistof met een lage viscositeit, honing een voorbeeld van een vloeistof met een hoge viscositeit. Vloeistoffen met een hoge viscositeit worden viskeus genoemd. Het vloeigedrag van stoffen wordt bestudeerd in de reologie.
De naam viscositeit is afgeleid van de Latijnse naam voor de maretak, viscum album, bessen waarvan in vroegere tijden vogellijm werd gemaakt.
Er zijn meerdere begrippen die de viscositeit uitdrukken. Naast de dynamische viscositeit zijn er ook de kinematische viscositeit, die direct uit de dynamische berekend kan worden, de bulkviscositeit en de rekviscositeit.
Zonder nadere aanduiding wordt over het algemeen met viscositeit de dynamische viscositeit bedoeld. Dat is de weerstand die een fluïdum biedt aan een afschuivende kracht, bijvoorbeeld onder invloed van bewegende voorwerpen.
(bron: Wikipedia) +
Het beschrijft waar de organisatie voor wil gaan. (bron: Business Transformatie Framework - een raamwerk voor organisatieverbetering, code: 2.1.1) <br/>
Beschrijving van wat een organisatie (3.3.1) wil zijn en hoe ze gezien willen worden door hun stakeholders (3.3.3) (bron: Facility management — Vocabulaire) <br/>
Ideaalbeeld van wat een organisatie (3.2.1) zou willen worden zoals verwoord door de directie (3.1.1) (bron: Kwaliteitsmanagementsystemen - Grondbeginselen en verklarende woordenlijst) (bron: ABDL) <br/>
<br/>
De term visie verwijst naar het gewenste lange termijnperspectief van een organisatie. Er is slechts één visie per organisatie. De visie wordt afgeleid van, en is in overeenstemming met de missionstatement. Missie en principes vormen samen de visie.: <br/>
De visie is bedoeld om invloed uit te oefenen op de organisatie door: <br/>
* het motiveren van medewerkers
* het focussen van medewerkers op relevante activiteiten
* het scheppen van een kader aan de hand waarvan medewerkers kunnen afleiden op welke wijze activiteiten moeten worden ingevoerd in de organisatie en hoe deze activiteiten passen binnen een groter geheel. <br/>
Een organisatie heeft een visie als het een duidelijk beeld van de toekomst heeft. Daarop kan zij dan anticiperen in haar productontwikkeling, vernieuwing van diensten enzovoort. <br/>
Volgens het model van McKinsey is de visie het centrale managementinstrument en zorgt het voor samenhang en sturing van andere managementinstrumenten. (bron: Wikipedia) +
We zetten ons in voor een goede leefomgeving voor vissen. Daarvoor voeren we verschillende maatregelen uit. We zorgen voor verbindingen tussen verschillende gebieden, leggen visvriendelijke oevers aan en zorgen ervoor dat ze gemalen en stuwen kunnen passeren. In een kanaal als het Westerdiep leven andere soorten vis als in beken of meren.
<br/>
De visstand vertelt ons veel over hoe gezond en schoon onze rivieren, kanalen, sloten en andere wateren zijn. Vissen moeten zich vrij kunnen bewegen tussen leef- en paaigebieden. Voor trekvissen zoals zalm, paling en driedoornige stekelbaars is dit helemaal van levensbelang.
Daarom werken waterschappen, Rijkswaterstaat en andere partners samen om trekvissen te helpen bij hun reis. Opheffen van barrières en inrichten van leefgebieden zijn niet voor niets belangrijke KRW-maatregelen.
Vismigratie waterschap Hunze en Aa's. <br/>
In het voorjaar trekken verschillende vissoorten vanuit het zoute zeewater naar het zoete binnenwater. <br/>
<br/>
Vroeger bouwden we dijken, stuwen en gemalen voor de veiligheid. Maar daarmee bouwden we ook obstakels voor de vissen. De laatste jaren herstellen we dit. We maken die obstakels passeerbaar voor de vis. Zo werken we aan de verbetering van de leefomgeving voor vissen, waarbij sommige soorten specifiek in een beek leven en anderen juist in een meer of kanaal. <br/>
<br/>
Vismigratiekaart. <br/>
De ingangen van zee naar het binnenland zijn de afgelopen jaren vispasseerbaar gemaakt. Heel veel is al gebeurd. We leggen vispassages aan en vervangen stuwen door vistrappen. Bovendien herstellen we beken door ze weer te laten meanderen en maken we oevers visvriendelijk, zodat de vissen goede beschutte plekken hebben om er op te groeien of te paaien. <br/>
<br/>
Visie Vismigratie. <br/>
In onderstaande vismigratiekaart ziet u welke knelpunten we de afgelopen jaren hebben opgelost en welke we de komende jaren op gaan lossen.
Samen met Sportvisserij Groningen Drenthe hebben we de Visie Vismigratie ‘Van Wad tot Aa’ opgesteld. We werken aan goede verbindingen tussen de verschillende leefgebieden. Dit is voor vissen van groot belang voor een goede spreiding en vervulling van een volledige levenscyclus. Sommige vissen hebben bijvoorbeeld zoet én zout water nodig. <br/>
<br/>
Met de noordelijke waterschappen werken we samen aan een voor vissen goed passeerbare kust binnen het project Ruim Baan voor Vissen. <br/>
<br/>
Vismigratieonderzoek. <br/>
Door te monitoren weten we of de maatregelen die we nemen de juiste zijn. Zo kijken we in het voorjaar hoeveel vissen er ons land in trekken. Soms zenderen we de vissen om ze te kunnen volgen. Zo zien we dat sommige Windes ieder jaar rond dezelfde tijd weer terug komen in de Hunze om er bij Gieterveen en Gasselternijveen te paaien bij de steendrempels die we daar hebben aangelegd. <br/>
(bron: Legger info waterkwantiteit / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een vistrap of vispassage is een waterbouwkundig kunstwerk dat tot doel heeft vissen toegang te geven tot een door een dijk, dam, stuw of sluis ontoegankelijk geworden achterland. Ook nabij gemalen treft men vistrappen aan om de vis veilig langs het gemaal te laten zwemmen.
Er zijn diverse technieken voor een vistrap. Voor de zalm en forel, vissen die kunnen springen, bestaat het vaak uit een cascade van kleine bakken met stromend water waarbij de vis steeds naar een hoger niveau moet zwemmen of springen.
De vistrap moet zijn aangepast aan de vis die er gebruik van moet maken. Belangrijk is de plaats van de inlaat ten opzichte van de blokkade, de grootte van de lokstroom en de maximale stroomsnelheid die de vis aankan. In de grote rivieren wordt geprobeerd de vistrappen geschikt te maken voor de optrek van zalm, daarbuiten gaat het veelal om kleine bodembewonende soorten en witvissen als de serpeling, en de winde.
De meeste vistrappen bestaan uit een van de volgende constructies:
* een reeks van V-vormige, meestal houten, constructies; met elk van deze constructies wordt een hoogteverschil van vijf tot tien centimeter overbrugd; vaak plaatst men wel tien tot twintig van deze V-vormige overlaten achter elkaar, waarmee dan in totaal een hoogteverschil van meer dan een meter kan worden gehaald.
* een reeks van zuiltjes (soms betonnen palen of blokken) waar de vissen tussendoor kunnen zwemmen.
* een reeks van muurtjes met een verticale opening van ongeveer 30 centimeter.
de cascade-vistrap, waarbij over een lengte van vijftig meter natuursteen benedenstrooms van de stuw is aangebracht. <br/>
De vistrappen met de zuiltjes of de muurtjes worden aangeduid met de term "vertical slot".
Bij de Oranjesluizen tussen het Markermeer en het IJ - Noordzeekanaal is een vispassage ingebouwd van het 'vertical slot'-type, die gebruikt wordt door een variatie aan vissen, onder meer paling, spiering, driedoornige stekelbaars en zelfs zoutwatervissen als tong en bot. Voor de driedoornige stekelbaars zijn er op Texel twee vistrappen gemaakt die water over en weer over de dijk heen pompen. Ook in de Afsluitdijk bij Den Oever is een vispassage gerealiseerd om het IJsselmeer weer toegankelijk te maken voor vissoorten die daar eerder nagenoeg of geheel verdwenen waren. ,br/>
Naast de conventionele vistrappen in de vorm van een bekkenpassage bestaan er ook innovatieve oplossingen waaronder de hevelvistrap. Bij een hevelvistrap bevinden de traptreden zich binnen een afgesloten bak die onder vacuüm staat waardoor deze flexibel plaatsbaar is, naast, in of op een waterbouwkundig kunstwerk. Innovatieve oplossingen kunnen uitkomst bieden in die gevallen waarin waterbouwkundige kunstwerken niet vervangen kunnen worden door vistrappen en er geen ruimte bestaat voor de aanleg van een bypass. <br/>
(bron: Wikipedia)
Er zijn verschillende type vispassages: <br/>
* aalpijp
* bekkentrap
* deniltrap
* vislift
* vissluis
* vistrap
Het recht om ergens, als enige, te vissen. Dit recht behoorde vroeger de leenheer, later de Staten en Provincies, toe. Dezen konden anderen vergunning verlenen in hun water te vissen. De Zuiderzee was in die tijd echter vrij. 2> het geld dat men voor het verkrijgen van een visrecht moet betalen. Gerelateerde term: nettenlood. Een visrecht is niet gelijk aan een verpacht viswater. Bij dat laatste kan men iedereen van het water weren; bij een visrecht niet.
Zakelijk recht tot bevissing van wateren die aan anderen toebehoren. Het is thans geregeld in de Visserijwet 1963. Visrecht kan verhuurd worden.
In Drenthe waren in het verleden de eigenaren van havezaten en de buurschappen in bezit van het visrecht. Zij die een kwart waardeel in de gemeenschappelijke grond hadden mochten er gebruik van maken. De Staten van Drenthe maakten met enige regelmaat reglementen op de jacht en visserij. Tot de inwerkingtreding van de Visserijwet 1963 konden eigenaren van wateren het visrecht afkopen. +
De meeste vissen zijn koudbloedig, maar sommige grotere soorten vertonen warmbloedige trekjes. Vissen komen over de hele wereld voor. Er zijn ruim 32.000 bekende soorten, in meer dan 500 families onderverdeeld en er wordt met regelmaat een nieuwe soort ontdekt.
Vis vormt voor mensen een voorname voedselbron. De vis heeft ook een belangrijke cultuurhistorische en symbolische betekenis.
Volgens de Visserijwet is dit: aangewezen vissen + delen + kuit en broed, aangewezen schaal-, schelp- en weekdieren + delen + broed en zaad, zeesterren, zee- of koraalmos. +
(bron: Conditiemeting - Definities en foto's van decompositie en gebreken, code: 335 / Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OB01820) / ABDL) <br/>
<br/>
Vissluis zonder lokstroompompen. (Hunze en Aa's) +
(bron: NCS / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De trappen, m.u.v. de 1e bovenstroomse trap, worden als drempels (type stuw) vastgelegd. +
* Afbeelding. Een uitgedrukt beeld, een zichtbare voorstelling van iets wat in werkelijkheid of in gedachte bestaat.
* Ruimtelijk inzicht. Iemand die goed (mentaal) kan visualiseren heeft een goed ruimtelijk inzicht.
* Datavisualisatie: ook wel kennisvisualisatie of wetenschappelijke visualisatie genoemd, is het vakgebied, dat zich bezighoudt met het visueel weergeven van gegevens.
* Geo-visualisatie: is gelijk aan datavisualisatie voor het geval het om data met een ruimtelijke component gaat: geo-informatie. De studie die zich met geo-visualisatie bezighoudt, is altijd al Cartografie geweest, maar met de introductie van GIS houden alle ruimtelijk wetenschappers zich hiermee bezig. Deze vorm van cartografie is noodzakelijk, omdat met de opkomst van geo-informatie géén (of beter: niet meer zonder meer) cartografische kenmerken van de informatie wordt opgeslagen bij het karteren / inwinnen van de gegevens. Geo-visualisatie is een breder begrip dan beeldschermcartografie. <br/>
(bron: Wikipedia)
+
Voor een aantal zaken is het prima om te spreken over visvriendelijkheid. Zo kennen we:
* Visvriendelijk onderhoud
* Visvriendelijk schutsluisbeheer
* Visvriendelijk spuisluisbeheer <br/>
<br/>
Ook als je een specifieke stuw of gemaal voorziet van een vispassage zou je deze visvriendelijk kunnen noemen. Al gebruik ik in de communicatie bij ons vaak de uitleg dat deze is voorzien van een vispassage zodat de vissen er langs kunnen. Hiermee is een stuw of gemaal nog niet per definitie direct visvriendelijk (er kunnen bijvoorbeeld nog steeds visonveilige pompen in een gemaal zitten ondanks dat er een vispassage naast ligt) +
Bij het passeren van een regulier (visonveilig) opvoerwerk lopen vissen de kans beschadigd te raken door slag en/of knijpschade die ontstaat door contact met de pomp of vijzel. Door de vorm van de pompen en vijzels aan te passen is het mogelijk de optredende schade aanzienlijk te reduceren en deze veiliger te maken voor de vissen. Hiermee wordt een positieve bijdrage geleverd aan een gezonde visstand en het dierenwelzijn. <br/>
<br/>
Het woord “visveilig” is een woord dat we gericht en bewust gebruiken voor opvoerwerken (pompen en vijzels). Dit heeft een specifieke reden. Een “visveilig gemaal” is namelijk vrijwel nooit 100% “visvriendelijk” te noemen (als meer dan 95% levend passeert noemen we het al een visveilig gemaal), dan is gebruik van het woord “visvriendelijk” wat misleidend en is de keuze gemaakt binnen de NEN commissie (die het testprotocol voor visveilige gemalen heeft opgesteld) om de term “visveilig” te gaan hanteren. (bron hunze en Aa's) +
Bij gemalen spreek je over visveiligheid. maar bij overige kunstwerken, bij inrichting, beheer en onderhoud van het watersysteem over visvriendelijkheid. (bron: Hunze en Aa's) +
Als je een specifieke stuw of gemaal voorziet van een vispassage zou je deze visvriendelijk kunnen noemen. Al gebruiken we in de communicatie bij Hunze en Aa's vaak de uitleg dat deze is voorzien van een vispassage zodat de vissen er langs kunnen. Hiermee is een stuw of gemaal nog niet per definitie direct visvriendelijk (er kunnen bijvoorbeeld nog steeds visonveilige pompen in een gemaal zitten ondanks dat er een vispassage naast ligt) (bron: Hunze en Aa's) +
(bron: www.waterwizard.nl / Aquo) <br/>
<br/>
Water waarin men vist of waar zich vis ophoudt. (bron: Wikiwoordenboek) +
Het bepalen van de oppervlakte van een terrein lijkt een eenvoudige zaak, omdat men in de lage landen meestal vlakke oppervlakten moet opmeten. Het opmeten van hellende, of diep ingesneden terreinen stelt, bijvoorbeeld voor het kadaster en voor het bepalen van een prijs per vierkante meter heel wat praktische en juridische problemen die een landmeter moet oplossen.
Bij de invoering van het metrieke stelsel was er een aparte oppervlaktevlaktemaat, de are (aangeduid met een a) die 10 m × 10 m = 100 m² meet. Hiervan afgeleid waren de centiare (1 ca = 1/100 a = 1 m²) en de hectare (1 ha = 100 a = 10.000 m²), ook nog bunder genoemd. Deze maten komen in het spraakgebruik nog wel voor. +
Hoewel de vleugelmuur aan één zijde aan het kunstwerk bevestigd is, moet men hem voor de berekening der dikte als een vrijstaanden, grondkeerenden muur beschouwen. De vleugelmuur wordt afgedekt met een rollaag met vlechtingen of met dekzerken van natuursteen. +
Een specialisatie van Bekledingslaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Bekledingslaag bevat. VlijlaagUitvullaag erft de attributen van Bekledingslaag. (bron: DAMO) +
Vlinderafsluiter: ronde plaat die in de leiding om z'n as kan draaien. <br/>
<br/>
Bij een vlinderklep ten slotte draait een schijfvormig obstakel rond een as in, of nabij, het midden van het stroomkanaal. Om de afdichting tussen schijf en kamer te garanderen is meestal een (rubber) voering van de kamer aanwezig. <br/>
<br/>
Een vlinderklep (of smoorklep) is een klep die de stroming van een vloeistof of gas geheel of gedeeltelijk afsluit met een schijf die om haar middellijn draait. Door draaiing over een hoek van 90° gaat de vlinderklep dus van open naar dicht of omgekeerd.
Toepassingen zijn onder meer te vinden in de procesindustrie, in elektrische centrales, in HVAC en in benzinemotoren voor de gastoevoer.
Vlinderkleppen dienen vooral als afsluiter, maar kunnen ook als regelklep dienen. De bediening kan met de hand gebeuren of automatisch: elektrisch of pneumatisch. Bij handbediende, grote vlinderkleppen bevindt zich soms een tandwieloverbrenging tussen de as van de schijf en het handrad, zodat meer dan 90° nodig zijn om van open naar toe te gaan en dus een kleinere kracht.
Vlinderkleppen zijn vooral interessant in grotere leidingen, waar ze goedkoper zijn dan andere soorten kleppen.
Industriële vlinderkleppen zijn verkrijgbaar in twee uitvoeringen: geflensd of geschroefd. Bij de geflensde uitvoering heeft de klep twee flenzen, die met afdichtingen tussen de flenzen van de leiding gemonteerd wordt en dan aangespannen met bouten en moeren. Bij de geschroefde uitvoering heeft de klep ook flenzen, maar nu met schroefdraad erin. De vlinderklep wordt met dichtingen tussen de flenzen van de leiding gemonteerd en van beide zijden met bouten bevestigd, dus geen moeren. Het voordeel van de geschroefde uitvoering bestaat erin, dat één kant van de leiding gedemonteerd kan worden als dat nodig is, terwijl de vlinderklep de leiding toe houdt. (Wikipedia) <br/>
<br/>
Vlinderkleppen hebben een relatief eenvoudige constructie. De hoofdcomponenten van een vlinderklep zijn de behuizing, de afdichting, de schijf en de spindel (Figuur 2). Een typische vlinderklep heeft de schijf geplaatst in het midden van de verbonden pijp en een spindel die is verbonden met een actuator of handgreep aan de buitenzijde van de klep. In de gesloten positie staat de schijf loodrecht op de stroom, zoals weergegeven in figuur 2, en wordt afgedicht door de klepzitting. De spindel wordt ook afgedicht door het gebruik van een o-ring. Wanneer de actuator of het handvat de spindel 90 graden naar achteren draait, beweegt de schijf weg van de klepzitting en positioneert deze zich parallel aan de stroom. Gedeeltelijke rotatie zorgt ervoor dat de stroom kan worden gesmoord of geproportioneerd.(Tameson.nl)
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Vloed is een fase van het getij waarbij het water van de zee opkomt of rijst. De fase van afgaand of dalend water heet eb.
Zowel vloed als eb ontstaan onder invloed van de massa van de Maan en de Zon. Tijdens vloed komen hoger gelegen gedeelten van de kust onder water te staan. Grote zandplaten, zoals in de Waddenzee, de Oosterschelde of de Voordelta, die bij laagwater droogvallen, lopen bij vloed weer onder. Een geleidelijk naar zee aflopende kuststrook, zoals bij een strand, wordt smaller. De waterstand die aan het einde van de vloedperiode bereikt is, heet hoogwater of hoogtij.
De hele periode van rijzend water, dus meteen vanaf het moment van laagwater, heet vloed. Het tijdsverschil tussen het begin van de ene vloed en het begin van de daaropvolgende vloed is gemiddeld 12 uur en 25 minuten.
Bij volle maan en nieuwe maan zijn de getijkrachten sterker. Als gevolg daarvan komt het hoogwater in de dagen direct daarna sneller op en bereikt een hogere stand. We spreken dan van springvloed. De watersnood van 1953 werd veroorzaakt door een stormvloed als gevolg van een zware noordwesterstorm, in combinatie met springvloed.
Een tsunami is een vloedgolf die meestal door een aardbeving en/of een aardverschuiving wordt veroorzaakt en met het getij verder niets te maken heeft.. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Het stijgen van de zeespiegel na laagwater. (bron: DIV) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Mangroven zijn boom- of struiksoorten die vaak een opvallend boven de grond of het water uitstekend wortelstelsel bezitten en die voorkomen in tropische kustgebieden en rivierdelta’s met getijdewerking. Met de term ‘mangrove’ wordt ook het (bos)gebied aangeduid waarin deze soorten voorkomen. Mangroven zijn zeer belangrijk voor de biodiversiteit, kustbescherming, vastlegging van koolstof, waterzuivering en toerisme, maar worden wereldwijd sterk bedreigd. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een vloedgolf in de letterlijke betekenis is een getijdenfenomeen waarbij tijdens vloed een hoge getijgolf ontstaat. Vooral tijdens springtij kan dit sterk optreden. In trechtervormige estuaria kan zo'n getijgolf de vorm aannemen van een ware vloedbranding, een muur van water die een rivier of smalle baai stroomopwaarts binnendringt. <br/>
<br/>
In ruimere zin wordt het woord vloedgolf gebruikt voor uiteenlopende verschijnselen, zoals een uitzonderlijk hoge golf, of water dat door een plotselinge stijging van het waterpeil een nieuw gebied binnendringt. Voorbeelden zijn tsunami's, monstergolven en stortvloeden. Als de vloedgolf samenvalt met zware storm wordt gesproken over een stormvloed. (bron: Wikipedia) +
(bron: CHO (422b) / Aquo / DIV) +
(bron: CHO (427) / Aquo / DIV) +
Meestal is de vloedschaar een natuurlijk fenomeen waardoorheen zout water zich naar het binnenland verplaatst. (bron: Wikipedia) +
(bron: CHO (426) / Aquo / DIV) +
Op microniveau bestaat een vloeistof uit deeltjes die voortdurend in een willekeurige beweging zijn, maar slechts een vrije weglengte hebben in de ordegrootte van de diameter van de deeltjes. <br/>
<br/>
De dichtheid van een vloeistof is vergelijkbaar met die van een vaste stof. Om deze reden worden vloeibare en vaste stoffen gecondenseerde materie genoemd. Anderzijds hebben zowel vloeistoffen als gassen het vermogen om te vloeien. Ze worden hierom fluïda genoemd. Ondanks dat vloeibaar water overvloedig aanwezig is op aarde, is het de zeldzaamste aggregatietoestand in het universum. Vrijwel alle materie in het heelal is in gasvorm, met sporen van detecteerbare vaste materie. +
(Bron: GISWAK / Aquo / DIV) +
Zij valt onder de continuümmechanica en kan worden verdeeld in:
* statische vloeistofmechanica (voor water: hydrostatica), het bestuderen van stilstaande fluïda, en
* vloeistofdynamica of stromingsleer (voor water: hydrodynamica; voor lucht: aerodynamica), het beschrijven van bewegende fluïda.
Vloeistofmechanica wordt gebruikt in uiteenlopende takken van wetenschap als meteorologie, fysische geografie of vulkanologie. Voor de scheepsbouw zijn de weerstand en voortstuwing, het manoeuvreren en de beweging in golven van schepen van belang. +
Een waterslot, zwanenhals of sifon, is een instrument dat het mogelijk maakt om twee gassen door een vloeistof van elkaar gescheiden te houden mits er geen al te groot drukverschil tussen bestaat. Indien het drukverschil te groot wordt zal het gas met de grootste druk zich in bellen door de vloeistof heen persen en zich met het andere vermengen. +
(Bron: Haslinghuis) +
De hoeveelheid voedingstoffen in de bodem is een belangrijke abiotische factor. De belangrijkste voedingstoffen voor planten zijn stikstof (N), fosfaat (P) en kalium (K). Wanneer een bodem veel stikstof en fosfaat bevat is hij voedselrijk of eutroof. Plantensoorten van eutrofe bodem zijn vb. grote brandnetel en liesgras. Zijn er weinig voedingstoffen dan noemen we dit oligotroof. Zonnedauw is een typische soort van voedselarme of oligotrofe bodems. +
(bron: Themagroep: Waterbeweging / DONAR / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De afstand, gemeten langs een raai en uitgedrukt in centimeters, tussen het punt op die raai met de kortste afstand tot een meetpunt en het nulpunt van die raai. (bron: DIV) +
Vogels zijn volgens de moderne cladistiek de enige nog levende vertegenwoordigers van theropode dinosauriërs. De 19e-eeuwse ontdekking van de fossiele oervogel Archaeopteryx toonde aan dat vogels deel uitmaken van de reptielen; de nauwste nog levende verwanten zijn de krokodilachtigen. Uit DNA-onderzoek blijkt dat de moderne vogels tegen het eind van het Krijt ontstonden, en een grote diversificatie ondergingen na de Krijt-Paleogeengrens, een periode waarin alle andere dinosauriërs uitstierven.
De meeste vogels zijn sociale dieren, die met hun soortgenoten en andere vogels communiceren door middel van zang. Veel soorten vertonen een complex jacht- of foerageergedrag. Vogels kennen een snelle stofwisseling die onder meer begunstigd wordt door hun efficiënte ademhalingssysteem. Vogels brengen nakomelingen voort door eieren te leggen. Eieren worden meestal in een nest gelegd en door de ouders uitgebroed. Na het uitkomen van het ei is er vaak sprake van een periode van ouderlijke broedzorg.
Verschillende gedomesticeerde vogelsoorten zijn voor de mens een bron van eieren, vlees en veren. Sommige zangvogels, papegaaien en andere soorten worden als huisdier gehouden. Door menselijke activiteiten worden ongeveer 1.200 vogelsoorten met uitsterven bedreigd, ondanks inspanningen om ze te beschermen. Recreatief vogelen is in veel landen een belangrijk onderdeel van ecotoerisme. De wetenschap die vogels bestudeert heet de ornithologie. +
In het vlak van de schroef ontstaat daardoor een lagere snelheid dan de vaart van het schip. Daarnaast wordt er door het varen een golf opgewekt waarvan de golftop een voorwaartse
snelheid heeft en een golfdal een achterwaartse snelheid. Bij langzame schepen
bevindt zich bij het achterschip een golftop, bij snelle schepen een golfdal. +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
De inhoud of het volume van een voorwerp (lichaam) is de grootte van het gebied dat door dit voorwerp wordt ingenomen in de driedimensionale ruimte. Als basis in drie dimensies geldt dat de inhoud van een rechthoekig blok gelijk is aan lengte × breedte × hoogte. De inhoud van een voorwerp is nu bepaald door het aantal eenheden met lengte, breedte en hoogte elk 1 cm, dus inhoud 1 cm3, die in het voorwerp passen. De SI-eenheid van inhoud is de kubieke meter, m3. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
De driedimensionale omvang van een object. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (EN), code: hoeveelheid-volume)
prefDef: omvang van een driedimensionale geometrische vorm (bron: Hoeveelheden en eenheden, code: 3-4) (bron: ABDL) +
(bron: Richtlijn (EU) 2020/2184: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex%3A32020L2184 / Aquo) +
Een schriftelijke of mondelinge mededeling aan derden over de toestand van watersystemen. (bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo / DIV) +
Ook een diepe steile stroomgeul bij een schaardijk valt onder de definitie van voorland. Het voorland kan zowel onder als boven water liggen, en zelfs boven Toetspeil. Heeft een taludhelling van minder dan 110 en een lengte loodrecht op de dijk van minimaal 1*L0p. Bij een lengte tussen 0,25 en 1*L0p is sprake van een kort voorland met een gering golfdempend effect. (bron: Leidraad Toetsing / Aquo). <br/>
<br/>
(Hellend) gedeelte van de onderwateroever, gelegen tussen de waterlijn en de veelal vlakkere rivier- of zeebodem. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Deel van een dwarsprofiel van een waterkering gelegen aan de zeezijde, niet beschermd door een gespecificeerde bekleding en met een taludhelling van minder dan 1:10 (bron: DIV) <br/> +
Periode voorafgaand aan en ten behoeve van de aanvraag van de vergunning. (bron: RWS-A: themagroep Vergunningen / Aquo / DIV) +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL) / ABDL) <br/>
<br/>
Voortplanting of reproductie is het proces waarbij organismen zorgen voor nageslacht, met als gevolg het voortbestaan van de populatie en de soort. Bij meercellige organismen wordt voortplanting afgewisseld met fasen van groei en ontwikkeling. (bron: Wikipedia) +
(bron: Kader Kansen- en risicomanagement) <br/>
<br/>
Toestand die nodig is voor een succesvolle uitvoering van een functie. Er zijn drie soorten condities: beginvoorwaarde, permanente voorwaarde en eindvoorwaarde. (bron: Procesbeschrijving Systems Engineering voor RWS projecten) <br/>
<br/>
Toestand waarin (een deel van) de omgeving bij het begin, tijdens de uitvoering of bij beeindiging van een transformatie moet verkeren voor een succesvolle transformatie (in een functie). (bron: AOA Begrippen- en Definitielijst) <br/> +
Vorm kan in verschillende context verschillende betekenissen hebben:
- In de taxonomie van organismen is vorm een hiërarchische rang die onder soort staat. <br/>
- In de taalkunde is de vorm de manier waarop de letters en woorden zijn samengesteld. <br/>
- In de filosofie is vorm een bepaaldheid van een ding, bijvoorbeeld in de filosofie van Aristoteles <br/>
- In de sport drukt vorm of conditie de mate van training van het lichaam uit. <br/>
- In de muziek bestaat er een vormleer. <br/>
- Een vorm is ook een voorbeeld dat wordt gebruikt om voorwerpen te maken, zoals een matrijs. <br/>
- In de wiskunde (algebra) is een vorm een bepaald soort afbeelding, zie bijvoorbeeld multilineaire vorm, kwadratische vorm. <br/>
- In de archivistiek is vorm een karakterisering van documenten op grond van gemeenschappelijke fysieke en/of intellectuele eigenschappen van een informatiedrager. <br/>
- In een gevechtskunst zoals Kungfu is een vorm een serie bewegingen bestaande uit onder andere stoten, blokken, trappen en standen, die meestal solo uitgevoerd worden en een gevecht op een sierlijke manier nabootsen om zodoende zijn of haar vaardigheden in de gevechtskunst te verbeteren. Niet te verwarren met de kata, bekend van vooral karate. <br/> +
(bron: Generieke eisen elektrotechnische installaties) <br/>
<br/>
Het als zodanig in de Basisovereenkomst aangemerkte contractdocument dat door of namens de Opdrachtgever is vervaardigd, op basis waarvan de Opdrachtnemer zijn Aanbieding heeft opgesteld en ingediend. (bron: Structureren van eisen (vervallen)) <br/>
<br/>
Het als zodanig in de Basisovereenkomst aangemerkte contractdocument dat door of namens de Opdrachtgever is vervaardigd, op basis waarvan de Opdrachtnemer zijn Aanbieding heeft opgesteld en ingediend. (bron: Uniforme Administratieve Voorwaarden voor geïntegreerde contractvormen 2005) +
Wordt per tijdseenheid geschat op basis van waarnemingen van concentratie en afvoer of herleid uit metingen elders. (bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Lading van een vaartuig, voertuig of lastdier. (bron: DIV) +
Vissen die vanuit zee naar het zoete water toe willen zwemmen, zwemmen hier tegenin en komen in de betonnen bak terecht. Deze bak wordt meerdere keren per dag geleegd in de richting van het zoete water met behulp van een lange duiker. Dit gebeurt onder vrij verval, vandaar de naam vrij-verval vispassage. <br/>
<br/>
In het werkgebied van waterschap Hunze en Aa’s zijn de vispassages bij polder Breebaart en gemaal Rozema goede voorbeelden van dit type. (bron: Hunze en Aa's) +
Meestal is dit een dieselmotor. Tot in de jaren 70 van de 20e eeuw waren er stoomponten die werden aangedreven door een stoommachine. Deze zijn geleidelijk vervangen door dieselmotoren. Sommige ponten hebben meerdere rompen, catamarans, zoals de Koegelwieck (met dit schip kunnen geen auto's mee). Andere veren, meestal alleen voor voetgangers en fietsers, worden aangedreven door een elektromotor, die gevoed wordt door een accu en/of zonnecellen. Dergelijke veren kunnen ook uitgevoerd zijn als een bak die is bevestigd aan een kleine boot. (bron: Wikipedia) +
[NEN-EN 752:2008] Leiding of andere constructie, gewoonlijk ondergronds, die afvalwater vanuit meer dan één lozingspunt transporteert [EN 1085:2007, definitie 2270]
[NEN 3398:2004] Verzameling buizen tussen twee putten.
[IMKL:1.1/2008] Riool waardoor afvalwater door de zwaartekracht wordt getransporteerd (uit NEN 3300, Buitenriolering).
[NEN 3300:1996] Riool waardoor afvalwater door middel van de zwaartekracht wordt getransporteerd. +
Stelsel onder vrij verval. +
(bron: Legger info waterkwantiteit / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Typische soorten vuilvangen zijn krooshekken en vangbalken. (Bron: DAMO) +
(bron: Aquo / DIV) +
[NEN 3300:1996] Dwa-riool is synoniem van vuilwaterriool. +
w
Gebruikt bij het waden door betrekkelijk diep water. (bron: Wijk, J van der, Taal van het Water / Aquo) +
Bron: De Binnenvaart. <br/>
<br/>
Een waaierdeur bestaat uit twee aan elkaar verbonden delen, die rond kunnen draaien in een komvormige inkassing. Het blad dat de sluis afdicht, zichtbaar op de foto, heeft een breedte van ongeveer 5/6 van het andere blad. Deze twee delen zijn gekoppeld tot één stijf geheel en vormen samen een soort waaier. De waaierdeur komt gewoonlijk dubbel voor, ze zien eruit als puntdeuren waarbij de waaier in de deurkas zit. Waaierdeuren kunnen naar beide zijden het water keren. Door de waaierkas via buizen met water te vullen verandert de druk op de deuren zodanig dat deze zowel tegen de stroom in als met de stroom mee open en dicht gedraaid kunnen worden. De waaierdeuren worden gemaakt van hout, ijzer of staal. (bron: Wikipedia) +
De waaier vormt samen met het pomphuis de basiselementen van een centrifugaalpomp.
De waaier kan eruitzien als een roterende schijf, met daarop messen gemonteerd. Meestal worden de waaiers echter in een stuk gegoten. De vorm kan vergeleken worden met bijvoorbeeld een propeller.
Het verpompte medium krijgt door het draaien van de waaier een circulerende, naar de buitenkant gerichte, beweging mee. Dit leidt tot een drukverhoging aan de uitgang van de pomp.
Afhankelijk van de functie van de pomp kan het waaiertype verschillen. Er zijn bijvoorbeeld open waaiers, met als voordeel dat de pomp niet kapotgaat wanneer hij droogloopt. Er zijn ook waaiers, speciaal ontworpen, voor het verpompen van verontreinigde vloeistoffen. Een waaier kan speciaal gevormd zijn om cavitatie te voorkomen. (bron: Wikipedia) +
* VB1: toetswaakhoogte is verschil tussen de verwachte kruinhoogte ten tijde van het rapporteren van de toestand van de waterkering aan de minister van Verkeer en Waterstaat en het betreffende toetspeil.
* VB2: ontwerpwaakhoogte is verschil tussen de verwachte kruinhoogte aan het eind van de planperiode en het ontwerppeil. <br/>
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
De waakhoogte is de hoogte van een dijk boven de waterstand. Voor het ontwerpen van de hoogte van een dijk is de minimale waakhoogte van belang, dit is de hoogte boven het ontwerppeil.
Tot circa 1995 was het in Nederland gebruikelijk om de dijk de ontwerpen op een hoogte die bestond uit de hoogte van het ontwerppeil + minimale waakhoogte. De minimale waakhoogte werd toen bepaald als de som van de 2%-golfoploop vermeerderd met een toeslag voor zeespiegelstijging, zetting van het dijklichaam en sommige meteorologische verschijnselen als seiches (halingen) en buistoten. Na 1995 tot 2016 werd in plaats van de golfoploop de hoeveelheid golfoverslag als criterium gebruikt om de waakhoogte te bepalen.
Vanaf 2017 is een andere benadering voor het ontwerpen van waterkeringen gekozen, de overstromingsrisico-benadering. Omdat hierbij de kans op overslag een rol speelt (en die kan optreden bij zowel hoge waterstand en lage golven (dus een lage waakhoogte) als bij een lage waterstand en hoge golven (dus een hoge waakhoogte) is het begrip waakhoogte in de huidige berekeningsmethode voor dijkhoogten minder van belang.
Voor primaire waterkeringen moet de waakhoogte altijd minimaal een halve meter zijn, voor boezemkades (secundaire keringen) geldt geen stringente eis. De kade in Delfland op de foto heeft duidelijk een kleinere waakhoogte. De reden dat er voor primaire waterkeringen een eis van een minimale waakhoogte van 50 cm gesteld was vindt zijn basis in de onzekerheid in het bepalen van de ontwerpwaterstand. Als er geen golven zouden zijn, en dus ook geen oploop, dan zou een peilverhoging van bijv. 10 cm al tot overlopen, en dus bezwijken van de kering kunnen leiden. Bij primaire keringen is de onzekerheid in het peil ca. 50 cm, vandaar deze eis. Voor boezemkaden is de onzekerheid in het peil kleiner, dus kan daar ook een kleinere minimale waakhoogte aangehouden worden. (bron: Wikipedia)
(bron: Informatie analyse keuze technische beheersactie BOAC, technisch rapport / Aquo / DIV) +
Een objectieve waarde is bijvoorbeeld de lengte van een auto, zijn maximumsnelheid, de kleur van de lak en het bedrag op het prijskaartje; de subjectieve waarde is het bedrag dat een aspirant-koper voor die auto onder de omstandigheden van dat moment bereid is te betalen.
De objectieve waarde van geld is hier dus gelijk aan de subjectieve waarde die de koper aan de auto hecht; ook aan subjectieve waarde kan dus een getal worden gegeven.
Een andere manier van indeling is de indeling in intrinsieke, inherente en instrumentele waarde, zoals die worden toegekend door een persoon of groep:
instrumentele waarde (extrinsieke waarde) is de waarde dat iets heeft voor een persoon of groep om iets anders te bereiken;
inherente waarde is de waarde dat iets van zichzelf heeft voor een persoon of een groep;
intrinsieke waarde is de waarde die iets van zichzelf bezit zonder dat deze waarde daarvoor van buitenaf hoeft te worden toegekend
Wat intrinsieke waarde bezit is onderwerp van discussie. Binnen de milieubeweging menen sommigen bijvoorbeeld dat (delen van) de natuur intrinsieke waarde heeft en dus ook als zodanig moet worden behandeld, anderen menen dat het hier om inherente waarde gaat.
Meetwaarden en getallen die worden toegekend aan variabelen zijn voorbeelden van objectieve waarden; ze zijn onafhankelijk van het subjectieve oordeel van een persoon.
Sociale waarden zijn idealen en motieven die in een samenleving of groep als nastrevenswaardig worden beschouwd. Normen zijn regels die aangeven welk gedrag van mensen verwacht wordt. In de ethiek wordt het begrip waarde in subjectieve zin gebruikt, al bestaat er wel bijna universele overeenstemming dat een waarde als de bescherming van het leven algemeen geldig is. In de sociologie worden waardensystemen van groepen zo objectief mogelijk beschreven.
Bij handel verwisselen zaken van eigenaar voor een prijs die lager ligt dan die welke de koper bereid zou zijn geweest te betalen. De verkoper ontvangt daarbij meer geld dan hij waarde hechtte aan de zaak die hij verkocht. In beide gevallen neemt de subjectieve waarde van de bezittingen (inclusief geld) dus toe. (bron: Wikipedia)
Het gaat hierbij zowel om fysische, chemische als biologische bepalingen. Vaak is dit de verwijzing naar een document, bv NEN-norm, waarin de toegepaste methode beschreven is. Het rekenmodel waarmee waarden gegenereerd worden wordt beschouwd als waardebepalingsmethode.Dit is bijvoorbeeld de wijze waarop een waarde bepaald wordt uit een combinatie van de verschillende sensoren. (bron: Gebruikershandleiding DONAR Deel 9 Gegevensmodel en Coderingen DONAR, november 1994, pag. 6-1. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De methode die gehanteerd wordt bij het bepalen van een waarde. (bron: DIV) +
(bron: RWS-A, 1997: Timmerman, ir. J. G., Datadictionary RIZA, Werkdocument 93.039X, 8 januari 1993, pag. 41 (aangepast). / Aquo / DIV) <br/>
<br/> +
(bron: UvW, 1996: VDW / Aquo / DIV) +
(bron: STOWA/Unie-stekkerdoos Water / Aquo) <br/>
<br/>
Een reeks waarden van een of meer parameters op mogelijk verschillende locaties en variërend in de tijd (bron: DIV) +
Bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL). +
Kwalitatieve bewering over de werkelijkheid met een bepaald waarheidsgehalte, die het resultaat is van een waarnemingsproces. (bron: AOA Begrippen- en Definitielijst) +
(bron: GW96/Delaware / Aquo / DIV) +
Een combinatie van Typering, Grootheid, Grootheid-ChemischeStof/Object met eenheid, hoedanigheid en compartiment. (bro: Aquo) <br/>
<br/>
De combinatie van parameter, orgaan, hoedanigheid, compartiment, eenheid en bewerkingsmethode. (bron: DIV) +
Dit gaat over de mate waarin data geloofwaardig zijn. Dat gaat primair over de data zelf, maar bijvoorbeeld ook over de betrouwbaarheid van de partij die de data heeft geleverd. De audit trail die wordt meegeleverd met de data (zie: herleidbaarheid) kan daarmee ook iets zeggen over de waarschijnlijkheid van de data. Mensen zijn vaak in staat om in één oogopslag te zien als iets ongeloofwaardig is. Door de regels die daar onbewust bij worden gebruikt expliciet te maken kan waarschijnlijkheid ook geautomatiseerd worden bepaald. Deze regels noemen we signaalregels en kunnen worden gezien als een specifieke vorm van kwaliteitsregel. Een onwaarschijnlijk gegeven is een gegeven dat een signaalregel overschrijdt. Het gegeven is daarmee niet automatisch fout. Er is slechts een signaal dat het gegeven mogelijk fout is. Een generieke signaalregel is dat een informatieobject voor alle attributen de default waarden bevat. De kans is dan erg groot dat er dan geen echte waarden in het informatieobject aanwezig zijn. (bron: ArchiXL) +
(bron: Handboek vaarwegkenmerken / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een zeegebied bestaande uit geulen en platen. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een wad is een slik- of zandplaat die in een ondiepe zee is ontstaan, met een hoogte die zich tussen het normale laagwater- en hoogwaterniveau van een vlak getijdengebied bevindt.
Met het wad of de wadden wordt meestal het waddengebied bedoeld dat langs de kust vanaf Den Helder in Nederland loopt, en langs de Duitse kust tot Esbjerg in Denemarken en de 50 Waddeneilanden die in deze kuststrook liggen. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
(Zand)plaat die, of geheel van (zand)platen dat bij laag water droogvalt en bij hoog water door de zee wordt overspoeld; onderdeel van een waddengebied. Van andere platen geheel of gedeeltelijk gescheiden door geulen, die bij laag water niet droogvallen. <br/>
<br/>
Ook de kwelders, die bij hoogwater droog blijven, behoren tot het waddengebied. De platen zijn aan de randen vaak versneden door kleine(re) geulen, de prielen, die in grotere uitkomen. Naar de kwelders toe verandert de samenstelling van de platen van zand in slik. Meestal is het wad onbegroeid, maar op bepaalde plekken groeit soms zeegras. In de platen nestelen zich o.a. wadwormen, die een voedselbron vormen voor zeevogels. Het is mogelijk bij wantij over de zandplaten van de vaste wal naar de eilanden te lopen en wel daar, waar de vloedstromen om de eilanden heen elkaar ontmoeten. (bron: Ensie) +
(bron: AquaRO) <br/>
<br/>
Met een wadi wordt in Nederland en België een bufferings- en infiltratievoorziening bedoeld, die tijdelijk gevuld is met hemelwater. De naam verwijst naar de Arabische naam voor een vaak droogstaand rivierdal; zie wadi, en is ook een acroniem van Water Afvoer Drainage Infiltratie.
Bij een moderne wadi worden in stedelijke gebieden straten en daken van huizen afgekoppeld van de riolering. Het hemelwater dat op deze verharde oppervlakken valt, wordt via een hemelwaterriolering of over maaiveld afgevoerd naar een wadi waar het kan infiltreren in de bodem, of vertraagd kan worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Op deze manier wordt voorkomen dat schoon water naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie gaat en wordt tevens bereikt dat het grondwater wordt aangevuld.
Een wadi bestaat soms uit meerdere lagen. De toplaag van de wadi (mulden) heeft een zuiverende werking. Na infiltratie door de toplaag komt het water in een ondergrondse infiltratievoorziening zoals een grindkoffer. Vanuit deze grindkoffer infiltreert het water verder de bodem in. Tussen de toplaag en de ondergrondse infiltratievoorziening bevindt zich ook een directe verbinding, de slokop, die functioneert als een overstort.
Een (beplante) laagte, bestemd om het hemelwater tijdelijk te bergen en in de bodem te laten infiltreren. Voorzien van een infiltratiebed en veelal van infiltratiekratten.
[Waterkring West] Een bufferings- en infiltratievoorziening, die tijdelijk gevuld is met hemelwater. De naam verwijst naar de Arabische naam voor een vaak droogstaand rivierdal en is ook een acroniem van Water Afvoer Door Infiltratie. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Verlaging in een begroeid terreindeel om het hemelwater tijdelijk te bergen en in de bodem te laten infiltreren. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) +
Dit soort wals wordt in de wegenbouw gebruikt, maar walsen die niet rijden worden bijvoorbeeld in hoogovens gebruikt om plaatmetaal als blik te produceren (zie walsen). Hoewel walsen in de vorm van voertuigen kunnen rijden, mogen ze in principe niet over de openbare weg rijden, maar worden ze met een dieplader vervoerd.
Er zijn verschillende uitvoeringen van walsen als voertuigen, ieder voor een specifiek type bewerking: <br/>
* Kleine wals voor oppervlakken die te groot zijn om met een trilplaat te bewerken
* Wals met één rol (en luchtbanden achter) voor het verdichten van zand of gesteente
* Wals met twee rollen (tandemwals) voor gebruik bij het aanleggen van asfalt. De rollen worden vaak met water besprenkeld om ze te koelen en te voorkomen dat asfalt blijft kleven. Er zijn in principe twee mogelijkheden voor de besturing: ofwel er is een knikmechanisme waarmee de voor- en achterkant ten opzichte van elkaar scharnieren of de rollen kunnen beide gestuurd worden
* Wals met drie rollen, een voor en twee achter
* Trilrolwals met een trilmechanisme in de rol om door middel van trilling gesteente of zand nog beter te verdichten
* Bandenwals voor asfaltwerk, de bandenwals wordt gebruikt voor de eerste verdichting van het asfalt of voor het vastrijden van een slijtlaag in een kleeflaag
* Schapenpootwals voor gebruik op vuilstortplaatsen en het verdichten of kneden van klei. +
Voorbeeld van gebruik: damwand, diepwand, keerwand, kademuur. (bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) +
Zodoende wordt gesproken over gewapend beton, gewapend metselwerk of een gewapend talud. De bouwkundige redenen om wapening aan te brengen kunnen verschillen. Zo kan wapening in beton nodig zijn omdat dit materiaal slecht trekkrachten op kan nemen, wapening in metselwerk om de kracht van een er boven liggende opening op te vangen en wapening van een talud als een steilere hellingshoek nodig is dan met natuurlijk materiaal kan worden gerealiseerd.
Bij beton wordt in een groot deel van de gevallen stalen staven, kabels of netten als wapening toegepast, het betonijzer. De wapening wordt door betonstaalvlechters op een minimale afstand tot de buitenkant van het beton (de dekking) aangebracht om aantasting te voorkomen. De dekking is voorgeschreven in normen en is afhankelijk van de toepassing van de constructie. Het is ook mogelijk om voor andere materialen of verschijningen dan staal te kiezen. Wordt betonijzer niet op de juiste manier aangebracht, of wordt het beton nadien beschadigd, kan de wapening door corrosie (roest) verzwakken, dit heet in de volksmond "betonrot". (bron: Wikipedia) +
Feitelijk de Noordzijde van de aardas. Wordt aangegeven door gyrokompassen en wordt berekend uit lengte- en breedtegraden. (bron: W-0810-0018) +
Apparaat dat warmte van het ene vloeistof en/of gas gescheiden overbrengt naar het andere (bron: NPR 4768) +
(bron: Van Dale Groot Woordenboek voor de Nederlandse Taal. Geerts, G., en H. Heestermans (red.), Van Dale Lexicografie, Utrecht, Antwerpen, Twaalfde druk, 1992. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Water (H2O, aqua is de chemische verbinding van twee waterstofatomen en een zuurstofatoom. Water komt in de natuur voor in de drie verschillende hoofdfasen: als vloeistof, als vaste stof en als gas. Bij kamertemperatuur is water een vloeistof zonder specifieke kleur en geur. Al het leven op aarde bestaat grotendeels uit en is afhankelijk van water. Water bedekt 71% van het aardoppervlak. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Objectcategorie in het natte beheer van de infrastructuur waaraan functie-eisen gesteld worden voor m.n. ecologie en waterkwaliteit, drinkwater, regionale watervoorziening, beroepsvisserij koelwater en zwemwater. (bron: Droogte thesaurus) +
Rivier, kanaal, beek, zee , meer , oppervlaktewater in algemene zin. Objecten die periodiek met water bedekt zijn vallen hier ook onder. (Bron: NEN 3610 (aangepast)) +
Een waterakkoord bevat bepalingen omtrent de wijze waarop de beheerders de af- en aanvoer van water ten opzichte van elkaar in het belang van de waterhuishouding regelen. (bron: Informatie- analyse operationeel beheer: technisch rapport. / Aquo) <br/>
<br/>
De wijze waarop waterbeheerders binnen en/of buiten RWS de inlaat en onttrekking van oppervlaktewater t.a.v. elkaar hebben vastgelegd. (bron: DIV) +
In de waterwet wordt voor de waterbeheerdoelstelling doorwezen naar de waterwet artikel 2.1. (bron: Water voor nu en later: Economische aspecten / Aquo) <br/>
<br/>
Waterbeheer, als een uitvloeisel van waterbeleid, moet leiden tot een juiste hoeveelheid water op de juiste plaats en tijd, alsmede tot een goede kwaliteit van watersystemen in al hun facetten. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Waterbeheer is het totaal aan activiteiten die tot doel hebben om het grond- en oppervlaktewater zo goed mogelijk te beheren en is onderdeel van de waterstaat. Aangezien een teveel aan water even onwenselijk is als een tekort aan water, houdt dit in:
* het zorg dragen voor veiligheid tegen overstromingen
* het zorg dragen voor de aanwezigheid of aanvoer van voldoende water van goede kwaliteit (bron: Wikipedia) +
In Nederland zijn dit onder andere Rijkswaterstaat en de waterschappen. (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Organisatorische eenheid of derde (niet-natuurlijke rechtspersoon), verantwoordelijk voor de zorg en het gebruik van (een deel van) een watersysteem. De onderverdeling kan betreffen een fysiek deelsysteem, dan wel een functioneel deelsysteem (kwantitatief en kwalitatief). (bron: DIV) +
Waterbeheergebieden zijn een organisatorische (beheersmatige) indeling van ‘watergebieden’. (Bron: Aquo) <br/>
<br/>
Waterbeheergebied is als overgang naar de IMWA standaard opgenomen in DAMO 2.0, vooralsnog zonder attributen, puur om de hiërarchie aan te geven. Het betreft een overkoepelend object waaronder het object PeilbesluitGebied valt. (Bron: DAMO) +
Onder een waterbeheersluis vallen verschillende typen die elk een specifieke beheertaak vervullen.
Voorbeelden van waterbeheersluizen:
* Spuisluis
* Inlaatsluis
* Keersluis
* Vispassagesluis (indien van toepassing binnen jullie taxonomie)
* Peilregulerende sluis <br/>
(bron: waterschap Hunze en Aa's) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een waterbekken, ook wel waterreservoir of waterberging, is een plek waar water (tijdelijk) wordt opgeslagen. Meestal gaat het om het bewaren van water voor toekomstig gebruik, maar het kan ook gaan om het gereguleerd afvoeren van water (zoals bergbezinkbassins in Nederland). Er kunnen verschillende doelen zijn voor toekomstig gebruik, zoals irrigatie, drinkwater, huishoudelijk gebruik (uitsparen van drinkwater) of het bevaarbaar houden van waterwegen. Er kunnen ook verschillende vormen zijn: het kan gaan om een open watervolume, zoals een stuwmeer, om een gebouw (zoals een watertoren voor drinkwater) of om een "simpele" regenton. <br/>
<br/>
Er zijn vele uiteenlopende vormen van waterberging, waaronder:
* Berging (water), berging van regenwater en ander afvalwater, meestal in de vorm van een gebouwde voorziening, zoals de bergbezinkbassins in Nederland.
* Berkad, waterbekken (vijver) waarmee in sommige delen van Somalië en Ethiopië water van het regenseizoen wordt bewaard voor droge tijden.
* Regenton, een eenvoudig vat buitenshuis, voor de opvang van regenwater, voor gebruik in huis en/of boerderij.
* Regenput (regenwaterput): een tank, meestal ondergronds, om hemelwater van het dak van een woning of ander gebouw op te slaan, dat dan via leidingen gebruikt wordt voor toiletten, wasmachine, schoonmaak, tuin en dergelijke.
* Stuwmeer, kunstmatig meer in een rivierdal, gevoed door een rivier, gevormd dankzij een stuwdam, hiervoor kunnen verschillende doelen zijn.
* Watertoren, een gebouw waarin water op een relatief hoog niveau wordt bewaard en geleverd, vooral ten behoeve van drinkwater voor (persoonlijke) huishoudens, maar ook voor (kleine) bedrijven. Dankzij de hoogte van het waterbekken in de watertoren blijft de levering van water zonder veel technische kunstgrepen gewaarborgd.
* Zoetwaterreservoir, voor het grootschalig, in een kunstmatig meer opslaan van zoet water, ten behoeve van drinkwater (en bedrijven). <br/>
(bron: Wikipedia)
Het nagenoeg horizontale gedeelte van de bedding van een waterloop. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996. / Aquo) +
De oevers van het oppervlaktewaterlichaam (sloot, rivier, meer, enzovoorts) behoren niet tot de waterbodem. (bron: Project IMWA Watersysteem / Aquo) <br/>
<br/>
Het gedeelte in het oppervlaktewater waar de bodem wordt uitgediept, of waar het profiel ervan wordt hersteld. (bron: DIV) +
in principe valt alles wat binnen oppervlaktewaterlichamen is gelegen onder het begrip waterbodem. Hierop is een uitzondering, namelijk de drogere oevergebieden. Drogere oevergebieden worden tot de landbodem gerekend en daarop is de Wet bodembescherming van toepassing. Drogere oevergebieden behoren echter wel tot het waterstaatswerk, zodat onder meer de gedoogplichten van hoofdstuk 5 van de Waterwet daar ook van toepassing zijn. Drogere oevergebieden bestaan alleen voor zover ze uitdrukkelijk zijn aangewezen in de Waterregeling (rijkswateren) of een provinciale verordening (regionale wateren).
Bron: Helpdesk Water (http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/veelgestelde-vragen/definities-begrippen/@37569/definitie-waterbodem/). De definitie is tekstueel aangepast om te voldoen aan de Aquo-lex Praktijkrichtlijn. +
De oevers van het oppervlaktewaterlichaam (sloot, rivier, meer, enzovoorts) behoren niet tot de waterbodem. (bron: Project IMWA Watersysteem / Aquo) <br/>
<br/>
De waterbodem van een oppervlaktewaterlichaam is het vaste deel van de ondergrond dat zich onder het water bevindt en bestaat uit natuurlijke of aangebrachte afzettingen, zoals zand, klei, veen en slib. De waterbodem vormt de scheiding tussen het water en de onderliggende bodem en maakt integraal deel uit van het oppervlaktewatersysteem. De bodem onder een oppervlaktewaterlichaam is doorgaans verrijkt met een laag slib, bestaande uit organische en/of minerale bestanddelen, die is ontstaan door (natuurlijke) sedimentatie van zwevende stoffen uit het open water. Tot deze sliblaag behoren ook (afgestorven) waterplanten en plantenresten die op de bodem terechtkomen en daar worden afgebroken. (bron: waterschap hunze en Aa's) +
Een waterbodemonderzoek naar de kwaliteit van het te baggeren of ontgraven materiaal is ongeacht de aanleiding voor een ingreep in de waterbodem, (bijna) altijd noodzakelijk. De informatie is nodig om te kunnen bepalen: 1) welke vergunningen of meldingen noodzakelijk zijn. De resultaten van een waterbodemonderzoek moeten vaak als bijlage bij een aanvraag of melding worden meegestuurd; 2) welke bestemmingen mogelijk zijn voor het materiaal dat vrijkomt (zie bestemmen van grond en baggerspecie). hierbij zijn zowel de chemische als fysische eigenschappen van belang (bron: Helpdesk Water) +
Met name van dijken, zeeweringen, sluizen en dergelijke.
Waterbouwkunde is, naast wegenbouwkunde, onderdeel van de civiele techniek. Deze toegepaste wetenschap richt zich op het ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken voor algemeen nut.
Niet alleen worden de dwarssectie en het langsprofiel van kanalen en gekanaliseerde rivieren en stromen ontworpen, ook de kunstwerken die ermee te maken hebben worden ontworpen: vaste en regelbare stuwen, grote en kleine sluizen, duikers, scheepsliften, dijken, waterkeringen. Daarnaast worden ook rioleringen, waterzuiveringsinstallaties en de bijhorende pompinstallaties gebouwd. Ook de havens met bijhorende staketsels, dokken, aanlegsteigers en kades behoren tot de waterbouwkunde. Waterbouwkunde legt zich verder toe op kustverdedigingswerken, stromingsregimes van rivieren beïnvloeden en waterbeheer.
Baggeren en opspuiten en het oprichten van booreilanden zijn eveneens activiteiten binnen de waterbouwkunde, maar dit werkgebied verschuift naar de offshoretechniek. +
Hierdoor kan beter worden voldaan aan de waterkwaliteitseisen die de voorkomende functies stellen. +
Het waterschap is bronhouder van het waterdeel en het ondersteunend waterdeel, voor zover gelegen in haar beheergebied. In DAMO worden de waterdelen opgeslagen en lopen synchroon met de LV.
De BGT kent vier typen waterdeel:
* zee;
* waterloop;
* watervlakte;
* greppel, droge sloot. <br/>
<br/>
Onder waterlopen vallen rivieren, kanalen, beken, sloten en grachten.
Watervlakten zijn meren, plassen, vennen en vijvers. Ook havens vallen in de regel hieronder.
Greppels en droge sloten hebben een functie in de waterhuishouding. <br/>
<br/>
De kruinlijngeometrie wordt bij het ondersteunend waterdeel niet opgenomen. Impliciet is de – niet-waterbegrenzing – van een oever altijd de hoogste kant.
Voor de begrenzing van land en zee maakt de BGT onderscheid in de begrenzing langs de Noordzee enerzijds en die langs de Waddenzee en de Zuidwestelijke delta in Zeeland en Zuid-Holland anderzijds.
Onder waterlopen vallen rivieren, kanalen, beken, sloten en grachten.
Watervlakten zijn meren, plassen, vennen en vijvers. Ook havens vallen in de regel hieronder.
Greppels en droge sloten hebben een functie in de waterhuishouding.
Oevers en slootkanten zijn de delen die enerzijds begrensd worden door de waterlijn en anderzijds door een kant insteek.
Slikken zijn bij laagwater droogvallende delen. Zij komen uitsluitend voor in de Waddenzee en in de Zuidwestelijke delta.
In het algemeen geldt dat zichtbare topografie altijd als begrenzing voorkomt, in de beschreven situaties aangevuld met niet of niet-altijd zichtbare topografische begrenzingen.
Waddenzee en Zuidwestelijke delta <br/>
In deze wateren is altijd een kunstmatig aangelegde waterkering aanwezig in de vorm van een kademuur of walbescherming. Deze vormen altijd een begrenzing voor de BGT.
Daarnaast worden in deze wateren peilingen verricht voor het Lowest Astronomical Tide (LAT). Als de ligging daarvan beschikbaar is voor de BGT vormt het de scheiding tussen het waterdeel en het ondersteunend waterdeel type slik. Ontbreekt het LAT dan vormt de kunstmatige waterkering de scheiding tussen terrein en water.
Meren <br/>
Bij meren komen kunstmatig aangelegde waterkeringen voor in de vorm van een kademuur of walbescherming, soms is er sprake van een oever. Als een kunstmatige waterkering aanwezig is in de vorm van een kademuur of walbescherming vormt dit de begrenzing van terrein en water. Bij het ontbreken daarvan vormt het object begrensd door waterlijn en de bovenzijde van een herkenbare insteek een ondersteunend waterdeel type oever/slootkant.
In meren wordt een streefpeil beheerd door bemalen en/of spuien. Als de ligging van een peil bekend is en de horizontale afstand tussen een herkenbare insteek bedraagt 1m of meer dan ontstaat in de BGT een ondersteunend waterdeel van het type oever. Waar sprake is van meerdere streefpeilen, wordt uitgegaan van het laagste niveau of ondergrenspeil.
Overige waterlopen en -vlakken <br/>
Hier geldt onderstaand stroomdiagram. Als kant water de begrenzing van objecten vormt, geldt dat dit een presentatie is van het laagst mogelijke streefpeil ter plaatse. Als de horizontale afstand tussen waterlijn en de bovenkant van een herkenbare insteek 1m of meer bedraagt dan ontstaat in de BGT een ondersteunend waterdeel van het type oever/slootkant. <br/>
In IMGeo zijn waterlopen en watervlakten nader te classificeren. <br/>
In IMGeo kunnen inrichtingselementen, die op en in het water voorkomen, worden opgenomen met het objecttype waterinrichtingselement.
Van remmingswerk, geleidewerk en vuilvang wordt de lijngeometrie opgenomen waarbij voor remmingswerk en geleidewerk geldt dat deze worden ingewonnen aan die zijde waar de scheepvaart langs vaart.
Van betonning, meerpaal en hoogtemerk wordt de puntgeometrie opgenomen.
Het objecttype functioneel gebied kent op het gebied van de waterhuishouding de classificaties ‘kering' als BGT inhoud, en in het optionele deel ‘waterbergingsgebied' en ‘infrastructuur waterstaatswerken'. Zie de paragraaf over functioneel gebied voor meer informatie. Functionele gebieden bevatten geen plaatsbepalingspunten.
(bron: CHO (512) / UIVO-W / Aquo / DIV) +
Alle leven is afhankelijk van water, maar bijvoorbeeld een watersalamander kan op het droge overleven, bijvoorbeeld tijdens de winterslaap, en een snoek niet. Aquatisch is de biologische betekenis van waterminnend, en moet niet verward worden met hydrofiel, wat de scheikundige betekenis is van een stof die water aantrekt. Veelal slaat het op de levenswijze van dier- en plantensoorten die in het water leven. De meeste vissen zijn aquatisch, evenals sommige kikkers en neotene salamanders.
Kikkers zijn gedeeltelijk aquatisch, namelijk als larve. Een kikkervisje kan niet buiten water leven, omdat het nog geen longen heeft. Nadat deze zijn ontwikkeld en de kieuwen verdwijnen, kruipt de larve op het land. Het is vanaf dat moment een kikker en niet langer aquatisch, hoewel dit proces enige weken vergt. Deze vorm van als larve aquatisch leven en als imago op het land komt voor bij kreeftachtigen, amfibieën en insecten.
Walvis- en dolfijnachtigen zijn de enige aquatische zoogdieren. Er is wel sprake van longen, maar de dieren beginnen snel uit te drogen zodra ze op het land komen. Dieren als zeehonden, nijlpaarden en de waterspin zijn niet aquatisch omdat ze enkel eten in het water, en langere tijd op het land kunnen verblijven. Ze zijn dus slechts indirect afhankelijk van water. Moeilijker ligt het met waterbewonende insecten, die in veel gevallen gewoon lucht happen en dus qua ademhaling niet aan water gebonden zijn, en kunnen vliegen, zoals de rugzwemmer (Notonecta glauca) en de geelgerande waterroofkever (Dytiscus marginalis). Omdat ze dergelijk gedrag alleen vertonen bij noodzaak, zoals voedselschaarste of uitdroging, worden ze toch als aquatisch beschouwd.
Er zijn echter uitzonderingen. Longvissen zijn wel vis, maar niet altijd aquatisch, evenals slijkspringers. De axolotl, een salamandersoort, is meestal aquatisch, maar als de omstandigheden veranderen, kan het dier vanuit het neotene stadium alsnog volwassen worden. +
Watererosie leidt onder meer tot een afname van de bodemkwaliteit en -productiviteit, maar ook tot belangrijke schade door modderoverlast in stroomafwaarts gelegen (woon)gebieden.
Wanneer kale aarde op een helling ligt, dan stroomt bij regenval grond met het water langs het oppervlak naar beneden. Dit geeft een verhoogde kans op aardverschuivingen. Watererosie geeft kenmerkende erosiegeulen. Een erosiegeul kan mansdiep zijn of nog dieper, en transporteert bij regenval grote hoeveelheden water en meegespoelde bodemdeeltjes naar een rivier of meer.
Door beplanting wordt de grond vastgehouden. Aangezien water langs plantenwortels beter in de grond kan infiltreren krijgt het ook minder kans om langs het oppervlak af te stromen.
Verticale rivierwerking is het proces van erosie en sedimentatie. +
Water met een hoge waterhardheid veroorzaakt veel kalkaanslag en veroorzaakt daarmee schade aan verwarmingselementen, maar bemoeilijkt ook de werking van zepen. Dat laatste is terug te vinden in de doseringen voor de vaatwasser of de wasmachine.
Waterhardheid is ook een belangrijke factor bij het houden van vis in een aquarium. Afhankelijk van waar een vissoort in de natuur voorkomt, is water van een bepaalde hardheid een vereiste om de dieren van een gezond leven te verzekeren. Dit geldt nog meer bij het kweken van vis. Water in het stroomgebied van de Amazone is erg zacht (1 dH of minder) terwijl Cichliden uit het Tanganyikameer aan hardheden van 28 dH gewend zijn. +
(bron: DIV) +
In de meeste gevallen wordt dit beïnvloed door menselijk handelen. (bron: quo / DIV) +
Beleid voor de waterhuishouding. (bron: Water voor nu en later: Beleidsanalyse Zoete wateren / Aquo / DIV) +
Het waterschap heeft tientallen uit de 19e en 20e eeuw stammende eigendommen zoals sluizen, gemalen en molens. Deze objecten zijn, naast hun functie voor het waterbeheer, ook waardevol vanuit cultuurhistorisch oogpunt. Hunze en Aa’s wil zich bij de uitvoering van het waterbeheer actief inzetten voor het behoud van dit watererfgoed. De nadruk ligt daarbijop objecten die een duidelijke functie voor het waterbeheer hebben. Inventarisatie en waardering De monumentenadviesorganisaties in Drenthe en Groningen, Libau en Drents Plateau, hebben alle cultuurhistorische waterschapsobjecten in kaart gebracht. In totaal gaat het om zo’n 60 objecten, waarvan er 17 rijksmonument zijn. Elk object is gewaardeerd en ingedeeld in een categorie hoog, middel of laag. Bij de waardering is onder meer gekeken naar de civieltechnische, cultuurhistorische en beeldbepalende waarden. Bescherming De instandhoudingszorg door het waterschap is gekoppeld aan de categorie-indeling. Als bijvoorbeeld een sluis in de categorie hoog valt, dan betekent dit dat de bestaande beeldkenmerken worden behouden. Als een sluis in de categorie middel valt dan kunnen bestaande beeldkenmerken worden gewijzigd, zonder dat de essentie daarvan wordt aangetast. Objecten in de categorie laag kunnen zonder meer worden aangepast en vernieuwd, bijvoorbeeld door een sluis ook qua uiterlijk te moderniseren. Van historische objecten zonder waterschapsfunctie wordt maximaal één exemplaar in tact gehouden, tenzij het om monumenten gaat. Dat soort objecten wordt altijd beschermd. De zorg van het waterschap gaat overigens niet zover dat objecten - waarvan (historische) onderdelen ontbreken - in hun oorspronkelijke staat worden hersteld. Uiteraard heeft het waterschap oog voor bijzondere objecten die momenteel niet tot het watererfgoed behoren. Dit geldt bijvoorbeeld voor objecten die nog relatief jong zijn maar wel een hoge (potentiële) cultuurhistorische waarde hebben. Het waterschap streeft ernaar ook die waarden zoveel mogelijk in tact te laten.
Een waterstaatskundig object is historisch erfgoed als het:
• 50 jaar of ouder is
• een status heeft als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument of onderdeel is van een beschermd dorpsgezicht
• en op basis van de landelijk criteria voor monumentenselectie en met toepassing van de waarderingsmethodiek van Libau/Drents Plateau een waarde heeft.
Als een waterschapsobject voldoet aan de criteria voor historisch erfgoed ontvangt het een beschermde status en heeft dit consequenties voor het waterschap én voor de omgeving. Momenteel zijn er ongeveer 70 waterschapsobjecten met een cultuurhistorische waarde aangewezen. Het gaat vooral om sluizen en molens. Uitgangspunt is dat de uiterlijke kenmerken in ieder geval bewaard moeten blijven. De zorg voor cultuurhistorische waarden richt zich op instandhouding van bestaande beeldkenmerken. Waar beeldmerken ontbreken gaat die zorg niet zover dat herstel naar de oorspronkelijke beeldmerken wordt nagestreefd. Uit oogpunt van monumentenzorg is dergelijk herstel cosmetisch en alleen zinvol vanuit bijvoorbeeld educatieve of toeristische waarden.
Indien mogelijk behouden we ons cultuurhistorisch erfgoed en steunen we stichtingen en organisaties die dit in stand houden. Als het erfgoed nog een waterschapsfunctie heeft, is de bescherming en instandhouding primair een zaak van het waterschap. De objecten zonder waterschapsfunctie zijn in veel gevallen ondergebracht bij een stichting. Vaak is het waterschap vertegenwoordigd in het stichtingsbestuur, waarbij we ondersteunen in personele en/of financiële zin. Het waterschap betaalt jaarlijks een subsidiebedrag aan diverse molenstichtingen en de museumgemalen ter dekking van hun exploitatielasten. (bron waterbeheerprogramma 2022-2027)
Het waterkanon zit aan een lange slang, die over een haspel loopt. De slang wordt met behulp van een tractor in het gewas afgerold. Een door de waterdruk aangedreven turbine zorgt ervoor dat de slang weer geleidelijk op de haspel rolt. Het water wordt door een door een tractor aangedreven centrifugaalpomp geleverd.
De sproeikop van het waterkanon gaat heen en weer, waardoor er een groot oppervlak tegelijk beregend wordt.
Een waterkanon geeft veel water maar met een grove druppel, waardoor deze in het algemeen ongeschikt is voor het beregenen van tuinbouwgewassen. In Nederland worden in de tuinbouw sproeiers of druppelaars gebruikt. +
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Kunstwerk, onderdeel watering, met een waterregulerende functie. Deze kunstwerken, bijvoorbeeld inlaten in de waterkering, beschikken over een dubbele afsluiter. (bron: Hunze en Aa's) +
Waterkeringen worden ingedeeld in de categorieën: primaire waterkeringen, regionale waterkeringen en overige waterkeringen. Voorbeelden van waterkeringen zijn: dijken, dammen, duinen, kunstwerken en hoge gronden. (bron: Beleidsplan vastgoedinformatie / Aquo) <br/>
<br/>
Een waterkering is een waterkerende en / of scheidende, kunstmatige of natuurlijke hoogte of hooggelegen gronden inclusief de daarin aanwezige waterkerende elementen. <br/>
<br/>
Dam, dijk, duinen, havenhoofd of sluiswerk dat dient als scheiding tussen twee gebieden met een verschillend waterniveau. <br/>
<br/>
Waterkeringen worden ingededeeld in de categoriën: <br/>
* primaire waterkeringen (type A),
* regionale waterkeringen (type-B) en
* overige waterkeringen (type-C). <br/>
<br/>
Voorbeelden van waterkeringen zijn:
* dijken,
* dammen,
* duinen,
* kunstwerken,
* hoge gronden. <br/>
<br/>
(Bron: Beleidsplan vastgoedinformatie / Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / UIVO-W / Aquo) <br/>
<br/>
Oever of kunstwerk met een waterkerende functie en/of een scheidende functie tussen watersystemen. (bron: DIV) <br/> +
Voorbeeld van een stelsel zijn de dijktrajecten voor de primaire keringen. Betreft objectklasse zonder geometrie. (Bron: DAMO) +
Onder andere voor de toetsing worden waterkeringen ingedeeld in secties. (bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/>
<br/>
Onder andere voor de toetsing worden waterkeringen ingedeeld in secties.
Voorbeelden: toetssectie, inspectievak, onderhoudsvak. (Bron: DAMO) +
Waterdamp en de verdamping en condensatie van water zijn belangrijk in de waterkringloop. Zeewater verdampt van nature. Dit proces wordt sterk versneld onder invloed van de zon. Een deel van de waterdamp valt weer als regen terug in zee. Een ander deel blijft in de atmosfeer aanwezig en wordt (al dan niet in de vorm van zichtbare wolken) verplaatst door luchtstromingen.
Als de waterdamp boven land komt dan kan de luchtstroom botsen met een koudere luchtstroming of met heuvels/gebergte. Hierdoor zal de luchtstroming met de waterdamp stijgen en daardoor afkoelen. Koude lucht kan minder waterdamp bevatten dan warme lucht, dus als de lucht afkoelt zal de waterdamp door condensatie als waterdruppeltjes vrijkomen. Deze vallen dan (onder invloed van de zwaartekracht) naar beneden als neerslag.
Met deze neerslag kunnen drie dingen gebeuren:
de neerslag wordt niet opgenomen door de bodem en loopt als oppervlaktewater, door rivieren en andere watergangen terug naar zee.
de neerslag wordt opgenomen door de bodem (infiltratie) en komt via het grondwater uiteindelijk terug in zee.
de neerslag verdampt, al dan niet na eerst door planten te zijn opgenomen (evapotranspiratie).
De kringloop is hiermee rond. +
Verder wordt de waterkwaliteit beoordeeld op basis van de aanwezige planten en dieren. +
De hoeveelheid water in sloten, meren en rivieren. +
(bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) +
Bron: Helpdesk Water +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Grens tussen het gedeelte onder water en dat erboven als de boot rechtop ligt. (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Benaming voor de oppervlakte van water. (bron: DIV) +
Oppervlaktewateren waarvan de lengte aanzienlijk groter is dan de breedte. Naast specifieke benamingen zijn er nog vele andere in gebruik: tocht, wetering, vaart, sloot, gracht, leiding, open leiding, gang, wijk, priel, geul enz. Toelichting: Deze termen worden veelal regionaal gebruikt om waterlopen aan te duiden van bepaalde afmeting, functie, oorsprong, beheerstoestand, e d . De namen geven ook een zekere rangorde van belangrijkheid of afmeting aan die echter niet algemeen geldend is. Geadviseerd wordt dan ook als het om de afwatering gaat, de rangorde in een waterlopensysteem aan te geven met (van groot naar klein) primaire waterloop, secundaire waterloop en tertiaire waterloop. (bron: CHO (340) / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Op natuurlijke wijze ontstane lijnvormige verdieping in het maaiveld voor de afvoer en/of aanvoer van water. (bron: CHEOBS / CBNL) <br/>
<br/>
Gegraven lijnvormige verdieping in het maaiveld, al of niet gevuld met water, voor onder meer de berging en de afvoer en/of aanvoer van water. (bron CHEOBS / CBNL) +
De energie kon ook gebruikt worden voor andere industriële toepassingen: het bewerken van metalen als smeedijzer of koper, het vervaardigen van papier (papiermolen), en in de textielnijverheid, zoals een volmolen.
Verwijst naar een mechanisme dat gebruik maakt van een waterrad of een andere vorm van waterkracht, bedoeld om een molen aan te drijven of een product te vervaardigen of te verwerken. Ook verwijst de term vaak naar het gebouw waarin het mechanisme is ondergebracht of de structuur die het mechanisme draagt. +
(bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo) +
Ongemak dat je kunt hebben bij een overstroming of wanneer het heel hard regent of hagelt en het water niet meer kan wegstromen. <br/>
Wateroverlast is een verzamelnaam voor situaties waarin mensen overlast ondervinden als gevolg van te veel water. Veel voorkomende vormen van wateroverlast zijn wateroverlast ten gevolge van regen en kwel (opkomend grondwater), maar ook overstromingen zijn een vorm van wateroverlast. <br/>
Wateroverlast als gevolg van regen. <br/>
Wateroverlast als gevolg van regen ontstaat vooral in steden en andere sterk bebouwde gebieden (zoals bedrijventerreinen). In stedelijke gebieden wordt water via de riolering afgevoerd en infiltreert niet in de bodem. Vaak is dat een gemengde riolering; afvalwater en regenwater samen. Het aanleggen van gescheiden riolering, met aparte verwerking van regenwater, neemt wel toe. Wanneer er veel neerslag valt kan het zijn dat het riool de hoeveelheid water niet aankan en daardoor overstroomt. Een riolering is nooit groot genoeg om de hevigste buien op te vangen, zoals die met popcornbuien en wolkbreuken. Daarom wordt gebruikgemaakt van de straat en andere bovengrondse ruimte om piekbuien kortstondig op te vangen. Dan loopt de straat dus vol. Veel erger is dat soms ook kelders onder water komen te staan. Als de gemengde riolering overstroomt, zal dit water ook afvalstoffen uit het riool bevatten. Dit is een gevaar voor de volksgezondheid in verband met de aanwezigheid van bacteriën, virussen en andere organismen. Een ander risico is de kans op letsel of verdrinking als putdeksels door het stromende water uit hun sponning gedrukt worden. ,br/>
Hoewel de brandweer vaak gealarmeerd wordt als er water op straat staat, kan ze er weinig tegen doen. De hoeveelheid water over het hele gebied is zo groot dat pompen weinig uithaalt. Meestal is de overlast binnen een uur na de regenval alweer grotendeels voorbij.
Technische oplossingen. <br/>
Riolering is niet berekend op piekbuien, dat zou veel te duur worden. Daarom bevatten rioolstelsels overstorten. Hevige buien kunnen zo toch afgevoerd worden zonder schade te veroorzaken in stedelijk gebied. Het met regenwater verdunde afvalwater wordt dan ongezuiverd geloosd op het oppervlaktewater (bijvoorbeeld grachten of singels). Als de overstortfrequentie hoog is ontstaat een (milieu)probleem, waarvoor gemeente en waterschap een oplossing moeten vinden. Om riooloverstortingen te voorkomen wordt tegenwoordig vaak een speciaal regenwaterriool aangelegd. Hierdoor komen het regenwater en huishoudelijk afvalwater niet meer samen in één rioolbuis terecht en kan regenwater makkelijker geloosd worden op het oppervlaktewater. Een andere mogelijkheid is aanleg van een bergbezinkvoorziening. Daar wordt bij hevige buien het afvalwater tijdelijk opgeslagen, en als ook die bak vol is, heeft de vervuiling kunnen bezinken zodat de milieubelasting beperkt blijft.
Een andere oplossing voor regenwateroverlast is het aanleggen van moderne infiltratievoorzieningen om het water versneld in de bodem te infiltreren.
Wateroverlast als gevolg van grondwater. <br/>
In gebieden met een hoge grondwaterstand kan wateroverlast ontstaan wanneer er onvoldoende drainage is en het water in kruipruimtes of kelders terechtkomt. Een veelvoorkomend probleem is dat onder huizen spontaan kwel ontstaat. Dit is opkomend grondwater als gevolg van neerslag of stijging van het waterpeil in nabijgelegen oppervlaktewater. Kwel is moeilijk tegen te gaan, behalve met drainage en eventueel pompen. <br/>
In het kader van klimaatverandering verwacht het KNMI dat heviger regenbuien in de toekomst steeds vaker zullen voorkomen. Om het Nederlandse waterbeheer op orde te houden en goed voorbereid te zijn op toevoer van grote hoeveelheden water ondertekenden overheidspartijen in 2003 het Nationaal Bestuursakkoord Water.
Met dit apparaat kunnen hoogteverschillen en (weliswaar met lage nauwkeurigheid) afstanden tussen punten ingemeten worden, het zogenaamde waterpassen. +
De waterplanten of hydrofyten zijn planten die zijn aangepast aan een tijdelijk of continu bestaan geheel of grotendeels onder water (submers of emers). Ze hebben morfologische aanpassingen waardoor ze kunnen overleven.
Terwijl de 'echte' waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Voor vele diersoorten vormen waterplanten een voedselbron en leveren een schuil- en broedplaats. +
(bron: Informatie- plan Water 1987 / Aquo / DIV) +
Constructie ten behoeve van het inlaten, uitlaten of overlaten van water, niet zijnde een gemaal of spuisluis, zoals een inlaatsluis, overlaat of inundatiesluis. Een voorbeeld van een waterreguleringswerk is een overlaat, inlaatwerk of aflaatwerk. (bron: Netwerkwerkmanagement Informatiesysteem (NIS) - Definities)
Kunstwerk dat waterregulering als hoofdfunctie heeft, niet zijnde een sluis, stuw of gemaal of een constructie ten behoeve van het inlaten, uitlaten of overlaten van water, niet zijnde een gemaal of spuisluis, zoals een inlaatsluis, overlaat of inundatiesluis (bron: Legger Rijkswaterstaatswerken)
Stuwen, overlaten, doorlaatwerken, duikers. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017)
Vaste overlaat of inlaat die voorziet in een vrije afvoer of aanvoer van water wanneer een bepaald peil wordt bereikt (BON NAT). (bron: NPR 4768) +
Een waterschap is een op basis van de Waterschapswet ingesteld openbaar lichaam dat in een bepaalde regio in Nederland tot taak heeft de waterhuishouding te regelen.
Als een waterschap aan zee ligt, wordt dit met name in Holland een hoogheemraadschap genoemd. (bron: JuridischWoordenboek.nl / Aquo) <br/>
<br/>
Een waterschap is een doelcorporatie op territoriale grondslag, publiekrechtelijk lichaam tot uitoefening van een taak op waterstaatsgebied (waterkering, waterlozing, verkeer), door de hiertoe bevoegde wetgever (de Kroon, Provinciale Staten) als zodanig opgericht of erkend, en gereglementeerd. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Grondgebied onder het bestuur van een waterschap. Doelcorporatie op territoriale grondslag, publiekrechtelijk lichaam tot uitoefening van een taak op waterstaatsgebied (waterkering, waterlozing, verkeer), door de hiertoe bevoegde wetgever (de Kroon, Provinciale Staten) als zodanig opgericht of erkend, en gereglementeerd. <br/>
<br/>
<br/>
Een waterschap is een op basis van de Waterschapswet ingesteld openbaar lichaam dat in een bepaalde regio in Nederland tot taak heeft de waterhuishouding te regelen. Ook wordt de term waterschap gebruikt om de regio aan te duiden waarover die instantie zeggenschap heeft. Het gebied wordt deels bepaald door gemeente- of provinciegrenzen, maar vooral door stroomgebieden of afwateringsgebieden in een bepaalde regio. Vijf waterschappen in Utrecht, Zuid- en Noord-Holland dragen de naam hoogheemraadschap in plaats van waterschap. Een hoogheemraadschap is van oudsher een groot waterschap belast met de waterstaatszorg over een uitgebreid gebied, dat gezag uitoefende op lagere waterschappen. Per 17 mei 2018 zijn er 21 waterschappen in Nederland, in 1950 waren dat er nog ongeveer 2600. <br/>
<br/>
Geschiedenis <br/>
Waterschappen behoren tot de oudste instituties van het Nederlandse staatsbestel. <br/>
Bronnen zijn schaars zodat niet met zekerheid iets over de vroege geschiedenis van waterschappen valt te zeggen. Met de Grote Ontginning (10e eeuw) werd het Hollandse landschap in cultuur gebracht. Door het inklinken van de bodem werd het noodzakelijk om polders en afwatering in te richten. Voor de grafelijke tijd was dat een verantwoordelijkheid voor de buurvergadering van een buurschap. Alleen de buren, de eigenaren van een volle hoeve, hadden daarin een stem en toegang tot bestuursfuncties. De zorg voor nieuwe en bestaande dijken en watergangen was hun taak. De verdeling daarin vond plaats volgens de hoefslag. Uit de lokale gemeenschappen werden mensen gekozen die het onderhoud moesten controleren, het zogenaamde schouwen. Geschillen werden voorgelegd aan lokale heemraden, oorspronkelijk uit de lokale bevolking gekozen geschillencommissies. Onder invloed van veranderingen in het grafelijk recht en bestuur gingen vanaf de 13e eeuw lokale polderbesturen samenwerken, wat uiteindelijk leidde tot de waterschappen. Het eerste officiële waterschap was het Hoogheemraadschap van Rijnland, dat in 1255 werd ingesteld door graaf Willem II van Holland. Het Hoogheemraadschap van Schieland dateert van 1273 en dat van Delfland van 1289. Graaf Floris bepaalde in de 13e eeuw dat zijn afgevaardigde in Rijnland dijkgraaf zou heten. Die titel werd later algemeen overgenomen. <br/>
<br/>
Waterschappen vormen de basis van het poldermodel: van oudsher hebben waterschappen de taak namens de bewoners van een bepaald gebied de waterhuishouding te regelen. In polders is dat in eerste instantie de zorg voor de waterstand. Weliswaar hebben gemalen vrijwel overal de taak van de windmolen overgenomen, maar nog altijd blijft het land niet vanzelf droog. Het buiten houden van water en het afvoeren van overtollig water is van oudsher een algemeen belang, waarbij polderbewoners genoodzaakt waren samen te werken. Uit die noodzakelijke samenwerking zijn de waterschappen ontstaan. Zij nemen ook in de Nederlandse rechtsgeschiedenis een bijzondere plaats in. In de grondwet van 1848 is de taak van waterbeheer bij de waterschappen neergelegd. Dit onder andere om te voorkomen dat gemeenten wateroverlast op hun eigen gebied voorkomen door maatregelen die de overlast naar buurgemeenten verplaatsten. <br/>
<br/>
Inliggende waterschappen en overlappende gebieden <br/>
Voor het jaar 2005 bestonden er overkoepelende waterschappen, zoals Rijnland, verantwoordelijk voor de waterboezems, met kleinere "inliggende" waterschappen. Ook was er overlap door het bestaan van waterschappen specifiek belast met de zeewaterkering en van zuiveringschappen. Door fusies zijn de inliggende waterschappen en gespecialiseerde schappen stapsgewijs opgeheven, zodat sinds 1 januari 2005 alle waterschappen zowel verantwoordelijk zijn voor de kwantiteit (waterpeil) als de kwaliteit van het water. Ook zijn er geen overlappende gebieden meer, elk deel van het (Europese) grondgebied van Nederland valt nu onder één waterschap. <br/>
<br/>
Bestuur <br/>
Een waterschap wordt ingesteld of opgeheven bij een besluit van de Provinciale Staten. Bij interprovinciale waterschappen is een gemeenschappelijk besluit van alle betrokken Provinciale Staten nodig. Het besluit maakt meestal deel uit van het door de Provinciale Staten vastgestelde reglement van het waterschap. Binnen de kaders van de Waterschapswet wordt in dit reglement de inrichting van het bestuur geregeld. <br/>
<br/>
Elk waterschap heeft een gekozen algemeen bestuur en een dagelijks bestuur, beide voorgezeten door een dijkgraaf of watergraaf (indien er geen belangrijke dijken binnen de waterschapsgrenzen liggen). <br/>
<br/>
Het algemeen bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van categorieën belanghebbenden: eigenaren van grond (de ingelanden), pachters van grond, eigenaren van gebouwen (tot 2008), bedrijven en sinds 1992 ook alle bewoners (de ingezetenen). De leden van het algemeen bestuur worden ook wel hoofdingelanden genoemd. Aan bepaalde belanghebbenden (bijvoorbeeld milieuorganisaties) kan de bevoegdheid worden toegekend leden te benoemen. <br/>
<br/>
Het algemeen bestuur (soms verenigde vergadering genoemd) kiest uit zijn leden een aantal heemraden (soms hoogheemraden of gezworenen genoemd) om zitting te nemen in het dagelijks bestuur. Dit college van dijkgraaf en (hoog)heemraden is te vergelijken met het college van burgemeester en wethouders bij een gemeente, al is een waterschapsbestuur monistisch terwijl een gemeentebestuur inmiddels dualistisch functioneert. De dijkgraaf is voorzitter van zowel het algemeen als het dagelijks bestuur en wordt door de Kroon benoemd voor een periode van zes jaar. <br/>
<br/>
Het algemeen bestuur wordt gekozen voor een periode van vier jaar door middel van de waterschapsverkiezingen. Daarbij werd tot 2004 niet op partijen gestemd maar op individuele personen. Bij de waterschapsverkiezingen in november 2008 werd onder de nieuwe Waterschapswet voor het eerst een lijstenstelsel gehanteerd. Anders dan bij de andere verkiezingen (Rijk, provincie, gemeente, Europa) gingen kiezers voor deze verkiezingen niet naar een stembureau, maar werd per post gestemd. Er is veel discussie over de vorm van verkiezen van de waterschapsbesturen (zie verderop). <br/>
<br/>
De bestuurlijke en financiële structuur van het waterschap is van oorsprong vastgesteld volgens het beginsel (trits) belang-betaling-zeggenschap. Volgens dit beginsel wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën belanghebbenden. In het gebied van het waterschap bevinden zich categorieën die meer belang hebben bij de taken van het waterschap dan andere categorieën. Verwacht kan worden dat een akkerbouwer meer afhankelijk is van het waterpeil dan iemand die alleen in het gebied van het waterschap woont, maar daar geen eigen huis of land bezit. Volgens het beginsel belang-betaling-zeggenschap betaalt een categorie die een verhoudingsgewijs groter belang bij de taken van het waterschap heeft ook een groter bedrag aan het waterschap. Deze hogere betaling leidt op zijn beurt weer tot een grotere zeggenschap in het waterschapsbestuur. Dus hoe groter het belang, hoe groter de betaling en ook hoe groter de zeggenschap. Het afgelopen decennium, zeker met de invoering van de Waterschapswet in 2006, is dit principe belang-betaling-zeggenschap losgelaten en dragen de inwoners en bedrijven in het stedelijk gebied (veruit) het grootste deel van de lasten. <br/>
<br/>
De invoering van de categorie ingezetenen in het algemeen bestuur past bij deze ontwikkeling: de lasten van het waterschap zijn verhoudingsgewijs vooral sterk op het stedelijk gebied (ingezetenen, woningbezitters, bedrijven) komen te liggen. Dat laat onverlet dat de besturen nog altijd relatief veel agrarische vertegenwoordigers hebben, mede omdat veel agrarische vertegenwoordigers in de categorie ingezetenen zitting hebben.
<br/>
De Nederlandse water- en hoogheemraadschappen zijn verenigd in een koepelorganisatie, de Unie van Waterschappen. <br/>
<br/>
Functionele decentralisatie <br/>
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Waterschappen zijn net als de provincies en de gemeenten gedecentraliseerde overheidslichamen. Wat het waterschap onderscheidt van provincie en gemeente is zijn taak. Provincie en gemeente hebben in principe een onbepaalde taak, terwijl de taak van waterschappen bepaald is. Bepalend voor provincie en gemeente is het gebied waarbinnen zij verschillende taken vervullen. Provincie en gemeente worden daarom vormen van territoriale decentralisatie genoemd. Bepalend voor het waterschap is zijn taak (of functie); deze taak ligt uitsluitend op het gebied van de waterstaatszorg. Deze beperking van de taak maakt het waterschap tot een lichaam van functionele decentralisatie. <br/>
<br/>
Taken <br/>
De volgende taken worden tot de taken van waterschappen gerekend: de waterkeringszorg, het waterkwantiteitsbeheer en het waterkwaliteitsbeheer.
* De waterkeringszorg bestaat voornamelijk uit het beheer van 3200 kilometer aan primaire waterkeringen, zoals dijken, duinen en dammen. Deze bieden bescherming tegen hoogwater uit zee, het IJsselmeer en de grote rivieren. Daarnaast zijn er nog overige waterkeringen met een totale lengte van 14.900 km.
* Voor het kwantiteitsbeheer beschikken de waterschappen over ruim 6000 gemalen en verder tienduizenden kleinere waterkunstwerken om er voor te zorgen dat een teveel aan water wordt afgevoerd of voldoende water wordt aangevoerd.
* Het kwaliteitsbeheer betreft zuivering van het afvalwater dat de huishoudens en bedrijven op het riool lozen. Dit wordt gedaan in 315 rioolwaterzuiveringsinstallaties. <br/>
Tussen 1950 en 2005 bestonden er in delen van Nederland ook zuiveringschappen, die specifiek belast waren met de waterkwaliteit in hun gebied. Deze zijn opgeheven en vanaf 1 januari 2005 zijn de waterschappen zowel verantwoordelijk voor de kwantiteit (waterpeil) als de kwaliteit van het water. <br/>
<br/>
Daarnaast kunnen om redenen van doelmatigheid ook andere taken aan het waterschap worden toevertrouwd. Voorbeelden daarvan zijn wegenbeheer en vaarwegenbeheer. Dit zijn taken die in principe algemene democratische overheidslichamen zoals gemeenten of provincies toebehoren. Reden hiervoor is dat in zeer sterke mate ‘bovenwaterschappelijke belangen’ bij deze taak zijn betrokken. Op het gebied van wegen gaat het wel om de wegen en fietspaden buiten de bebouwde kom. Over het algemeen lopen deze wegen door polders en afgelegen gebieden. Ook zorgt het waterschap bij deze wegen voor onderhoud van de wegen, maar ook van de bermen langs de wegen. In de twintigste eeuw bestonden er zelfs waterschappen die alleen wegbeheer als hun taak hadden. Deze werden wel wegwaterschappen of wegschappen genoemd. Het ging meestal om wegen die vooral een lokaal belang hadden. <br/>
<br/>
Op het beleidsterrein van het waterschap kan het algemeen bestuur algemeen verbindende voorschriften vaststellen, zoals verordeningen en 'keuren'. Sommige besluiten behoeven de goedkeuring van de provincie (voorafgaand toezicht), ook kunnen reeds genomen besluiten onder bepaalde omstandigheden door de provincie worden geschorst of vernietigd (toezicht achteraf). Waterschappen worden ingesteld of opgeheven bij provinciale verordening.
<br/>
Hoogheemraadschappen <br/>
Traditioneel worden waterschappen met een zeewerende taak hoogheemraadschap genoemd. Hoogheemraadschappen zijn te vinden in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht.
Financiën <br/>
Kosten <br/>
Een waterschap maakt kosten voor het onderhoud van dijken, kades en keringen; voor de inrichting, het onderhoud en het dagelijks beheer van waterlopen (poldersloten, duikers, vaarten, kanalen), poldergemalen, boezemgemalen en uitwaterende gemalen en (natuurvriendelijke) oevers. Hiermee wordt de waterkwantiteitstaak (zorgen voor droge voeten) en de waterkeringszorg (dijken, keringen en kades) ingevuld. <br/>
<br/>
Een tweede, grote kostenpost voor veel waterschappen is de waterkwaliteitszorg, in casu het bedrijven, onderhouden en vernieuwen van afvalwaterzuiveringsinstallaties, persleidingen en rioolgemalen. <br/>
<br/>
Een beperkt aantal waterschappen beheert wegen en maakt daardoor kosten voor het beheer en onderhoud daarvan. <br/>
<br/>
In 2023 bedragen de exploitatiekosten ongeveer € 3,6 miljard. Het grootste aandeel in de kosten heeft de zuivering van rioolwater (39% van het totaal), gevolgd door die van de activiteiten in watersystemen (29%) en tot slot het beheer en onderhoud van de waterkeringen (12%). Verder zijn er kosten voor het innen van de belastingen en het bestuur van het waterschap. <br/>
<br/>
Ook btw vormt voor waterschappen een grote kostenpost. Zij kunnen btw op externe goederen en diensten niet terugvorderen, terwijl provincies of gemeenten dat wel kunnen via het btw-compensatiefonds. <br/>
<br/>
Inkomsten <br/>
Ter dekking van de jaarlijkse kosten heft het waterschap diverse belastingen. In 2023 bedraagt het totaal aan inkomsten uit belastingen zo'n € 3,5 miljard (2006: € 2,0 miljard).
<br/>
Met de opbrengst van de belastingen moeten de kosten gedekt worden, omdat de waterschappen geen geld ontvangen van het rijk. Daarin verschillen ze van gemeenten en provincies, waarvoor het rijk het gemeentefonds respectievelijk provinciefonds vult, terwijl openbare lichamen BES gefinancierd worden vanuit het BES-fonds. De waterschappen hebben geen winstdoel. <br/>
<br/>
Sinds de vernieuwde Waterschapswet kent elk waterschap één watersysteemheffing die in de plaats is gekomen van de aparte heffingen voor waterkwantiteit, waterkeringszorg en het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren. De kosten die worden gemaakt voor deze taken worden verdeeld tussen inwoners in het algemeen (ingezetenenomslag), eigenaren van gebouwde objecten (omslag gebouwd) en ongebouwde objecten (omslag ongebouwd). <br/>
<br/>
Voor de waterkwaliteitstaak (het zuiveren van afvalwater) heffen de waterschappen de verontreinigingsheffing (zuiveringsheffing). Deze heffing wordt opgelegd naar rato van het aantal vervuilingseenheden dat jaarlijks op het riool wordt geloosd en geldt zowel voor gebruikers/eigenaren van woningen als voor bedrijven. <br/>
<br/>
Investeringen <br/>
De Nederlandse waterschappen investeren op jaarbasis ruim € 2 miljard. Het meeste geld gaat naar de de dijken, gevolgd door de rioolwaterzuiveringsinstallaties en dan naar de watersystemen. Op de balans van de waterschappen staat een groot bedrag aan vaste activa en hierop wordt afgeschreven. Waterschappen kunnen voor de financiering van grote projecten langlopende leningen afsluiten bij de Nederlandse Waterschapsbank of bij andere financiële instellingen. Over de leningen wordt rente betaald die ook tot de kosten van het waterschap worden gerekend. <br/>
<br/>
Discussie over de toekomst van waterschappen <br/>
n de vroege 21e eeuw is regelmatig gediscussieerd over de toekomst van de waterschappen en de wijze van hun bestuursverkiezingen, mede door de lage opkomst en het relatief hoge foutpercentage bij de verkiezingen in 2008. Een deel van de landelijke politieke partijen en, tot het afsluiten van het Bestuursakkoord Water in 2011, ook het merendeel van de provincies pleitte voor opheffing van de waterschappen en het onderbrengen van het waterbeheer bij de provincies, omdat op deze manier – in hun ogen – geld zou kunnen worden bespaard en de bestuurlijke drukte kon worden verminderd. Een andere genoemde optie is omvorming van de waterschappen tot gedecentraliseerde rijksdiensten die rechtstreeks onder Rijkswaterstaat vallen. <br/>
<br/>
In het regeerakkoord van VVD en CDA (kabinet-Rutte I, 2010-2012) was afgesproken dat de waterschappen blijven bestaan, waarbij hun besturen indirect via de gemeenteraden gekozen zouden gaan worden. Het kabinet bracht bij monde van staatssecretaris Joop Atsma een wetsvoorstel in behandeling om dit te regelen. Daarin zou ook geregeld worden dat de zittingstermijn van de waterschapsbesturen werd verlengd van eind 2012 tot medio 2014, om in de pas te gaan lopen met de gemeenteraadsverkiezingen. De landelijke politiek stapte daarbij over het bezwaar heen dat bij indirecte verkiezingen specifieke waterpartijen zoals Water Natuurlijk en de Algemene Waterschapspartij weinig kans maken. <br/>
<br/>
De waterschappen zelf verdedigen hun bestaansrecht door erop te wijzen dat hun eventuele opheffing financieel gezien weinig oplevert, en de bestuurlijke drukte maar minimaal vermindert. Zij vrezen juist dat dan waterveiligheid en het waterbeheer in gevaar komen, omdat de budgetten voor water niet langer geborgd zijn. Ook wanneer de waterschappen blijven bestaan kunnen zij hun kosten verminderen, bijvoorbeeld door fusies en vermindering van het aantal waterschapsbestuurders, zoals ook is afgesproken in het Bestuursakkoord Water (2011). <br/>
<br/>
Na de val van het kabinet Rutte I wijzigde de situatie: zowel Tweede als Eerste Kamer stemden begin juli 2012 in met verlenging van de zittingsperiode van de huidige waterschapsbesturen tot eind 2014 (twee jaar extra), om de Tweede Kamer na de verkiezingen van 12 september 2012 tijd te geven om een nieuwe afweging en keuze te maken over de vorm en invulling van de waterschapsverkiezingen en de institutionele inbedding van de waterschappen. Destijds betekende dit dat de waterschapsverkiezingen in november 2014 zouden plaatsvinden, maar uiteindelijk werd in 2014 besloten om de waterschapsverkiezingen via de Kieswet te regelen en ze voortaan op dezelfde dag als de verkiezingen voor de Provinciale Staten te houden. Op 18 maart 2015 werden de Waterschapsverkiezingen 2015 gehouden. Sindsdien stemt men dan voor de Waterschappen net als bij de andere verkiezingen in het stembureau. Dit doet men dan tegelijk met de Provinciale Statenverkiezingen. Men ontvangt dan ook voor deze verkiezingen een stempas.
<br/>
In het Regeerakkoord 2012 staat voor de lange termijn het perspectief van vijf landsdelen in plaats van twaalf provincies, en samenvoeging van de waterschappen met de landsdelen. Op middellange termijn wordt gestreefd naar een opschaling tot tien à twaalf waterschappen. Verder is afgesproken dat de waterschapsverkiezingen gaan plaatsvinden op de dag van de verkiezingen voor Provinciale Staten en dat de waterschappen uit de Grondwet verdwijnen. In het Regeerakkoord 2017 zijn deze plannen weer helemaal verdwenen. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Doelcorporatie op territoriale grondslag, publiekrechtelijk lichaam tot uitoefening van een taak op waterstaatsgebied (waterkering, waterlozing, verkeer), door de hiertoe bevoegde wetgever (de Kroon, Provinciale Staten) als zodanig opgericht of erkend, en gereglementeerd. (bron: Informatiemodel Water)
Openbaar lichaam dat de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel heeft (bron: Waterschapswet)
Overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor de kwaliteit en de hoogte van het oppervlakte- en grondwater in een bepaald gebied. (bron: CBS Begrippen) <br/>
<br/>
Regionaal gebied onder het bestuur van een overheidsinstantie waterschap die tot taak heeft de waterhuishouding in dit gebied te regelen. (bron: Informatiemodel Grootschalige topografie)
Waterschap Hunze en Aa's is op 1-1-2000 ontstaan uit een fusie van de waterschappen Hunze en Aa, Dollardzijlvest en Eemszijlvest (gedeeltelijk). Tevens werden er taken overgedragen van het Zuiveringsschap Drenthe en de dienst Zuiveringsbeheer van de provincie Groningen.
De nieuw gevormde organisatie kreeg de naam Hunze en Aa's, genoemd naar de Hunze, de Drentsche Aa, de Mussel Aa, de Ruiten Aa en de Westerwoldse Aa, de vijf belangrijkste rivieren binnen het gebied.
Het hoofdkantoor is gevestigd in Veendam. +
Een kadastraal perceel kan opgesplitst zijn in 1 of meerdere waterschapperceeldelen. De heffing kan per waterschapperceeldeel verschillend zijn. De heffing bestaat uit bebouwd en onbebouwd. Bebouwd wordt bepaald door het gekoppelde WOZ object. Taken van het waterschap , waarvoor betaald moet worden, zijn aan het waterschapperceeldeel gekoppeld. (bron: ORBIS / Adventus / Aquo / DIV) +
Als huiseigenaar betaal je zuiveringsheffing en watersysteemheffing (voor ingezetenen én voor eigenaren van gebouwde onroerende zaken). De zuiveringsheffing wordt gebruikt voor het zuiveren van afvalwater. De watersysteemheffing voor onderhoud aan bijvoorbeeld beken, sloten en dijken. Hoeveel je betaalt, hangt af van de WOZ-waarde. Het tarief verschilt per waterschap. +
CBS code Code SL Waterschapsnaam <br/>
0664 WS30 Waterschap Drents Overijsselse Delta <br/>
0646 WS16 Waterschap Hunze En Aa's <br/>
0647 WS17 Waterschap Noorderzijlvest <br/>
0653 WS23 Wetterskip Fryslân <br/>
0663 WS29 Waterschap Vechtstromen <br/>
0664 WS30 Waterschap Drents Overijsselse Delta <br/> +
(bron: UVW) <br/>
<br/>
DAMO benoemd naast de administatieve waterschapsgrens en de beheergrens van het waterschap ook nog over de reglementsgrens van het waterschap. (bron: DAMO) +
In Nederland zijn door een reeks fusies nog slechts 24 waterschappen over (stand 2016) van de honderden die het land ooit kende. Veel waterschapshuizen hebben dan ook hun oorspronkelijke functie verloren. +
Eigenaren van huizen of ander onroerend goed krijgen naast de ingezetenenomslag ook de waterschapsomslag opgelegd. Deze belasting komt ten goede aan de zorg voor de waterkwantiteit en de zorg voor de waterkeringen. De WOZ-waarde van het onroerende goed dient als uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van de aanslag. Dit geldt ook voor glastuinbouwbedrijven. Voor grond waar niet op gebouwd is, is het aantal hectare uitgangspunt. +
Aan waterschappen, die met tenminste een van zulke taken zijn belast, kan daarnaast de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen. (bron: BWBR0005108, Wet van 6 juni 1991, houdende regels met betrekking tot de waterschappen / Adventus / Aquo / DIV) +
De waterschapsverkiezingen worden om de vier jaar gehouden. De verkiezingen worden sinds 2015 op dezelfde dag gehouden als de Provinciale Statenverkiezingen.
Tot 1 juli 2014 werden de waterschapsverkiezingen niet door de Kieswet geregeld, maar door de Waterschapswet. Het waren toen de enige Nederlandse verkiezingen waarbij op afstand gestemd werd via de post. Men kreeg dan een stembiljet toegestuurd via de post dat na het stemmen diende te worden teruggestuurd. In enkele waterschappen is in 1999 geëxperimenteerd met stemmen per post, en in 2004 met stemmen via internet.
De vertegenwoordiging in het algemeen bestuur van een waterschap was van oudsher gebaseerd op de trits "belang-betaling-zeggenschap".
Vanaf 1978 tot 1995 werd een derde van de zetels ingenomen door hoofdingelanden (algemeen bestuurders) gekozen door eigenaren van ongebouwd onroerend goed; tevens een derde werd ingenomen door hoofdingelanden gekozen door eigenaren gebouwd (huiseigenaren). De resterende hoofdingelanden werden gekozen door gemeenteraden en het bedrijfsleven (bedrijfsgebouwd).
Met de in 1992 ingevoerde Waterschapswet kregen de ingezetenen - de burgers - van elk waterschap voor het eerst direct stemrecht. In 1995 werden voor het eerst waterschapsverkiezingen "nieuwe stijl" gehouden. Onder meer in de Zuid-Hollandse waterschappen gebruikte men in dat jaar nog het indirecte systeem - verkiezing door afgevaardigden van de gemeenteraden. De verkiezingen van 2003 werden een jaar uitgesteld in verband met fusies van de waterschappen. In 2008 vonden voor het eerst landelijke waterschapsverkiezingen plaats.
De meerderheid van de zetels in elk algemeen bestuur wordt gekozen door de ingezetenen. Daarnaast zijn er ter vertegenwoordiging van de agrarische en andere bedrijfsbelangen en de natuurbelangen de zogenaamde geborgde zetels, voor de categorieën onbebouwd, bedrijfsgebouwd en natuur. De vertegenwoordigers van de bedrijven worden aangewezen door de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) en de Kamer van Koophandel. De zetels voor de bossen en natuurgebieden werden ingevuld door het Bosschap. Omdat dit bestuursorgaan als bedrijfschap in 2014 wordt opgeheven, is deze taak overgenomen door de nieuwe Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren (VBNE). De categorie gebouwd, die huiseigenaren vertegenwoordigde, is bij de verkiezingen van 2008 afgeschaft. (bron: Wikipedia)
Zo heeft het waterschap net als een gemeente een algemeen bestuur (verenigde vergadering), een dagelijks bestuur (college van dijkgraaf en hoogheemraden) en een voorzitter (dijkgraaf). (Vergelijkbaar met gemeenteraad, college van B&W en burgemeester).
De Waterschapswet is een Nederlandse wet die vastgesteld is in 1991. De wet regelt de instelling en opheffing van een waterschap. Bij instelling worden de taken en inrichting van het waterschap en de samenstelling van het bestuur geregeld. De taken van waterschappen zijn sinds 2009 verder uitgewerkt in de Waterwet. +
De waterscheiding van het grondwater behoeft niet samen te vallen met die van het oppervlaktewater. (bron: CHO (315) / Aquo / DIV) +
Bij het stoppen van dit water treedt een drukverandering op (oorspronkelijk een verhoging). Deze drukverandering kan berekend worden met de zogenaamde formule van Zjoekovski, naar de Russische ingenieur Nikolaj Zjoekovski. Oók bij het snel starten van een stroming kan waterslag optreden, bijvoorbeeld door het snel openen van een klep bij een leiding op druk ontstaat een negatieve drukgolf. +
Er is een functioneel verband tussen de zuigspanning (druk van het water in de poriën) en de hoeveelheid water in de poriën (verzadigingsgraad van de bodem). De samenhang tussen de zuigspanning en de vochtigheid van de bodem is karakteristiek voor de poriëngrootteverdeling en ook voor het wateropnemend vermogen van de bodem.
Bij het verzadigingspunt, de grond is volledig met water verzadigd, is de zuigspanning 0 hPa en bij het verwelkingspunt is de zuigspanning 15000 hPa. Tussen deze waarden kan de plant water opnemen. Komt de zuigspanning boven de 800 hPa dan wordt er als hier mogelijkheden voor zijn beregend.
De zuigspanning is een mechanische spanning in het water van de poriën en is de resultante van de capillariteit van de bodemstructuur en de oppervlaktespanning van de bevochtende fluïdums. Microscopisch kan de zuigspanning als een discontinuïteit van de fasendrukken aan de fasengrensvlakken tussen de vochtige en niet vochtige fase herleid worden. De stijghoogte in een niet beregende bodem is vanaf het grondwater des te hoger des te fijner de met elkaar verbonden poriën zijn. Dit komt door de capillaire opstijging, die tegen de zwaartekracht inwerkt.
Naar de Wet van Hagen-Poiseuille neemt een laminaire stroming door een buis met de vierde macht van de doorsnee van de buis af. Daarmee neemt bij stijgende zuigspanning in de bodem niet alleen het watergehalte maar ook de waterdoorvoer af.
Voor de beschrijving van de waterbeweging in de bodem wordt als maat voor de energieverhoudingen van het poriënwater het waterpotentiaal, de som van de zwaartekrachtpotentiaal en de tensiometerdrukpotentiaal (zie Wet van Darcy), gebruikt. Als referentiepunt dient in de grondmechanica vaak de grondwaterspiegel. Volgens afspraak zijn onder de grondwaterspiegel de poriënwaterdrukken positief en daarboven met het omgekeerde teken (negatief) weergegeven als zuigspanningen.
Tussen de zuigspanning en de hoeveelheid water, uitgedrukt als het volumetrische of gravimetrische watergehalte, in de bodem bestaat een karakteristieke betrekking. In de afbeelding van de zuigspanningscurve is het functionele verloop van de matrixpotentiaal voor zand, silt, siltige leem en klei weergegeven. Aan de hand van het verloop van de curve kan zowel de poriëngrootteverdeling van een bodem als de hoeveelheid voor de plant beschikbaar water bij ieder watergehalte van de bodem afgeleid worden. De zuigspanningscurve, die de verdeling van de poriëngrootte karakteriseert, is ook voor de waterdoorlaatbaarheid maatgevend. Vaak wordt geprobeerd uit de samenhang tussen de bodemzuigspanning en bodemvochtigheid, de afname van de waterdoorlaatbaarheid bij afname van de verzadigingsgraad af te leiden.
(bron: AquaRO / Aquo) +
(bron: UIVO-W / Aquo) <br/>
<br/>
Benaming voor de opppervlakte van water. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een waterspiegel of wateroppervlak is het grensvlak tussen water en lucht. Deze term wordt veelvuldig gebruikt wanneer ter sprake wordt gebracht de verticale verandering van een waterniveau ten opzichte van vaste objecten, bijvoorbeeld de waterspiegel van een meer of zee daalt of rijst ten opzichte van de wal. Het landequivalent is maaiveld. (bron: Wikipedia) +
Er kunnen de Rijkswaterstaat en provinciale waterstaten onderscheiden worden. Onder droge waterstaat wordt verstaan wegbeheer en dergelijke. Bron: Wijk, J van der, Taal van het Water. +
(bron: DIV) +
Bron: BWBR0025458, Wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet) / UIVO-W. / Aquo) <br/>
<br/>
Voor de geografische ligging van het waterstaatswerk wordt de feitelijke situatie opgenomen. (richtlijn legger oppervlaktewaterlichamen van de Unie van Waterschappen, https://www.uvw.nl/wp-content/files/Unierichtlijn%20Legger%20Oppervlaktewaterlichamen%202013.pdf) +
Het betreft de zonering zoals die volgt uit de waterwet. In de termen van IMGEO betreft het een functioneelgebied. +
(bron: Waterwet) <br/>
<br/>
Een samenhangend geografisch afgebakend (deel van een) oppervlaktewater, inclusief het hiermee gerelateerde grondwater, onderwaterbodems, oevers en technische infrastructuur, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische kenmerken en processen. De grenzen van een dergelijk watersysteem worden in de eerste plaats bepaald op grond van morfologische, ecologische en functionele samenhang. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Geheel bestaat uit het oppervlaktewater, het grondwater en de daarmee samenhangende waterbodems, oevers en kunstwerken alsmede de daarin levende organismen. (bron: Structuurvisie Ondergrond) <br/>
<br/>
Geografisch afgebakend, samenhangend geheel van oppervlaktewater, grondwater, onderwaterbodems, oevers en technische infrastructuur, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische kenmerken en processen. (bron: Richtlijnen Vaarwegen) <br/>
<br/>
Geografisch afgebakend, samenhangend geheel van oppervlaktewater, grondwater, onderwaterbodems, oevers en technische infrastructuur, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische kenmerken en processen. (bron: Stelsel RWS Basisspecificaties) <br/>
<br/>
Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; (bron: Helpdesk Water) <br/>
<br/>
Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; (bron: Legger Rijkswaterstaatswerken) <br/>
<br/>
Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; (bron: Omgevingswet (Herleidbare geconsolideerde versie)) <br/>
<br/>
Het bestuurlijk programma watersysteem maakt duidelijk welke doelstellingen een waterschap wil bereiken op het gebied van het stelsel van oppervlaktewaterlichamen en bijbehorende kunstwerken, hoe het waterschap de doelstelling gaat realiseren en wat dit gaat kosten. Niveau 5 in het Asset Informatie Model (bron: NCS / Aquo)
(bron: Water voor nu en later / Aquo) <br/>
<br/>
Werkwijze van waaruit de zorg voor de waterhuishouding wordt benaderd en waarbij wordt uitgegaan van de samenhang binnen de waterhuishouding met zijn relevante omgeving. (De benadering vormt daarmee het brede kader waarin de derde nota waterhuishouding dient te worden geplaatst). (bron: DIV) +
De grenzen van een watersysteemdeel worden in de eerste plaats bepaald door de beheergrenzen van de verantwoordelijke instantie en daarbinnen op basis van het voorkomen van dezelfde functies. (bron: RWS-A, 1997: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 (aangepast) / Aquo / DIV) +
Watersysteemheffing betaalt u om wateroverlast en overstromingen te voorkomen. Denk hierbij aan het bouwen en onderhouden van dijken en gemalen om overstromingen en tekorten aan water te voorkomen. Het waterschap gebruikt het geld uit de watersysteemheffing ook om het water in sloten, plassen en meren schoon te houden.
<br/>
Eigenaar <br/>
Bent u op 1 januari van het belastingjaar eigenaar van een woning, bedrijfspand of stuk grond, dan betaalt u de watersysteemheffing gebouwd, ongebouwd of natuur. <br/>
Gebruiker. <br/>
Bent u gebruiker van een woonruimte, dan betaalt u watersysteemheffing ingezetenen. <br/>
Verkoop woning, pand of grond. <br/>
Verkoopt u een woning, bedrijfspand of grond dat niet bebouwd is, dan berekent de notaris hoeveel watersysteemheffing u terugkrijgt van de koper. De heffing is voor een heel jaar. Ook als er iets in dat jaar verandert. +
Wie betaalt watersysteemheffing gebouwd? <br/>
Bent u op 1 januari van het belastingjaar eigenaar van een woning of bedrijfsgebouw? Dan betaalt u de watersysteemheffing gebouwd. <br/>
<br/>
Wie stelt de WOZ-waarde vast? <br/>
Woont u in de gemeente Groningen, Loppersum, Delfzijl of Appingedam? Dan stellen wij de WOZ-waarde vast. Woont u in een andere gemeente? Dan doet uw gemeente dat. U kunt bij uw eigen gemeente bezwaar maken als u het niet eens bent met de WOZ-waarde. Wij ontvangen de nieuwe (verlaagde) waarde van uw gemeente en verwerken de vermindering op uw aanslag. U krijgt automatisch bericht van deze vermindering. +
Wanneer betaalt u watersysteemheffing ingezetenen? <br/>
Iedereen die bij de gemeente staat ingeschreven als hoofdbewoner van een adres. U betaalt voor het hele jaar voor het adres waar u op 1 januari woont. Of u verhuist in dat jaar maakt niet uit. Ook het aantal personen bij u in huis maakt voor deze heffing niet uit, u betaalt per woning. +
Waterschapswet
De Waterschapswet geeft de volgende definitie van het begrip natuur: Ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. <br/>
<br/>
Natuur <br/>
Het gaat om ongebouwde onroerende zaken. Eigenaren van gebouwen die in een natuurterrein liggen, krijgen gewoon de aanslag watersysteemheffing gebouwd. De inrichting van het terrein als natuur alleen is niet voldoende om onder het begrip natuur te vallen: een verwilderd perceel grond is geen natuur. Het beheer alleen is ook niet voldoende: door natuurbeheerder verpachte grond die agrarisch wordt gebruikt is dus geen natuur. <br/>
<br/>
Als de agrarische of recreatieve functie voorop staat is geen sprake van natuur. Als de functie van natuur voorop staat mag het daarnaast wel voor bijvoorbeeld recreatie of militair oefenterrein gebruikt worden. <br/>
<br/>
Bossen <br/>
Volgens de wet vallen alle bossen die groter zijn dan 1 hectare ook onder de definitie van natuur. Dat mag ook een productiebos zijn. Geen bos is onder andere: houtopstanden binnen bebouwde kom, eenrijige beplantingen langs landbouwgrond, kwekerijen, kerstboomvelden, woongebieden, wegbeplantingen, beboste delen parken, niet in bos gelegen boomkwekerijen, in bos gelegen recreatieterreinen en campings. <br/>
<br/>
Open water <br/>
Ook open water (meren) met een oppervlakte groter dan 1 hectare valt onder de definitie natuur. Deze wateren moeten een ‘open en weids karakter’ hebben. Sloten en watergangen vallen hier niet onder, een vaarweg ook niet. Als een meer onderdeel is van een natuurgebied dan hoeft de oppervlakte niet groter dan 1 hectare te zijn om onder de definitie te vallen. +
Watersyteemheffing ongebouwd is een tarief dat u betaalt als eigenaar van grond dat onbebouwd is. Wat het tarief voor u is, hangt af van het soort gebruik van de grond (bijvoorbeeld landbouw en wegen) en de oppervlakte van het stuk grond. +
(bron: DIV) +
(bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo / DIV) +
(bron: Informatie analyse keuze technische beheersactie BOAC, technisch rapport / Aquo / DIV) +
Situatie waarin er niet genoeg water aanwezig is om (gebruiks)functies optimaal te bedienen, zoals beregeningswater voor landbouw. +
De kleine waterteunisbloem is afkomstig uit Zuid-Amerika en geïntroduceerd in Europa als vijverplant. In Zuid-Europa kan de soort woekeren in natuurgebieden en zo de overige vegetatie wegconcurreren. In Nederland zijn enkele vondsten gedaan sinds 2003, waarvan de meesten verwijderd zijn. Kleine waterteunisbloem staat op het Convenant Waterplanten en de Unielijst. Dit houdt in dat bezit, handel en vervoer van deze soort verboden is en dat gevonden exemplaren bestreden moeten worden.
De kleine waterteunisbloem wordt 10 - 40 cm hoog en bloeit van juni tot in september.
De plant heeft op de knopen wortelende stengels, die dichte matten kunnen vormen. De planten verspreiden zich via stengelfragmenten die elders wortelen. De soort lijkt op waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), maar is te onderscheiden met de grootte van de bloem en de vorm van het blad. Kleine waterteunisbloem heeft 7-17 mm lange kroonbladeren en 3-6 cm lange bladen met een duidelijke bladsteel en -schijf. De kroonbladeren van de waterteunisbloem zijn 15-25 mm lang en de 6-12 cm lange bladen lopen af langs de bladsteel +
Dit is sinds 2001 verplicht (WRO) en omvat de volgende stappen: een locatiebesluit wordt getoetst op de gevolgen voor het watersysteem. Aangegeven wordt waarom zo'n besluit gerechtvaardigd is met oog op een betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar watersysteem. Vastgelegd wordt welke compenserende maatregelen nodig zijn om nadelige gevolgen voor het watersysteem te voorkomen. +
Bron: AquaRO. <br/>
<br/>
Een waterval is een punt in een rivier of beek waar water over een verticale daling of een reeks steile dalingen stroomt. Het betreft een geologische formatie die ontstaat doordat water stroomt over een gesteentelaag die harder, en daardoor erosiebestendiger, is dan een daaronder liggende laag. Als de bovenlaag door het water wordt doorbroken ontstaat een plotseling hoogteverschil. De meeste watervallen zijn het resultaat van het uitslijpen van een rivierbedding gedurende vele jaren. Meestal is de ondergrond een behoorlijk harde steensoort met daaronder een zachtere. Het over de rand stortende water zal de zachtere onderlaag onder de harde laag wegslijpen. De harde bovenlaag zal veel langzamer afbreken. Hierdoor blijft steeds een scherpe rand bestaan die zich echter langzaam stroomopwaarts verplaatst. (Wikipedia) <br/>
<br/>
Een plaats waar het water van een rivier of beekje van een bepaalde hoogte of helling naar beneden stroomt. <br/>
Kunstmatige watervallen worden aangetroffen in tuinen en parken; zij worden dan vaak cascade genoemd. <br/>
Een natuurlijke waterval ontstaat op plaatsen waar verschillend gesteente in de ondergrond aan elkaar grenst, waardoor bij hoogteverschil door uitschuring een waterval ontstaat. In Nederland komen geen natuurlijke watervallen voor. De meeste zijn aangelegd als deel van een tuin of park. Ook de ‘grootste natuurlijke waterval’ van Nederland (bij Beekbergen op de Veluwe) is aangelegd: het gaat hier om een (/) spreng die in 1869 is gegraven om water aan te voeren voor het Apeldoorns Kanaal en die op één punt via een waterval een hoogteverschil van zo’n 15 meter overbrugt. Daarnaast wordt de naam waterval soms gegeven aan resten van verdwenen watermolens, op plekken waar het water uit de beek over de molenstuw heenstroomt. (CHT thesaurus) +
(bron: Aquo) +
De Waterwet stelt eisen aan activiteiten in het watersysteem. Voor veel activiteiten kunt u volstaan met het indienen van een melding en het volgen van algemene regels uit de keur. Er zijn ook activiteiten waarvoor een melding niet voldoende is, maar een vergunning moet worden aangevraagd.
Voorbeelden van activiteiten waarvoor u een watervergunning moet aanvragen:
* direct lozen van afvalwater op oppervlaktewateren
* grondwater onttrekken
* activiteiten bij een waterstaatswerk (bijvoorbeeld snelweg, viaduct, tunnel, brug, vaarweg, dijk)
* aanleg waterberging
* dempen van water
* een combinatie van de eerder genoemde activiteiten. +
Onder watervervuiling wordt verstaan, een verandering in de kwaliteit van het water met een schadelijk effect voor mensen, dieren of planten die met het water in contact komen. Watervervuiling kan schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier of zelfs fataal aflopen. Verontreinigd water is niet meer geschikt als drinkwater en bijvoorbeeld niet of minder geschikt als zwemwater of viswater. Wereldwijd is watervervuiling een van de hoofdoorzaken die kunnen leiden tot fysieke waterschaarste.
De term watervervuiling wordt meestal gerelateerd aan de mens maar kan ook van natuurlijke aard zijn. Soms vindt vervuiling plaats door erosie van stoffen uit de rotsen in de ondergrond, of door erosie na hevige regenval.
Veel ecosystemen zijn afhankelijk van zoetwater. De vervuiling heeft tot gevolg dat organismen die erin voorkomen bedreigd worden of verdwijnen. Ook zorgt vervuiling ervoor dat het steeds moeilijker en duurder wordt om schoon drinkwater te winnen voor menselijk gebruik.
Rivieren, meren en andere zoete wateren kunnen worden vervuild door menselijke activiteiten, onder meer in de landbouw, industrie en huishoudens. Soms is de vervuiling afkomstig uit andere landen, soms is ze het resultaat van binnenlandse activiteiten.
Wanneer bij regenbuien veel regenwater toekomt in gemengde rioleringsstelsels, kan het gebeuren dat ongezuiverd afvalwater via een overstort geloosd wordt in het oppervlaktewater. In 2000 gebeurde dit in Nederland 15.500 keer. +
(Bron: Verklarend Hydrologisch Woordenboek / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Met water gevulde verdieping in het maaiveld met relatief kleine oppervlakte. (Bron: CHEOBS) <br/>
<br/>
Alle oppervlakken die vrij permanent met zoet water zijn bedekt. (zoals meer, plas, ven, vijver). +
Bron: UIVO-W +
De term watervogels wordt onder meer gebruikt in het Afrikaans-Euraziatische overeenkomst over watervogels (het AEWA-verdrag). In dit verdrag worden een aantal vogelfamilies opgesomd die trekvogel zijn en gebonden zijn aan moerasgebieden (wetlands).
Het verdrag regelt de bescherming van 255 trekkende vogelsoorten die geheel of gedeeltelijk afhankelijk zijn van draslanden. Het betreft naast de orden uit de groep watervogels als clade ook nog de futen, rallen, flamingo's, eenden, zwanen, ganzen, kraanvogels, waadvogels, meeuwen, sterns, keerkringvogels en alken.
Deze ecologische ("natuurbeleidstechnische") groep is dus veel groter dan de clade "watervogels" (Aeqornithes) van betekenis 1.
Door het grote areaal aan waterrijke gebieden is Nederland van groot belang voor watervogels. Vooral in de winter komen miljoenen watervogels naar Nederland; van vijftien soorten is dit zelfs een derde of meer van de Noordwest-Europese populatie. Het land heeft dus een grote internationale verantwoordelijkheid voor vogels, zoals onder andere is vastgelegd in de Conventie van Ramsar en de Europese Vogelrichtlijn. In het kader van deze en andere verdragen zijn in Nederland 86 gebieden aangewezen die een doelstelling voor vogels hebben.
Uit de Vogelbalans 2014 van Sovon Vogelonderzoek Nederland blijkt dat de vogelaantallen in veel watergebieden in Nederland lager zijn dan de doelen die in het kader van Natura 2000 waren afgesproken. Een van de oorzaken is dat in veel gebieden de waterkwaliteit nog niet voldoet aan de eisen die de Europese Kaderrichtlijn Water stelt. Er zijn wel aanwijzingen dat herstelmaatregelen voor verbetering van de waterkwaliteit en inrichting van natuurgebieden een positief effect hebben. Vogeltellingen zijn een goed middel om deze ontwikkelingen te volgen. (bron: Wikipedia) +
Bron: CHEOBS, CROW 156, Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL))
Beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 2.22, tweede lid, onder a, van de wet. (Omgevingswet) +
Bekende browsers zijn onder andere:
* Internet Explorer,
* Microsoft Edge,
* Mozilla Firefox,
* Google Chrome,
* Safari
* Opera <br/>
<br/>
Minder bekende, alternatieve browsers zijn:
* Camino,
* Konqueror,
* CoolNovo,
* Lunascape
* SeaMonkey. <br/>
<br/>
Het gebruik van een browser is in de volksmond synoniem aan surfen op het internet. Een webbrowser kan zijn opgenomen in een internet suite. <br/>
Een webbrowser kan ook gebruikt worden voor de weergave van een lokaal HTML-bestand. <br/>
<br/>
Een browser zet webpagina's, die door een webserver zijn aangeleverd, om in een voor mensen leesbare vorm. Vaste elementen van een webpagina zijn verschillende soorten opmaak van tekst, plaatjes en links naar andere webpagina's. Deze links kunnen worden gebruikt om naar andere pagina's te surfen. Er zijn webbrowsers die dergelijke documenten voorlezen, andere zetten ze om in puntjes op een braillemachine, maar de meeste browserinstallaties geven een webpagina weer op een computerscherm en kunnen ook animaties en geluid weergeven. Sommige webbrowsers zijn geïntegreerde pakketten, waarin bijvoorbeeld ook een e-mailclient en een Usenetclient zitten. Vrijwel alle browsers hebben de mogelijkheid om weblocaties op te slaan (bladwijzers), bestanden te downloaden, een geschiedenis bij te houden van waar de gebruiker geweest is en om verschillende soorten media weer te geven. Sommige browsers voegen hier nog andere dingen aan toe zoals meerdere tabbladen, pop-upblockers, advertentiefiltering en automatisch zoeken op een zoekmachine. +
Een site plaatst zijn inhoud, vaak in een verkorte of beschrijvende versie, in een online bestand dat feed wordt genoemd. Veel sites kiezen ervoor om alleen nieuwskoppen, met een korte beschrijving erbij, in hun feed te zetten. Met behulp van een feedreader kan de feed vervolgens worden gelezen. Door meerdere webfeeds, van verschillende aanbieders, te verzamelen, kan men bijvoorbeeld in één oogopslag al het nieuws én alle nieuwe weblog-berichten overzien. De feedreader werkt de feeds op periodieke basis bij, bij een nieuw item wordt de gebruiker meestal met een melding op de hoogte gebracht. Vaak hebben sites meerdere feed-kanalen, bijvoorbeeld een voor het algemene nieuws, en een feed voor sportnieuws. Verschillende sites bieden nog een verdere specificatie van de feed-inhoud, bijvoorbeeld met behulp van één of meer trefwoorden.
Er zijn twee open standaarden voor feeds: RSS en Atom. Deze XML-formaten bepalen de opbouw van het feed-bestand. Dit is voor de eindgebruiker van weinig belang, aangezien de feedreader het bestand leesbaar maakt en nagenoeg alle feedreaders met beide formaten overweg kunnen. +
De definitie van webpagina van het World Wide Web Consortium (W3C) luidt: "een niet ingebed bestand dat door middel van HTTP verkregen wordt uit een enkele URI plus alle andere bestanden die door een user agent gebruikt worden bij het weergeven of bedoeld zijn om samen met het niet ingebedde bestand te worden weergegeven". +
Het Engelse begrip server betekent zoveel als "dienstverlener". De dienst, het leveren van documenten of gegevens, wordt doorgaans verleend aan webbrowsers en computerprogramma's. De verzoeken aan een webserver moeten niet noodzakelijkerwijs via een fysiek netwerk gesteld worden, een dergelijke communicatie kan ook binnen één en dezelfde computer plaatsvinden.
De documenten die door een webserver geleverd worden, kunnen uit verschillende bronnen komen: het kunnen bestanden op een opslagmedium zijn, maar het kan ook uitvoer van andere computerprogramma's zijn die bijvoorbeeld databases raadplegen om ter plekke een document/gestructueerde data voor de client samen te stellen. De webserver kan daarbij met andere computerprogramma's communiceren via bijvoorbeeld CGI.
Apache, IIS en nginx zijn in 2021 de drie meest gebruikte webservers. +
Een webservice maakt het mogelijk om op afstand (meestal over het Internet) vanaf een client (een (web)applicatie of component) een dienst op te vragen aan een server, bijvoorbeeld het maken van een berekening, het leveren van gegevens of het uitvoeren van een taak. Webservices spelen een groeiende rol in het denken over component-based systems.
Een voorbeeld van een webservice is een applicatie die een kamer boekt in een bepaald hotel, of een applicatie die een vlucht boekt bij een bepaalde luchtvaartmaatschappij. Een touroperator kan in de applicatie die zij aan klanten aanbiedt deze webservices aanroepen, en zo de klant de indruk geven van een geïntegreerde applicatie waarmee de klant zijn/haar hele vakantie (van vlucht tot hotelkamer, huurauto en excursies) kan boeken. Ook valt te denken aan het real time verrijken of valideren van data voor een CRM, CMS of webshop.
Techniek
Remote clients en applicaties maken gebruik van de services door middel van een eenvoudig op XML-gebaseerde protocol: SOAP. Services worden beschreven met behulp van WSDL (Web Services Definition Language). Een WSDL-document is een XML-document, bestaande uit een verzameling definities. Aanbieders van webservices publiceren een WSDL-document, zodat klanten na het lezen van dit document exact weten hoe ze gebruik kunnen maken van de webservice. De SOAP- en XML-koppeling die wordt gelegd tussen aanbieder en consument van de webservice moet dus worden gerealiseerd aan de hand van het WSDL-document. WSDL is wel leesbaar voor mensen, maar echt overzichtelijk ziet een XML-document er niet uit. Daarom zijn er zogeheten SOAP-clients, die kunnen onder andere de inhoud van een WSDL-document overzichtelijk weergeven in HTML-formaat. Voor registratie en opsporing van webservices (een soort telefoonboek voor webservices dus) wordt gebruikgemaakt van een UDDI-database (Universal Description, Discovery and Integration) waarin de WSDL-documenten en aanvullende informatie worden opgeslagen.
Een softwareapplicatie bestaat uit een databaselaag en een business logica laag. De business logica laag zorgt ervoor dat als we data invoeren via de schermen dat dit dan op de juiste manier gebeurd.
Applicatie die webservices aanmaakt en serveert, bijvoorbeeld Arcgis Server, Geoserver, Apollo. +
De website is vervolgens op een of meer webservers gezet en is (meestal) opvraagbaar gemaakt via internet. Het woorddeel web in website verwijst naar het wereldwijd web en het Engelse site betekent plek. Een website wordt ook wel aangeduid met het Engelstalige leenwoord site, dat in het Nederlands is aanvaard. Tevens bestaan er de Nederlandse woorden weblocatie of webstek voor. Deze woorden worden echter minder vaak gebruikt. +
Gewoonlijk voorzien van een in- of uitwendige schelp ter bescherming en met een voet om zich voor te bewegen. (bron: www.vliz.be / Aquo) <br/>
<br/>
De weekdieren of mollusken (Mollusca) vormen een stam van ongewervelde dieren met een week lichaam en in de regel een uitwendig kalkskelet (schelp). Het is na de geleedpotigen de stam met de meeste soorten, waarbij in 2019 schattingen uitgingen van ongeveer 50.000 tot 55.000 zee-, 25.000 tot 30.000 land- en 6000 tot 7000 zoetwaterweekdieren. Het aantal fossiele soorten is minder nauwkeurig en loopt uiteen van 60.000 tot meer dan 100.000 soorten. De wetenschap die zich bezighoudt met weekdieren heet de malacologie.
Weekdieren kennen een grote morfologische verscheidenheid en zijn onderverdeeld in acht klassen, waarvan de bekendste de slakken (Gastropoda), de tweekleppigen (Bivalvia) en de inktvissen (Cephalopoda) zijn. Er zijn grote verschillen in anatomie, gedrag en habitat, maar de weekdieren hebben een aantal kenmerken gemeen, zoals de bouw van het zenuwstelsel, de open bloedsomloop en de ontwikkeling van het embryo.
Er zijn veel aanwijzingen voor het feit dat de slakken, inktvissen en bivalven ontstaan zijn gedurende het Cambrium, 541 tot 485,4 miljoen jaar geleden. Weekdieren zijn volgens de huidige inzichten geëvolueerd uit voorouderlijke lophotrochozoa. +
Afgezien van fenomenen als de straalstroom speelt het weer zich voornamelijk af in de troposfeer. De belangrijkste, variabele weerelementen zijn temperatuur, windkracht, bedekkingsgraad en neerslag. Het weerbeeld wordt bepaald door het samenspel van deze weerselementen. Van groot belang hierbij is de atmosferische beweging die het gevolg is van de ongelijkmatige verwarming van het aardoppervlak. Dit is het gevolg van de ongelijke stralingsverdeling, die varieert met de breedtegraad. De ingaande zonnestraling en de uitgaande aardstraling zijn weliswaar gemiddeld genomen min of meer met elkaar in evenwicht, plaatselijk is dit niet het geval. Op breedten lager dan 38° is de instraling groter dan de uitstraling, terwijl buiten dat gebied de uitstraling overheerst. Dit brengt een compenserend warmtetransport op gang dat bestaat uit de algemene circulatie en de zeestromen. De algemene circulatie bestaat uit turbulentie, convectie, advectie en verdamping. De combinatie van dit warmtetransport met de stralingsbalans is de energiebalans. Dit alles maakt dat het in de tropen en subtropen niet warmer wordt en in de gematigde gebieden en de poolstreken niet kouder. (bron: Wikipedia) +
(bron: RWS: themagroep Kunstwerken / Aquo / DIV) +
Deze factor geeft het energieverlies ten gevolge van de ruwheid aan.
Opmerkingen:
* De symbolen en eenheden zijn variabel en afhankelijk van de gebruikte formule. /
* De C in de formule van Chezy is de reciproke waarde van een weerstandscoëfficiënt. <br/>
(bron: CHO (524) - zonder de slotopmerking / Aquo / DIV) +
In keringen bevinden zich in bepaalde gevallen nog oude constructies. Bijvoorbeeld oude funderingen of achtergelaten onderdelen van de gemaal. (Bron: DAMO) +
[WION] Een onbekend net dat wordt aangetroffen tijdens de uitvoering van de graafwerkzaamheden en dat aan het Kadaster is gemeld door middel van de melding afwijkende situatie, waarvan het Kadaster de eigenaar niet kan achterhalen. +
(bron: DSO) <br/>
<br/>
Gebaand gedeelte ten behoeve van het wegverkeer te land. (bron: IMGEO / DIV) <br/>
<br/>
Alle voor het openbaar auto-, fiets-, voetgangers- of ander verkeer openstaande wegen of paden, geen spoorwegen of trambanen zijnde, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, voorzieningen van openbaar nut, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen. (bron: ArchiXL) +
Wegenbouwkunde heeft betrekking op de planning, het ontwerpen, de aanleg alsmede het beheer en onderhoud van wegen en wegvoorzieningen (bruggen, tunnels en dergelijke). +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
