Eigenschap:Toelichting op definitie

Kennismodel
:
:
Tekst
Deze datatypespecificatie wordt genegeerd; de specificatie uit de externe vocabulaire krijgt voorrang.
Geldige waarden
:
Meerdere waarden toegestaan
:
Nee
Weergave op formulieren
:
Tekstvak
Initiële waarde
:
Verplicht veld
:
Nee
Toelichting op formulier
:
Toelichting op de definitie (Nederlandstalig)
Subeigenschap van
:
Geïmporteerd uit
:
Formatteerfunctie externe URI
:

Klik op de button om een nieuwe eigenschap te maken:


nl

500 pagina’s gebruiken deze eigenschap.
f
<dijktraject> Kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd. (bron: Helpdesk Water) <br/> <br/> <dijktraject> Kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd. (bron: Waterveiligheid Begrippen Begrijpen) <br/> <br/> Kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd; (bron: Waterwet) <br/> <br/> < vak, doorsnede of kunstwerk> Faalkans voor een vak voor een toetsspoor als resultaat van de analyse in de gedetailleerde toets per vak. Een vak heeft betrekking op een dijkdoorsnede, duinenraai of kunstwerk. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) <br/> <br/> <waterkering> Kans op overschrijden van de uiterste grenstoestand van een waterkering of een onderdeel daarvan. De uiterste grenstoestand wordt vastgelegd door een faaldefinitie. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) <br/> <br/> Kans op falen van de functie van een systeem, waarbij falen is gedefinieerd in een faaldefinitie. (bron: Handreiking prestatiegestuurde risicoanalyses)  +
In het natte beheer van de infrastructuur heeft facilitair betrekking op gebouwen en terreinen, veerdiensten (nat), wegonderhoud (nat), scheepvaartbegeleiding, vaarwegmarkering, onderhoud vaarwegen, advies en onderzoek, waterbodem rapportage, WVOW, oliebestrijding, overige leveringen en werkzaamheden, arbo-zaken. (bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo)  +
(bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: dt00178) <br/> <br/> Staat van verschuldigde kosten wegens geleverde goederen, diensten of werkzaamheden. (bron: Taxonomie van documenttypen) <br/> (bron: ABDL) <br/> <br/> Een factuur is een document dat een betalingsverplichting van een klant aan een leverancier weergeeft. Een creditnota is het tegengestelde van een factuur. Naast de factuur, bestaat ook nog de pro-formafactuur en de handelsfactuur. Vaak worden deze verward met een gewone factuur. De pro-formafactuur wordt vaak, voordat een en ander geleverd wordt, gebruikt bij vooruitbetalingen, waarna de afrekening gebeurt middels de factuur. De handelsfactuur wordt ook vaak commerciële of douanefactuur (customs invoice) genoemd. Deze handelsfactuur is alleen bestemd voor informatieoverdracht over het transport om aan te geven wat de waarde, maten, gewichten en HS-codes zijn van de goederen tijdens het transport of voor het heffen van de invoerrechten, dus niet voor betalingen. (bron: Wikipedia)  +
Zie hoofdstuk 13 inclusief bijlagen voor de faaldefinities die aangeven wanneer de veiligheid faalt. (bron: Kader veiligheidsvoorzieningen verdiepte wegen, korte overkappingen en gedeeltelijk gesloten constructies). Falen van een technisch systeem of onderdeel ervan houdt in dat het zich bevindt in een toestand waarbij een of meer functies daadwerkelijk niet meer (kunnen) worden vervuld. In de beoordeling van de veiligheid van de primaire waterkeringen is dat de waterkerende functie. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) Gebeurtenis, of een verzameling gebeurtenissen, waardoor een systeem zijn functionaliteit of een deel van zijn functionaliteit verliest. (bron: LTS-1.10) altDef: Het niet meer kunnen vervullen van de primaire functie. Bij een waterkering gaat het dan om de functie water keren. Er is dan meestal nog geen sprake van een feitelijke overstroming, maar de kans daarop is te groot geworden. De waterkering voldoet niet meer aan de eisen voor de waterkerende functie. (bron: Helpdesk Water) Het niet meer kunnen vervullen van de primaire functie. Bij een waterkering gaat het dan om de functie water keren. Er is dan meestal nog geen sprake van een feitelijke overstroming, maar de kans daarop is te groot geworden. De waterkering voldoet niet meer aan de eisen voor de waterkerende functie. (bron: Waterveiligheid Begrippen Begrijpen) Gebeurtenis, of een verzameling gebeurtenissen, waardoor een systeem zijn functie verliest, c.q. niet meer kan vervullen (voldoet niet meer aan de functionele eis). Er wordt niet van falen van het systeem gesproken, indien het systeem zijn functie niet kan vervullen door geplande onderhoudswerkzaamheden of capaciteitsgebrek. (bron: Handreiking prestatiegestuurde risicoanalyses)  +
Bv de familie van vlinderbloemigen. (bron: van Dale, 1993. / Aquo) <br/> <br/> In de biologie is een familie (Latijn: familia) een van de belangrijkste taxonomische rangen, na soort en geslacht. Een familie omvat een of meer geslachten die elk een of meer soorten bevatten. Een familie kan dus één soort bevatten – zoals Ginkgoaceae met als enige recente soort Ginkgo biloba (de Japanse notenboom) – maar kan ook een groot aantal soorten omvatten. <br/> <br/> Bij namen die onder de ICNafp vallen wordt, op enkele uitzonderingen na, de naam van een familie gevormd door achter de stam van het typegeslacht de uitgang -aceae te plaatsen; bijvoorbeeld Asteraceae van Aster plus -aceae. Bij namen die onder de ICZN vallen is de uitgang -idae; bijvoorbeeld Carabidae van Carabus plus -idae. (bron: Wikipedia)  +
Dit kan vast, vloeibaar of gasvormig zijn. (bron: www.lenntech.com / Aquo) <br/> <br/> Fase duidt in de scheikunde en de natuurkunde op de verschijningsvorm van een stof met macroscopisch gezien homogene chemische en fysische eigenschappen. Deze eigenschappen hebben het karakter van een statistisch gemiddelde.  +
Bij de overgang van de ene fase naar de andere worden beslissingen genomen over het continueren of beëindigen van projecten of maatregelen. Deze besluitvorming vormt de basis voor contractafspraken. (bron: Van Middelen naar Produkten. / Aquo)  +
Het stollen van water tot ijs (doorgaans bevriezen genoemd) en het verdampen van water tot waterdamp zijn voorbeelden van faseovergangen. Verschillende faseovergangen zijn: - smelten: van vast naar vloeibaar <br/> - stollen (bevriezen): van vloeibaar naar vast <br/> - verdampen: van vloeibaar naar gasvormig <br/> - condenseren: van gasvormig naar vloeibaar <br/> - sublimeren/vervluchtigen: van vast naar gasvormig <br/> - rijpen/vervasten: van gasvormig naar vast <br/> Overgang tussen twee aggregatietoestanden van een stof. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
De faseovergang tussen Grip 1 naar Grip 2 neemt drie uur in beslag.  +
Een fauna is een systematische opsomming van taxa van dieren die in een omschreven gebied of tijdperk voorkomen. Voor de taxa wordt de status in het gebied aangegeven. De overeenkomstige benaming voor planten noemt men flora. In de zoölogie en paleontologie wordt de term soms gebruikt om een typische verzameling van dieren (en soms planten) gevonden op een bepaalde plaats of bepaalde tijd aan te geven, bijvoorbeeld: woestijnfauna, de Nederlandse fauna, etc. Organisme dat over het algemeen meercellig is, in staat tot beweging, reageert op zijn omgeving en zich voedt met andere organismen. (bron: Aquo Lex en Objectencatalogus) Meercellig organisme, met zintuigen uitgerust, die hun energie niet door fotosynthese opwekken maar deze uit organische stof betrekken (verkregen door andere organismen op te eten en te verteren) en zuurstof voor hun ademhaling nodig hebben. De meeste dieren kunnen zich bewegen. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
Soms ligt de nadruk op het beheer van een of enkele zeldzame of bedreigde soorten die in het gebied voorkomen. Faunabeheer is het zorgen voor het in stand houden van het milieu van de fauna (o.a. bodem, waterhuishouding, plantengroei) en het afweren van door mensen veroorzaakte nadelige beïnvloeding van populaties (vervuiling, verstoring, vangen en doden). Faunabeheer waarbij een zo natuurlijk mogelijke fauna wordt nagestreefd, wordt vaak bemoeilijkt door andere belangengroepen. Jagers en hengelaars streven naar een zo hoog mogelijke stand van de soorten die zij resp. bejagen en bevissen. Daarbij kunnen andere soorten juist weer worden benadeeld (roofdieren). Ook worden soms exoten geïntroduceerd die schadelijk kunnen zijn voor de natuurlijke fauna (graskarper, regenboogforel). In viswaters worden vaak grote hoeveelheden vissen uitgezet (o.a. roofvissen) waardoor de natuurlijke aantalsverhoudingen en leeftijdsopbouw van de verschillende soorten van de visstand sterk ontregeld kunnen worden.De praktische uitvoering van wetten en besluiten ten aanzien van het jachtwild wordt geregeld door de Directie Faunabeheer van het Ministerie van Landbouw en Visserij. Onderzoek met betrekking tot faunabeheer in het algemeen wordt verricht door het Rijksinstituut voor Natuurbeheer. Faunabeheer is verder een taak van beheerders van gronden (natuurbeschermingsorganisaties, Staatsbosbeheer, boeren en jagers).  +
Faunabeheerplannen hebben betrekking op drie zaken: <br/> * populatiebeheer: het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren. <br/> De Wet natuurbescherming spreekt van een gezonde staat van instandhouding en van duurzaam beheer van in het wild levende dieren. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen populaties in het wild levende dieren worden beperkt in hun omvang. Dit is bijvoorbeeld het geval als de populatie de draagkracht van het gebied waar de dieren zich in bevinden te boven gaat. * schadebestrijding: de bestrijding van schadeveroorzakende dieren. <br/> Volgens de Wet natuurbescherming zijn passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade aangericht door in het wild levende dieren onderdeel van het faunabeheerplan. De bestrijding van schadeveroorzakende dieren wordt uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. * jacht: de uitoefening van jacht. <br/> De Wet natuurbescherming definieert jacht als het bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild, alsmede het doen van pogingen daartoe. Er is alleen sprake van jacht als dat één de volgende vijf wildsoorten betreft: fazant, wilde eend, houtduif, haas, en konijn. Alle andere faunasoorten zijn bij wet beschermd. Jacht mag uitsluitend worden uitgevoerd door daartoe gemachtigde jachtaktehouders.  +
Droge ecoduiker: Eco-duiker waarin geen water staat en die als doorgang dient voor landdieren.  +
(bron: Stowa) <br/> <br/> Een faunapomp is een type waterpomp dat speciaal is ontworpen om vissen en andere waterdieren veilig te laten passeren bij het verpompen van water. Het doel van een faunapomp is om schade aan fauna, zoals vermaling of verwonding, te voorkomen tijdens het transport van water door gemalen of andere opvoerinstallaties. Kenmerken: * Visvriendelijk ontwerp met lage rotatiesnelheid en ruime openingen. * Minimaliseert mechanische belasting en drukverschillen voor passerende dieren. * Wordt toegepast in vismigratiezones, ecologische verbindingsroutes en natuurvriendelijke gemalen. * Kan gebaseerd zijn op aangepaste vijzelpompen, schroefpompen of andere opvoerwerktuigen. <br/> <br/> Toepassing: Faunapompen dragen bij aan het ecologisch functioneren van watersystemen door migratie van vissen en andere aquatische fauna mogelijk te maken, in lijn met de Kaderrichtlijn Water en soortenbescherming onder de Omgevingswet.  +
Veel ingezaaide soorten in faunaranden zijn groenbemesters als bladrammenas en witte mosterd , luzerne, klaproossoorten, zomergranen (zomertarwe en zomergerst) en winterrogge. Het is een met behulp van overheidssubsidie verbrede akkerrand. <br/> <br/> Het doel van faunaranden is: * onderkomen, broedgelegenheid, voedsel en bescherming voor allerhande dieren bieden; langs watergangen zorgen voor vermindering van de concentraties van met name nitraat en chloride in het water, beschermening bieden tegen uitspoeling; * een bijdrage leveren aan de natuurlijke bestrijding van ziekten en plagen doordat natuurlijke bestrijders als loopkevers, spinnen, larven van zweefvliegen, sluipwespen en roofwantsen er kunnen leven; * door hun bloemenrijkdom het boerenbedrijf als milieuvriendelijk presenteren en recreatie bevorderen.  +
Bron: Bron CHEOBS. <br/> Voorziening bij een weg of spoorweg, niet zijnde een ecoduct, om de uit dat werk voortvloeiende negatieve gevolgen voor de fauna zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. (Bron: IMGeo)  +
De vier meest gebruikte feature classen in de geodatabase zijn punten, lijnen, polygonen en annotatie (de geodatabasenaam voor kaarttekst).  +
Feature-datasets worden gebruikt om het maken van controller-datasets (soms ook wel uitbreidingsdatasets genoemd), zoals een pakketstructuur, topologie of nutsnetwerk, te vergemakkelijken.  +
Een feit moet met objectieve waarnemingen vastgesteld en getoetst kunnen worden (zie het artikel wetenschappelijke methode). Echter, het doen van de waarneming is subjectief en afhankelijk van persoonsgebonden factoren, zoals perspectief, voorkeur, nauwkeurigheid, tijdigheid, compleetheid en omstandigheden. De beperkingen van de waarneming en de relativiteit van het begrip werkelijkheid bij het vaststellen van een feit zijn belangrijke onderwerpen in de filosofie. Vanuit Plato's ideeënleer gezien bestaat de werkelijkheid alleen in een idee van de geest en nemen we alleen een schaduw van die werkelijkheid om ons heen waar. Volgens Kant wordt de voorstelling van de werkelijkheid beperkt door ons kenvermogen, maar bestaat er de mogelijkheid de dingen zowel a priori door het verstand te kennen, als a posteriori door middel van de ervaring (empirisch). Volgens Husserls fenomenologie nemen we van de werkelijkheid alleen de verschijningsvormen (fenomenen) waar. Ludwig Wittgenstein in zijn 'Tractatus logico-philosophicus'1.1', schrijft :"De wereld is het geheel van feiten, niet van dingen" . Niet alleen bepaalt een feit de waarneming, ook kan een feit door de waarneming beïnvloed worden. Differentiefilosofie gaat ervan uit dat het denken de werkelijkheid onvermijdelijk vervalst, wanneer het daarop begrippen toepast. Beperkingen in de waarneming, maar ook de fysieke betrokkenheid van een waarnemer of meetapparaat kan een vertekend beeld opleveren. Onder bepaalde omstandigheden kunnen daarbij ook de eigenschappen van het waargenomen feit veranderen. Deze kennis is belangrijk bij het vaststellen van strafbare feiten, het onderkennen van self fulfilling prophecies en de acceptatie van meetgegevens bij wetenschappelijk onderzoek. In de kwantummechanica is volgens het "Heisenberg onzekerheidsprincipe" ook de objectieve waarneming zelf van invloed op de gemeten werkelijkheid. Hier kan niet meer gesproken worden van objectieve werkelijkheid, maar alleen van de beschrijving van waarnemingen. Feiten staan aan de basis van kennis en kunnen door het verstand worden geordend tot een inzicht. Het begrip waarheid staat met deze zaken in nauw verband. Met hyperkritisch denken wordt elke waarheid in twijfel getrokken door te tornen aan enkele willekeurige, al of niet essentiële onderliggende feiten. Waar het volgen van deze denkmethode wordt ingegeven door politieke overwegingen kan dit ontaarden in negationisme. Een feit is aanvaard omdat men ziet dat die zaak zus of zo is, of omdat dit bleek, bijvoorbeeld uit onderzoek of omdat het algemeen aanvaard is. In het alledaags taalgebruik is een feit “zeker” en kan het geobserveerd of gedetecteerd worden. Als het feit een tijd bestaat, is dit een situatie of een structuur. Als het om een verandering van structuur gaat, is dit een proces [industrialisatie, emancipatie]. Een kortstondig proces is een gebeurtenis. Dit in tegenstelling tot een mening.  
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
Fenol is daarom een aromatische alcohol. In oudere teksten wordt fenol soms benzol genoemd, al is dit een germanisme: Benzol is de Duitse benaming voor benzeen. Fenol is de naamgever van de fenolen, een groep aromatische verbindingen die een of meer OH-groepen rechtstreeks op de benzeenring gesubstitueerd heeft staan. Voorbeeld van dergelijke verbindingen zijn cresol en xylenol. Bij kamertemperatuur is fenol een kristallijne, vluchtige vaste stof met een kenmerkende geur. Fenol is een van de belangrijkste industriële chemicaliën; de wereldwijde productie in 2004 was ongeveer 7,7 miljoen ton. (bron: Wikipedia)  +
In het algemeen, los van de gespecialiseerde (filosofische) betekenis, staat 'fenomeen' voor 'iedere observeerbare gebeurtenis'. Fenomenen maken wetenschappelijke informatie mogelijk. In een poging fenomenen te verklaren zoals aardbevingen, bliksem, regen, vuur, zonlicht, onweer en roest heeft dat geleid tot de ontwikkeling van de moderne wetenschap. Fenomenen worden vaak uitgebuit door technologie. Op bijna ieder vakgebied is het mogelijk om fenomenen op te sommen die specifiek voor dit vakgebied relevant zijn. Bijvoorbeeld, in het geval van optica en licht, zijn observeerbare fenomen te vatten onder het onderwerp optische fenomenen. Sommige observeerbare gebeurtenissen worden als alledaags beschouwd, andere zijn alleen mogelijk met zorgvuldige manipulatie door middel van dure en gevoelige apparatuur. Sommige maken deel uit van belangrijke experimenten die tot grote ontdekkingen geleid hebben. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Wijk, J van der, Taal van het Water / Aquo)  +
(bron: Adventus Wegen / Aquo)  +
(bron: VDW / Aquo)  +
Dit is vaak inclusief de tijd die nodig is voor het schoonmaken. (bron: www.lenntech.com / Aquo)  +
B.v. mosselen. (bron: Naar: Odum, .1971 / Aquo) <br/> <br/> Filtervoeders zijn een subgroep van suspensiesdieren die zich voedende door zwevende stoffen en voedseldeeltjes uit water te persen, meestal door het water over een gespecialiseerde filterstructuur te leiden. Sommige dieren die deze manier van voeren gebruiken zijn kokkels, krill, sponzen, baleinwalvissenen veel vissen(waaronder enkele haaien). Sommige vogels, zoals flamingo's en specifieke soorten eenden, zijn ook filtervoeders. Filterfeeders kunnen een belangrijke rol spelen bij het zuiveren van water en worden beschouwd als ecosysteemingenieurs. Ze zijn ook belangrijk in bioaccumulatieen daardoor ook indicator organismen. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Dierlijk organisme dat zich voedt door water te filtreren. (bron: DIV)  +
Een specialisatie van Bekledingslaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Bekledingslaag bevat. Filterlaag erft de attributen van Bekledingslaag.  +
Filtratie kan gebruikt worden om: * Vaste en vloeibare stoffen van elkaar te scheiden * Vaste of vloeibare stoffen uit een gasstroom af te scheiden * Vaste fracties met grotere en kleinere deeltjes van elkaar te scheiden * Een zuivere vloeistof af te scheiden van een oplossing (ultrafiltratie) <br/> <br/> Filtreren is een scheidingsmethode om een vaste stof te scheiden van een vloeistof of gas. Je kunt filtreren met behulp van een poreuze stof die de vaste deeltjes tegenhoudt en de vloeistof of het gas doorlaat. Het is belangrijk dat de vaste deeltjes dan wel groter zijn dan de vloeistofdeeltjes. Zowel voor het filtreren van vaste stoffen uit gassen als voor het filtreren van vaste stoffen uit vloeistoffen gebruik je in principe dezelfde filtratiemethode.  +
bron: Comptabiliteitswet 2016 <br/> Juridische verbintenis die: * a) ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die * b) tot uitgaven leidt of kan leiden. (bron: Begrippenlijst Verantwoordingsonderzoek) <br/> Juridische verbintenis uit een overeenkomst tussen een opdrachtgever en een opdrachtnemer, die leidt, of kan leiden, tot de betaling van een geldsom. De betreffende overeenkomst wordt door de projecteigenaar aangegaan in het kader van de uitvoering van een goedgekeurd project. (bron: Handreiking Financieel Management)  +
(bron: Aquo)  +
Een flauwe oever heeft een geleidelijk oplopend talud van de watergang naar het land. Door deze flauwe gradiënt is er ruimte voor een groot aantal van de aangegeven zones met geleidelijke overgangen tussen deze zones.  +
Vorm van peilbeheer waarbij het waterpeil vrij kan fluctueren binnen een vooraf vastgestelde boven- en ondergrens. Onder invloed van neerslag, verdamping, kwel en wegzijging kan het peil fluctueren binnen deze marges. Het water wordt afgevoerd wanneer het waterpeil de bovengrens overschrijdt. Het waterschap laat water in, wanneer het waterpeil zakt tot onder de ondergrens. Er wordt dus niet gestuurd op grondwaterstanden zoals bij dynamisch peilbeheer.  +
(Bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/> <br/> Constructie met een waterkerende functie die wordt gebruikt bij extreme waterstanden. In de extreme omstandigheid wordt de constructie op de geconstateerde kerende hoogte gebracht. Onder normale omstandigheden wordt die kerende hoogte niet gehaald.  +
Flab is doorgaans geen goed teken omdat het duidt op een overschot aan meststoffen en alle licht wegnemen. (bron: Aquo) <br/> <br/> Algendrijflaag (bron: DIV)  +
Er zijn veel samenstellingen met dit woord, zoals alpenflora, oerwoudflora, bermflora. Met het begrip 'flora' wordt in engere zin een boek aangeduid dat de beschrijving van de planten in een bepaalde streek of periode bevat. De tak van de wetenschap die zich primair bezighoudt met de flora is de floristiek, een onderdeel van de plantengeografie. <br/> Meercellig organisme dat door fotosynthese in staat is uit anorganische stoffen organische op te bouwen. De cellen van een plant zijn voorzien van een celwand en celkern. Sommige cellen bezitten bladgroenkorrels. Planten hebben geen gespecialiseerde zintuigen, noch kunnen ze zich bewegen. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
(Bron: www.bodemdata.nl)  +
Fluor is een chemisch element met symbool F en atoomnummer 9. Het behoort tot de groep van de halogenen (groep VIIa). Het element komt in monoatomische vorm niet voor in de natuur. Het vormt diatomische moleculen difluor (F2), die wegens de hoge reactiviteit zelf ook nauwelijks in de natuur te vinden zijn. Het element komt dus in de natuur vrijwel alleen in samengestelde stoffen voor. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Chemisch element uit de zevende groep (halogeen) van het periodiek systeem, atoomnummer 9, toxisch lichtgroen gas (symbool F). (bron: DIV)  +
Een eigenschap van bepaalde verbindingen om energie te absorberen als ze zijn blootgesteld aan zonlicht of UV-licht. Deze energie wordt dan voor korte tijd vastgehouden en daarna uitgezonden in de vorm van licht met een grotere golflengte. In water zijn chlorofyl, olie en PAK's bekende fluorescerende stoffen. (bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo) <br/> <br/> Fluorescentie is een bijzonder geval van luminescentie. Het is een natuurkundig verschijnsel waarbij een atoom een hoog-energetisch foton absorbeert, waardoor een elektron in een geëxciteerde toestand belandt en vervolgens terugvalt naar de grondtoestand in minstens twee stappen. Daarbij worden twee stralingen uitgezonden, zodat de som van de frequenties gelijk is aan de originele frequentie van het hoog-energetisch foton. Bijvoorbeeld: Het hoog-energetisch foton is onder de vorm van UV-licht. (absorptie) Dan kan door fluorescentie een deel groen, zichtbaar licht en een deel UV-licht, onzichtbaar terug worden uitgezonden. (emissie) (Bron: Wikipedia)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Fluoride is een aanduiding voor het anion van fluor (F−). Fluoriden zijn verbindingen van fluor met één ander element, doorgaans zouten, maar in ruimere zin worden alle verbindingen (anorganische en organische) die het element bevatten aangeduid als fluoriden. <br/> <br/> Aangezien fluor tot de groep der halogenen behoort, vormt het een eenwaardig negatief geladen ion. Omdat elementair fluor zeer gemakkelijk reageert met andere stoffen, komt het niet vrij in de natuur voor, maar vormt het fluoridezouten met een metaal of een polaire verbinding met niet-metalen, zoals koolstof. De hoge elektronegativiteit van fluor is de belangrijkste oorzaak voor de stabiliteit van dergelijke polaire fluorverbindingen: zo is de binding met koolstof of silicium bijzonder stabiel. (bron: Wikipedia)  +
Een fluïdum kan stromen en vervormen, waardoor het geen belastingen kan dragen in een statisch evenwicht. Meestal wordt een fluïdum als continuüm beschouwd en wordt geen rekening gehouden met afzonderlijke fluïdumdeeltjes. Deze interpretatie houdt ook in dat er geen tot zeer kleine tangentiaalkrachten aanwezig zijn tussen de fluïdumdeeltjes. Bij een ideaal fluïdum zijn er geen inwendige wrijvingskrachten en wordt het fluïdum onsamendrukbaar geacht. In werkelijkheid is een fluïdum altijd samendrukbaar en treden er altijd inwendige wrijvingskrachten op ten gevolge van de viscositeit van het fluïdum. (bron: Wikipedia)  +
Dit gaat over of de data voldoen aan het afgesproken formaat; of ze syntactisch correct zijn. Dit betreft alle aspecten van syntactische correctheid; zowel op het niveau van een individuele attribuutwaarde (zoals een veld in een bestand), een informatieobject (zoals een rij in een bestand) als op het niveau van een gehele dataset (zoals een bestand). Het kan zijn dat de data worden uitgewisseld in de vorm van een uitgebreidere structuur van bestanden, mappen of berichten. In dat geval dient die overkoepelende structuur ook syntactisch correct te zijn. Het ontbreken van mappen of bestanden alsook het voldoen aan de afgesproken naamgevingsconventies valt hier ook onder. Vaak wordt formaatconsistentie beschouwd als evident; de eis is impliciet dan 100% van de data eraan dient te voldoen. (bron: ArchiXL)  +
Bron: AOA Begrippen- en Definitielijst.  +
Fosfaat (PO43−) is de vorm waarin fosfor het meest in verbindingen voorkomt. Fosfaten zijn zuurresten van fosforzuur (H3PO4). Het fosfaatanion is driewaardig negatief geladen en bezit een tetraëdrische structuur. De meeste fosfaten zijn slecht oplosbaar in water, en zijn daarom makkelijk uit een oplossing te verwijderen via een neerslagreactie. Het fosfaation is een zwakke base. De baseconstante Kb is 2,1 10−2. Fosfaatverbindingen vormen samen met anorganische nitraten het belangrijkste bestanddeel van kunstmest. Wanneer er te veel van beide in het oppervlaktewater terechtkomt, leidt dit tot zuurstoftekort. Vaak zijn de effecten pas op zee, in de kustwateren, te bemerken omdat daar een geringere stroom is dan in de rivieren. De streng van RNA en DNA bestaat uit fosfaatestergroepen en (desoxy)ribosen.  +
Het element fosfor (P) komt in de natuur altijd voor als verbinding. De zuivere vorm van fosfor is tetrafosfor, P4. (bron: Aquo) <br/> <br/> Fosfor is een scheikundig element met symbool P en atoomnummer 15. Het is een niet-metaal dat in verschillende kleuren kan voorkomen waarvan rode fosfor en witte fosfor - (vroeger) ook gele fosfor genoemd - het bekendst zijn.  +
Het verschijnsel dat sommige stoffen licht uitzenden, nadat ze eerst aan licht zijn blootgesteld. Waar bij de fluorescentie de kleuren beperkt zijn gebleven tot geel en wit, vinden we bij fosforescentie een groot scala aan kleuren. Witte fosforescentie komt niet voor. In water zijn bepaalde algen en bacteriën bekende fosforescerende media / lichamen. (bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo) <br/> <br/> Fosforescentie is een bijzonder geval van luminescentie. Het is het verschijnsel dat een stof na te zijn belicht in het donker nog een poos blijft nalichten. Fosforescentie kan ook optreden bij beschieting van een dergelijk materiaal met versnelde elektronen, zoals in een kathodestraalbuis. De term betekent ongeveer lichten als fosfor. Nu geeft witte fosfor inderdaad ook licht in het donker, maar bij deze stof wordt dit veroorzaakt door oxidatiereacties van de fosfor met zuurstof uit de lucht (het kan ook spontaan ontbranden), en heeft het licht dus een andere oorsprong. In de gebruikelijke nalichtende stoffen is het een gevolg van langzaam terugvallen van door bestraling met licht aangeslagen elektronen. Het feit dat dit langzaam gebeurt komt doordat het terugvallen van de elektronen naar de grondtoestand in de kwantummechanica een verboden overgang betreft. (bron: Wikipedia)  +
Een foto geeft relaties weer van objecten, voorwerpen, mensen of dieren uit de werkelijke wereld zoals gezien door de lens van een camera gedurende een (meestal korte) tijdperiode. De naam fotografie werd voor het eerst genoemd door John Herschel, een Engels astronoom, en is gebaseerd op het Griekse φώς (phōs, "licht") en γραφίς (graphis, "pen, kwast"). In de volksmond wordt een foto ook wel een kiekje genoemd, genoemd naar Israël Kiek.  +
Het woord is afgeleid van het Grieks en betekent letterlijk schrijven met licht (φῶς (phōs): licht, en γράφειν (graphein): schrijven). <br/> <br/> Iemand die beroepsmatig fotografie verricht heet een fotograaf. Zeker met de huidige digitale techniek zijn er steeds meer mensen die met een fotobewerkingsprogramma foto's maken. Hiervoor is niet noodzakelijk een fotocamera nodig; men kan bestaande foto's makkelijk bewerken tot een eigen product. Echter, voor het nemen van een foto maakt men wel degelijk gebruik van een camera. Een afdruk van een voorwerp dat direct op lichtgevoelig materiaal gelegd is en vervolgens belicht, is een fotogram.  +
Bij de terrestrische fotogrammetrie wordt het beeldmateriaal vanaf een vast standpunt op het aardoppervlak gemaakt. Bij de aerofotogrammetrie (luchtfotogrammetrie) wordt het beeldmateriaal vanuit de lucht gemaakt. Op grond van het aantal gebruikte beelden spreekt men van enkelbeeldfotogrammetrie en stereofotogrammetrie. Bij het gebruik van individuele foto's wordt het beeldmateriaal eerst onthoekt (ontschrankt). Bij stereoscopische interpretatie worden beelden driedimensionaal opgemeten. Het voornaamste toepassingsgebied ligt in de geodesie, de wetenschap die zich bezighoudt met het bepalen en beschrijven van de vorm van de aarde. Maar de fotogrammetrie wordt ook toegepast in vakgebieden buiten de geodesie. Binnen de geodesie heeft de luchtfotogrammetrie (het meten aan luchtfoto’s) zich ontwikkeld tot een zeer nauwkeurige en efficiënte meettechniek. Daarbij wordt gebruikgemaakt van speciale luchtfotocamera’s, waarmee vanuit een vliegtuig delen van het aardoppervlak op een fotografische film worden vastgelegd. Door metingen in de foto’s kunnen de vorm van het terrein en de ligging en afmetingen van wegen, huizen en andere objecten worden bepaald. In de laatste jaren worden niet alleen de metingen in de foto’s, maar ook de foto’s zelf in toenemende mate met computers verwerkt. Het vakgebied van deze verwerking van digitale beelden met een computer wordt de digitale fotogrammetrie genoemd. Het toepassingsgebied van de fotogrammetrie is bijzonder breed. In veel disciplines heeft men met metingen in beelden te maken. Ook is er een grote verscheidenheid aan fotogrammetrische producten; naast het eindproduct van kaarten en geo-informatie zijn dat de (digitale) luchtfoto's zelf of verwerkt tot digitale orthofoto's of orthomozaïken. Binnen de geodesie wordt de (lucht-)fotogrammetrie o.a. gebruikt voor het meten van terreincoördinaten van punten ter verdichting van geodetische netwerken, het vervaardigen van kaarten, digitale terreinmodellen en fotokaarten. De kaarten, digitale terreinmodellen en digitale beelden worden tegenwoordig vaak gemeenschappelijk opgeslagen en verwerkt met geografische informatie systemen. Verder wordt de fotogrammetrie ook toegepast ten behoeve van navigatiedoeleinden. Wanneer van een bewegend object vanuit een bekende camerapositie een serie opnamen wordt gemaakt, kunnen uit metingen in de beelden de bewegingen van het object worden afgeleid. Ook is het mogelijk een camera op een bewegend object (bijvoorbeeld een voertuig) te plaatsen en met behulp van de foto’s het traject van het voertuig te reconstrueren. Een andere toepassing van dergelijke beeldreeksen is het plannen van bewegingen (het bepalen van de vrije doorgang). Dit is niet alleen van belang bij de navigatie, maar ook in de industrie, waar digitale camera’s worden gemonteerd op robotarmen om met automatische metingen in de digitale beelden de bewegingsvrijheden van de robotarmen te kunnen bepalen. In de industrie wordt de fotogrammetrie ook vaak ingezet om de kwaliteit (en in het bijzonder de vorm) van een product te controleren. De foto toont een Schneider digital planoscherm, een analytisch (of luchtfotogrammetrisch) uitwerkapparaat, waarmee men stereografisch luchtfoto's kan inzien. Bij het uitwerken maakt men gebruik van zogeheten paspunten. Omdat deze paspunten 3-dimensionaal en zeer exact bekend zijn, kan de uitwerking tot een (grootschalige) kaart / geo-informatie zeer nauwkeurig zijn. Op de foto, wordt namelijk gebruikgemaakt van de hoogte van elk punt. Doordat steeds van twee foto's gebruik wordt gemaakt, wordt een stereobeeld zichtbaar voor de cartograaf achter het apparaat. De ligging van twee opeenvolgende foto's, zoals die door het vliegtuig zijn gemaakt, wordt onder het apparaat nagebootst voor het oog van de cartograaf. [[Bestand:Stereokarteerstation.jpg|500px|stereokarteermachine]]  
Een fotogrammetrisch project bevat o.a. de volgende informatie: * interne orientatie: Informatie over de gebruikte camera onder het vliegtuig (brandpuntsafstand, ppa, pixel grootte) * externe orientatie: X, Y, Z, Omega, Phi, Kappa * path & naam naar stereofoto's en kan worden gebruikt in een specifieke remote sensing applicatie. Een voorbeeld van een fotogrammetrisch project is een blockfile.  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Fotosynthese (ook: koolstofdioxideassimilatie of koolzuurassimilatie) is een vorm van biosynthese, waarbij energie uit zonlicht wordt gebruikt om gasvormig koolstofdioxide om te zetten in de vaste stof glucose. Bij deze chemische reactie komt zuurstofgas vrij. Een deel van de gevormde glucose wordt via zetmeelsynthese vervolgens omgezet in zetmeel, dat in wortels, stengels, bladeren en zaden door de plant wordt opgeslagen. Fotosynthese komt voor in planten en verschillende groepen bacteriën. Op sommige soorten bacteriën na, gebruiken alle fotosynthetiserende organismen naast koolstofdioxide ook water om glucose te maken. (bron: Wikipedia)  +
Afwijking van een situatie ten opzichte van de ideale situatie. Omdat de echte waarde vaak niet bekend is, is ook de fout niet bekend (anders kon de fout worden verwijderd). Meestal is er wel aan te geven hoe groot de kans is dat de fout tussen bijvoorbeeld +2 en -2 cm in zit.  +
Freatisch grondwater is grondwater waarin de stijghoogte (de waterdruk) alleen afhangt van de hoogte van de waterkolom. Freatisch grondwater is het tegenovergestelde van een artesische bron, waarin een overdruk heerst omdat het grondwater aan de bovenzijde wordt afgesloten door een ondoorlatende laag. In freatisch water is de poriëndruk gelijk aan de hydrostatische druk. Freatisch water kan aan de onderzijde wel zijn begrensd door een slecht doorlatende bodemlaag (bijvoorbeeld klei), het water staat zelf in relatief goed-doorlatende grond. Het eerste grondwater dat men tegenkomt wanneer men gaat graven, is normaal gesproken freatisch. De bovengrens van het freatisch grondwater wordt het freatisch vlak genoemd. Dit is het niveau waar de stijghoogte nul is. Hoe dieper men onder het freatisch vlak komt, hoe groter de stijghoogte. Boven het freatisch vlak ligt de capillaire zone, waar de stijghoogte negatief is.  +
De absolute waterdruk is dan gelijk aan de druk van de atmosfeer. Het freatisch vlak (ook wel grondwaterspiegel of grondwatertafel) is de spiegel van het grondwater, die voorkomt in de verzadigde zone en waar alle grondporiën met water gevuld zijn. Het water beneden de grondwaterspiegel wordt freatisch grondwater genoemd, de grond eronder is volledig verzadigd. Voor de meeste planten en bomen is er beneden het freatisch vlak geen wortelgroei mogelijk doordat er geen met lucht gevulde poriën aanwezig zijn en het aanwezige grondwater onvoldoende zuurstof bevat. Moerasplanten en planten die in vaak overstroomde gebieden groeien hebben speciale aanpassingen waardoor de wortels toch voldoende zuurstof krijgen, zoals moerascipres en mangrove die ademwortels hebben, rijst, die met elkaar in verbinding staande luchtkanalen in stengels en wortels heeft en wilg. Planten hebben een verschillende mate van afhankelijkheid van het freatisch vlak.  +
Dit heeft betrekking op hoe vaak data of delen ervan worden bijgewerkt in een registratie. Dag wordt typisch uitgedrukt in termen van periodes zoals dagelijks, wekelijks, maandelijks of jaarlijks. Frequentie bepaalt samen met tijdigheid de actualiteit van data. Tijdigheid heeft betrekking op hoe oud data zijn. data moeten periodiek opnieuw worden gemeten of gecontroleerd of ze nog correct zijn. Het kan ook zijn dat het bij actualisatie noodzakelijk is dat de oude data worden verwijderd.  +
Soms wordt de term gebruikt voor een scheidingsvlak tussen droge en vochtige luchtmassa's. Hoewel dit eigenlijk een dunne overgangslaag of mengingslaag is, is het gebruikelijk om van een frontvlak te spreken. Frontogenese is het ontstaan van fronten, of in wijdere zin het verscherpen of activeren van een bestaand front. Frontolyse is het tegenovergestelde hiervan; dit is het oplossen of verzwakken van fronten. Het verschil in temperatuur tussen beide luchtsoorten heeft een verschil in dichtheid tot gevolg. Hierdoor staat het frontvlak niet verticaal, maar zal de dichtere lucht zich onder minder dichte uitbreiden. Dit in combinatie met het corioliseffect maakt dat het vlak een helling krijgt. Deze helling is over het algemeen klein en ligt tussen 1 op 25 en 1 op 100.  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Een fuik in de visserij is een rond gebreid visnet dat aan enkele hoepels van telkens kleinere middellijn wordt gespannen en eindigt in een dichtgesnoerd kegelvormig deel. Binnen de fuik bevinden zich trechtervormige netten (keel, inkel of inkeling) die het terugzwemmen van de vis beletten. (bron: Wikipedia)  +
Functie oppervlaktewater. Bij BPN wordt onderscheid gemaakt in 17 functies (bijv. waterkeren,hoofdtransportas), WB kent één functie (bereikbaarheid). (bron: RWS-A, 1997: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo) <br/> <br/> Gebruiks- of doelfunctie van het oppervlaktewater (bron: DIV) <br/> <br/> Een samenhangende verzameling van rollen. <br/> <br/> Afgezonderd deel van een organisatie of informatiesysteem dat zorgt voor een bepaalde bijdrage aan een dienst. Synoniem: Taak, of samenstel van taken. (bron: Enterprise Architectuur Rijksdienst) <br/> <br/> Beoogd doel of werking van een onderdeel van de decompositie. (bron: Decompositiekader NEN 2767 RWS) <br/> <br/> Beoogde werking en/of verrichting van een systeem en een taak die wordt uitgevoerd. Systemen bestaan omdat ze functies uitvoeren. (bron: Netwerkschakels in relatie tot prestatiemanagement) <br/> <br/> Beoogde werking en/of verrichting van een systeem (LSE2: product of dienst) (bron: Handreiking prestatiegestuurde risicoanalyses) <br/> <br/> Beoogde werking en/of verrichting van een systeem (LSE2: product of dienst) (bron: Leidraad voor Systems Engineering (SE) in de GWW sector) <br/> <br/> Beoogde werking en/of verrichting van een systeem (LSE2: product of dienst) (bron: Vraagspecificatie Algemeen PRC (oud))<br/> <br/> Beoogde werking en/of verrichting van een systeem (LSE2: product of dienst) (bron: Vraagspecificatie Eisen DenC (oud)) <br/> <br/> Beoogde werking en verrichting van een product of dienst voor het behalen van het doel van een (deel)systeem. (bron: WWB0022) <br/> <br/> Bestemming en daarmee het gewenste gebruik van een watersysteem of daarin gelegen objecten. (bron: Richtlijnen Vaarwegen) <br/> <br/> Gedrag (handeling, actie, werk) van een persoon, groep van personen (organisatie) of van een systeem richting een of meerdere contextobjecten. Een functie kan worden uigedrukt in een transformatie (omzetting, verandering) van een of meerdere inputs in een of meerdere outputs. (bron: Sjabloon Systeemspecificatie) <br/> <br/> Primair beoogde werking en verrichting van een product(object) of dienst. (bron: WWB0001) <br/> <br/> Verzameling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen een organisatie, die door 1 persoon kan worden vervuld. (bron: Functiegebouw Rijk) <br/> <br/> Activiteit waarvan de succesvolle uitvoering bijdraagt aan het bereiken van een doelstelling. (bron: AOA Begrippen- en Definitielijst) <br/>  
Een functie f is dan een afbeelding van getallen die een argument x afbeeldt op zijn beeld f(x). Men zegt ook dat de functie f een voorschrift is dat voorschrijft wat de functiewaarde f(x) is van het argument x. De functie f met functiewaarde f(x)=2x bijvoorbeeld, bepaalt van elk reëel getal x als functiewaarde f(x)=2x het dubbele van dit getal. Het wiskundige begrip 'functie' heeft in het Nederlandse taalgebied de betekenis, dat het een relatie is die voor ieder 'origineel' maximaal één 'beeld' heeft. Er is verschil tussen een volledige en een partiële functie, waarbij een volledige functie aan ieder element van de bronverzameling een beeld wordt verbonden, terwijl dit bij een partiële functie niet noodzakelijk het geval is.  +
Tot de kwaliteitseisen behoren technische eisen. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo)  +
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo)  +
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo)  +
(bron: LTS-1.10) <br/> <br/> Gebied waar een specifiek beheer voor benodigd is louter bepaald vanuit beheersoogpunt. (bron: Informatiemodel Grootschalige topografie) <br/> <br/> Het waarborgen van de functionaliteit van de infrastructuur, zowel van de afzonderlijke objecten als van de infrastructuur als geheel. Het gaat hier vooral om een regietaak: het organiseren van de uitvoering van alle benodigde activiteiten en maatregelen. (bron: Referentiekader Beheer en Onderhoud) <br/> <br/> Alle beheertaken die nodig zijn in het kader van het gebruik van de informatievoorziening. Het vakgebied functioneel beheer is beschreven in de BiSL standaard. (Bron: ArchiXL)  +
Waterstaatswerken kunnen worden begrensd als functioneel gebied. Voor waterkerigen wordt het functioneel gebied (verplicht) opgenomen in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). (Bron: IMGeo) <br/> <br/> In IMGeo kunnen functionele gebieden worden opgenomen als vlakobject. De functionele gebieden zijn inrichtend en mogen overlappen met elkaar en met andere vlakobjecten van alle soorten. De functionele gebieden hoeven niet samen een landsdekkend geheel zonder gaten te vormen. Ze bevatten geen plaatsbepalingspunten.  +
Functioneel gebied bedrijvigheid is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied begraafplaats is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied benzinestation is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied bewoning is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied bushalte is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied carpoolplaats is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied functioneel beheer is geen verplichte inhoud van de BGT. <br/> <br/> functioneel beheer: hondenuitlaatplaats <br/> Een uitlaatplaats waar uw hond zijn behoefte kan/ mag doen waarbij geen opruimplicht bestaat.  +
Functioneel gebied infrastructuur verkeer en vervoer is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied infrastructuur waterstaatswerken is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied kering is verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied landbouw is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied maatschappelijke en of publieksvoorziening is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied natuur en landschap is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied recreatie is geen verplichte inhoud van de BGT. <br/> <br/> recreatie: speeltuin <br/> Geheel van begroeiing, verharding, opstallen en speelwerktuigen, bedoeld als speelplaats voor kinderen. <br/> <br/> recreatie: park <br/> Landschappelijk ingericht terrein, begroeid met houtachtige en kruidachtige vegetatie, verharding, objecten, waterpartijen en dergelijke, bedoeld als (grootschalige) recreatieve voorziening. <br/> <br/> recreatie: sportterrein <br/> Terrein, mogelijk met groenvoorziening, verharding en bebouwing, bestemd voor sportbeoefening. <br/> <br/> recreatie: camping <br/> Geheel van verharding, begroeiing en opstallen, in gebruik als terrein waar tijdelijk tenten en/of caravans kunnen worden geplaatst ten behoeve van recreatie. <br/> <br/> recreatie: bungalowpark <br/> Geheel van verharding, begroeiing, overige opstallen en gebouwen, bedoeld als vakantie-/weekendhuisjes die niet permanent bewoond worden.<br/> <br/> recreatie: volkstuin <br/> Terreingedeelte in gebruik als volkstuinen, inclusief bebouwing, verharding en dergelijke. <br/>  +
Functioneel gebied verzorgingsplaats is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Functioneel gebied waterbergingsgebied is geen verplichte inhoud van de BGT.  +
Er zijn descriptoren voor activiteiten met betrekking tot de manipulatie van gegevens, het verzamelen van objecten, menselijke communicatie, economie, handel, recht en bestuur alsook andere beroepsactiviteiten.  +
Als een object voor een gegeven functie aan alle functie-eisen voldoet, dan is de functionele kwaliteit "goed" en zal het beheer gericht zijn op instandhouden/onderhouden.Als een object voor een gegeven functie niet aan alle functie-eisen voldoet, kan de kwaliteit als "slecht" worden gekwalificeerd, het beheer zal dan gericht zijn op aanleg, herstel of verbetering. (bron: Aquo) <br/> <br/> Mate waarin een object voor een gegeven functie aan de functie-eisen voldoet. (bron: DIV)  +
(Bron: Basismodel Geo-informatie (NEN 3610:2020))  +
Constructie die ervoor zorgt dat krachten worden overgedragen aan de draagkrachtige ondergrond. (bron: NPR 4768) <br/> <br/> Constructie die ervoor zorgt dat krachten worden overgedragen aan de draagkrachtige ondergrond. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL))  +
(bron: NPR 4768) <br/> Constructie om krachten te verdelen over de onderliggende grond of over te brengen naar een dieper gelegen laag. (bron: Stelsel RWS Basisspecificaties) <br/> <br/> Constructie om krachten te verdelen over de onderliggende grond of over te brengen naar een dieper gelegen laag. (bron: CROW 156) <br/> <br/> De ondersteuningsconstructie, welke geheel of gedeeltelijk ondergronds ligt, waarop het gebouw of bouwwerk geplaatst wordt. De fundering of het fundament is dat deel van een gebouw of constructie dat ervoor zorgt dat het eigen gewicht ervan en de daarop uitgeoefende krachten, zoals nuttige belasting, sneeuw, winddruk, enzovoorts, worden overgedragen op de draagkrachtige ondergrond. Men onderscheidt verschillende soorten funderingen afhankelijk van de aard en het gewicht van de te bouwen constructie en de samenstelling en draagkracht van de ondergrond.  +
Een funderingswijze waarbij de muren of wanden, meestal door tussenkomst van een verbrede voet, rechtstreeks op de draagkrachtige bodem rusten.  +
De kennisbank van waterschap Hunze en Aa's maakt gebruik van fuzzy zoeken. Fuzzy zoeken is een uitbreiding op het zoeken die een overeenkomst produceert met termen die een vergelijkbare samenstelling hebben. Fuzzy search maakt gebruik van een type query waarmee type fouten en verkeerd gespelde termen in de invoer teken reeks worden gecompenseerd. Het probleem van het bij benadering matchen van tekenreeksen is typisch verdeeld in twee deelproblemen: het vinden van bij benadering overeenkomende subtekenreeksen binnen een bepaalde tekenreeks en het vinden van woordenboekstrings die ongeveer overeenkomen met het patroon. <br/> <br/> U kunt zoeken op naam, plaats, gebeurtenis, trefwoord, etc. door het typen van één of meerdere woorden. Daarnaast kunnen geavanceerdere zoekopdrachten gedaan worden, waaronder: <br/> <br/> * Wildcards: ? en * <br/> Bijvoorbeeld: water* zoekt zowel op water als op waterloop, watergang, etc. <br/> <br/> Zoeken naar gemaal kan op de volgende mogelijkheden met wildcards. * TEXT:gema?l <br/> * TEXT:gem* <br/> * TEXT:*aal <br/> * gemaa? <br/> * *aal <br/> * *maal <br/> * "ge*al" <br/> * "***al" <br/> * "?????" <br/> <br/> * Fuzzy zoeken: voeg ~ toe aan het eind van een woord. <br/> Bijvoorbeeld: inlaat~ zoekt naar woorden die erop lijken, zoals inlaten. <br/> <br/> * +/- vóór een woord om het verplicht te maken / uit te sluiten. Voorbeeld 1: +kunstwerk -gemaal zoekt naar tekstfragmenten waarin kunstwerk voorkomt, maar niet gemaal. <br/> Voorbeeld 2: +kunstwerk +gemaal zoekt naar tekstfragmenten waarin beide woorden voorkomen. <br/> Woorden zonder een ander woord : Gemaal -boezemgemaal -calamiteitengemaal <br/> * U kunt uw zoekresultaat uitbreiden met or <br/> Bijvoorbeeld: sloot or greppel voor resultaten die de woorden sloot of greppel bevatten. <br/> * Groeperen kan met ronde haakjes (). <br/> Bijvoorbeeld: (kunstwerk stuw inlaat) or (watergang oppervlaktewaterlichaam) <br/> <br/> * Exact zoeken met meerdere woorden "". <br/> Bijvoorbeeld: "waterschap Hunze en Aa's" <br/> * Zoeken op specifieke pagina. page:paginanummer <br/> Bijvoorbeeld: kerk page:1 voor alle voorpagina's waar het woord kerk in voor komt. <br/> * Zoeken op pagina reeks. page:[beginapagina TO eindpagina] <br/> Voorbeeld 1: kerk page:[1 TO 3] voor alle pagina 1, 2 en 3 waar het woord kerk in voor komt. <br/> Voorbeeld 2: kerk page:[2 TO *] voor alle pagina's, behalve de voorpagina's, waar het woord kerk in voor komt. <br/> <br/> * Datering <br/> U kunt op een exacte datum of op een periode zoeken. Enkele voorbeelden: <br/> Exacte datum: 23/02/1871 <br/> Periode tussen 1850 en 1900: 1850 - 1900 <br/> Na 1800: > 1800 <br/> Voor of gelijk aan 1950 <= 1950 <br/> Periode tussen 23 februari 1871 en 26 augustus 1871 23/02/1871 - 26/08/1871 <br/> <br/> Zoeken naar een exacte term: =kunstwerk <br/> <br/> Zoekresultaten <br/> Teksten waardoor gezocht wordt zijn teksten die m.b.v. beeldherkenning (door een computer) zijn gegenereerd, de kans is vrij groot dat woorden niet correct herkend zijn. Om toch tot bruikbare zoekresultaten te komen doet de zoeksoftware een aantal filters over deze teksten en zoekopdracht. Bij het zoeken kan het dus zijn dat u andere resultaten krijgt dan verwacht. <br/> <br/> Door slim te werken met de verschillende zoekopties zoals fuzzy zoeken, kunt u eenvoudig uw zoekresultaten verbeteren. <br/> <br/> Relevantie <br/> Het systeem maakt bij uw zoekopdracht een berekening. Resultaten die volgens het systeem het meest overeenstemmen met uw zoekvraag worden als eerste gepresenteerd.  
(bron Adventus / Aquo, vervallen)  +
(Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)  +
Onderscheiden worden de celfysiologie, (vergelijkende) dierfysiologie, humane fysiologie, plantenfysiologie en als onderdeel van de microbiologie, microbiële fysiologie. (bron: Wikipedia)  +
Vergelijkbaar met ecotoop, maar dan alleen abiotisch. (bron: Woordenwijzer Ecologie / Aquo) <br/> <br/> Een fysiotoop is een eenheid die homogeen is voor wat betreft de abiotische omstandigheden die van belang zijn voor de biotische aspecten. Bij gelijk beheer, een zelfde ontwikkelingsstadium, en zonder extreme omstandigheden in het recente verleden (storm, ijsgang, e.d.) zijn fysiotoop en ecotoop dezelfde ruimtelijke eenheid.  +
Elektrische weerstand, Fase, Smeltpunt, Soortelijke warmte, Thermische uitzetting, Thermische geleidbaarheid, Soortelijke massa, Viscositeit, Stolpunt, Warmtegeleidingsvermogen, Vlampunt, Zelfontbrandingstemperatuur.  +
Omvat onder meer eencelligen, diatomeeën, groen-, goud-, pantser-, juk en blauwwieren. Sommige soorten kunnen zich onder bepaalde omstandigheden explosief vermeerderen waardoor algenbloei ontstaat. (Bron: Themagroep: Ecologie. / Aquo) <br/> <br/> In de waterkolom voorkomende algen. (bron: DIV) <br/> <br/> Fytoplankton (een combinatie van de Griekse woorden, φυτόν (phuton) "plant" en πλαγκτός (planktos) "dwalend") is plankton dat voor de energievoorziening afhankelijk is van fotosynthese. Hiertoe behoren zowel algen als bacteriën zoals blauwalgen. Fytoplankton is de grootste primaire producent van zuurstof op aarde. Het is de voedselbron van zoöplankton en van veel hogere dieren. <br/> <br/> Het fytoplankton is op grond van samenstelling van de chloroplasten in te delen in drie groepen: <br/> * fytoplankton met chlorofyllen (groenwieren) <br/> * fytoplankton met carotenoïden (bruinwieren) <br/> * fytoplankton met fycobilinen (blauwwieren) <br/> <br/> Er zijn veel fytoplanktonsoorten. Zij kennen ieder hun specifieke optimale omstandigheden. Abiotische milieufactoren die hierin een rol spelen zijn: <br/> * temperatuur <br/> * fosfaat- en nitraatgehalte <br/> * opgelost zuurstof <br/> * gehalte aan koolstofdioxide <br/> * stroming van het water <br/> * zuurgraad <br/> * invallend licht <br/> * zoutgehalte <br/> <br/> Belangrijke groepen algen in het fytoplankton zijn de diatomeeën en de dinoflagellaten. (bron: Wikipedia)  +
g
(Bron: NEN 2767-4) <br/> <br/> Gaas of draadgaas is een net-achtig product gemaakt van verbonden metaaldraad. Gaas is vergelijkbaar met netwerk in de zin dat het bestaat uit verbonden draden met ruimte (mazen) ertussen. Het verschil is dat netwerk gemaakt is van textielgarens, terwijl gaas gemaakt is van metaaldraad, meestal ijzerdraad. De metalen draden kunnen aan elkaar worden gewoven, gedraaid of gelast.[1] Draadgaas is in de handel verkrijgbaar in verschillende soorten. Eigenschappen verschillen afhankelijk van het soort, de draaddikte en de maaswijdte. Gaas wordt meestal tussen palen gespannen, en wordt vaak gebruikt om terreinen te omheinen. (Bron: WIkipedia)  +
Radioactieve gammastraling komt altijd voor samen met alfa- of bètastraling. Gamma stralen zijn zeer doordringend en kunnen slechts (deels) tegengehouden worden door een dikke loden plaat, of zeer dikke betonnen muur. (bron: W-1111-0020 / Aquo)  +
(bron: Adventus Wegen / Aquo)  +
In een gas hebben de moleculen van een stof zoveel warmte opgenomen dat ze los van elkaar gaan bewegen en zich verspreiden in de ruimte die ze tot hun beschikking hebben. In dit opzicht onderscheiden gassen zich van vloeistoffen en vaste stoffen, waarbij de deeltjes veel dichter op elkaar zitten. Een gas in evenwichtstoestand heeft overal gelijke druk, dichtheid en temperatuur. <br/> <br/> Elke stof kan in principe in de gastoestand voorkomen, indien het voldoende verwarmd wordt of onder voldoende lage druk staat en de moleculen niet uit elkaar vallen door de eventueel toegevoerde warmte. Zo kunnen ook stoffen die normaliter niet in gastoestand voorkomen toch onder specifieke omstandigheden als gas bestaan, bijvoorbeeld goud of ijzer. Stoom is de gasvormige toestand van water.  +
(bron: GISWAK / Aquo) <br/> <br/> Een gasleiding is een buis (uit metaal of kunststof) die gebruikt wordt om diverse stoffen in gasvorm te vervoeren. Voorbeelden van gassen die door middel van (plaatselijke) pijpleidingen vervoerd (kunnen) worden: aardgas, koolwaterstoffen, zuurstofgas, waterstofgas, stikstofgas, en perslucht. (bron: Wikipedia)  +
Bron: NCS.  +
Een overgang in toestand (van een fysiek object, informatieobject of een activiteit). (bron: NTA 8035) <br/> <br/> Omstandigheid die zich voordoet. (bron: CROW 137) <br/> <br/> Verandering van toestand die belangrijk is voor het beheer van een configuratie-item of (IT)-dienst. (bron: Information Technology Infrastructure Library - Glossary of Terms English - Dutch) <br/> <br/> Overgang tussen twee opeenvolgende toestanden van een entiteit. Een gebeurtenis wordt gegenereerd in een toestand, en activeert een actieve rol. (bron: NEN 2660-1 (Ontw))  +
(bron: AOA Begrippen- en Definitielijst)  +
Een gebied wordt door (denkbeeldige) lijnen begrensd en heeft tot doel het geografisch beschrijfbaar maken van een deel van een terrein. (bron: Adventus / Aquo) <br/> <br/> Een door denkbeeldige lijnen begrensd deel van de aardoppervlakte. (bron: DIV) <br/> <br/> Begrensd ruimtelijk object dat een op- of indeling van het aardoppervlak vormt op basis van een functioneel criterium. (bron: Informatiemodel Grip) <br/> <br/> Begrensd ruimtelijk object dat een op- of indeling van het aardoppervlak vormt op basis van een functioneel criterium. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OB00100) <br/> <br/> Begrensde geografische ruimte op, boven en/of onder het aardoppervlak, dat de verzameling bevat van alle objecten waarvoor ten behoeve van een project (dan wel contract) werkzaamheden moeten worden verricht. (bron: Opstellen van een objectenboom)  +
Altijd een mengsel van verschillende herkomsten: regenwater, grondwater (waaronder kwelwater van uiteenlopende leeftijd en samenstelling). De kwaliteit en samenstelling van het gebiedseigen water is voor een belangrijk deel bepalend voor de soort natuur en vegetatie die er voor kan komen. Voorraadvorming kan strijdig zijn met de wens, gebiedseigen waterkwaliteit te behouden of verbeteren, omdat hiermee de hoeveelheid regenwater in het oppervlakte- en grondwater verhoudingsgewijze toeneemt (er vormt zich een neerslaglens), waardoor een bijzonder kwelmilieu bijvoorbeeld zou worden weggedrukt.  +
Deze term wordt geïntroduceerd, omdat het een term is die individuele waterschappen nog niet gebruiken en dus ook nog geen betekenis heeft. Dit in tegenstelling tot termen zoals stroomgebied, deelstroomgebied, boezem, afwateringseenheid enz. <br/> Naast de neutraliteit van de term sluit deze term goed aan bij de standaarden. Zo komt er een attribuut Order voor in INSPIRE, waarin je de hiërarchische volgorde kan aangeven van afvoergebieden. Dit attribuut is ook opgenomen in DAMO-watersysteem bij het object. <br/> De term gebiedsorde wordt gebruikt om de afvoergebieden hiërarchisch aan te duiden. De hiërarchie wordt aangeduid met 1e, 2e , 3e , ne gebiedsorde, waarbij een afvoergebied van de 1e gebiedsorde bovenaan staat in de hiërarchie. Dit betekent onder andere dat een afvoergebied van de 1e gebiedsorde per definitie groter is dan een afvoergebied van de 2e gebiedsorde enz. Meerdere afvoergebieden van de 2e gebiedsorde vormen samen namelijk een afvoergebied van de 1e gebiedsorde.  +
Meestal wordt boezemwater bedoeld, dat een vrij homogene kwaliteit heeft van IJsselmeer- en Rijnwater.  +
(bron: Aquo)  +
Bron RWS-OTL 2016. Een gebouw is het voortbrengsel van de activiteit die bouwen heet. Bouwen is het vervaardigen van een gebouw door het samenvoegen van bouwmaterialen (zoals baksteen, hout en beton) tot een solide geheel. Gewoonlijk gebeurt dit bedrijfsmatig door de bouwnijverheid.  +
Dit soort onderhoud is veelal controlerend en herstellend (periodiek vervangen van onderdelen). Een goed voorbeeld van gebruiksafhankelijk onderhoud is onderhoud aan liftinstallaties. Deze vorm van onderhoud is na een aantal onderhoudscontroles zeer goed voorspelbaar (het gedrag van de installatie wordt dan als continu aangenomen). In bijzondere installaties zoals liften worden hiervoor slijtblokjes met markeringen aangebracht om het gebruik ook af te meten.  +
Het gebruiksdoel bepaalt de gewenste inhoud, kwaliteit en privacy van data. Voor persoonsgevoelige data is belangrijk dat dit gebonden is aan een duidelijk en acceptabel gebruiksdoel (doelbinding). (Bron: ArchiXL)  +
Deze belangen zijn de drink- en industriewatervoorziening, natuur, bos en landschap, sport- en beroepsvisserij, schelpdierteelt, water- en oeverrecreatie, beroepsscheepvaart, transport via buisleidingen, energievoorziening, afvoer van water, ijs en sediment, veiligheid, watervoorziening ten behoeve van het peilbeheer, de verziltingbestrijding, bebouwing en landbouw, winning van delfstoffen, defensie en verwijdering van afvalstoffen van huishoudens en industrie. (bron: 3e Nota waterhuishouding: Water voor nu en later / Aquo) <br/>  +
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo) <br/> <br/> Onderhoud dat wordt uitgevoerd als een berekende termijn, de interventie-termijn, verstreken is. Deze termijn is te berekenen, doordat het verouderingsverloop redelijk goed te voorspellen is. (bron: DIV)  +
(bron: DAMO)  +
(bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport en Informatie- analyse keuze technische beheersactie BOAC, technisch rapport / Aquo)  +
Bij een (gedeeltelijke) beregeningsverbod oppervlaktewater mag op plaatsen in dat gebied waar het water niet meer over de stuwen komt en dus te laag staat niet meer worden beregend uit het oppervlaktewater (bron: Hunze en Aa's)  +
(bron: REGIS (TNO) / Aquo)  +
De woorden worden praktisch altijd in het meervoud geschreven; gegevens en data. Gegevens zijn de objectief waarneembare neerslag of registratie van feiten op een bepaald medium, zodanig dat deze gegevens uitgewisseld en voor langere tijd bewaard kunnen worden. Data zijn dan ook steeds het resultaat van codering. Data zijn in die zin abstract, dat je ze steeds kan hercoderen in een ander medium of drager. Met deze data wordt er een model (een selectief deel dus) van de werkelijkheid vastgelegd in de tijd. Ofschoon de werkelijkheid nooit stilstaat, kan deze door het vastleggen van de gegevens toch worden bevroren. In de Nederlandse vakliteratuur wordt vaak, net als in de Engelse vakliteratuur, het begrip "data" gebruikt als alternatief voor "gegevens". Het Nederlandse "gegevens" komt veelal overeen met het Engelse data.  +
Een onderdeel van een gegeven dat op zichzelf geen feit, begrip of aanwijzing is. <br/> <br/> Een combinatie van karakters of bytes, die verwijzen naar een onderscheiden informatieonderdeel, zoals naam, adres of leeftijd.  +
Bron: Stijlgids Novius Architectuur Raamwerk.  +
Als het in zo'n geval niet om gegevens"uitwisseling" gaat, kan je beter spreken van gegevensverstrekking. Gegevensuitwisseling omvat alle uitwisselingen van gegevens via de digitale basisinfrastructuur tussen informatiesystemen van overheidsorganisaties onderling en met informatiesystemen van andere organisaties. (bron: NORA)  +
De verhouding tussen de hoeveelheid van een bestanddeel van een zeker lichaam of een zekere stof en de gehele hoeveelheid daarvan. (bron: Van Dale Groot Woordenboek voor de Nederlandse Taal. Geerts, G., en H. Heestermans (red.), Van Dale Lexicografie, Utrecht, Antwerpen. Twaalfde druk, 1992. / Aquo)  +
Bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL).  +
Een geheel zelfwerkende uitwateringssluis bevat 1 of meer deuren. De werking van een heel zelfwerkende uitwateringssluis kan aan de hand van het figuur hieronder worden verklaard. Bij toestand A worden de deuren gesloten gehouden, doordat het buitenpeil (HW) hoer is dan het polderpeil (PP) van de boezem. Bij toestand B is het buitenwaterpeil gezakt tot het polderpeil. Zodra het buitenwaterpeil iets verder daalt, openen zich de deuren, doordat polderwater naar zee begint af te vloeien. Dit is in het begin van de sluisgang (de periode, waarin de deuren openstaan en de sluis sueert). Het buitenwater blijft zakken totdat toestand C is bereikt. Vervolgens komt het buitenwater weer op. Is de toestand D bereikt, dan sluiten de deuren zich. Dit gebeurt bij een peil, dat iets lager ligt dan het oorspronkelijke polderpeil. Immers, een deel van het polderwater/boezemwater is naar zee afgevoerd. De in dit figuur aangegeven getijkromme is de daling van het polderpeil aangegeven door de rechte lijn tussen B en D. Met het sluiten van de deuren eindigt de sluisgang. (bron: PBNA Waterbouwkunde 1998)  +
Tot de geleedpotigen behoren bekende groepen zoals de insecten, spinnen, duizendpotigen en kreeftachtigen. De geleedpotigen vormen met 80% van alle bekende soorten verreweg de grootste stam van het dierenrijk. Ze komen voor in alle leefomgevingen op aarde en vertonen een grote vormenrijkdom. Geleedpotigen kenmerken zich door hun gelede extremiteiten (ledematen) en hun harde exoskelet van chitine, vaak verstevigd met calciumcarbonaat. Het lichaam van een geleedpotige bestaat uit segmenten die gedurende de ontwikkeling met elkaar kunnen vergroeien. Om groei mogelijk te maken verliezen geleedpotigen om de zoveel tijd hun exoskelet, een proces genaamd vervelling. Ondanks hun spectaculaire verscheidenheid zijn de meeste geleedpotigen kleine dieren. Veel soorten, met name de insecten, zijn gevleugeld. Alle geleedpotigen hebben een open circulatiesysteem, waarin hemolymfe – een vloeistof vergelijkbaar met bloed – de lichaamsweefsels voorziet van voedingsstoffen. De geleedpotigen hebben verschillende gaswisselingsorganen die sterk aangepast zijn aan de omgeving, zoals kieuwen (bij crustaceeën), tracheeën (bij insecten) en boeklongen (bij spinnen en schorpioenen). Deze maken zuurstoftransport mogelijk door het exoskelet.  +
Alle metalen zijn geleiders. De beste, dat wil zeggen met de kleinste soortelijke weerstand, zijn zilver en koper, omdat hun enige valentie-elektron zich vrijwel als een vrij gas door het kristalrooster beweegt, maar ook aluminium is een goede geleider. De meeste metalen hebben een positieve temperatuurcoëfficiënt, hetgeen wil zeggen dat weerstand toeneemt bij toenemende temperatuur. Dit komt doordat de atomen in het kristalrooster sterker trillen naarmate de temperatuur hoger is. Deze trilling verstoort de beweging van de elektronen door het kristalrooster. De elektronen bewegen zich daardoor moeilijker door het kristalrooster naarmate de temperatuur hoger is. Dit is waar te nemen als een toenemende weerstand bij stijgende temperatuur. Wanneer de weerstand van een geleider bij zeer lage temperatuur nul wordt, spreekt men van een supergeleider. Sommige stoffen worden halfgeleider genoemd, omdat hun geleidingsvermogen niet groot is, maar wel sterk temperatuurafhankelijk en bovendien door een speciale bewerking, door dotering kan worden beïnvloed.  +
Niet bedoeld voor het afmeren van vaartuigen, hiervoor is het remmingwerk bedoeld. Geleidewerken hebben ten doel schade aan kunstwerk en schip te voorkomen of tenminste te beperken.  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Indicatie van het totale zout-gehalte uitgedrukt in millisiemens (mS)/meters. (bron: DIV) <br/> Onder elektrische geleidbaarheid of conductantie wordt de doorlaatbaarheid, de mate van geleiding, verstaan die een stof of materiaal, een geleider, aan een elektrische stroom biedt. De eenheid van geleidbaarheid is de siemens S. De molaire geleidbaarheid is de elektrische geleidbaarheid van een elektrolytoplossing, gedeeld door de molariteit van de elektrolyt. De soortelijke geleidbaarheid is de materiaaleigenschap van de geleider om stroom door te laten en wordt gegeven in siemens per meter.  +
Bij pacht van 6 jaar of korter bepaalt u zelf de pachtprijs. Duurt de pacht langer dan 6 jaar? Dan toetst de grondkamer naast de voorwaarden ook de pachtprijs. <br/> <br/> Geliberaliseerde pacht 6 jaar of korter De regels voor deze pachtvorm zijn: * De pachter en verpachter leggen de afspraken schriftelijk vast. * Geliberaliseerde pacht is alleen af te sluiten voor los land. * De pachter en verpachter bepalen zelf de duur van de overeenkomst. * De overeenkomst stopt vanzelf; er is geen automatische verlenging. * De pachtprijs is vrij. * De pacht stopt niet als pachter of verpachter overlijdt. * De pachter kan niet vragen om een indeplaatsstelling. * Het voorkeursrecht geldt niet. <br/> <br/> Geliberaliseerde pacht langer dan 6 jaar De regels voor deze pachtvorm zijn: * De pachter en verpachter leggen de afspraken schriftelijk vast. * Geliberaliseerde pacht is alleen af te sluiten voor los land. * De pachter en verpachter bepalen zelf de duur van de overeenkomst. * De overeenkomst stopt vanzelf op de afgesproken datum; er is geen automatische verlenging. * De grondkamer toetst de pachtprijs. * De pacht stopt niet als pachter of verpachter overlijdt. * De pachter kan niet vragen om een indeplaatsstelling. * Het voorkeursrecht geldt niet.  +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL)  +
Deze lijn geeft aan tot waar het geluid van de RWZI hoorbaar is en helpt bij het bepalen van de impact van het geluid op de omgeving. (bron: Hunze en Aa's)  +
(bron: NEN 2767-4) <br/> <br/> Een constructie ten behoeve van het verplaatsen van water. <br/> (bron: GWSW) <br/> <br/> Een installatie die water kunstmatig naar een ander gebied met een hoger peil transporteert. (bron: DIV) <br/> <br/> Er zijn verschillende types gemalen, namelijk: * Nat gemaal, waarbij de pompen zich in de ontvangstput bevinden, opgesteld in het water, op de bodem van de put. * Droog gemaal, waarbij er sprake is van een ontvangstput en een droge kelder. De pompen staan droog opgesteld op de vloer van de droge kelder. <br/> (bron: Hunze en Aa's)  +
Voormalig gemaal Veendam, hernoemd naar de voormalig Directeur Harm Küpers die op 16 juni 2024 met pensioen is gegaan.  +
Het nam de plaats in van het nabij gelegen Gemaal Cremer. Het Gemaal Cremer uit 1931 was aan vervanging toe. Door de bodemdaling, als een gevolg van de aardgaswinning in de provincie, voldeed het gemaal niet meer. Het Gemaal Rozema kwam hiervoor in de plaats. De opdracht voor de bouw werd gegeven door waterschap Eemszijlvest. De kosten van de bouw zijn voor 80% gefinancierd uit het bodemdalingfonds dat in 1984 werd opgericht en de rest is betaald door het waterschap. Het gemaal vergde een investering van ongeveer 40 miljoen gulden (zo’n 18 miljoen euro). Verder werd nog circa 45 miljoen gulden uitgegeven aan gerelateerde werken zoals en verbreden van het Termunterzijldiep, de verplaatsing van de aanlegplaatsen in de haven en een verbindingskanaal tussen het Oosterhornkanaal en het Termunterzijldiep. Het gemaal bestaat uit vier schroefcentrifugaalpompen, waarvan drie met een capaciteit van 650m3/minuut en de vierde heeft een capaciteit van 750m3/minuut allemaal bij een opvoerhoogte van 4,5 meter. Vier Caterpillar aardgasmotoren met een vermogen van 935 pk elk drijven de pompen aan. De vierde pomp heeft ook als taak het dichtslibben van de haven en de sluis van Termunterzijl te voorkomen. Door water via de speciaal aangelegde bypass te lozen, worden de vaargeul en de haven, door de waterstroming die het slib afvoert, op diepte gehouden. De gemaal rust op een gewapende betonconstructie. Hierin zijn alle water gerelateerde objecten in opgenomen, zoals de instromingen naar de pompen, de vispassage en de pompenkelder. De bovenbouw telt vier kamers met in elke kamer een machine met pompaandrijving. Aan de beide zijkanten van het hoofdgebouw is er een ruimte voor een noodstroom aggregaat en transformatoren.  +
[NEN 3300:1996] Gemaal ten minste bestaande uit een ontvangkelder en een pompenkelder. De pompen zijn buiten de ontvangkelder opgesteld.(bron: GWSW) <br/> <br/> Men spreekt van een droog gemaal wanneer er sprake is van een ontvangstput en een droge kelder. De pompen staan droog opgesteld op de vloer van de droge kelder. (bron: Hunze en Aa's)  +
[NEN 3300:1996] gemaal waarbij de pomp in de ontvangkelder van het gemaal is opgesteld. (bron: GWSW) <br/> <br/> Gemaal, waarbij de pompen zich in de ontvangstput bevinden, opgesteld in het water, op de bodem van de put. (bron: Hunze en Aa's)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Kleinste eenheid van territoriaal openbaar bestuur; publiekrechtelijke rechtspersoon met regelgevende bevoegdheid bestuurd door burgemeester en wethouders. (Bron: CBS Begrippen) <br/> <br/> De gemeente is, na de Rijksoverheid en de Nederlandse provincies, de derde bestuurslaag in het Nederlandse staatsbestel. De inrichting en het bestuur van de gemeenten worden geregeld in de Gemeentewet. Per 1 januari 2019 en ook nog op 1 januari 2020 zijn er 355 gemeenten in het in Europa gelegen deel van Nederland en drie openbare lichamen in Caribisch Nederland, die op vergelijkbare wijze worden bestuurd en als bijzondere gemeenten worden aangeduid (zie de lijst van Nederlandse gemeenten voor alle Nederlandse gemeenten of de lijst van Nederlandse plaatsen voor alle Nederlandse steden en dorpen). De bestuurlijke organisatie van de gemeente en haar taken en bevoegdheden zijn vastgelegd in de gemeentewet.  +
Ze kunnen bestaan uit huishoudelijk afvalwater of industriële afvoer.  +
Een gemengd riool voert het vuile afvalwater samen met het veel schonere regenwater in één buis af naar de rioolwaterzuivering. Het mengt in het riool. Als het heel veel regent, is het afvalwater dus flink verdund. Als het riool vol raakt tijdens een hoosbui en er geen water meer bij kan, dan kunnen de gemengde riolen overlopen. Dan komt er behalve regenwater ook vies afvalwater in vijvers of sloten terecht. Dat kan tot milieuvervuiling leiden. In Nederland is twee derde van alle riolering gemengd. Dit wordt minder, omdat bij nieuwbouw vaak gescheiden riolering komt. Ook kunnen gemeenten een gemengd riool deels of helemaal omvormen tot een gescheiden riool. Dit heet afkoppelen. Een vrijverval rioolstelsel bestemd voor de inzameling, het transport en de tijdelijke berging van afvalwater. [NEN-EN 752:2008] riolering ontworpen om zowel verontreinigd afvalwater als afgestroomd hemelwater in één leidingstelsel te transporteren [EN 1085:2007, definitie 2110], [NEN 3300:1996] Rioolstelsel, waarbij afvalwater door één leidingstelsel wordt getransporteerd  +
(bron: Basisrapport Zandige Kust. Behorende bij de Leidraad Zandige Kust, TAW juli 1995. / Aquo)  +
Som van de gemeten laagste grondwaterstanden van de gemeten jaren / 3 * het aantal jaren. De GLG is gedefinieerd als de statistische verwachtingswaarde van de LG3's gegeven het grondwaterregime en het klimaat. De precieze waarde hiervan zal in de praktijk uiteraard onbekend blijven, maar deze waarde kan geschat worden uit halfmaandelijkse waarnemingen over een aantal jaren, waarin het grondwaterregime niet door ingrepen is gewijzigd. Voor de gemiddeld laagste grondwaterstand worden jaarlijks de 3 laagste grondwaterstanden gemiddeld over de periode van 1 april tot en met 31 maart (hydrolisch jaar), het gemiddelde van deze jaarlijkse waarden over een periode van tenminste 8 jaar, waarin geen ingrepen hebben plaatsgevonden, wordt gebruikt als GLG.  +
Lijn tot waar het water zich bij eb terugtrekt. (bron: Aquo)  +
(bron: CHO (410), aangevuld / Aquo)  +
De GHG is gedefinieerd als de statistische verwachtingswaarde van de HG3's gegeven het grondwaterregime en het klimaat. De precieze waarde hiervan zal in de praktijk uiteraard onbekend blijven, maar deze waarde kan geschat worden uit halfmaandelijkse waarnemingen over een aantal jaren, waarin het grondwaterregime niet door ingrepen is gewijzigd. Voor de gemiddeld hoogste grondwaterstand worden jaarlijks de 3 hoogste grondwaterstanden gemiddeld over de periode van 1 april tot en met 31 maart (hydrolisch jaar), het gemiddelde van deze jaarlijkse waarden over een periode van tenminste 8 jaar, waarin geen ingrepen hebben plaatsgevonden, wordt gebruikt als GHG.  +
(bron: Aquo)  +
In Nederland bij voorkeur te bepalen uit drie-uurlijkse of frequentere waarden. Gangbaar is tegenwoordig dat gewerkt wordt met 10-minuut-waarnemingen i.p.v. drie-uurlijkse. Gemiddelde zeestand wordt ook meegegeven aan de berekening van het astronomisch getij, in de component A0, en omvat de invloed van de ('gemiddelde') (weers)omstandigheden ter plekke! Bij de Nederlandse kust komt het Normaal Amsterdams Peil (NAP) bijna overeen met het gemiddelde zeeniveau. (bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst, CHO, "Rapporten en nota's" nr.16, 's-Gravenhage, 1986. / Aquo) <br/> <br/> Het over een bepaald tijdsbestek berekende rekenkundige gemiddelde van de met korte tussentijd opgetreden plaatselijke waterhoogten in een getijgebied. (bron: DIV)  +
De wetenschap van de geneesmiddelen heet farmacie. De wetenschap naar de effecten van geneesmiddelen in het menselijk lichaam (humane) farmacologie. Het voorschrijven van geneesmiddelen wordt ook wel farmacotherapie of geneesmiddelentherapie genoemd. Veel geneesmiddelen hebben een plantaardige, dierlijke of andere biologische oorsprong zoals respectievelijk de alkaloïden, bepaalde insulines of penicillinen, maar de meeste worden tegenwoordig synthetisch gemaakt. Vaak worden om praktische redenen grondstoffen van plantaardige of dierlijke oorsprong als uitgangsstof voor de synthese van geneesmiddelen gebruikt. Volgens de definitie in de Nederlandse geneesmiddelenwet[1] hoeft een geneesmiddel dus niet altijd te genezen, en omvat het bijvoorbeeld ook diagnosemiddelen en middelen die preventief (profylactisch) worden ingezet. Zo vallen de volgende middelen onder de definitie van geneesmiddel: * middelen met een therapeutische (genezende) werking - bijvoorbeeld een antibioticum, * middelen met een profylactische (preventieve) werking - bijvoorbeeld een antimalariamiddel. * middelen die dienen om een diagnose te stellen - bijvoorbeeld oogdruppels die door de oogarts tijdens spreekuur worden gebruikt, * middelen die dienen om fysiologische functies bij de mens te herstellen, verbeteren of wijzigen - bijvoorbeeld een middel dat bij suikerziekte wordt gebruikt, bij een te hoog cholesterol of tegen te hoge bloeddruk. <br/> In de praktijk zijn er, in vergelijking tot de totale hoeveelheid beschikbare middelen, slechts een zeer beperkt aantal die een genezende werking hebben en verreweg het overgrote deel van de medicijnen hebben geen genezende werking, maar worden gebruikt om fysiologische functies te beïnvloeden. (bron: Wikipedia)  +
(Bron: NEN 2660 / ABDL) <br/> <br/> Generalisering is veralgemeniseren van beperkte kennis. Voorbeeld: terwijl slechts een deel van de feiten onderzocht zijn, worden de resultaten opgevat alsof er een algemene waarheid is ontdekt. In dit geval is generaliseren een denkfout of foutief bewijs. Generalisatie kent ook een geldige toepassing binnen de statistiek. Als het onderzochte deel (van feiten) voldoende is voor een representatieve steekproef, dan wordt gesproken van statistische generalisatie. Soms is het onmogelijk om een volledige groep te onderzoeken en worden conclusies getrokken op basis van een steekproef. In zo'n geval zal de getrokken conclusie mogelijk niet voor iedereen binnen de groep gelden, maar wel voor het grootste deel. De generalisering is dan met geldige reden als waarschijnlijk te beschrijven. Een voorbeeld kan zijn "Nederlanders spreken goed Engels". Dit betekent niet dat alle Nederlanders zijn onderzocht, maar een bewering als deze zal niet betwist worden en wordt niet als bewijs gebruikt. Generalisatie komt voor op basis van een zeer beperkte steekproef. Dit gebeurt bijvoorbeeld als de handelingen/kenmerken van één of enkele personen wordt gezien als kenmerk van een grote groep. Dit heeft een negatieve bijklank en leidt tot vooroordelen. Ook stereotypen van een groep zijn onjuiste generalisaties. Hoewel generalisering niet per sé een negatief oordeel betekent, heeft het woord wel een negatieve bijklank door de associatie met vooringenomenheid.  +
Een daarvan wordt gebruikt om veranderingen in het watergehalte van bladeren te volgen, met behulp van nabij-infrarood (NIR) en kortegolf-infrarood (SWIR) golflengten. <br/> <br/> [[Bestand:NDWI formule voor bepalen watergehalte van bladeren.jpg|200px|NDWI formule voor bepalen watergehalte van bladeren]] <br/> <br/> Een andere wordt gebruikt om veranderingen met betrekking tot het watergehalte in waterlichamen te volgen, met behulp van groene en NIR-golflengten. <br/> <br/> [[Bestand:NDWI formule voor bepalen watergehalte in oppervlaktewaterlichaam.jpg|200px|NDWI formule voor bepalen watergehalte in oppervlaktewaterlichaam]]  +
(bron: GR, 1988a. / Aquo) <br/> <br/> Geslacht, grammaticaal geslacht, woordgeslacht of genus is de traditionele verdeling van zelfstandige naamwoorden in vrouwelijke, mannelijke en onzijdige woorden. Elk geslacht gaat gepaard met woordsoorten als lidwoorden, aanwijzende voornaamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bezittelijke en verwijzende voornaamwoorden als zij in grammaticaal verband staan met het zelfstandig naamwoord (overeenkomst in geslacht ofwel congruentie). (bron: Wikipedia)  +
Dit is te zien als een speciaal geval van object compleetheid. Het gaat over of kenmerken met betrekking tot locatie zijn geregistreerd bij informatie-objecten. In het informatiemodel zijn daartoe attributen opgenomen waarin directe (geometrie) of indirecte referentie naar een locatie kan worden vastgelegd. Met name in de context van geo-informatie kan het relevant zijn deze indicator expliciet te maken. De aanwezigheid van een geometrie is cruciaal voor dergelijke informatie. (bron: ArchiXL)  +
(bron: Aquo Lex en Objectencatalogus, Informatiemodel Water, NEN 3610, ISO 19101) Voor deze klasse zijn die attributen gedefinieerd die voor alle subklassen gelden. Deze klasse wordt niet gebruikt voor het benoemen van bestaande geo-objecten. Als van een object niet bekend is, of niet van belang is, tot welke basisklasse het object behoort, dan kan in een sectormodel van deze klasse een subklasse gemaakt worden die als ‘dummy object’ wordt gebruikt. (Aquo)  +
Veelal gaat het bij het combineren nog om het combineren van kaartlagen, maar ook analyses, al of niet op de achtergrond, kunnen geleverd worden door de webservices. Een webservice is dienstverlening via het internet aan een client. Een geo-portaal is een bijzonder soort GIS. In principe is deze techniek alléén bedoeld indien geo-informatie van verschillende organisaties gecombineerd dient te worden, en men de gegevenspakhuizen (geo-databases) niet onderling wil uitwisselen. Het gaat dus specifiek niet om het combineren van geo-informatie in een geo-service, maar om het combineren van meerdere geo-services in een bijzonder soort webservice: een geo-portaal. <br/> <br/> De data in een geo-portaal kan zowel opendata als gesloten data bevatten.  +
Geonovum ontwikkelt en beheert de Nederlandse basisset van geo-standaarden. Deze set standaarden zorgt voor een goed werkende infrastructuur. Daarnaast beheert Geonovum een aantal wettelijk verankerde sectorstandaarden. Hieronder vind je uitgebreide toelichtingen op de geo-standaarden en hun implementatie.  +
Geobasisregistraties: * Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) <br/> * Basisregistratie Topografie (BRT) <br/> * Basisregistratie Kadaster (BRK) <br/> * Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) <br/> * Basisregistratie Ondergrond (BRO) <br/>  +
Een geodeet is vaak in dienst van een overheidsinstelling zoals het kadaster of bij een ingenieursbureau. Zijn expertise wordt gebruikt bij de aanleg van verbindingen, zoals kabels, wegen en spoorlijnen. Hij moet rekening houden met technische mogelijkheden, milieuwetgeving en kosten. De landmeter is de vakspecialist die het openbare of private onroerend eigendom, gebouwd of niet, zowel boven- als ondergronds, identificeert, afpaalt, opmeet, schat, met inbegrip van de werken die er worden uitgevoerd en die de registratie ervan regelt, alsook die van de eraan verbonden zakelijke rechten. Bij uitbreiding bestudeert, ontwerpt en stuurt hij de ruimtelijke ordening en planning, zowel landelijk als stedelijk. Hij getuigt van technische, juridische, economische, landbouwkundige en sociale kennis, die met de hierboven aangehaalde onderwerpen in verband staat. (bron: Wikipedia)  +
De naam geodesie wordt echter ook in ruimere zin gebruikt voor een beroepsgebied dat zich uitstrekt van enerzijds de geofysica tot anderzijds bijvoorbeeld de maatvoering van technische projecten en de administratie van grondeigendom. Naast landmeetkunde behoort ook fotogrammetrie tot de disciplines van de geodesie. Een andere tak betreft de registratie van het gebruik van onroerend goed, waarbij zowel het juridische als het technische aspect aan de orde komt. Geodesie houdt zich ook bezig met zaken als het bestuderen van het aardse zwaartekrachtveld, rotatiegedrag van de aarde, het aanmeten van deformaties door platentektoniek. Met de opkomst van de ruimtevaart en de introductie van satellietnavigatie (GPS) neemt de ruimtegeodesie een steeds belangrijkere plaats in.  +
In Nederland is het meest gebruikte coördinatenstelsel het stelsel van de rijksdriehoeksmeting (RD), dat gekoppeld is aan het Europese ETRS89, dat weer gekoppeld is aan het wereldwijde ITRS. In België bestaat een gelijkaardig systeem, dat gekend is als Lambert 2008 en dat op gelijkaardige manier internationaal verankerd is.  +
Er wordt onderscheid gemaakt tussen een horizontale en een verticale datum. Met behulp van een horizontale datum kan de positie op aarde worden uitgedrukt, terwijl met de verticale datum de hoogte wordt bepaald. Horizontale datums Er zijn wereldwijd honderden datums. De meeste zijn gebaseerd op de verschillende referentie-ellipsoïdes, maar ook de bol en zelfs het platte vlak worden in een aantal gevallen gebruikt. De coördinaten voor een specifieke positie kunnen aanmerkelijk verschillen tussen de vele datums. Het verschil tussen twee datums kan honderden meters bedragen. Lokale datums Pas sinds de komst van satellieten is het mogelijk om wereldwijd bruikbare datums te definiëren. Voor die tijd was men aangewezen op driehoeksmetingen. Veel landen ontwikkelden eigen datums en kozen ellipsoïdes die zo goed mogelijk aansloten bij de vorm van de aarde ter plaatse van het gebied dat geprojecteerd moet worden. Deze ellipsoïdes waren over het algemeen niet geocentrisch. Regionale datums Na de Tweede Wereldoorlog werd met behulp van vroege computers en nieuwe metingen in Europa een meerdere landen omvattend regionaal datum ontwikkeld, het ED50. Wereldwijde datums Eind jaren vijftig van de twintigste eeuw begon het Amerikaanse ministerie van Defensie een wereldwijd datum te ontwikkelen. Dit werd WGS 60, later aangepast als WGS 66, WGS 72 en de meest recente versie WGS 84. https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/b/b2/Gloabl_and_Regional_Ellipsoids.svg/300px-Gloabl_and_Regional_Ellipsoids.svg.png <br\> Regionale en wereldwijde ellipsoïdes om het aardoppervlak te benaderen. Parameters Een geodetische datum heeft verschillende parameters. Allereerst zijn dit de afplatting f en de equatoriale straal a van de referentie-ellipsoïde. Als de ellipsoïde niet geocentrisch is, zijn er ook nog drie translatieparameters ΔX, ΔY en ΔZ ten opzichte van het massacentrum van de aarde. Indien de ellipsoïde gedraaid is ten opzichte van de aarde, dan zijn er ook nog drie rotatieparameters ωX, ωY en ωZ. Als laatste is er de schaalfactor S. Transformatie Om posities uit een datum uit te drukken in een andere datum kan bij kleine afstanden gebruik worden gemaakt van vooraf bepaalde verschillen in lengte en breedte. Voor grotere afstanden is dit echter te onnauwkeurig en zal gebruikgemaakt moeten worden van transformatieformules om een datumconversie uit te voeren. Er zijn verschillende formules zoals de Helmert-transformatie, de Molodensky-transformatie en de Bursa-Wolf-transformatie. Niet tussen alle datums kan echter een dergelijke transformatieformule worden toegepast. Verticale datums Naast de horizontale coördinaten, definieert de geodetische datum ook een hoogte. Er zijn echter verschillende manieren om hoogtes uit te drukken, afhankelijk van het gekozen referentievlak. Dit kan naast de referentie-ellipsoïde van de geodetische datum ook een niveauvlak, hoogteherleidingsvlak of reductievlak. De hoogte ten opzichte van de ellipsoïde is de ellipsoïdale hoogte of normaalhoogte h. De ellipsoïde kan echter sterk afwijken van het topografisch oppervlak. Dit oppervlak wordt beter benaderd door de geoïde. Het hoogteverschil tussen de geoïde en de ellipsoïde is de geoïdehoogte N. De hoogte van het topografisch oppervlak boven de geoïde is de orthometrische hoogte H. Richting polen convergeren de equipotentiaalvlakken van gelijke zwaartekrachtspotentiaal. Bij gelijke orthometrische hoogte boven de geoïde zal op de polen een hogere zwaartekracht heersen dan op de evenaar. Dat heeft tot gevolg dat gelijke orthometrische hoogte niet waterpas zijn. De hoogte waarvoor dit wel geldt, is de dynamische hoogte Hd. Ook lokaal kan deze afwijken, zoals in bergachtige gebieden. Watermassa's hebben een gelijke dynamische hoogte, terwijl een driehoeksmeting zou kunnen wijzen op een helling. In Europa dient het NAP als referentievlak, hoewel dit niet door alle Europese landen ook gebruikt wordt. In de Verenigde Staten en Canada worden het North American Vertical Datum van 1988 (NAVD 88) en het International Great Lakes Datum van 1985 (IGLD 85) gebruikt voor geodetische doeleinden. <br/> https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/0/00/Geoida.svg/300px-Geoida.svg.png <br/> De relatie tussen het reliëf of topografisch oppervlak (de werkelijke vorm van de aarde), de geoïde en een referentie-ellipsoïde: 1. oceaan 2. ellipsoïde 3. lokale verticaal 4. continent 5. geoïde  
Een referentiepunt voor de hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil wordt peilmerk genoemd. Een met triangulatie zoals de Rijksdriehoeksmeting bepaald punt wordt een getrianguleerd punt genoemd. Sinds de opkomst van GPS worden referentiepunten met GNSS bepaald. Bij RTK-metingen wordt dan gebruik gemaakt van een referentieontvanger van een GNSS-referentiestation als referentiepunt.  +
De plaats waar iets 'is' of 'gebeurt' is dus heel belangrijk. Tot het GIS in ruimere zin worden ook gerekend de procedures, de organisatie en het personeel en zeker niet op de laatste plaats, de data bij het toepassen van dit informatiesysteem. Een GIS-afdeling in een organisatie houdt zich dan ook vaak (bedrijfsbreed) bezig met wat men noemt de geo-informatie voorziening. Een bijzonder soort op webservices gebaseerde GIS is een geo-portaal. Hierin wordt geo-informatie, afkomstig van meerdere organisaties, via geoservices gecombineerd. Algemeen Een GIS is een operationeel, ondersteunend informatiesysteem (information support system) waarbij de data een geografische dimensie hebben, zodat deze gerelateerd kunnen worden naar een bepaalde plek op aarde. Het heeft 3 praktische functies: 1.het omzetten van grote hoeveelheden topografische data in digitale vorm 2.het ontwikkelen van relational database management systems 3.het zorgt voor nieuwe vormen van output uit computers zoals plattegronden, kaarten en grafieken Het wordt vooralsnog vooral gebruikt door geografen en de publieke sector, maar er is veel potentieel om relevante applicaties te ontwikkelen voor de private sector. De kracht van een GIS ligt in het vastleggen, combineren, analyseren en presenteren van gegevens met een ruimtelijke component om zo informatie te verkrijgen. Veel gegevens en informatie bevatten een ruimtelijke component zodat we die gegevens en informatie over objecten een plaats op een landkaart kunnen weergeven (geocoderen) en vervolgens de gegevens ruimtelijk met elkaar in verband kunnen brengen. Het vastleggen waar iets is of gebeurt doen we in een referentiestelsel, in Nederland bijvoorbeeld in coördinaten van de Rijksdriehoeksmeting (RD). De term GIS wordt ook voor andere systemen genoemd of in combinatie met andere systemen gebruikt. Zo komt men termen als GIS tegen in combinatie met computer-aided design (CAD), remote sensing (RS), automated mapping (AM) en facility management (FM), land information systems (LIS), ruimtelijke informatiesystemen (RIS) en de populaire routeplanners. Met een GIS kunnen deze relaties bovendien herkenbaar zichtbaar maken: visualiseren of "in kaart brengen". Dit visualiseren is de grootste en bekendste toepassing van een GIS. Voorbeelden (figuren) van met een GIS geproduceerde kaarten zijn o.a. in het artikel 'Thematische kaart' te zien; hoe met een GIS 'goede' kaarten te maken zijn, is te lezen in het artikel 'Kaart (cartografie)'. Naast visualisatie van geografisch gebonden informatie is de analyse van geografisch gebonden informatie een belangrijke toepassing binnen een GIS. Door bewerkingen, berekeningen en analyses binnen een GIS, is het mogelijk om objecten waarvan hun ligging ruimtelijk bekend is beter te beheren. Zou alleen van administratieve databases gebruik worden gemaakt, dan moeten bepaalde geografische attributen handmatig worden ingevoerd. Stel bijvoorbeeld dat een beheerder van alle afzonderlijke zendmasten de gemeente moet kennen voor bepaalde calamiteiten of verlenging van de vergunning. De beheerder moet dan van alle zendmasten de gemeente invoeren. En dat moet hij dan nog wijzigen bij elke gemeentelijke herindeling. Wanneer de geografische puntlocaties van de zendmasten bekend zijn en ook de omtrekken en daarmee de ingesloten vlakken van de gemeenten ingevoerd zijn in een GIS-systeem, is 'met één druk op de knop' elke zendmast te koppelen aan de juiste gemeente. Een GIS heeft een grote meerwaarde voor het beheer van geografisch gebonden objecten en objecten die daarmee een relatie hebben. De meerwaarde is terug te vinden in actualiteit, consistentie, invoerefficiëntie en beschikbaarheid van extra attributen en extra functionaliteit. Gegevensbronnen: geo-informatie In een GIS worden gegevens en informatie over geografische locatiegebonden objecten vastgelegd. Het kan daarbij gaan om reële objecten, zoals wegen, woningen en leidingen, en het kan gaan om virtuele objecten zoals bestuurlijke gebiedsindeling, eigendomsverhoudingen, bestemming. De aanbieders van de voor GIS bruikbare basisgegevens vinden we bij: de overheid, de waterschappen, de universiteiten en profit- en non-profitorganisaties. Meestal moeten de gegevens eerst worden bewerkt om in een GIS gebruikt te kunnen worden. Gescande kaarten en luchtfoto moeten getransformeerd worden naar het gebruikte referentiesysteem (coördinatensysteem), we noemen dat registreren. Soms zijn de coördinaten al toegevoegd tijdens het meetproces met behulp van een global positioning system (GPS) of Location Based Services (LBS). Vaak moeten data of attribuutwaarden worden gekoppeld aan een geografische positie of aan een geografisch object. We noemen dat ook wel geocoderen. Stel we hebben een ledenbestand op postcode en we hebben daarnaast een postcodebestand met de coördinaat van het zwaartepunt van zo'n gebied. We kunnen dan van alle leden via de postcode bepalen waar ze met al hun eigenschappen op een kaart geplot, verwerkt, geteld, geanalyseerd enz. moeten worden. Voorbeelden van geografische gegevensbronnen zijn: Digitale bestemmingsplannen van Planviewer Digitale kaartbestanden van GIS Maatwerk en Advies/Afdeling GEO- informatie/Directie GEO/Kadaster (vestiging Zwolle) of Nutsbedrijven Luchtfoto's en satellietopnamen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) met behulp van laseraltimetrie (zie LIDAR) Postcodebestand en de bestanden met alle postadressen. Voorbeelden van locatiegebonden data zijn: Inventarisaties van flora en fauna per kilometervak Adressenbestanden en bevolkingsgegevens gekoppeld aan postcode Statistische gegevens van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) Automatische waarnemingsstations van luchtkwaliteit en temperatuur. Bij het combineren van gegevensbronnen dienen gebruiker en ontwerper van een GIS rekening te houden met het oorspronkelijke schaalniveau (dus ook: nauwkeurigheid) daarvan. Bij een goed GIS wordt niet elke gegevensbron met willekeurige schalen door elkaar gebruikt, omdat anders verkeerde conclusies over onderlinge ligging, afstand en relaties getrokken zouden kunnen worden. Dit geldt zowel voor (getalsmatige) analyses als voor kaartjes, producten die beiden door een GIS gefaciliteerd kunnen worden. Referentiesysteem en coördinatenstelsel bewerken Het is bij een GIS van belang te weten in welk referentiesysteem (coördinatenstelsel) er wordt gewerkt. GPS data wordt verzameld in het zogenaamde WGS84. Om deze data te combineren met data van bijvoorbeeld het Nederlandse Kadaster in RD/NAP moet een conversie of wel transformatie van de coördinaten worden uitgevoerd tussen WGS84 en het RD/NAP stelsel en het stelsel waar in men wil gaan werken in het GIS. In Nederland worden voor GIS-systemen op nationaal niveau veelal de coördinaten van het rijksdriehoeksstelsel gebruikt. Zo is de positie van alle Nederlandse postcodes en de meer dan 7,4 miljoen postadressen (2003) bekend in dit coördinatenstelsel. Met behulp van deze adrescoördinaten kunnen adresgebonden gegevens automatisch op een kaart worden geplaatst. In België wordt op nationaal niveau Lambert72 gebruikt en in Duitsland Gauss-Krüger. Geovisualisatie en analyse Een GIS is meer dan wat het op het eerste gezicht (een 'kaartjesgenerator') misschien zou zijn. https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/3/34/Rol_mentale_en_digitale_modellen_bij_gissen.PNG <br/> Een GIS is meer dan een 'kaartjesgenerator' omdat de gebruiker niet alleen toegang heeft tot de kaart /uitdrukkingsvorm, maar ook tot het digitale visualisatie- en digitale landschapsmodel. Deze meerwaarde/functionaliteit boven 'gewone' kaarten is met rood aangegeven. <br/> <br/> Een GIS is meer dan een 'kaartjesgenerator' omdat de gebruiker niet alleen toegang heeft tot de kaart /uitdrukkingsvorm, maar ook tot het digitale visualisatie- en digitale landschapsmodel. Deze meerwaarde/functionaliteit boven 'gewone' kaarten is met rood aangegeven. Doordat een gebruiker van een GIS toegang heeft tot het (digitale) visualisatiemodel en het landschapsmodel heeft hij namelijk invloed op: de uitdrukkingsvorm (bijvoorbeeld kaartsoort, outputformaat) het visuele model (bijvoorbeeld de classificatiegrenzen, kleuren en selecties) het landschapsmodel / de data (bijvoorbeeld andere analyses, selecties, meetwaarden) Zie verder onder visualisatie. De verschuiving van de invloed die een gebruiker op de kaart heeft, samen met het verbeterd ontsluiten van geo-informatie, wordt ook wel de democratisering van geo-informatie genoemd. Daar hoort in het ideale geval een verschuiving van de benodigde cartografische kennis van de cartograaf naar de gebruiker plaats te vinden. Dit is ook mogelijk door de stijgende GIS-awareness bij gebruikers (denk aan Google Earth) en verbeterde, gebruikersvriendelijkere GIS-ontsluitingstools. Was de gebruiker vroeger een GIS-expert, nu is dat een klant, scholier of gebruiker thuis.  
Ruimtelijke analyse is het proces van het bewerken van ruimtelijke informatie om nieuwe informatie en betekenis uit de originele gegevens te halen. Statistische techniek waarbij van bepaalde factoren de locaties, de indeling van de ruimte en de onderlinge verhoudingen worden onderzocht. Bijv. 1. het in opdracht uitvoeren van analyses waarbij administratieve data met behulp van ruimtelijke kenmerken (bijv. via adres) worden geanalyseerd. 2. het selecteren van duikers op een primaire watergang waarvan de diameter kleiner is dan 30cm en de vorm <> rond en gelegen binnen 100m van een stuw.  +
Gegevens met een directe of indirecte referentie naar een plaats op het aardoppervlak. Vaak wordt geo-informatie en geo-data als synoniem beschouwd. Data en informatie is echter fundamenteel iets anders. (bron: ArchiXL/ NEN-EN-ISO 19112:2005) <br/> <br/> Geheel van informatie-objecten die een plaatsgebonden kenmerk hebben: gegevens met een directe of indirecte referentie naar een plaats op het aardoppervlak. (bron: Nederlandse Overheid Referentie Architectuur) <br/> <br/> Geo-informatie is de term voor informatie met een ruimtelijke component (locatie). 'Geo' is hierin de afkorting van geografische (ruimtelijke). De term geografische informatie wordt vrijwel nooit voluit geschreven. Bij alle ruimtelijke wetenschappen en in alle GIS-systemen speelt geo-informatie een prominente rol. Geo-informatie is de bron van alle digitale kaarten. Terminologie CAD-data: Men spreekt in de literatuur soms expliciet over geo-data indien het om de ongeanalyseerde, 'naakte' gegevens zelf gaat en men spreekt soms over geo-informatie als men feitelijke bewerkte of geïnterpreteerde gegevens bedoelt. In de praktijk wordt deze tweedeling niet altijd zuiver gehouden. Uit de context moet men dan opmaken of men met geo-informatie de data of de informatie bedoelt. GIS-data: Men spreekt over GIS-data - in tegenstelling tot CAD-data - wanneer men niet 'zomaar' geo-data, maar intelligente, objectgerichte, aan attributen te koppelen data bedoelt, met een correcte beschreven geometrie. Strikt genomen vallen zowel CAD-data als geo-data en GIS-data onder geo-informatie. Geo-informatie: Dit is de brede term zowel CAD- (computer-aided design) als GIS-data vallen onder geo-informatie. Wanneer het van belang is om aan te geven waar de GIS-data opgeslagen moeten worden kan men GIS-data opsplitsen in geometrische data en geothematische data. Geometrische data zijn GIS-data met voornamelijk geometrische attributen. Dus men onderstreept het deel van de geo-informatie dat de locatiecomponent beschrijft, dus hoe de geometrische kenmerken op de (geo)database als punten, lijnen of vlakken zijn opgeslagen; in rasters of in vectoren, arcs, nodes en de daarbij behorende geo-tabellen en attributen. Deze attributen dienen vooral niet op een conventionele database, maar in een geo-database of als een specifiek geo-bestand te worden opgeslagen omwille van performance bij netwerkanalyses, geografische analyses en visualisatie. Geothematische data is GIS-data met voornamelijk thematische attributen. Met de komst van geo-databases en steeds snellere performance van systemen is deze tweedeling alleen nog nuttig om beheersmatige redenen van het bijhouden van de thematische attributen enerzijds, en de geometrische attributen anderzijds. Een veel gestelde ervaringsregel is dat 80% van alle informatie een ruimtelijke component heeft. Dat betekent dat deze informatie, van regelgeving tot bodemgeschiktheid en van subsidies tot percentages allochtonen in een wijk, te koppelen is aan een locatie. Bijvoorbeeld een adres, een wijk, een gemeente of een plek langs een weg. Dergelijke voorbeelden noemen we een ruimtelijke component. Vertaald naar een locatie kan dit daadwerkelijk op een kaart, met een GIS of een navigatiesysteem in beeld worden gebracht. De informatie die gekoppeld wordt met een dergelijke ruimtelijke component is zelf géén geo-informatie. Wanneer informatie gekoppeld kan worden met een locatie (lees: met geo-informatie) zijn deze gegevens ruimtelijk te analyseren. Daarnaast zijn zij dankzij de koppeling op basis van locatie te combineren met andere gegevens zónder (administratieve) entiteit-relaties. Ook is die informatie dan in beeld te brengen met een kaart. Dat betekent vaak een meerwaarde, omdat clustering en (causale) geografische relaties zonder locatie/kaart vrijwel niet opgemerkt zouden kunnen worden; zie onder GIS. De opkomst van Google Maps, Google Earth, Navigatie Systemen en (internet) GIS-applicaties was zonder geo-informatie niet mogelijk geweest. Andersom geldt dat zonder de groei van die systemen de geo-informatie wellicht minder vaak werd gebruikt en minder nauwkeurig zou zijn.  
Door het haan, de coating en de speciale uitvoering van het geogrid worden de krachten op het wegdek beter verspreid in de fundering en daarmee de draagkracht van de fundering dus vergroot. Hierdoor komen minder verzakkingen en horizontale lijnen voor. Geogrids scheiden zo bijvoorbeeld de asfaltlaag van wegen en de ondergrond zonder asfalt verdwijnt in de onderlaag. <br/> <br/> Het geogrid heeft een goede haakweerstand , dwz. dat het er direct op liggende materiaal van de fundering er ingesloten wordt en er ahw. in verankerd wordt. De granulaire deeltjes boven het geogrid worden geperst in en door de openingen van het geogrid. Het gevolg is een sterke en effectieve insluiting. Bij een geringe omvang heeft het geogrid uiteindelijk een grote sterkte ( trekstijfheid ). De werking van een geogrid is afhankelijk van: * de doorsnede en de dikte van de ribben * de grootte van de openingen * de efficiëntie van de knooppunten * de stijfheid van het vlak van het haan (raster). <br/> <br/> Er zijn verschillende soorten geogrids, ook voor verschillende toepassingen: * geogrids waarbij de gaten ontstaan zijn door twee haakse garens van banden bij de kruispunten aan elkaar te verbinden. * geogrids in de uitvoering uniaxiaal, dwz. een weefsel in één richting, geven een krachtopname in één richting, bv. voor versterking van taluds * biaxiale geogrids is er krachtopname in twee richtingen, bv. als funderingsrooster voor betere draagkrachtverdeling bij wegen * geogrids met driehoekige gaten (Tensar TriAx , gestanst uit een brede band geëxtrudeerde polypropyleen en uitgerekt). <br/> <br/> Geogrids worden gefabriceerd van om van kunststoffen, composieten en glasvezels. Kunststoffen zijn bv. hoge weerstand polyester filamentgarens, hoge dichtheid polyethyleen van polyethyleen ( HDPE ), polypropeen van polypopyleen (PP), polyetheen van polyethyleen (PE), polyethyleentereftalaat ( PET ), polyvinylalcohol/acetaat (PVA), Aramide. Composieten zijn in dit verband combinaties van verschillende kunststoffen van combinaties van kunststoffen en natuurlijke stoffen, bv. Tenax TNT is een combinatie van geotextiel (filtrerende werking) en een geonet/geogrid (drainage en lastenspreiding). <br/> <br/> Wanneer de rek van het geogrid insitu onderzocht moet worden, zijne rekopnemers te plaatsen, via welke de rek gemonitord kan worden. <br/> <br/> Voorbeelden van geogrids zijn: Tensar, Enkagrid, Fortrac (PET, PVA en Aramide), Comtrac (composiet), Fornit (PP-vezel), Miragrid (polyester en PVC coating).  
Gesteenten bevatten informatie over de wijze waarop ze zijn ontstaan, en van de ontwikkeling die ze daarna hebben doorgemaakt. Gesteenten kunnen daarom iets vertellen over de geschiedenis van de aardkorst, het klimaat en de ontwikkeling van het leven. Het vakgebied dat de inhoud en de stapeling van gesteentelagen bestudeert, wordt stratigrafie genoemd. Het is nauw gerelateerd aan de paleontologie, de wetenschap die fossiele resten van leven uit het verleden bestudeert. Het opstellen en verbeteren van een Geologische tijdschaal wordt geochronologie genoemd. De structurele geologie bestudeert vormen en structuren die ontstaan door vervorming van de Aardkorst, vooral in gebergten. Deze structuren kunnen zowel de schaal hebben van continenten als van afzonderlijke stenen. Gerelateerd hieraan is de petrologie, de classificatie en bestudering van gesteenten en hun ontstaanswijze. Als scheikunde wordt gebruikt om de Aarde of processen binnenin de Aarde en haar atmosfeer te bestuderen spreekt men van geochemie. Op dezelfde manier spreekt men bij het gebruik van natuurkunde bij Aardse vraagstukken van geofysica, waarvan platentektoniek een belangrijk onderdeel is. Beide richtingen hebben veel raakvlakken met geologie. Geologie wordt soms verward met aardrijkskunde. Het raakvlak tussen de twee is de fysische geografie, die de natuurlijke vorming en inrichting van het Aardoppervlak bestudeert. Fysische geografie en geologie ontmoeten elkaar in de vakgebieden geomorfologie: de bestudering van de vormen van het landschap en de sedimentologie: de bestudering van sedimenten en sedimentaire processen.  +
Onder een geologisch profiel kan worden verstaan: 1 - Een natuurlijke doorsnede in een lagenserie van gesteenten. De gesteenten kunnen geconsolideerd (bijvoorbeeld zandsteen) of onverhard (bijvoorbeeld zand) zijn. De doorsnede kan zowel open in het landschap liggen en wordt dan een (natuurlijke of kunstmatige) ontsluiting genoemd, als een lagenserie in een boring zijn. Met een profiel kan zowel het object zelf als de grafische voorstelling (tekening, foto) ervan bedoeld worden. <br/> 2 - Een grafische voorstelling van een min of meer geïnterpreteerde verticale doorsnede van (een deel van) de aardkorst gebaseerd op gegevens uit de ondergrond en eventueel van het aardoppervlak, meestal weergegeven langs een rechte lijn. De dimensies van een geologisch profiel kunnen sterk variëren, van meter- tot kilometer schaal. Vaak worden de hoogte en de lengte van een profiel niet op dezelfde schaal afgebeeld. Veelal is de hoogte sterk overdreven ten opzichte van de lengte, zoals in bijgaand figuur van het tunneldal het geval is. <br/> <br/> Geologische profielen kunnen op verschillende gegevens gebaseerd zijn. Vaak zijn dat boringen (en/of ontsluitingen) die min of meer langs een rechte lijn geplaatst zijn, het kunnen echter ook sonderingen of seismische gegevens zijn of een combinatie van deze gegevens. Boorgegevens kunnen bestaan uit de beschrijving van de lithologie, maar ook uit meetgegevens.  +
De zichtbare eigenschappen van een gesteente worden samen wel de "lithologie" genoemd, ofwel het gesteentetype. Formaties kunnen uit een homogene laag gesteente met dezelfde lithologie bestaan, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Meestal gaat het om een serie onderscheidbare lagen met een bepaalde afwisseling van lithologieën, vergelijkbare diktes, of vergelijkbare fossielen. Formaties kunnen ingedeeld zijn in laagpakketten of leden. Meerdere formaties kunnen samen in een groep ingedeeld zijn; en meerdere groepen kunnen samen weer een supergroep vormen. Tussen formaties en tussen de leden bevinden zich horizonten. Bij geologisch onderzoek worden alle gesteentelagen in een bepaald gebied beschreven op grond van hun lithologie. Daarnaast wordt met stratigrafische methodes de volgorde vastgesteld waarin deze lagen op elkaar liggen. Deze volgorde heet de stratigrafische kolom. Meestal wordt de stratigrafische kolom uitgebeeld met een schematisch overzicht waarin de precieze dikte, het gesteentetype en de fossielen van elke laag worden aangegeven. Aan de hand van de stratigrafische kolom kunnen de voorkomende gesteenten in formaties worden ingedeeld. Meestal krijgen formaties lokale namen en worden ze genoemd naar typelocaties of een plaats waar ze veel voorkomen. Een voorbeeld uit de Pyreneeën is de Tremp-formatie die dagzoomt rondom het Catalaanse stadje Tremp. In deze formatie bevindt zich de Krijt-Paleogeengrens; de afzetting van de formatie begon in het Maastrichtien, de laatste etage van het Krijt, en eindigde in het Paleoceen, de eerste etage van het Paleogeen. De dikte van een sedimentaire formatie doet er bij het vaststellen van een formatie niet toe en kan bovendien per plek verschillen. Ook stollingsgesteenten en metamorfe gesteenten kunnen in formaties ingedeeld worden. Gesteenten uit hetzelfde tijdvak kunnen op verschillende plekken in verschillende formaties ingedeeld zijn. Ook de indeling van formaties is vrij interpreteerbaar. Sommige geologen kiezen voor andere formatiegrenzen, iets wat het gebruik in vakliteratuur lastig kan maken. Voorbeelden van geologische formaties zijn de krijtafzetting uit het Maastrichtien in het zuiden van Limburg of de (Pleistocene) vulkanische Laacher See formatie in de Eifel. Ook de Brent-groep is een verzameling formaties (van ondiep naar diep Tarbert, Ness, Etive, Rannoch en Broom) die tezamen een groep vormen en een afzettingsmilieu kenmerken (in het geval van Brent een uitbouwende delta). (bron: Wikipedia)  
De coordinaten van het vlak waar het obstakel zich bevindt. Er zijn meerdere soorten geometrien: * Punt geometrie * Lijn geometrie * Vlak geometrie * Multi part geometrie <br/> Geometrie (uit het Oudgrieks : γεωμετρία ; geo- "aarde", -metron "meting") is een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met vragen over vorm, grootte, relatieve positie van figuren en de eigenschappen van ruimte. Een wiskundige die in de meetkunde werkt, wordt een meetkundige genoemd. Veel vormen in de architectuur zijn gebaseerd op meetkundige figuren. Met name in de gotiek zijn veel vormen gebaseerd op geometrische verhoudingen. (Haslinghuis) Tak van de wiskunde die zich bezighoudt met de meting, verhouding en eigenschappen van punten, lijnen, krommen, hoeken, vlakken en ruimtelijke figuren. (AAT-Ned)  +
Dit gaat over data die een geometrie bevatten. De verzameling punten die onderdeel uitmaken van deze geometrie moeten aan specifieke voorwaarden voldoen. Zo mogen zij bijvoorbeeld niet in een incorrecte ringvolgorde zitten, geen dubbele punten bevatten, het juiste aantal punten bevatten en geen onnodig korte lijnen. Het betekent ook het gebruik van de juiste geometrietypes zoals gedefinieerd in ISO 19107. Een subset hiervan is het simple feature profile en is voor vrijwel alle toepassingen goed genoeg. Zo’n profile hoort bij een bepaalde versie van GML. Zo gebruikt de BGT bijvoorbeeld GML 3.1.1 met simple feature profile 1.0. Geometrische correctheid kan ook specifiek zijn voor specifieke tools en systemen; sommige systemen zijn kritischer in het accepteren van bepaalde geometrieën dan andere systemen. (bron: ArchiXL)  +
Studie waarbij onderzocht wordt hoe de vormen van het aardoppervlak onder invloed van geologische en natuurkundige verschijnselen tot stand gekomen zijn. (Bron: Themagroep: Morfologie / Aquo) <br/> <br/> Geomorfologie (vaak ook kortweg als morfologie aangeduid) is de wetenschap die de vormen van het landschap en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld, bestudeert. <br/> <br/> Deze uitwendige vormen kunnen omschreven worden naar: * morfometrie: studie van de vorm van het aardoppervlak en de variabiliteit ervan. * morfogenese: studie van het ontstaan van de vorm van het aardoppervlak. * morfodynamiek: studie van de veranderingen in morfometrie in relatie tot de mechanische krachten die worden uitgeoefend op het aardoppervlak (erosie, transport en afzetting van sediment; stroming van water en golfslag). * morfostructuur: studie van de relatie van de vorm van het aardoppervlak met de onderliggende gesteenten. * morfochronologie: studie van de evolutie doorheen de tijd van de vorm van het aardoppervlak. (bron: Wikipedia)<br/> <br/> De Geomorfologische kaart van Nederland geeft informatie over de vorm en het ontstaan van het landschap. <br/> <br/> Ieder geomorfologisch vlak op de kaart laat een landvorm zien. De landvormen worden gekarakteriseerd door het reliëf, type landschapsvorm (vormgroep), de ontstaanswijze (genese) en eventueel aanvullende informatie over de aard en morfologie van afdekkende sedimentpakketten en/of lokale reliëfaspecten. Een uitgebreide beschrijving van de legenda van de Geomorfologische kaart van Nederland is te vinden op: https://legendageomorfologie.wur.nl. De Geomorfologische Kaart van Nederland maakt deel uit van de basisregistratie ondergrond (BRO), het 'model geomorfologie'. De bijbehorende brondocumenten, totstandskomings- en validatiedocumenten zijn opvraagbaar bij de BRO. De Geomorfologische kaart van Nederland versie 2019 bestaat uit drie lagen: de geomorfologische vlakken en twee bijbehorende kaartlagen ('dijken van geomorfologisch belang' en 'water van geomorfologisch belang'). Deze extra kaartlagen zijn niet als landvorm geclassificeerd, maar hebben een onderkent belang voor de geomorfologie ter plaatse. De dijken van geomorfologisch belang komen uit eerdere versies van de Geomorfologische kaart van Nederland (2004 & 2008). Het water van geomorfologisch belang is een selectie van de watervlakken uit de TOP10NL (april 2019). Meer info is te vinden  
Georefereren doe je door van tenminste drie locaties op de oude kaart aan te geven waar die liggen op een moderne kaart. De computer berekent dan hoe de kaart vervormd moet worden om die over de nieuwe kaart heen te leggen. Hoe meer punten worden geïdentificeerd, hoe nauwkeuriger de projectie. Georefereren heeft de volgende voordelen: * Het maakt het mogelijk om de oude en de nieuwe situatie te vergelijken. Zo kan de stadsontwikkeling gevolgd worden door kaarten van dezelfde plek in de loop van de tijd met elkaar te vergelijken. * Het maakt het mogelijk om de huidige locatie te vinden van een historisch object. Genealogen kunnen met een kaart waarop percelen staan aangegeven kun je daarmee de huidige locatie vinden van een huis waar hun voorouders woonden. * Het maakt het mogelijk om de betrouwbaarheid van de oude kaart te bestuderen. * Het maakt het mogelijk om geografisch te zoeken. Bezoekers van een website kunnen bijvoorbeeld alle kaarten van een bepaald gebied opvragen. Dat kan alleen als je van de kaarten exact weet welk gebied ze beslaan. Kaarten die niet gegeorefereerd zijn kunnen alleen gevonden worden op woorden die in de beschrijving voorkomen, niet voor elke plaats die op de kaart voorkomt.  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Met de geosfeer wordt het deel van de kosmos bedoeld dat wordt ingenomen door geogenetische materie, dat wil zeggen materie die afkomstig is of behoort tot de planeet Aarde. <br/> <br/> De geosfeer onderscheidt zich van andere delen van de ruimte dicht bij de Aarde, die worden gedomineerd door materie afkomstig van de atmosfeer van de Zon, de heliosfeer. In de omgeving van de Aarde is de heliosfeer vooral aanwezig door de zonnewind, een vanaf de Zon komende radiale plasmastroming waarvan de invloed tot ver buiten de banen van de buitenplaneten merkbaar is. <br/> <br/> De term geosfeer wordt door geologen soms gebruikt om alleen de dichtste, vaste delen van de Aarde aan te duiden, die bestaan uit gesteente en regoliet. Onder de geosfeer vallen echter ook andere "Aardse" sferen. <br/> <br/> De geosfeer werd door Aristoteles in zijn Meteorologica ingedeeld in "sferen", waarin alle materie op Aarde volgens de vier elementen wordt ingedeeld: vast (aarde), vloeibaar (water), gasvormig (lucht) en plasma (vuur). De opdeling van de geosfeer is, hoewel inmiddels uitgebreid, nog steeds op deze indeling gebaseerd: de vier oorspronkelijke sferen zijn de lithosfeer, hydrosfeer, atmosfeer en plasmasfeer. Later zijn hier begrippen als bijvoorbeeld astenosfeer, cryosfeer, magnetosfeer en biosfeer bijgekomen. (bron: Wikipedia)  +
Geotechniek is de abstracte relatie tussen mens en grond, waarbij de beginselen van de geologie en grondmechanica worden toegepast op de civieltechnische bouw. Het omvat alles wat van grond of in de grond wordt gebouwd, zoals (paal)funderingen, dijken, kades, tunnels en wegophogingen. Geotechniek is de toegepaste wetenschap die zich met bouwen op en in de grond bezighoudt. Geotechniek is de methode (vaardigheid, techniek) waarmee een aantal waarden van de grond wordt bepaald, vaak ten behoeve van funderingen. Globaal behoren bodemonderzoek en advisering rond de bodemgesteldheid tot de geotechnische werkzaamheden. Geotechniek of bodemonderzoek in ruimere zin is te delen naar: - veldonderzoek - laboratoriumonderzoek - funderingscontrole en de daarvan afgeleide bouwbegeleiding en monitoring - advisering. Onderwerpen zijn * tunnels en andere ondergrondse werken * funderingen * grondconstructies zoals dijken * damwanden * grondwater rondom de bouwput <br/> In Nederland is veel kennis aanwezig op het gebied van de geotechniek, aangezien bouwen in het westen van Nederland erg lastig is. De grond is hier te weinig draagkrachtig om gebouwen en grote constructies zonder fundering te bouwen.  +
(bron: GWK / Aquo)  +
Kunststof doek dat bij voorbeeld op zand of klei wordt toegepast om uitspoeling ervan te voorkomen. <br/> <br/> [[Bestand:Toplaag waterkering.png|500px|toplaag bekleding constructie]] <br/> 4 typen filters. <br/> <br/> Het bekledingssysteem van elke steenzetting bevat een toplaag en een ondergrond (klei, zand of granulaire aanvulling). Daartussen zijn in veel gevallen andere lagen aanwezig, in allerlei combinaties: veelal één of meer granulaire lagen, in nieuwere constructies vaak een geokunststof, in oude constructies vaak één of meer vlijlagen. Deze lagen hebben een beoogde functie in de uitvoering, als filter of als aanvulling. In de toetsingspraktijk komen de volgende bekledingssystemen voor: * Toplaag - ondergrond * Toplaag - geokunststof- ondergrond * Toplaag - granulaire laag/lagen - ondergrond * Toplaag - granulaire laag/lagen - geokunststof -ondergrond * Toplaag - granulaire laag/lagen - vlijlaag/-lagen - ondergrond <br/> <br/> Een specialisatie van bekledingslaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van bekledingslaag bevat. Geotextiel erft de attributen van bekledingslaag. Geotextiel is een kunststof doek dat bijvoorbeeld op zand of klei wordt toegepast om uitspoeling ervan te voorkomen. In onderstaande foto wordt geotextiel op het basismateriaal van een bekledingsconstructie aangebracht. (Bron: DAMO)  +
Het is het referentievlak waar hoogtemetingen van het topografisch oppervlak aan gerelateerd worden. Door allerlei invloeden, zoals de aanwezigheid van bergen op land en troggen in de oceanen, verschillen van dichtheid van de massa in het inwendige van de aarde, staat de zwaartekracht niet exact loodrecht op een geïdealiseerd model van de aarde, de afgeplatte bol, of oblate sferoïde. De geoïde heeft over de hele aarde gemeten veel bulten en dalen, veroorzaakt door bovengenoemde invloeden. Simpel gezegd is de geoïde dus de verzameling van punten waar dezelfde hoeveelheid zwaartekracht heerst als op gemiddeld (i.v.m. getijden) zeeniveau. Visueel is dit voor te stellen door de hele aarde te bedekken met water (met behoud van massadichtheid), en vervolgens het zeeniveau zonder getijden en/of wind te beschouwen. De relatie tussen het topografisch oppervlak, de geoïde en de referentie-ellipsoïde wordt vastgelegd door: H=h-N Daarin is: H de orthometrische hoogte of hoogte van het topografisch oppervlak tegenover de geoïde (ware hoogte) h de ellipsoïdale hoogte of hoogte van het topografisch oppervlak tegenover de ellipsoïde (gps-meting) N het relatief hoogteverschil tussen de geoïde en de ellipsoïde (plaatsgebonden correctiefactor) De geoïde wordt als referentievlak voor orthometrische hoogten gebruikt. Deze hoogten worden in veel landen gebruikt voor het nationaal hoogtestelsel. Uit waterpasmetingen (en zwaartekrachtmetingen) kunnen deze orthometrische hoogten worden bepaald. In Nederland worden hoogten gemeten ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP). Dit kwam van oorsprong overeen met de geoïde, maar doordat het nulpunt van het NAP niet helemaal gelijk is aan gemiddelde zeeniveau, er in de loop van de tijd een lichte bodembeweging heeft plaatsgevonden en meetonnauwkeurigheden, komen de NAP-hoogten nu niet meer helemaal overeen met orthometrische hoogten. Geoïdehoogten zijn de hoogten tussen de geoïde en een referentie-ellipsoïde, bijvoorbeeld WGS84, ETRS89, Bessel of Hayford. Waarom is de geoïde nodig? De geoïdehoogte N is de afstand tussen de geoïde en een referentie-ellipsoïde. Met GPS meet men hoogten ten opzichte van de referentie-ellipsoïde. Omdat in Nederland alle hoogten worden uitgedrukt in het NAP, moeten de ellipsoïdische hoogten h uit de gps-meting worden omgerekend naar NAP-hoogten H, volgens de relatie H = h - N. Standaard voeren gps-ontvangers deze berekening zelf uit, gebruikmakend van de waarden van N. In Nederland ligt de geoïde op een afstand oplopend van 40 meter in Noord-Oost Groningen tot 46 meter in Zuid-Limburg boven de WGS84-ellipsoïde, die standaard gebruikt wordt voor gps-positiebepaling. In het verleden kon de geoïde slechts bepaald worden door astronomische waarnemingen (bepaling van de afwijkingen van de verticaal) of door zwaartekrachtmetingen (bepaling van de anomalieën van de zwaartekracht). Beide type waarnemingen kunnen slechts op het vasteland uitgevoerd worden. Tegenwoordig kan men door waarneming van de variaties van bepaalde loopbaanparameters van kunstmatige satellieten een "wereldwijde geoïde" bepalen. Deze wordt opgegeven ten opzichte van de ellipsoïde WGS84. Hierdoor ontstaan wereldwijde geodetische datums. Recente ontwikkelingen In 2002 lanceerde de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA de missie Grace, waarbij twee satellieten de verschillen in zwaartekracht meten door variaties in hun onderlinge afstand te bepalen. De Europese Ruimtevaartorganisatie ESA lanceerde op 17 maart 2009 de zeer gevoelige precisiesatelliet GOCE (Gravity Field and Steady State Ocean Circular Explorer) met drie paar nauwkeurige versnellingsopnemers aan boord. De satelliet cirkelde tot 11 november 2013 op ca. 250 km hoogte boven de aarde. De lancering stond gepland voor september 2008 vanaf de basis Plesetsk in Noord-Rusland, maar was door problemen met de Breeze-KM-trap van de raket uitgesteld. Door een combinatie van geavanceerde positiebepaling en kalibreerbare versnellingsopnemers denkt men de geoïde met een precisie van 2 cm te kunnen bepalen bij een horizontale resolutie van 100 km. De beperkte horizontale resolutie maakt voor detailmetingen nog steeds de ouderwetse metingen op land nodig.  
(Bron: VDW / GISWAK / Aquo) <br/> <br/> Een gemeten profiel waar een leggerbakje van is gemaakt door meetpunten uit het profiel weg te laten. In de regel wordt deze methode toegepast indien er geen legerbakje van het traject beschikbaar is. In dit profiel zijn de volgende gegevens vastgelegd: * bodembreedte (m) * bodemhoogte (mNAP) * talud helling links (1:X) * talud helling rechts (1:X) * insteekhoogte links (mNAP) * insteekhoogte rechts (mNAP) <br/> (Bron: waterschap Hunze en Aa's)  +
Niet opgenomen zijn artefacten zoals meetinstrumenten en wapens, die wel als uitrusting worden beschouwd maar binnen het kader vallen van andere hiërarchieën in de sectie Interieurinrichting en Uitrusting van het facet Objecten. Relatie met andere hiërarchieën: descriptoren voor apparaten die worden gebruikt voor meting op basis van standaardeenheden of vaste hoeveelheden (bijvoorbeeld 'kalibers') verschijnen in de hiërarchie Meetinstrumenten. Descriptoren voor objecten die nodig zijn voor het verankeren of verbinden van materialen, objecten of componenten (bijvoorbeeld 'spijkers', 'gespen') zijn ingedeeld bij 'bevestigingsmiddelen' in de hiërarchie Componenten. Samenstellende delen van uitrusting (bijvoorbeeld 'handvatten') zijn eveneens opgenomen in de hiërarchie Componenten. W-systemen maken deel uit van de hiërarchie Objectgroepen en systemen, en de descriptoren voor W-uitrusting (bijvoorbeeld 'airconditioningsapparaten') treft u hier aan. (AAT)  +
Een gescheiden rioolstelsel heeft een buis voor afvalwater en een buis of ander hulpmiddel voor regenwater. Het voert daarmee vuil afvalwater en schoner regenwater (of grondwater) voor het grootste deel apart af: Het vieze afvalwater gaat via rioolbuizen naar de rioolwaterzuivering. In deze installatie wordt het afvalwater schoner gemaakt en daarna op oppervlaktewater geloosd. Het veel schonere regenwater dat van daken en straten afkomt gaat niet naar de rioolwaterzuivering. Het water laat men in de grond zakken (regenwaterinfiltratie) of loost men op oppervlaktewater.  +
Riolering die gewoonlijk bestaat uit twee leidingstelsels, waarbij het ene stelsel afvalwater en het andere afgestroomd hemelwater transporteert. Rioolstelsel, waarbij afvalwater exclusief neerslag door een leidingstelsel wordt getransporteerd en neerslag door een afzonderlijk leidingstelsel rechtstreeks naar oppervlaktewater wordt afgevoerd.  +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL) / ABDL) <br/> <br/> Geslachtelijke voortplanting of seksuele reproductie is voortplanting die plaatsvindt wanneer twee verschillende individuen hun DNA bij de bevruchting in de haploïde geslachtscellen (gameten) combineren in een nakomeling. De combinatie van DNA is in de regel alleen mogelijk wanneer door meiotische celdeling het aantal chromosomen is gehalveerd, voorafgaand aan de vorming van de voortplantingscellen. Bij zich geslachtelijk voortplantende organismen is er een kernfasewisseling: een afwisseling van een haploïde fase, de haplofase, met een diploïde fase, de diplofase. (bron: Wikipedia)  +
Kenmerken van een gesloten schroefpomp: * Compact ontwerp met een volledig omsloten schroefmechanisme. * Geschikt voor toepassingen met hogere opvoerdrukken dan open schroefpompen. * Minder gevoelig voor externe vervuiling of invloeden van buitenaf. * Wordt toegepast in situaties waar ruimte beperkt is of waar bescherming tegen weersinvloeden gewenst is. * Kan ook worden ingezet voor het verpompen van viskeuze vloeistoffen of mengsels met vaste bestanddelen. <br/> (bron: waterschap Hunze en Aa's)  +
De broncode van een gesloten standaard is afgeschermd.  +
Het tegengestelde van een gesloten systeem is een open systeem.  +
Een open verharding in de wegenbouw is een elementenverharding, dat wil zeggen dat het wegdek uit losse elementen zoals klinkers of tegels opgebouwd wordt. In tegenstelling tot een gesloten verharding heeft een open verharding voegen en is in meer of mindere mate water- en lucht doorlatend.  +
(BRON: TOWABO / Aquo)  +
De waarde van het attribuutsoort verkoopprijs met gestructureerd datatype bedrag is uitgedrukt in een combinatie van een som en valuta zoals 35 euro. De introductie van één datatype Bedrag, uitgedrukt in som en valuta, legt dus vast dat som en valuta onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De eigenschappen in het Gestructureerd datatype tezamen zijn identificerend (een Gestructureerd datatype “identificeert zichzelf”, zoals er maar per definitie één “1 liter” bestaat, één 35 euro en één datum 6 april 2017, met per definitie altijd dezelfde betekenis: Een blik olie heeft een inhoud van 7 liter, kost 35 euro, en is verkocht op 6 april 2017. Piet heeft 1 liter bloed gedoneerd, daarvoor 35 euro vergoeding gekregen, op 6 april 2017. Het identificerend zijn geldt bijvoorbeeld niet voor Jan Jansen. Er zijn meerdere personen met deze naam en dat zijn verschillende personen (Jan Jansen is dan ook een gegevensgroeptype Naam met voornaam Jan en achternaam Jansen en geen Gestructureerd datatype). Voorbeeld : Het gemaal "x" heeft een capaciteit van 10 m3/u en is opgeleverd op 1-1-2000.  +
(bron: DIV)  +
Bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL).  +
Doen zich geen verstorende weersinvloeden voor dan treedt het zogenaamde astronomisch getij op. (bron: CHO (400a), gewijzigd / Aquo) <br/> <br/> Het periodiek rijzen en dalen van het water als gevolg van de aantrekkingskrachten van de maan en de zon en al dan niet door verstorende weersinvloeden vervormd. (bron: DIV) <br/> <br/> Het getijde, tij of getij is de periodieke wisseling van de waterstand, en de daarmee samenhangende getijstroom, die op Aarde optreedt als gevolg van de zwaartekracht van de Maan en, in mindere mate, die van de Zon. <br/> <br/> Deze verklaring van het verschijnsel werd in 1687 voor het eerst door Isaac Newton gegeven. Newtons theorie werd in 1740 door Daniel Bernoulli uitgebreid tot het evenwichtsgetij, dat ten onrechte vaak aan Newton zelf wordt toegeschreven. In 1776 werd de theorie door Pierre-Simon Laplace verder uitgebouwd tot een dynamische theorie van het getij, waarmee in principe het gedrag van ieder deeltje onder invloed van een veranderende getijdenkracht en op een draaiende aarde voorspeld moet kunnen worden. Belangrijke bijdragen aan de analyse en het voorspellen van het getij werden geleverd door William Thomson (Lord Kelvin) in 1867, George Howard Darwin in 1899 en Arthur Thomas Doodson in 1921. <br/> <br/> Doordat het getij op een locatie bepaald wordt door veel factoren, waaronder de afstand van de locatie tot de evenaar, de waterdiepte, en de aanwezigheid en vorm van landmassa's, vertoont het van plaats tot plaats grote verschillen. De getijvormen worden grofweg onderverdeeld in dubbeldaags getij, enkeldaags getij, en gemengd getij. De waterstand die daadwerkelijk optreedt wordt daarnaast niet alleen door het getij maar ook door weersomstandigheden als luchtdruk en wind bepaald. <br/> <br/> De periode van het stijgen van het water heet vloed of opkomend tij, die van het dalen eb of afgaand tij. De maximale waterhoogte heet hoogwater of hoogtij, de minimale hoogte laagwater of laagtij. Wanneer de getijkrachten van Zon en Maan dezelfde richting hebben en zo elkaar versterken, is de amplitude van het getij het grootst; dit wordt springtij genoemd. Wanneer de genoemde getijkrachten haaks op elkaar staan en elkaar verzwakken, is het verschil tussen hoogwater en laagwater het kleinst, en wordt van doodtij gesproken. (bron: Wikipedia)  
(bron: Nr. 77.1 (aangepast) / Aquo)  +
Diepe insnijding in het aardoppervlak, gevormd door stromend water. (Bron: Themagroep: Morfologie / Aquo)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> De getijgolf is een golf die ontstaat onder invloed van de getijdenkracht van de maan en in mindere mate de zon op de roterende aarde. Deze krachten veroorzaken een oscillatie van de aardkost en van het water op aarde en houden deze in stand. De periodieke variaties die als gevolg hiervan optreden in de waterstand vormen het getij. Vrijwel nergens op aarde lopen hoog- en laagwater direct in de pas met de krachten waardoor ze veroorzaakt worden. De plaatsen op aarde waar het gelijktijdig hoogwater is kunnen door middel van lijnen (co-tidal lines) met elkaar verbonden worden (zie afbeelding). Dit kan voor elke component van het getij. De afbeelding hiernaast geeft de co-tidal lines voor de belangrijke M2-component (het dubbeldaags maansgetij) weer. Afbeeldingen van andere componenten laten co-tidal lines zien die hiervan meer of minder verschillen. Goed te zien is dat er punten zijn waar de getijgolf, onder andere als gevolg van het corioliseffect, omheen draait. In deze amfidromische punten treedt geen hoog- of laagwater op. Er kan op die punten wel getijstroming optreden als gevolg van verschillen in waterhoogte op aan weerszijden van het amfidromisch punt gelegen plaatsen. (bron: Wikipedia)  +
De lokale zeespiegelstijging is inbegrepen in de hoogwaterstijging.  +
Een getijtafel is boekje met tabellen, waarin de tijden van hoogwater, voor diverse getijdehavens gegeven is. De tabellen worden naast nautische kaarten gebruikt en geven per dag de hoog- en laagwaterstanden en –tijdstippen aan. De gegevens zijn van belang voor de scheepvaart in verband met ondiepten en zandbanken. Niet alleen de getij hoogte is van belang, ook de diepte tot het bodemoppervlak. Het eerste systeem voor het ontwikkelen en opstellen van getijtafels voor de Nederlandse kust, was het systeem Ortt/De Bruin (1895), dat het negentig jaar heeft volgehouden.  +
(bron: CHO (409), aangepast / Aquo) <br/> <br/> Het plaatselijke verschil in waterhoogte tussen hoogwater en laagwater van een bepaald getij. (bron: DIV)  +
(bron: Wijk, J van der, Taal van het Water / Aquo)  +
Dit model heeft al kennis en vaardigheden opgedaan door middel van training met behulp van gegevens en algoritmen. Het voordeel van een pretrained AI-model is dat het al een bepaald niveau van intelligentie en functionaliteit heeft, waardoor het direct kan worden toegepast op verschillende taken zonder dat het vanaf het begin hoeft te worden getraind. Het kan worden gezien als een "kant-en-klaar" model dat kan worden gebruikt als basis voor verdere aanpassingen en fine-tuning om het specifieker te maken voor een bepaalde toepassing of context. (HEA)  +
Dit betekent dat het model al kennis heeft opgedaan en patronen heeft geleerd uit de gegevens waarop het is getraind. Het voordeel van een pretrained model is dat het al een bepaald niveau van begrip en vaardigheden heeft, waardoor het efficiënt kan worden gebruikt voor verschillende taken zonder dat het vanaf nul hoeft te worden getraind. Het kan worden beschouwd als een soort "basis" waarop verdere aanpassingen en fine-tuning kunnen worden uitgevoerd om het model specifieker te maken voor een bepaalde taak of context. (HEA)  +
bv: kil, slenk, slufter, vaargeul, watergang.  +
Deze lijn wordt ook wel een isoconcentratie-lijn genoemd. De geurcontour geeft aan tot waar de geur van de RWZI merkbaar is en helpt bij het bepalen van de impact van de geur op de omgeving. <br/> <br/> In het geval van geurcontouren bij een RWZI, verbindt de isoconcentratie-lijn punten waar de geurbelasting gelijk is. Dit helpt bij het visualiseren van de verspreiding en intensiteit van geuren in de omgeving. (bron: Hunze en Aa's)  +
De GVF is gelijk aan 0 als meer dan 50% van de panelleden het onverdunde monster als reukloos aanmerkt.  +
Gevaarlijke stoffen zijn toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen. <br/> Gevaarlijke stoffen zijn stoffen die, door hun intrinsieke eigenschappen of de omstandigheden waaronder ze voorkomen, gevaar, schade of ernstige hinder voor mens, dier of milieu kunnen veroorzaken. Gevaarlijke stoffen worden geclassificeerd naar hun intrinsieke eigenschappen of naar de omstandigheden waaronder ze voorkomen in gevarenklassen, die per wetgeving verschillen. <br/> Onder het GHS moet dit geharmoniseerd worden. Er zijn verschillende nationale en internationale wetten en voorschriften van toepassing voor productie, vervoer, opslag, gebruik en afvalverwerking waarbij de exacte definitie kan verschillen. Voor de internationale regelgeving dienen de VN-aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen als leidraad. De onder de vervoerswetgeving vallende gevaarlijke stoffen hebben een uniek VN-nummer. Risico's van een gevaarlijke stof zijn vastgelegd in een veiligheidsinformatieblad voor die stof, of vereenvoudigd beschikbaar in werkinstructiekaarten. <br/> De termen gevaarlijke stoffen, gevaarlijke goederen en gevaarlijke lading worden alle gebruikt, maar betekenen niet noodzakelijk hetzelfde. <br/> In de scheepvaart wordt met gevaarlijke lading de lading bedoeld die door de wijze waarop deze per schip wordt vervoerd een gevaar kan opleveren voor schip en bemanning, doordat zij bijvoorbeeld kunnen overgaan. Hiertoe behoren ertsen en concentraten, steenkool, graan in bulk en gezaagd hout aan dek. Gevaarlijke stoffen in bulk worden ook als gevaarlijke lading beschouwd. Bij de meeste gevaarlijke stoffen is één gevaarseigenschap bepalend, maar combinaties komen ook voor. Een onderverdeling wordt gemaakt in: <br/> * brandgevaarlijk; * oxiderend; * explosief; * corrosief; * giftig; * radioactief; * slecht voor het milieu <br/> <br/> Prioritaire-stoffenlijst <br/> De afgelopen 20 jaar is de kandidaat-stoffenlijst I geleidelijk omgevormd tot prioritaire-stoffenlijst. In Nederland werd in het eerste Nationaal Milieubeleidsplan (NMP1, 1988) voor het eerst een lijst met 50 prioritaire stoffen gepresenteerd. In 2001 kreeg de Nederlandse staat een boete van de EG omdat ze niet alle 141 stoffen uit de Europese prioritaire-stoffenlijst had overgenomen en hier geen waterkwaliteitsdoelstellingen voor had vastgesteld. Daarop heeft Nederland in de Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren de lijst tot 162 prioritaire stoffen uitgebreid. <br/> In Europa wordt de richtlijn gevaarlijke stoffen (76/464/EEC[3]) geleidelijk vervangen door de nieuwe prioritaire-stoffenrichtlijn (2006/397) als onderdeel van de Kaderrichtlijn Water. Vooralsnog zijn slechts 33 prioritaire stoffen hierin ondergebracht, waarvan 11 als prioritair gevaarlijk worden aangemerkt. <br/> In Nederland heeft het ministerie van VROM in 2006 een voorstel gedaan om de lijst met prioritaire stoffen verder te laten groeien. In deze lijst zijn alle stoffen opgenomen die op een of meer nationale of internationale prioriteitenlijsten voorkomen. De lijst richt zich naast het compartiment water ook op het compartiment lucht.  
Wapening bestaat uit stalen staven die de trekkrachten opnemen, terwijl het beton drukkrachten opneemt. Zo wordt scheurvorming vermeden of sterk beperkt. Een materiaal dat uit twee verschillende materialen bestaat en hierdoor nieuwe eigenschappen krijgt wordt ook wel een composiet genoemd. (bron: Wikipedia)  +
Gewoonlijk wordt hieronder niet de bosbouw ten behoeve van de houtteelt en houtproductie begrepen. Het woord gewas is afgeleid van het werkwoord 'wassen' dat groeien betekent (vergelijk het Duitse wachsen). Een voedselgewas is een gewas dat gebruikt wordt als voedsel of om voedsel van te maken. Sommige gewassen worden ook gebruikt als energiegewas. Daarnaast is er de teelt van siergewassen, zoals snijbloemen, heesters en bomen. (Wikipedia) <br/> <br/> Een niet- tot licht houtachtige vegetatie; (bron CHEOBS / CBNL)  +
Deze werden vroeger zo veel mogelijk voorkomen door biologische teeltwijzen. In en vooral na de jaren veertig van de twintigste eeuw zijn chemische gewasbeschermingsmiddelen ontwikkeld. Vele hiervan waren erg betrouwbare middelen voor de land- en tuinbouw. Zij waren echter soms schadelijk voor het milieu. In de zestiger jaren van de twintigste eeuw werd de schadelijkheid van deze middelen erkend. Andere middelen werden gezocht en ook gevonden. Vooral de bestrijding met natuurlijke vijanden leverde een goede bijdrage in het terugdringen van de chemie. Vanaf de jaren tachtig zijn er steeds meer andere middelen ontwikkeld om het gewas te beschermen. Nu zijn de middelen meer toegespitst op effectiviteit en milieuvriendelijkheid. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er vergeleken met 20 jaar geleden een kleine 90% minder stoffen worden gebruikt. Een ander alternatief is het mechanisch bestrijden van bedreiging. Dit houdt in dat machines het onkruid bestrijden in ongeveer dezelfde manier als een schoffel. Er wordt nu dan ook gesproken over geïntegreerde teeltmethoden. Hierbij wordt chemische gewasbescherming pas toegepast nadat biologische vijanden en eventuele natuurlijke bestrijdingsmethoden (het gebruik van plantextracten, micro-organismen en dergelijke) niet voldoende hebben gewerkt. <br/> Sinds de Nederlandse overheid in 1996 wettelijke verplichtingen heeft opgelegd aan iedereen die beroepsmatig met gewasbeschermingsmiddelen werkt is de spuitlicentie geïntroduceerd. Het doel van deze spuitlicentie is door middel van scholing ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen op de juiste wijze worden gebruikt om mens en milieu te beschermen. Om verzekerd te zijn dat iedereen met een spuitlicentie beschikt over up-to-date informatie moet iedereen zijn licentie iedere 5 jaar verlengen door het volgen van 4 kennisbijeenkomsten.  +
Dit gebeurd bijvoorbeeld in het najaar met het onkruidbestrijdingsmiddel 'Isoproturon' dat gebruikt wordt bij de teelt van wintertarwe in het stroomgebied van de Moezel. Ook komen wel ongewenste lozingen voor. (bron: Helpdesk Water) <br/> <br/> Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (pbEU 2009, L 309)  +
Het gewicht G van een voorwerp t.o.v. een coördinatenstelsel is de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent, als deze ondersteuning of ophanging geen versnelling heeft in het coördinatenstelsel. Het gewicht per massa-eenheid is gelijk aan de versnelling bij een vrije val in het coördinatenstelsel, en is het tegengestelde van de g-kracht die moet worden uitgeoefend op het voorwerp stationair te houden in het coördinatenstelsel, en dus ook wat een veer-weegschaal daarbij meet. <br/> <br/> In het dagelijks taalgebruik worden de begrippen gewicht en massa soms door elkaar gebruikt, maar dat is vanuit het standpunt van de wetenschap incorrect. Deze misvatting is goed te begrijpen als we weten hoe de massa bepaald wordt met behulp van een weegschaal. De weegschaal meet de kracht die erop uitgeoefend wordt, die gelijk is aan de zwaartekracht die inwerkt op het voorwerp. Daar deze (wanneer het voorwerp zich in rust bevindt of een eenparig, rechtlijnige beweging uitvoert) gelijk is aan het gewicht van het voorwerp, kan op deze manier de massa bepaald worden, aangezien gewicht en massa recht evenredig zijn: G=mg. De schaalverdeling van de weegschaal laat direct het gewicht zien. Aangezien de grootte van g niet overal op de aarde gelijk is - in Nederland en België ongeveer gelijk aan 9,81 N/kg, worden weegschalen geijkt voor een bepaald gebied. (bron: Wikipedia) <br/>  +
Voor wateren omvat gewoon onderhoud ook het op de vereiste diepte en schoon houden van wateren door baggeren en water- en oeverplanten verwijderen of maaien (schonen).  +
Het geankerd vaartuig werd door de stroom voortgestuwd en door middel van een kabel van de ene oever naar de andere gedreven. Tegenwoordig wordt er gebruik gemaakt van elektrische lieren aan de wal. (bron: Aquo) <br/> <br/> Een gierpont is met een kabel bevestigd aan een punt in het midden van de rivier op de bodem. Door het schip schuin op de stroming te draaien, zal de boot door de stroming de overkant bereiken. Gierponten schakelen over op een dieselmotor ter ondersteuning om sneller aan de overkant te komen. De lengte van de kabel is onder meer afhankelijk van de breedte van de rivier. Omdat het ankerpunt en de pont op enige afstand van elkaar zijn wordt de verbindingskabel boven water gehouden met een of meer kleine bootjes (bocht-aken) ter grootte van een roeiboot. Deze bootjes zijn voor het overige scheepsverkeer een teken dat een gierpont gebruikt wordt en tevens dat men de pont diende te passeren aan de andere kant van de bootjes. Omdat een ongemotoriseerde gierpont langzaam is en dus ook hinderlijk voor het overige scheepvaartverkeer kan zijn, zijn er in Nederland en België alleen nog gemotoriseerde gierponten. (bron: Wikipedia)  +
Glasvezel wordt onder meer toegepast als optische vezel in telecommunicatie, waarbij licht wordt gestuurd door lange vezels van optisch zeer helder glas om signalen betrouwbaar over grote afstanden te vervoeren. Doordat het licht in de glasvezel een bijzonder kleine hoek met de buitenkant van de vezel maakt, is de absorptie zeer gering en blijft het licht in de vezel door interne reflectie. Voor deze toepassing moet de vezel aan zeer specifieke eisen voldoen. Een andere toepassing van glasvezel is glasvezelversterkte kunststof, waarin vezelmatten of losse vezels worden toegevoegd aan allerlei kunststoffen. Zo wordt glasvezel onder meer toegepast in hengels, remblokken en ski's. Het materiaal dat zo ontstaat, wordt een composiet genoemd. Glasvezel in de vorm van glaswol wordt gebruikt als isolatiemateriaal. Ook is er glasvezelbehang. Voor deze toepassing zijn andere soorten glasvezel in gebruik dan voor datacommunicatie.  +
Sneeuw vormt een gletsjer als de sneeuw lang genoeg blijft liggen en dik genoeg wordt om in ijs te veranderen. Kenmerkend voor gletsjers is dat ze bewegen onder hun eigen druk, als heel langzaam stromende rivieren. Gletsjers bedekken circa 15 miljoen km² aardoppervlak, dat komt overeen met ongeveer 10 % van het landoppervlak, voornamelijk op Antarctica, Groenland en het noorden van Canada. Ze bevatten 29 miljoen km³ ijs, ongeveer 87 % van alle zoet water op aarde. Ze oefenen door hun enorme gewicht en slijpende werking grote invloed op het land uit. Een gletsjerdal heeft een U-vormige doorsnede, in tegenstelling tot een rivierdal dat meer V-vormig is.  +
Om gebruik te kunnen maken van het GMDSS moet men beschikken over het Marcom-B certificaat.  +
Ieder meetstation is gekalibreerd met betrekking tot de breedtegraad waar het station zich bevindt en rapporteert een bepaalde K-waarde die betrekking heeft op de geomagnetische activiteit gemeten op de locatie van de magnetometer. De maximale verstoring van het horizontale component van het magneetveld wordt gemeten en iedere 3 uur omgezet naar een bepaalde K-waarde. De globale Kp-index wordt dan bepaald aan de hand van het gemiddelde van alle wereldwijd gerapporteerde K-waardes. De Kp-index gaat van 0 tot 9 waarbij een Kp van 0 staat voor erg rustige condities en een Kp van 9 staat voor extreme stormcondities. (bron: https://www.poollicht.be/) <br/> <br/> Ionosferische storingen, veroorzaakt door de zon, hebben invloed op de nauwkeurigheid van GPS metingen en kan resulteren in afwijkingen van tientallen cm. Voor het behalen van centimeter nauwkeurigheid zijn dan langere fixtijden nodig. In sommige gevallen is het ook dan niet mogelijk om deze nauwkeurig te behalen en is het noodzakelijk om te stoppen met het gebruik van GPS als wijze van inwinning. Stoppen is nodig als de zogenaamde Kp-index 4 of hoger is. De Kp-index is de globale geomagnetische activiteitsindex gebaseerd op de 3-uurlijkse meetwaardes van magnetometers verspreid over heel de planeet en kan geraadpleegd worden via bijvoorbeeld de app ‘Space weather live’. (bron: Hunze en Aa's)  +
Hoewel elke GUID niet 100% gegarandeerd uniek is, is het totaal aantal unieke sleutels (2128 of 3,4028×1038) zo groot dat de kans op de creatie van twee keer dezelfde GUID erg klein is. GUID's worden in veel toepassingen gebruikt, zoals Oracle-databanken en Novell eDirectory. Een GUID is een getal van 16 bytes (128 bits), geschreven in hexadecimale vorm, zoals: 3F2504E0 4F89 11D3 9A 0C 03 05 E8 2C 33 01 GUID's worden vaak geschreven in de vorm van 4 bytes, dan 3 keer 2 bytes, en ten slotte nog eens 6 bytes, zoals: {3F2504E0-4F89-11D3-9A0C-0305E82C3301} Microsoft gebruikt GUID's in zijn Component Object Model om interfaces van softwarecomponenten te onderscheiden. Hierdoor kunnen twee verschillende versies van een component onderscheiden worden, zelfs als de naam identiek is.  +
Deze wordt bepaald door de droogrest van de onopgeloste bestanddelen gedurende 45 min in een oven bij een temperatuur van 600°C te gloeien. Het residu dat na verassing of gloeien overblijft wordt asrest of gloeirest genoemd. (bron: Koot, 1974 / Aquo)  +
Gloeirest en Gloeiverlies worden bepaald met dezelfde methode: 100% - gloeirest = gloeiverlies. Het gloeiverlies wordt in de chemie over het algemeen gerapporteerd als massafractie t.o.v. een droog monster. Het geeft een schatting van de massafractie van de organische stof weer. Bij het gloeien van droge stof verdwijnt het organische deel en blijft het anorganische deel als as(rest) ofwel gloeirest over. Binnen de ecologie wordt vaak de term asvrije droge stof gebruikt. De massa van de asvrije droge stof wordt ook asvrij drooggewicht genoemd. (bron: Koot, 1974 / Aquo) <br/> <br/> Verschil tussen het gewicht van de droogrest en dat van de gloeirest.  (bron: DIV)  +
In de filosofie staat het goede voor al datgene wat met instemming wordt begroet, dus positief geëvalueerd. Een moeilijkheid is dat hierbij de taal een rol speelt die de vraag naar wat goed is, al snel versluiert. Zo kan worden gezegd dat het goede datgene is wat wordt goedgekeurd, maar daarmee ontstaat geen verklaring; het begrip goed wordt dan immers met "goed" omschreven, hetgeen niets verduidelijkt. In de oudheid en tot in de middeleeuwen namen vele filosofen het standpunt in dat het goede gelijk moest worden gesteld aan alles wat werkelijk bestond. Modernere opvattingen zijn dat het goede slechts onderdeel uitmaakt van de werkelijkheid, of dat het datgene is wat het belang van de mens dient, of datgene waarbij de mens zich wel bevindt ("zich goed voelt", in alweer een talige tautologie). Het goede kan daarbij in middelen gelegen zijn of in doelen; het kan om zichzelfs wil goed zijn, of ten voordele van iets anders. Daarnaast kan het goede onderscheiden worden als subjectief (goed voor sommigen) of objectief (in het algemeen). (Bron: Wikipedia)  +
(bron: Burgerlijk Wetboek Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen)  +
(bron: BPRW / Aquo)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Dal tussen twee golftoppen (bron: DIV)  +
Golfhoogten kunnen op meerdere manier worden bepaald. * 1. Visueel; * 2. Berekend uit een tijdserie waterhoogten; * 3. Berekend uit het golfvariantiedichtheidspectrum. In dat geval wordt gesproken over de spectrale golfhoogte. (bron: Aquo) <br/> <br/> De verticale afstand tussen dal en top van een golf. (bron: DIV)  +
Berekend uit het energiedichtheidspectrum van 30-500 MHz. (bron: Aquo)  +
De grootste afstand tussen twee golftoppen. (bron: DIV)  +
De 2% golfoploop wordt door 2% van de golven overschreden. (bron: Aquo) <br/> <br/> Golfoploop is de hoogte tot waar golven (al dan niet na breken) het talud van een oever of dijk oplopen; golfneerloop is de hoogte tot waar golven zich terugtrekken. Deze hoogte wordt altijd verticaal gemeten (en dus niet langs het talud). (bron: Wikipedia) <br/> <br/> De hoogte van de tegen een talud oplopende golftong ten opzichte van de waterstand. (bron: DIV)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Hoeveelheid water die door golven per strekkende meter gemiddeld per tijdseenheid over de waterkering slaat. <br/> <br/> Bij golfoverslag slaan de golven over een dijk heen waardoor het water op het achterliggende land terechtkomt. Te veel overslag is onwenselijk omdat het gebruik van de waterkering niet mogelijk is (bijv. bij een boulevard), er schade aan het binnentalud van een dijk kan optreden of er door een teveel aan overslag een waterbezwaar aan de binnenzijde van de dijk kan optreden. De hoeveelheid overslag hangt af van de waakhoogte, de golfhoogte, de golfperiode en de taludhelling van de dijk. De waakhoogte is de hoogte van de kruin van de dijk boven het stil-waterniveau (meestal is dit de maatgevende stormvloedstand of de maatgevende rivierwaterstand). De overslag wordt meestal uitgedrukt in liters per seconde per meter dijklengte. Hierbij moet in aanmerking genomen worden dat dit een gemiddelde waarde is. Op het moment dat er een golf overslaat komt er veel water over de dijk, maar daarna langere tijd helemaal niets. Dit is duidelijk te zien in een heel duidelijke, maar wel wat gedateerde video van Rijkswaterstaat. Ook op de website van de EurOtop-manual is een aantal video's beschikbaar die de overslag in beeld brengen. Een probleem is dat éénzelfde hoeveelheid overslag kan optreden bij verschillende combinaties van waterstand en golven. Een lage waterstand en hoge golven kunnen dezelfde overslag geven als een hogere waterstand en lagere golven. Zolang de waterstand en de golfhoogte gecorreleerd zijn is dat geen probleem, maar bij rivieren is dat wel een probleem. Golfhoogte en waterstand zijn daar niet gecorreleerd. In dat geval moet een probabilistische berekening gemaakt worden. Meestal komt golfoverslag voor bij extreme weersomstandigheden, dus bij zware stormen; dan is de waterstand vaak hoger dan gemiddeld ten gevolge van de windopzet. (bron: Wikipedia)  +
De golfperiode kan berekend worden uit de tijd die verstrijkt tussen twee opeenvolgende passages in dezelfde richting van de evenwichtsstand. Bij Rijkswaterstaat wordt de golfperiode berekend uit de tijdsduur tussen twee opeenvolgende neergaande nuldoorgangen. In andere (internationale) standaarden wordt soms ook wel de tijdsduur tussen de opgaande nuldoorgangen beschouwd. Als gevolg hiervan kunnen waarden iets afwijken.  +
Berekend uit het energiedichtheidspectrum van 30-500 MHz.  +
Kleine, heel onregelmatige oneffenheden van de bodem, die zich in de stroomrichting bewegen en waarvan de hoogte onafhankelijk is van de waterdiepte. (bron: Themagroep: Morfologie / Aquo)  +
Deze richting kan op verschillende wijze bepaald worden: * 1. visueel; * 2. spectraal uit (een deel van) het golfvariantiedichtheidspectrum . De richting is dan een vectorieel gemiddelde binnen het beschouwde frequentiebereik. <br/> (bron: Themagroep: Waterbeweging / Aquo)  +
(bron: Aquo)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Het hoogste punt van een golf. (bron: DIV)  +
In de meeste gevallen is het gootprofiel in de klinkerverharding gestraat. De prefab elementen die op de markt beschikbaar zijn bestaan uit: - lijnafwatering (bron: Rioned) <br/> Aansluitend aan of in de 'verharding' aangebrachte verharde, open afvoer voor hemelwater, Aanvoer afstromend hemelwater vanaf de verharding middels een aansluitend aan de verharding aangebrachte verharde open afvoer.  +
Het woord komt van graft, waarin het woord graven duidelijk te herkennen is. Watergang, veelal in of rondom een stad en meestal niet in gebruik voor doorgaande scheepvaart. Bron CHEOBS. Een gracht (ook singel) is een aangelegde waterweg. Onder gracht verstaat men ook: een langs de oevers bebouwd kanaal om of door een stad. Belangrijke redenen voor de aanleg en instandhouding van de grachten zijn en waren: afwatering, transport, verdediging en riolering. Het schuren van grachten was, waar mogelijk, een manier om ze open te houden. Nadat de steden hun functie als vesting in de tweede helft van de 19e eeuw verloren, zijn veel grachten die deel uitmaakten van de vestingwerken gedempt. In de loop der tijden zijn ook binnen diverse steden grachten gedempt of overwelfd (zoals de ruien in Antwerpen), veelal om hygiënische redenen en om het wegverkeer meer ruimte te bieden. Soms worden er initiatieven genomen om grachten weer te herstellen.  +
Geleidelijke overgang in de ruimte, bijvoorbeeld horizontaal-verticaal, zuur-basisch, zout-zoet, droog-nat. (bron: Basisrapport Zandige Kust. Behorende bij de Leidraad Zandige Kust, TAW juli 1995 en Oosterloo, W., Woordenlijst NVA-cursus kwaliteitsbeheer oppervlaktewater, 1992 (gewijzigd) / Aquo) <br/> <br/> Verandering van een grootheid per lengte-eenheid in één of meer richtingen. (bron: DIV) <br/> Met de gradiënt wordt in het algemeen het verloop, dus de toe- of afname, van een grootheid als functie van een andere grootheid bedoeld. Wiskunde: * gradiënt (wiskunde), een eigenschap van een scalair veld die de grootte en richting van de verandering daarvan in de vorm van een vectorveld aangeeft bijvoorbeeld het hoogteverschil als functie van de afstand. <br/> Natuur- en scheikundekunde: * concentratiegradiënt, een verandering in de concentratie van een stof * dichtheidsgradiënt, de overgang van de ene dichtheid naar de andere * drukgradiënt, de overgang van een lage naar een hoge druk * elektrochemische gradiënt * elektrogradiënt, het potentiaalverschil tussen twee vloeistoffen die gescheiden worden door een semipermeabel membraan * kleurengradiënt, een continue overgang tussen twee kleuren (hier magenta en geel) als functie van de plaats * temperatuurgradiënt beschrijft in welke richting en hoe sterk de temperatuur op één bepaalde plek het snelst verandert. ** geotherm of geothermische gradiënt, toename van de temperatuur met de diepte ** verticale temperatuurgradiënt, het temperatuurverloop in de atmosfeer met de hoogte <br/> Biologie: * Natuurlijke gradiënt, een geleidelijke overgang tussen twee gebieden met gewoonlijk twee samenhangende gradiënten zijn: ** milieugradient, ecologische gradiënt of ecotoon: geleidelijke overgang in milieufactoren tussen twee verschillende biotopen. ** gemeenschapsgradiënt: een geleidelijke overgang in soortensamenstelling. gradiëntanalyse of ordinatie is het ecologisch onderzoek aan gemeenschaps- en milieugradiënten met multivariate methoden. <br/> Cartografie: * isopleet: een kromme op een kaart of in een driedimensionale grafiek die punten verbindt waarvoor de weer te geven grootheid eenzelfde waarde heeft; maakt gradiënten zichtbaar <br/> (bron: Wikipedia)  
De grafiek van de functie f is de kromme in een rechthoekig assenstelsel die bestaat uit de punten (x,f(x)). Gebruikelijk is het daarbij de x-as horizontaal en de y-as verticaal te nemen. Grafieken vormen een belangrijk hulpmiddel bij de analyse van functies. Zij geven inzicht in het gedrag van de functie. Rechts bevindt zich een voorbeeld van een grafiek van een functie. Langs de horizontale as is de variabele x uitgezet, langs de verticale as de functiewaarde y= f(x) = x^3-9x. Behalve grafieken van functies, zoals hierboven besproken, zijn er meer visualisaties die grafiek genoemd worden. * De oudste betekenis van grafiek is die van een middel in de statistiek om een beeld te krijgen van de gevonden gegevens, maar in de statistiek worden ook andere soorten afbeeldingen zoals het histogram gebruikt. Men noemt die andere vormen meestal een diagram. * Een tweeplaatsige relatie tussen twee verzamelingen kan met een incidentiematrix worden weergegeven, waarin de elementen van de twee verzamelingen door de rijen en de kolommen worden weergegeven. De grafiek van een relatie is in meer dimensies een deelverzameling van het cartesisch product van zijn domeinen. De tupels in de grafiek karakteriseren het gedrag van de functie, afbeelding of relatie. Samen met het domein en het codomein of, in het geval van een drie- of meerplaatsige relatie, samen met de domeinen, vormt de grafiek de functie, afbeelding of relatie zelf. <b/> (bron: Wikipedia)  +
De onderlinge verhouding van de mineralen verschilt, maar doorgaans is kwarts de dominante component (ongeveer 50%). Het kwarts is meestal grijs, het veldspaat kan gekleurd zijn (crème, roze voor kaliveldspaat en (melk)wit voor plagioklaas) en de glimmers zijn meestal bruin of lichtgrijs van kleur.  +
De korrelgrootte verdeling van de vaste bodemdeeltjes. De korrels worden ingedeeld in verschillende grootteklassen. (bron: Themagroep: Morfologie / Aquo)  +
(bron: Leidraad Toetsing/ Aquo) <br/> <br/> De grassenfamilie (botanische naam: Gramineae of Poaceae, beide namen zijn toegestaan) is een van de soortenrijkste plantenfamilies van de bedektzadigen: de familie omvat ongeveer 8000 soorten. Leden van deze familie komen op alle werelddelen voor.  +
De term 'gras' of 'grasachtig' heeft te maken met de oppervlakkige, uiterlijke kenmerken en heeft dus vrij weinig te maken met de fylogenetische verwantschap van de planten. Het zijn dan vaste planten met lijnvormige bladen. Hiertoe behoren de meeste grassen (Gramineae, Poaceae), russen (Juncaceae) en cypergrassen (Cyperaceae), die alleen in habitus (algemene verschijningsvorm) enigszins op elkaar lijken, maar slecht weinig verwant zijn. Andere voorbeelden van planten met grasachtige bladeren zijn de soorten van de lisdoddefamilie (Typhaceae), van de zeegrasfamilie (Zosteraceae), van het geslacht morgenster (Tragopogon) en de graslathyrus (Lathyrus nissolia). De vele spruiten en de smalle bladen zijn kenmerkende eigenschappen van 'grasachtige' planten. (bron: Wikipedia)  +
Voorbeeld van gebruik: hooien zonder bemesting. (bron: RfC Intwis waterkeringen / Aquo)  +
Leden van deze familie komen op alle werelddelen voor. Zelfs op Antarctica groeien soorten van het geslacht Smele. Grassen behoren tot de eenzaadlobbigen en hebben een vrij karakteristiek bouwplan. De grassen zijn economisch gezien een van de belangrijkste plantenfamilies: gedomesticeerde graangewassen zoals maïs, tarwe, rijst, gerst en gierst vertegenwoordigen een groot deel van het basisvoedsel voor de mens. Ook het voer voor de veehouderij is grotendeels op granen gebaseerd. Grassen leveren iets meer dan de helft (51%) van alle voedingsenergie; rijst levert 20%, tarwe levert 20%, maïs 5,5% en andere granen 6%. Sommige soorten worden gebruikt als bouwmateriaal (bamboe, riet en stro); andere zijn de bron van biobrandstoffen, voornamelijk maïs. Graslanden zoals de savanne en de prairie vormen naar schatting 40,5% van het landoppervlak van de aarde, met uitzondering van Groenland en Antarctica. Grassen vormen daarnaast een belangrijk onderdeel van de vegetatie in andere habitats, waaronder draslanden, bossen en toendra's.  +
Voorbeeld van gebruik: goudhaver, engels raaigras. Bron: RfC Intwis waterkeringen.  +
Bron: CHEOBS <br/> <br/>  +
(bron: Naar CHO (506) / Aquo) <br/> <br/> Waterdiepte bij de overgang tussen stromend en schietend water. Daarbij is de energiehoogte minimaal en de stromingstoestand op zichzelf instabiel. (bron: DIV)  +
Geldt voor getijdenwateren, te vinden in de 'Getijtafels voor Nederland' (bron: Themagroep: Waterbeweging / Aquo)  +
Bron: CHEOBS  +
(bron: SSI (REGIS) / TNO / Adventus / Aquo)  +
In de Evaluatie Nota Waterhuishouding is als realiseringstermijn voor de huidige grenswaarde het jaar 2000 aangeduid. Het bereiken van deze tussendoelstelling geldt als inspanningsverplichting voor de waterkwaliteitsbeheerders.De grenswaarde is een voortschrijdende norm. Dit betekent dat de grenswaarde in de loop van de tijd kan worden aangescherpt in de richting van de streefwaarde.Te denken is aan (concentraties van) stoffen in voedingsmiddelen, water of het milieu. In het kader van het bouwstoffenbeleid wordt de term grenswaarde in een heel specifieke betekenis gebruikt, namelijk waarden van gehaltes aan verontreinigde stoffen in secundaire bouwstoffen waarboven toepassing in werken niet meer mogelijk is. (bron: Evaluatie Nota Waterhuishouding / Aquo)  +
Greppels en droge sloten zijn (gegraven) waterlopen die droog staan van 1 april tot 1 oktober en liggen in een gebied met een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling. (Bron: Aquo) <br/> Gegraven open afvoer voor de afwatering of ontwatering van het omringende gebied, die afwatert op een sloot of een natuurlijke waterloop (watergang) en meestal droog staat. (bron: CROW 156) Gegraven waterloop, veelal droogstaand, voor de afwatering en/of ontwatering van het omringende gebied, die afwatert op een sloot (bron: NPR 4768) Ondiepe gegraven geul voor waterafvoer vanuit de kavel naar de sloot. (bron: Aquo Lex en Objectencatalogus) Ten behoeve van de waterbeheersing gegraven geul die al dan niet met water bedekt is. (bron: Informatiemodel Grootschalige topografie) Gegraven open afvoer voor de afwatering of ontwatering van het omringende gebied, die afwatert op een sloot of een natuurlijke watergang en meestal droog staat. (Bron CHEOBS) <br/> <br/> Greppels zijn lange geulen in akkers en weilanden. Ze worden gebruikt om overtollig water naar een sloot af te voeren waardoor de grond minder drassig wordt. Planten, die anders verrotten en schimmelen, kunnen dan beter groeien. Greppels zijn vooral nuttig in kleigrond omdat klei water moeizaam doorlaat. Greppels liggen vaak droog. (Bron: Wikipedia)  +
Reeds in de 13e eeuw werd in het gebied rondom Keulen steengoed geproduceerd. In de 12e en 13e eeuw konden pottenbakkers niet heter stoken dan circa 1150 graden en daarmee werden aardewerkvormen (vooral kannen) in protosteengoed vervaardigd. Dat baksel is nog niet geheel versinterd en voelt nog ruw aan vanwege de magering met zand. In de stad Siegburg werden rond 1275 de eerste echt versinterde steengoedkannen geproduceerd. Andere centra, zoals Langerwehe, Frechen, Brühl volgden later. In Brunssum-Schinveld (zuid Limburg) en Elmpt-Brüggen (Duitse grensregio bij Venlo-Roermond) waren in de middeleeuwen ook pottenbakkerscentra van steengoed-vaatwerk. Het Rijnlandse steengoed werd in Keulen op de markt gebracht. De term ‘Keulse potten’ voor steengoedpotten en kannen uit de 19e en 20ste eeuw is te herleiden tot de plek waar steengoed werd verhandeld, maar dat product met kenmerkende kobaltblauwe decoraties werd in het Westerwald bij Siegburg geproduceerd. Steengoed is vaak van een zoutglazuur worden voorzien, maar ijzer-engobe en leemglazuren komen ook voor. <br/> <br/> Door zijn grote slijtvastheid is steengoed ook een bijzonder geschikt materiaal voor vloertegels, traptreden en vensterbanktegels. <br/> <br/> Gresbuizen <br/> Van 'gresklei' ofwel ijzeraarde mechanisch geperste rioolbuizen werden vanaf 1880 gebruikt. Riolering moet bestand zijn tegen een hoge zuurgraad, en daar kan steengoed goed aan voldoen. Het heeft een grote duurzaamheid en is vormvast. Door het broze karakter van het materiaal heeft het echter een beperkte weerstand tegen mechanische belastingen. In Belgisch- en Nederlands-Limburg zijn vanouds veel fabrikanten van gresbuizen gevestigd, onder andere bij Tegelen, Belfeld, Beesel, Swalmen en Hasselt (Keramo). (bron: Wikipedia)  +
Een grid is in de hydrografie een netwerk van aaneengesloten meestal vierkanten cellen. De randen van de cellen vormen dan het raster van het grid. (bron: Aquo) <br/> <br/> Een voorbeeld van een raster is de geïnterpoleerd AHN uit de lidar puntenwolken en de luchtfoto. <br/> <br/> Een rastergegevensstructuur is gebaseerd op een (meestal rechthoekige, vierkante) mozaïekpatroon van het 2D- vlak in cellen. <br/> <br/> In het voorbeeld worden de cellen van mozaïekpatroon A over het puntenpatroon B gelegd, wat resulteert in een matrix C van kwadrantentellingen die het aantal punten in elke cel vertegenwoordigen. Voor visualisatie is een opzoektabel gebruikt om elk van de cellen in een afbeelding D te kleuren. Hier zijn de getallen als een eenvoudige vector in rij- / kolomvolgorde: 1 3 0 0 1 12 8 0 1 4 3 3 0 2 0 2 1 7 4 1 5 4 2 2 0 3 1 2 2 2 2 3 0 5 1 9 3 3 3 4 5 0 8 0 2 4 3 2 8 4 3 2 2 7 2 3 2 10 1 5 2 1 3 7 https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/b/b7/The_use_of_a_raster_data_structure_to_summarize_a_point_pattern.gif/220px-The_use_of_a_raster_data_structure_to_summarize_a_point_pattern.gif Een raster gebruiken om een puntenpatroon samen te vatten. Ten slotte is hier een run-length gecodeerde weergave van het raster, dat 55 posities heeft: waarden: 1 3 0 1 12 8 0 1 4 3 ... lengtes: 1 1 2 1 1 1 1 1 1 2 ... Dit proces resulteert duidelijk in een verlies van informatie , van de echt gewaardeerde coördinaten van de punten, via de gehele celtellingen tot de ordinale kleuren, maar er zijn ook voordelen: • De datastructuur is meestal compacter, • Het raster is gemakkelijk te visualiseren en • Het kan worden gerelateerd aan andere rasters, op voorwaarde dat de locaties en resoluties goed zijn samengevoegd . In computergraphics is een rastergrafiek of bitmapafbeelding een gegevensstructuur met puntmatrix die een algemeen rechthoekig raster van pixels ( kleurpunten ) vertegenwoordigt, dat kan worden bekeken via een monitor , papier of ander weergavemedium. Rasterafbeeldingen worden opgeslagen in afbeeldingsbestanden met verschillende formaten. Een bitmap is een rechthoekig raster van pixels, waarbij de kleur van elke pixel wordt gespecificeerd door een aantal bits. Er kan een bitmap worden gemaakt voor opslag in het videogeheugen van het beeldscherm of als een apparaatonafhankelijk bitmapbestand. Een raster wordt technisch gekenmerkt door de breedte en hoogte van de afbeelding in pixels en door het aantal bits per pixel (of kleurdiepte , die het aantal kleuren bepaalt dat het kan vertegenwoordigen). De grafische en prepress- industrie kennen rasterafbeeldingen als contones (van "continue tonen "). Het tegenovergestelde van contones is "lijnwerk" , meestal geïmplementeerd als vectorafbeeldingen in digitale systemen. Vectorafbeeldingen kunnen door software worden gerasterd (omgezet in pixels) en vectorafbeeldingen worden gerasterd (rasterafbeeldingen omgezet in vectorafbeeldingen). In beide gevallen gaat bepaalde informatie verloren, hoewel vectoriseren ook bepaalde informatie kan herstellen naar machineleesbaarheid , zoals gebeurt bij optische tekenherkenning . In een rasterbestand wordt als 0 punt de linker bovenhoek vastgelegd en niet de linker onderhoek! (bron: Wikipedia)  
(bron: Aquo) <br/> <br/> Een ruimte, uitgedrukt in honderdsten graden tussen de positieve y-as van het grid en de lijn door het nulpunt van het grid en het geografische noorden. (bron: DIV)  +
Een gridpunt of rasterpunt is een eenduidige geografische plaatsbepaling van een punt waarbij gebruik wordt gemaakt van een lokaal coördinatenstelsel, zijnde het rekennetwerk of het RD-stelsel meestal in combinatie met het NAP stelsel.  +
(bron: Woordgebruik bij Waterschappen, C. Euser, Heemraad Waterschap Ijsselmonde, 1985 / Aquo) <br/> <br/> Een griend of ham is een stuk land dat niet geschikt is voor akkerbouw, veeteelt of tuinbouw, maar wel voor het verbouwen van wilgenhout. Een griend of ham is een vochtige akker waarop wilgenhout wordt verbouwd. Grienden werden tot ca 1960 op grote schaal geëxploiteerd, daarna nam de vraag naar griendhout sterk af zodat veel grienden niet meer werden onderhouden. Soms kregen ze de status van natuurgebied. De herintroductie van de bever in Nederland was een poging om tot een natuurlijk beheer van de grienden te komen. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Structuurschema Oppervlaktestoffen deel 3, kabinetsstandpunt, 1995 (aangepast) / Aquo) <br/> <br/> Grind is een granulair ('korrelig') afzettingsgesteente. De korrels zijn grover dan zand en fijner dan steen. <br/> In Nederland is de classificatie van korrelgrootteklassen vastgelegd in NEN 5104. Voor grind zijn verschillende definities: * Een granulair (korrelig) afzettingsgesteente dat bestaat uit meer dan 30% korrels ≥ 2 millimeter in de minerale fractie. * Een granulair afzettingsgesteente waarvan de afgeronde korrels een mediane grootte hebben ≥ 2 en < 63 millimeter. <br/> Grind, brokjes kwarts, door slijtage en afschuring in het Diluvium ontstaan, gewoonlijk te vinden op heidevelden en in rivierbeddingen, vermengd met grof zand. Gebruikt voor de verharding van wegen, het aanmaken van beton, het vormen van een onderlaag, zoals bij Romeinse villa’s in Limburg. (Haslinghuis) Niet aaneengekit gesteente, als vergruisde natuursteen in de ijstijden met de gletsjers meegevoerd of bezonken uit rivierwater. Meestal afgerond. Oudtijds gebruikt in kistwerk. Sedert XIX als grove toeslag gebruikt in beton. De grootte varieert van 5 tot 80 mm. (Haslinghuis)  +
Kleine landschapselementen, met name de groen-blauwe dooradering, bepalen in sterke mate de identiteit van de landschappen. De groene dooradering van bomen en struiken is vooral kenmerkend voor de zandgebieden. De blauwe dooradering karakteriseert vooral de laagveengebieden en het zeeklei- en rivierengebied. Toestand <br/> De groen-blauwe dooradering van het landschap is het netwerk van halfnatuurlijke landschapselementen die het landelijk gebied doorsnijden. De groene dooradering wordt gevormd door elementen met een droog karakter zoals bomenrijen, kleine bosjes, houtwallen, heggen en singels, dijken en wegbermen. De blauwe dooradering wordt gevormd door de elementen met een nat karakter als beken en sloten met hun moerassige oevers. De groene en blauwe dooradering is van groot belang voor de natuurkwaliteit van het landelijk gebied. Groene dooradering <br/> Bomenrijen met alleen grasondergroei zijn vooral langs wegen te vinden. Ze zijn karakteristiek in de landschappen van zandgronden en veenkoloni'n, en in enkele zeekleigebieden zoals Zeeuws-Vlaanderen, waar de bomenrijen op de dijken het patroon van de inpolderingen accentueren. Heggen en singels, lijnvormige opgaande begroeiing be-staande uit struiken, vrijwel zonder hoge bomen, zijn vooral te vinden in het grensgebied van Groningen en Friesland, de Gelderse vallei en op Walcheren en Zuid-Beveland. In de uiterwaarden van de grote rivieren zijn de meidoornheggen kenmerkend. Houtwallen, lijnvormige beplanting met struiken en bomen op een wal aangelegd, zijn kenmerkend voor de zandgronden. In de veengebieden zijn wallen aangelegd en met struiken en bomen beplant, de zogenaamde kaden. Kleine bosjes zijn in heel Nederland te vinden, maar het meest in het zuiden en oosten van het land. Blauwe dooradering <br/> De dichtheid aan sloten is het grootst in de laagveengebieden en de noord-westelijke zeekleigebieden. Vooral in de veenweidegebieden bepaalt het dichte slotenpatroon de identiteit.  +
De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1836 gepubliceerd door Eduard Friedrich Eversmann. <br/> Het achterlijf is donker met een mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. De zijkant van het borststuk is geheel groen, met slechts zeer dunne zwarte naadstrepen. De schouderstrepen zijn breed en groen. Op het kopschild zit een zwarte “T-vlek” met zeer dunne steel. De vleugels hebben een gele tint. Het mannetje heeft blauwe ogen en blauwe vlekken op het achterlijf. De basis van het achterlijf en het grootste deel van het borststuk zijn groen. Bij het vrouwtje zijn alle lichte delen groen. Het 2e achterlijfssegment is grotendeels groen, met een ingesnoerde donkere vlek in het midden (bovenaanzicht). Het vrouwtje heeft geen gele spijkervormige vlek. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 65 en 75 millimeter. De larve is 39–46 mm lang: het is een vrij grote en brede glazenmaker. De larvenhuidjes zijn te vinden op de bladeren van de krabbenscheer die boven het water uitsteken.  +
Dient voor waterafvoer bij hoge rivierafvoeren. (bron: CHO (324) / Aquo) <br/> <br/> Een strook land deel uitmakend van het winterbed en vrijgehouden van stroombelemmeringen, dienende tot waterafvoer bij hoge afvoeren. (bron: DIV)  +
Iedere groenbeheerder kan zijn eigen groentypen die hij wil onderscheiden, vastleggen. (bron: Adventus Groen / Aquo)  +
(bron: Adventus Groen / Aquo)  +
(bron: Opstellen van een objectenboom) Rol van een verzameling in de groeperingsrelatie. (bron: Regels voor informatiemodellering van de gebouwde omgeving – Deel 1: Conceptuele modellen) / ABDL)  +
Voorbeeld: EOX (extraheerbare organohalogeenverbindingen) (bron: Indicatief Meerjarenprogramma Water 1985-1989, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1984. / Aquo)  +
Oppervlakte van de planeet aarde.  +
Het niet verweerde vaste materiaal noemt men gesteente. Het verweringsproces is een gevolg van de inwerking van vorst en dooi (afwisselend bevriezend en ontdooiend water in rotsspleten), en van zon, regen en wind op rotsgesteente, die uiteindelijk tot breuken in het rotsgesteente leidt. Stukken rots komen hierdoor los, rollen naar beneden, waarna de kleinere delen worden meegevoerd door rivieren richting rivierdelta. Door verdere slijtage ontstaan steeds kleinere delen, achtereenvolgens grind, zand en tenslotte slib: de minerale bestanddelen van de bodem. Veen ontstaat door het afsterven en rotten van planten onder water in zuurstofarme omstandigheden. Humus ontstaat door biologische afbraak van dode planten in zuurstofrijke 'terrestrische' omstandigheden (op het land). Veen en humus vormen het organische bestanddeel van de bodem. <br/> Grond bestaat, naast water (bodemvocht) en lucht, uit een of meerdere van de volgende materialen: <br/> <br/> mineraal: * zand * silt * lutum <br/> organische stof: * humus * veen <br/> Ongeconsolideerd materiaal op het aardoppervlak dat ontstaat door de verwering van gesteente en dat deel van het aardoppervlak dat planten in leven kan houden.  +
(bron: Prisma Technisch woordenboek, ir. H. Damerau / Aquo)  +
Wanneer een duiker wordt belast door lokale belastingen zoals verkeersbelastingen, dan dient er voldoende gronddekking aanwezig te zijn om deze belastingen te spreiden en te dempen. (bron: Hunze en Aa's) <br/> <br/> Dikte van de grondlaag die boven kabels en buizen wordt aangebracht ter bescherming tegen verkeersbelasting en klimaatinvloeden vooral vorst. (bron: CROW kennisplatvorm) <br/> <br/>  +
Grondspanning is de druk van de korrels op elkaar (korrelspanning) en de druk van van het water op de korrels (de waterspanning)  +
IJskristallen ontstaan meestal om zwevende deeltjes, aan uitstekende bodemdelen enz. (bron: CHO (577) / Aquo) <br/> <br/> Grondijs of ankerijs is een verzamelnaam voor een verschijnsel waarbij ijs vanaf de bodem in relatief ondiep water omhoog komt drijven. Een alternatieve verklaring is dat er nabij de bodem zich watermassa's of bellen bevinden die kouder dan 4° Celsius worden en zelfs onderkoeld raken. Omdat deze onderkoelde watermassa's of bellen lichter zijn dan het omringende 4 °C water gaan deze onderkoelde waterbellen opstijgen naar het oppervlak. Op het moment dat deze waterbellen aan de oppervlakte komen spreiden de onderkoelde waterbellen zich uit als een lelieblad en bevriezen terstond. De kenmerkende vorm die het dan aanneemt is een relatief ronde vorm met opstaand randje. Dit verschijnsel wordt ook wel "pannenkoekenijs" genoemd. Dit pannenkoekenijs vriest aan het oppervlak dan weer aan elkaar. Kenmerkend is dat bij de vorming van grondijs een meer zoals het IJsselmeer zeer plotseling dicht kan vriezen. Grondijs en pannenkoekenijs komt ook voor in Nederland bij strenge winters. Als alle waterbellen aan het oppervlak komen kan het pannenkoekenijs dus zeer snel aaneen vriezen. Dit laatste is zeer kenmerkend voor het noordelijk en zuidelijk deel van het IJsselmeer. (bron: Wikipedia)  +
Een grondkerende constructie is de oplossing om hoogteverschillen in het maaiveld te overbruggen als er geen ruimte is voor een natuurlijk talud. Bijvoorbeeld in een stedelijke omgeving, als het esthetisch ontwerp daarom vraagt of bij weinig werkruimte bij bouwprojecten vlak langs wegen, spoorlijnen of gebouwen. Ook langs de randen van een bouwput zijn grondkerende constructies noodzakelijk.  +
(bron: Prisma Technisch woordenboek, ir. H. Damerau / Aquo)  +
Grondmechanica is de wetenschap die zich bezighoudt met de stabiliteit van grondstructuren als deze belast worden. Grondmechanica is "de wetenschap van het evenwicht en de beweging van lichamen die bestaan uit grond". Onder grond wordt daarbij verstaan het verweerde materiaal waaruit de bovenste lagen van de aardkorst bestaan. Het niet-verweerde materiaal wordt rots genoemd. De theoretische en toegepaste grondmechanica kwam in het begin van de 20e eeuw in een stroomversnelling door een aantal omvangrijke afschuivingen van dijklichamen e.d.  +
(bron: Leidraad Toetsing / Aquo / DIV)  +
Voorbeeld van gebruik: sondeerweerstanden, grondsoorten, weerstandgegevens grondlagen, samendrukbaarheid van de lagen.  +
Grondmorenes bestaan vaak uit allochtoon materiaal, maar lokale omgewerkte sedimenten kunnen ook voorkomen. In Nederland wordt de term keileem gebruikt voor grondmorene. Deze keileem is bijvoorbeeld te vinden in de provincie Drenthe en langs de flanken van stuwwallen, zoals de Utrechtse Heuvelrug. Ze zijn gevormd tijdens het Saalien, het voorlaatste glaciaal. In de keileem zijn veel zwerfstenen uit Scandinavië te vinden, die bestaan uit granieten metamorf gesteente.  +
(bron: ABDL / Wikipedia)  +
Bron CHEOBS  +
(bron: Circulaire kantoor- en leeromgeving - Deel 1: Definities, code: 3.30) <br/> <br/> Basismateriaal dat in een proces wordt gebruikt om goederen, energie, producten of halffabricaten te maken (bron: Lexicon Circulair Bouwen / ABDL) <br/> <br/> Grondstoffen zijn materialen die in een proces gebruikt worden om iets te maken of te fabriceren. Specifiek natuurlijke grondstoffen zijn stoffen die in de natuur gevonden worden, zoals vruchtbare aarde, olie, mineralen, hout en andere gewassen. In productieprocessen kunnen ook niet-natuurlijke grondstoffen gebruikt worden: dit wordt ook wel een halffabricaat genoemd. De aanwezigheid van natuurlijke grondstoffen in een land is vaak bepalend voor de rijkdom. De OPEC-landen met hun veelal grote voorraden olie zijn hier een voorbeeld van. De laatste jaren blijkt dat grondstoffen steeds schaarser worden, bijvoorbeeld: (zoet) water, zand, aardolie, aardgas, steenkool en metaalerts. Het is van belang dat economieën zo min mogelijk afhankelijk zijn van eindige grondstoffen en zich richten op hernieuwbare grondstoffen. Zo zal hout, mits verstandig beheerd, niet opraken. (bron: Wikipedia)  +
(Bron: Joost de Vree) <br/> <br/> Ingreep in het profiel van de bodem om de grond geschikt te maken voor de functies die hij moet vervullen (bv draagvermogen, drainage en groeivermogen) (bron: Nomenclatuur van weg en verkeer) Ondergrond verbeterd met veen of klei om het draagvermogen van de grond te verhogen. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OBI0112) <br/> (Bron: ABDL) Ingreep in het profiel van de bodem om de grond geschikt te maken voor de functies die hij moet vervullen (bv draagvermogen, drainage en groeivermogen) (bron: Nomenclatuur van weg en verkeer) altDef: Ondergrond verbeterd met veen of klei om het draagvermogen van de grond te verhogen. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OBI0112) Een uitgebreide lijst van technieken waarmee grondverbetering kan plaatsvinden van wat nauw mee samenhangt. * a. verticale afwatering * b. zand- of grindpalen * c. geotextiel ommantelde zandkolommen * d. onderheide zettingsvrije plaat * e. onderdruk consolidatie * f. oppervlakte verdichting * g. diepteverdichting <br/> <br/> Gewapende grondtechnieken: * a. grondvernageling ** al dan niet gegroute stalen ankers ** al dan niet gegroute polymere ankers <br/> <br/> * b. wapenen: ** geogrids (kunststof) ** draadgaas hanen (staal) ** strippen / vezels (kunststof / staal) <br/> <br/> Injectietechnieken: * a. bodeminjectie (permeatievoegen) * b. jetgrouten (jetgrouting, VHP, HDI) * c. voorzien van grouten ** grondscheurend grouten ** grondverdringend grouten (verdichtingsgrouten) <br/> <br/> Mechanische grondmenging: * a. droog mechanisch mengen, bv. mengen met zand van cement of kalk * b. nat mechanisch mengen <br/> <br/> Vriestechnieken: * a. pekel / gesloten vriessysteem * b. stikstof / open vriessysteem. <br/> <br/> Paalmatrassen: <br/> Verdere grondverbetering op door grondvervanging : soms tot de aanwezige zandlaag die voldoende draagkracht geeft ; deze methode wordt toegepast bij fundering op staal - Kleemzand kan het vervangen van klei en leem door zand vermijden . "Klemzand" heeft een speciale fabriek (installatie) gebouwd, die plastische en elastische gronden kan verwerken tot een volwaardige zandvervanger."  
www.omgevingsweb.nl  +
Water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap door de Wet met het beheer over dat grondwater is belast. (Bron: NEN 6599/Aquo) <br/> <br/> Grondwater is al het water dat zich in de ondergrond, in bodems en gesteenten bevindt. Meestal is dit water afkomstig van neerslag, nadat het op het oppervlakte belandt infiltreert het direct of indirect (na zich eerst in meren of rivieren te hebben bevonden). Grondwater afkomstig van neerslag wordt meteorisch water genoemd. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Water dat een onderdeel van de bodem vormt en waarbij geen grensvlak met de atmosfeer te onderscheiden valt. (bron: DIV)  +
(Bron: (Hy)DAMO)  +
(Bron: (Hy)DAMO)  +
(Bron: (Hy)DAMO)  +
Een bufferzone rondom een waterwingebied. Het beschermingsniveau is iets lager dan in een waterwingebied en er gelden minder verboden. (bron: Helpdesk Water)  +
Afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen. (bron: Omgevingswet (Herleidbare geconsolideerde versie)) <br/> <br/> altDef: Samenhangende grondwatermassa; (bron: Waterwet) prefDef: Afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen. (bron: 2000/60/EG)  +
Een vergelijkbaar instrument is de peilbuis, maar deze heeft een iets andere functie. <br/> <br/> In het kader van het project Water in de Peiling zijn op tientallen plaatsen in Nederland grondwatermeters geplaatst. Bij de meters staan borden met toelichtingen die de werking van het instrument verklaren en men kan aflezen of de grondwaterwaterstand te hoog is (natte voeten), of te laag (verdroging). Afhankelijk van de plaats heeft elk instrument een andere schaalverdeling. De educatieve grondwatermeter is een project uit 1999 van de kunstenaar Martin Borchert.  +
Daar de berekeningen in wiskundige grondwatermodellen zijn gebaseerd op stromingsvergelijkingen van grondwater die vaak alleen oplosbaar zijn met numerieke methoden, worden deze modellen ook wel wiskundige of numerieke grondwatermodellen genoemd. <br/> Voor de berekeningen zijn invoergegevens nodig zoals: * geometrische gegevens (afmetingen) * hydrologische gegevens (neerslag, verdamping, oppervlakte afvoer enz.) * operationele gegevens (irrigatie, drainage, grondwateronttrekking) * externe voorwaarden (initiële en randvoorwaarden) * hydraulische parameters (porositeit, doorlatendheid) Het model kan ook chemische componenten bevatten zoals bodemzouten en chemische vervuiling. <br/> De toepasbaarheid van een grondwatermodel hangt af van de betrouwbaarheid van de invoergegevens. Veel parameters zijn variabel van plaats tot plaats en daardoor niet gemakkelijk te bepalen. Door het model te calibreren is het mogelijk de grootte van onzekere parameters te bepalen door de waarden systematisch te variëren en de respectieve modeluitkomsten te toetsen aan gegevens waarover meer zekerheid bestaat en daarna die waarden van de onzekere parameters te accepteren die het beste uit de toets tevoorschijn komen. <br/> Er bestaan 1-, 2-, en 3-dimensionale modellen en daarnaast zijn er semi-driedimensionale modellen, vereenvoudigingen van de gecompliceerde 3-dimensionale modellen. * Een-dimensionale modellen kennen stroming in slechts één richting. Zij worden vaak gebruikt voor verticale stroming in een systeem van horizontale bodemlagen, bijvoorbeeld infiltratie. * Twee-dimensionale modellen worden onder meer toegepast in een systeem van verticale vlakken waarbij de stroming binnen een vlak elke richting kan aannemen tussen horizontaal en verticaal, terwijl de stroming in elk verticaal vlak identiek is, zoals in het drainagemodel dat gebruikt is voor de formule van Hooghoudt. * Drie-dimensionale modellen zoals ModFlow vereisen een "discretisatie" van het gehele stromingsdomein, waarbij het domein wordt onderverdeeld in kleinere elementen of cellen. Binnen elke cel hebben de bodemparameters een constante waarde, maar zij kunnen van cel tot cel variëren. De grondwaterstroming in een driedimensionaal model kan elke willekeurige richting aannemen. <br/> <br/> Er zijn twee soorten semi-driedimensionale modellen: * Radiale modellen die bestaan uit twee-dimensionale modellen in radiale vlakken die elkaar in een centrale as snijden. Het stromingsbeeld herhaalt zich en elk radiale vlak. Deze modellen hebben geen discretisatie nodig en kunnen dus ook continue modellen worden genoemd. * Prismatisch gediscretiseerde modellen * Radiale modellen Een voorbeeld van een niet gediscretiseerd radiaal model is de beschrijving van de grondwaterstroming naar een diepe put in een netwerk van putten waardoor grondwater wordt onttrokken. * Prismatische modellen Prismatisch gediscretiseerde modellen als SahysMod kennen een tweedimensionaal netwerk over het landoppervlak, dat kan bestaan uit driehoeken, vierhoeken of polygonen. Het stromingsdomein is daardoor verdeeld in verticale prisma's, die weer onderverdeeld kunnen zijn in diverse horizontale lagen, welke in elke polygoon op verschillende hoogte kunnen liggen. De grondwaterstroming tussen de polygonen wordt berekend met een numerieke oplossing van de twee dimensionale "Dupuit-Forchheimer" stromingsformule. In een horizontaal vlak kan de stroming elke richting aannemen. De verticale stroming wordt berekend met de eendimensionale stromingsvergelijking van Darcy, of afgeleid van een waterbalans.(Bron: Wikipedia)  
Punt, vlak. Door het waterschap kan gekozen worden welk grafisch primitief het meest past bij de onttrekking. Bron: UIVO-W Onttrekkingen van grondwater door drinkwaterleidingbedrijf, industrie, agrariërs en op bouwlocaties, bij de bouw van tunnels, bodemsanerigen enz.  +
Dit water kan worden gebruikt voor verschillende doeleinden, zoals drinkwater, irrigatie, industriële processen, of het aanvullen van oppervlaktewater. Het onttrekken van grondwater moet vaak worden gereguleerd en vergund door lokale autoriteiten om negatieve effecten op het grondwatersysteem te voorkomen. (bron: HEA)  +
Bron: UIVO-W. <br/> <br/> Het onttrekken van vervuild grondwater met als doel de verontreinigde bodem te reinigen en het vervuilde grondwater te verwijderen. (bron: Waterschapsverordening)  +
(bron: Aquo)  +
De absolute waterdruk is dan gelijk aan de druk van de atmosfeer.  +
Grondwater is het water dat zich tussen de vaste deeltjes in de ondergrond (zand, klei, silt, veen, leem) bevindt. Deze ruimten tussen bodemdeeltjes heten poriën. Wanneer poriën zijn gevuld met water, heet dit grondwater. Het hoogste niveau van het grondwater wordt de grondwaterspiegel genoemd. Boven de grondwaterspiegel komt ook water voor. Op deze diepte zijn echter niet alle poriën gevuld met water, dit water heet bodemvocht. De aanvulling van het grondwater in Nederland wordt voornamelijk bepaald door neerslag en verdamping.  +
Een grondwatertrap geeft een indicatie van de absolute grondwaterstand en de fluctuatie hiervan. De trappen zijn gedefinieerd op basis van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (vaak afgekort als GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De gemiddeld hoogste grondwaterstand geeft een indicatie van de grondwaterstand in de winter over een langere periode. Andersom geeft de gemiddeld laagste grondwaterstand een indicatie van de grondwaterstanden in de zomer. Grondwatertrappen worden aangegeven met Romeinse cijfers, waarbij een hoger getal aangeeft dat het grondwater overwegend dieper onder maaiveldstaat.  +
Elk begrip dat een kwalitatieve uitspraak over een kenmerk van een entiteit bevat dat op een numerieke schaal geordend en gemeten kan worden. Voorbeelden: lengte, volume, massa, snelheid, concentratie, golfhoogte. (bron: Van Dale Groot Woordenboek voor de Nederlandse Taal. Geerts, G. en H. Heestersmans (red.). Van Dale Lexicografie, Utrecht, Antwerpen, gewijzigd / Aquo) <br/> <br/> Een grootheid is een kwantificeerbare eigenschap van een entiteit. Belangrijke voorbeelden zijn natuurkundige grootheden en grootheden gerelateerd aan geldbedragen. Een voorbeeld van een grootheid is de lengte van een bepaalde stok. De dimensie van deze grootheid is lengte. Grootheden kunnen met vermenigvuldigen en delen gecombineerd worden tot nieuwe grootheden. Analoog aan grootheden kunnen dimensies met vermenigvuldigen en delen gecombineerd worden tot nieuwe dimensies. "Dimensieloosheid" kan worden opgevat als eenheidselement van dimensie, zodat toch iedere grootheid een dimensie heeft. Vaak worden per dimensie bepaalde grootheden met die dimensie, die bij voorkeur gemakkelijk in elkaar kunnen worden omgerekend, gebruikt als meeteenheid of kortweg eenheid. Bij het SI-stelsel zijn dit voor de dimensie lengte bijvoorbeeld de meter en daarvan afgeleid onder meer de kilometer en de centimeter. Een grootheid wordt dan uitgedrukt als het product van een dimensieloze grootheid (de numerieke waarde van de grootheid bij de gebruikte eenheid), en deze eenheid met dezelfde dimensie als de grootheid. Een dimensieloze grootheid zou zo worden uitgedrukt in het product van twee dimensieloze grootheden, maar kan gewoon als getal worden uitgedrukt. Dit komt neer op het stilzwijgend gebruiken van de triviale eenheid 1. Er kan echter ook een niet-triviale dimensieloze eenheid gebruikt worden, zoals procent (0,01); deze eenheid wordt vaak gebruikt bij een dimensieloze verhouding. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Getalsmatig uit te drukken begrip, bijvoorbeeld bij een lengte of een elektrische stroom. Zo'n grootheid wordt uitgedrukt in een passende eenheid: de lengte bijvoorbeeld in meters, de stroomsterkte in ampères. De samengestelde grootheid snelheid heeft de dimensie lengte/tijd en wordt uitgedrukt in bijvoorbeeld meters/seconden. In de zuivere wiskunde werkt men vaak met onbenoemde grootheden die geen dimensie bezitten en meestal door letters worden aangeduid. (bron: Cultureel Woordenboek.nl)  
De plant wordt gezien als een invasieve soort voor België en Nederland. De soort mag daarom in Nederland niet worden verkocht door tuincentra. De plant werd in Nederland voor het eerst waargenomen in 1994 en staat erom bekend om in een hoog tempo watergangen te laten dichtgroeien, waardoor de doorstroming van water niet meer mogelijk is en de leefomgeving in het water wordt bedreigd door zuurstofgebrek. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (het Coördinerend Orgaan Invasieve Exoten) is bezig met het opstellen van een zwarte lijst. De plant is op jonge leeftijd vaak moeilijk te onderscheiden van de gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris) en komt daarom soms ongemerkt mee in plantenbakken in tuincentra.  +
Voor aardobservatie-instrumenten definiëren we de Ground Sampling Distance (GSD) als de geometrische scheiding van opeenvolgende pixels op de grond. Deze afstand is recht evenredig met de orbitale hoogte van de satelliet en de pixelgrootte van het instrument, terwijl omgekeerd evenredig is met zowel de brandpuntsafstand. In een afbeelding met een GSD van één meter zijn aangrenzende beeldlocaties met pixels 1 meter uit elkaar op de grond. GSD is een maat voor één beperking van de ruimtelijke resolutie of beeldresolutie , dat wil zeggen de beperking vanwege bemonstering. GSD wordt ook wel op de grond geprojecteerd monsterinterval (GSI) of op de grond geprojecteerd ogenblikkelijk gezichtsveld (GIFOV) genoemd.  +
(Bron: CHEOBS) <br/> <br/> Een groutanker is een verankeringselement, bestaande uit een staaf die aan het uiteinde over een lengte van 4 tot 6 m in een cilinder van grout wordt ingebed. Deze dient voor het opnemen van trekspanningen, voortkomend uit damwanden, kademuren, landhoofden etc. Het systeem bestaat uit een in de grond gevormd blok beton, dat zich in een zandlaag bevindt, en dat wordt verbonden met een voorspanstaaf of een stalen streng. Het anker krijgt trekkracht door de schuifspanning tussen het grout en omliggende grondlaag. Hierbij wordt een holle buis door middel van een trilblok of een vijzel in de grond gebracht. Er wordt een ankerstaaf of -streng ingeschoven en vervolgens wordt in plaats van de boorbuis een watercement mengsel onder hoge druk in de grond geïnjecteerd. Het groutlichaam heeft over het algemeen een diameter van 110 of 135 mm, afhankelijk van de diameter van de boorbuis. Ankers worden onder een hoek in de grond geplaatst. Meestal tussen de 25 en 45 graden, en daarbij is het de bedoeling dat het groutlichaam in een zandlaag wordt geïnjecteerd, die als stijf wordt beschouwd. Groutankers zijn relatief slap, daarom worden ze voorgespannen alvorens de belasting er werkelijk op wordt losgelaten. Groutankers zijn effectief tot hart op hart afstanden van 1,5 meter. Per anker kan er over het algemeen, tot 600 kN aan trekkracht worden opgenomen. Dit is afhankelijk van de bodemopbouw en de injectiediepte. Gebruik: * Grondverankering * Waterkerende constructies (damwanden, kaaimuren, etc.) <br/> (Bron: Wikipedia)  +
h
Dit is een autecologisch begrip. (bron: Ringelberg, J., Aquatische oecologie, in het bijzonder van het zoete water. Bohn, Scheltema en Holkema, Utrecht, 1976. / Aquo) <br/> Een habitat omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. Op deze plekken voldoen zowel biotische als abiotische factoren aan de minimale levensvoorwaarden van betreffend organisme, dat wil zeggen dat deze factoren binnen de toleranties van dat organisme blijven. Hierdoor kan het op deze plaatsen overleven, groeien en zich voortplanten. In de vegetatiekunde gebruikt men voor plantensoorten en voor plantengemeenschappen in plaats van 'habitat' gewoonlijk de term standplaats in plaats van 'habitat'. Het begrip habitat wordt vaak verward met het begrip biotoop. Een biotoop beschrijft het geografische gebied waar een organisme leeft, terwijl een habitat uitgaat van de biotische en abiotische eisen van het organisme. Voorbeeld: In het biotoop bos is de bodem de habitat voor de pissebed. De habitat van gewone dophei (Erica tetralix) wordt gekenmerkt door voedselarme, zure, en vochtige tot ronduit natte omstandigheden. De habitat van de grote brandnetel (Urtica dioica) kenmerkt zich door stikstofrijke bodems. (bron: Wikipedia) Geheel van eisen die een soort stelt aan zijn leefgebied (bron: Leidraad faunavoorzieningen bij infrastructuur) Geografisch gebied gekenmerkt door specifieke ecologische omstandigheden, processen, structuur en functies die de organismes die daar leven fysiek ondersteunen. (bron: INSPIRE Register) Het leefgebied voor soorten binnen het object Ecopassage. (bron: Stelsel RWS Basisspecificaties) Leefgebied van een soort. (bron: Aquo Lex en Objectencatalogus) Plaats waar een bepaald organisme voorkomt, doordat die plaats voldoet aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voort te kunnen planten. (bron: Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016 - 2021) Plaats waar een bepaald organisme voorkomt, doordat die plaats voldoet aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voort te kunnen planten. (bron: Helpdesk Water) (soort) door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft; (bron: Wet natuurbescherming)  
(bron: Aquo)  +
Deze quarks worden door onderlinge uitwisseling van gluonen bijeen gehouden. De naam is afgeleid van het Griekse hadros, dat sterk betekent. Dit omdat de gluonen de sterke kernkracht vertegenwoordigen. <br/> <br/> Er zijn twee categorieën hadronen: * Baryonen (zoals protonen en neutronen). Deze bestaan uit drie quarks, hebben een halftallige spin en zijn dus fermionen. * Mesonen (zoals pionen en kaonen). Deze bestaan uit een quark en een antiquark, hebben een heeltallige spin en zijn dus bosonen. <br/> (bron: WIkipoedia)  +
Toepassing binnen het waterschap: Gebruik: Halfaxiale pompen worden ingezet in gemalen, rioolwaterzuiveringsinstallaties en andere waterbeheersystemen waar een balans nodig is tussen capaciteit en drukopbouw. <br/> Geschikt voor: Het verpompen van grote hoeveelheden water, zoals oppervlaktewater, influent of effluent, met een matige opvoerhoogte. <br/> <br/> Voordelen: Efficiënt bij wisselende belasting, compact ontwerp, geschikt voor natte en droge opstelling. <br/> <br/> Technische kenmerken: <br/> Stromingsrichting: Gemengd – deels axiaal, deels radiaal <br/> <br/> Constructie: Waaier met gebogen schoepen, vaak in spiraalvormig pomphuis <br/> <br/> Capaciteit: Tussen die van axiale en radiale pompen in. <br/> (bron: waterschap Hunze en Aa's)  +
De halogenen (IUPAC-groepsnummer 17, vroeger bekend als VIIa) of zoutvormers uit het periodiek systeem hebben als kenmerk dat hun buitenste schil zeven elektronen bevat. De elementen in de halogeengroep zijn: fluor, chloor, broom, jood, astaat en tennessine (tot 2016 was het ununseptium). De een na laatste (astaat) heeft alleen sterk radioactieve isotopen met halfwaardetijden van enkele uren, waardoor het onmogelijk is er een zichtbare hoeveelheid van te creëren. Omdat ze slechts één elektron hoeven op te nemen om de edelgasconfiguratie te bereiken, hebben ze oxidatiegetal −1. Halogenen zijn dan ook de sterkste oxidatoren (elektronenacceptoren). Vooral de lichtste in deze groep (fluor) is uiterst reactief. Omdat waterstof na het opnemen van één elektron een volledig gevulde buitenste schil krijgt, wordt dit element soms ook als halogeen beschouwd. Vanwege de andere niet-halogenide eigenschappen is het officieel geen halogeen. De naam halogeen komt van het Griekse "hals", dat "zout" betekent. Inderdaad vormen de halogenen gemakkelijk (goed in water oplosbare) zouten met veel metalen. Een bekend voorbeeld hiervan is natriumchloride, oftewel keukenzout. In een reactie van een halogeen met waterstof ontstaat HX, dat een zuur is. Naar beneden gaand in de groep is het gevormde zuur HX sterker. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Informatieplan Water 1987 / Aquo)  +
Handhaving bevat een preventief element (overleg, informatieoverdracht, stimulering etc.) en een repressief element (bestuurlijke waarschuwingen, bestuursdwang, opleggen en innen van dwangsommen, proces-verbaal, opleggen van boetes etc.) (bron: Aquo) <br/> <br/> Het door toezicht en het toepassen van (of dreigen met) bestuur(srechte)lijke en/of strafrechtelijke (sanctie)middelen bereiken dat de algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften worden nageleefd. Handhaving bestaat uit preventie, toezicht, opsporing en sanctionerend optreden. (bron: Besluit Handhavingsbeleidsplan Rijkswaterstaat) (bron: ABDL)  +
Elke activiteit die door (een) daartoe bevoegde instantie(s) wordt ondernomen naar aanleiding van een overtreding van een verbod of van een overtreding van voorschriften in ontheffing, Algemene Maatregel van Bestuur of vergunning. (bron: VROM, 1995: Gegevenswoordenboek milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1 juni 1995, pag. 109. / Zuiveringschap Limburg/Adventus / Aquo) <br/> <br/> Actie gericht op de naleving van de wet. <br/> Het toepassen van een handhavingsinstrument. <br/> De acties die gericht zijn op het doen naleven van normen en voorschriften die door het waterschap zijn gesteld. (bron: DIV) <br/>  +
(bron: DIV)  +
(bron: Aquo) <br/> Opzet om de naleving van voorschriften in WVO-vergunningen te waarborgen. (bron: DIV)  +
Een actie ter controle van de naleving van de rivierenwet, Wet 1891 of WVO. (bron: DIV)  +
De inhoud van een handleiding kan zijn: * hoe een product te assembleren; * hoe een product te repareren; * hoe een product te installeren; * hoe een product gebruikt dient te worden; * hoe een product te onderhouden; * hoe de instellingen van een product aangepast kunnen worden; * hoe storingen op te lossen; * hoe een product niet te misbruiken; * met wie contact op te nemen voor service.  +
Hangwater ontstaat bijvoorbeeld door een regenbui. (bron: Uit en thuisboek, Stichting het Limburgs Landschap, 1996 / Aquo)  +
De benaming stamt uit het verleden. Bij toevoeging van zeep aan water voelde het harde water ruwer aan op de huid tijdens het wassen. Vandaar de naam "hardheid". Deze wordt onder meer uitgedrukt in de equivalente concentratie van calciumcarbonaat (CaCO3). (bron: Nederlands Normalisatie-instituut, Water - Termen en definities. NEN 6599, 1e druk, januari 1991 - vertaald uit ISO 6107-2-4.14 / Aquo) <br/> <br/> De waterhardheid van water is een maat voor de concentratie van metaal-ionen, veelal magnesium- en calciumcarbonaat, maar ook bicarbonaten en sulfaten, in het water. Het meeste drinkwater bevat calcium dat bij verhitting neerslaat als calciumcarbonaat. Die neerslag wordt ook wel kalk, kalkaanslag of ketelsteen genoemd, verwijzend naar de aanslag in fluitketels. Water met een hoge waterhardheid veroorzaakt veel kalkaanslag en veroorzaakt daarmee schade aan verwarmingselementen, maar bemoeilijkt ook de werking van zepen. Dat laatste is terug te vinden in de doseringen voor de vaatwasser of de wasmachine. Waterhardheid is ook een belangrijke factor bij het houden van vis in een aquarium. Afhankelijk van waar een vissoort in de natuur voorkomt, is water van een bepaalde hardheid een vereiste om de dieren van een gezond leven te verzekeren. Dit geldt nog meer bij het kweken van vis. Water in het stroomgebied van de Amazone is erg zacht (1 dH of minder) terwijl Cichliden uit het Tanganyikameer aan hardheden van 28 dH gewend zijn.  +
De term wordt gebruikt als tegenhanger van software (programmatuur), maar het onderscheid tussen beide is niet altijd even gemakkelijk aan te geven. Voorbeelden van hardware zijn een computer (pc), laptop, personal digital assistant (pda), smartphone en tablet.  +
In tegenstelling tot vele programmeertalen die gebruikt worden voor software, bestaat de syntaxis van hardwarebeschrijvingstalen ook uit semantische constructies die tijd en gelijktijdigheid uitdrukken, iets wat men niet in de (gestandaardiseerde) programmeertalen als C en C++ tegenkomt. Hiermee wordt het mogelijk om naast combinatorische schakelingen ook sequentiële schakelingen te beschrijven. <br/> HDLs worden gebruikt: <br/> * om een formele beschrijving te geven van een elektronische schakeling. * om de designcyclus te versnellen. * omdat ze een gemakkelijke weg naar synthese bieden. * omdat ze een gemakkelijke weg naar simulatie bieden.  +
Een haven wordt als vaarweg beschreven, indien: * een haven qua ligging, vorm en/of attributen (zoals kunstwerken) niet beschreven kan worden met het puntgegeven haven en daarbij voor de beroepsscheepvaart van belang is (dus geen jachthaven), dan wordt deze haven als vaarweg beschreven met het karakter haven. In het andere geval bijv. bij een jachthaven moet toch gebruik gemaakt worden van het puntgegeven haven. * het een voorhaven is d.w.z. het is een toeleidingsgedeelte naar een sluis, waarin voorzieningen zijn aangebracht (wachtplaatsen) om veilig beschut te liggen tot men geschut kan worden. (Bron: Handboek vaarwegkenmerken/Aquo) <br/> <br/> Een beschutte wateroppervlakte waar vaartuigen kunnen laden en lossen of een ligplaats vinden. (bron: DIV)  +
(bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst / Aquo) <br/> <br/> Een havenhoofd is een in zee uitlopende pier van een haven[1] of het uiteinde van een havendam. Een havendam is een constructie die bedoeld is om een gedeelte van een groot water af te schermen zodat daarbinnen een beschutte plek ontstaat voor de schepen. Een havenhoofd als pier van een haven kan enkele tientallen meters tot meerdere kilometers de zee in lopen. Ze strekken zich uit vanaf land de zee in en zijn gebouwd om schepen veilig en rustig de haven in en uit te laten varen. Ze staan vaak aan twee zijden van de havenmond. Ze kunnen bestaan uit een zware stenen dam of een houten constructie. Deze houten constructie wordt een staketsel genoemd. Bij storm breken de strekdammen de hoge golven en de lengte van de pieren kan zodanig gekozen zijn dat de haveningang afgeschermd wordt voor golfslag en tegelijk ook om de ophoping van bagger tot een minimum te beperken. Op het uiteinde van een havenhoofd worden meestal havenlichten geplaatst, in de vorm van lichtopstanden en soms een vuurtoren. De woorden havenhoofd (of havendam) en golfbreker zijn bijna synoniemen. De term havenhoofd wordt vooral gebruikt als de nadruk ligt op geleiding van de stroming en de scheepvaart, terwijl golfbreker vooral gebruikt wordt als de nadruk ligt op het tegengaan van golfindringing. Niet alle golfbrekers zijn havenhoofden, kustparallelle golfbrekers die gebouwd worden om de kust tegen erosie te beschermen zijn duidelijk geen havendam. Anderzijds is bijv. de Pollendam bij Harlingen geen golfbreker. Het woord pier wordt vooral gebruikt voor een constructie waarover gewandeld kan worden. Soms is die speciaal voor dit doel gebouwd, zoals de Scheveningse pier of die van Brighton. Maar vaak kan ook over een havenhoofd gewandeld worden, havendammen worden daarom soms ook een pier genoemd. (bron: Wikipedia)  +
Hierdoor varieert ook de sensorhoogte ten opzichte van een bepaald reductievlak of de gemiddelde zeestand.  +
Een hectare is een afkorting van hecto-are ofwel 100 aren. Eén are heeft een oppervlakte van 10 m × 10 m = 100 m². <br/> Er gaan 100 hectare in 1 km². Een vierkante kilometer heeft een oppervlakte van 1 000 000 m². <br/> De hectare en de are bestaan als eenheidsmaat sinds de invoering van het metriek stelsel in 1816. Daarvoor hanteerde men begrippen als bunder en morgen (ongeveer gelijk aan een hectare), die berekend waren op basis van in die tijd geldende lengtematen zoals: een el, een voet, een roede, een duim. De afmetingen die daarmee werden aangeduid, verschilden van plaats tot plaats en van gebied tot gebied. Deze benamingen zijn alleen nog in gebruik in de lokale spreektaal. <br/>  +
De formele naam van een hectometerpaal is hectometerbord. Dit wegmeubilair wordt met een interval van 100 meter (hectometer) geplaatst, voornamelijk langs rijkswegen of provinciale weg en vaarwegen. Hoofddoel van de bordjes is positiebepaling. Hectometerpaaltjes zijn in Nederland voornamelijk in groen met witte letters uitgevoerd. De hectometrering van wegen loopt in de regel op van het begin van de weg tot het einde van de weg.  +
Brug, waarvan het brugdek verticaal verplaatst wordt. Het brugdek, bij een hefbrug het val geheten, blijft horizontaal en wordt verticaal omhoog gehesen om de scheepvaart doorgang te verlenen (met beperkte doorvaarthoogte). In de torens die aan weerszijden zijn gebouwd, hangen contragewichten, die naar beneden zakken als het dek omhoog gebracht wordt. Om te voorkomen dat het brugdek scheef omhoog getrokken wordt, met kans op klemmen en vastlopen, is er nog een systeem met rechthoudkabels aanwezig. Deze kabels lopen vanaf de punten van de torens naar beneden, over katrollen langs het brugdek naar de voet van de andere toren, waar ze zijn verankerd. Het nadeel van hefbruggen is dat ze altijd een beperking vormen in de doorvaarthoogte en vaak ook in de doorrijhoogte als de torens als portaal dwars over de weg of spoorlijn zijn uitgevoerd. Een basculebrug met kelder of draaibrug heeft deze beperkingen niet.  +
(bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/> <br/> Een hefdeur wordt met een ketting uit het water getild. Een contragewicht dat apart aan een kabel hangt reduceert de kracht op de aandrijfketting en dus ook op de motor. De deur wordt meestal geleid in een gleuf wat dus hetzelfde effect geeft als een schuifdeur op rails. De hefdeur is geschikt om water naar twee zijden te keren. Het voordeel van deze oplossing is dat er zich geen draaipunten of andere bewegende delen onder water bevinden, wat het onderhoud vergemakkelijkt. Het nadeel is dat dit de enige deur is, wat de hoogte van de vaartuigen die kunnen passeren beperkt. Nog een nadeel is dat wanneer de lading niet nat mag worden en de luiken van een schip open liggen, ze dichtgemaakt moeten worden omdat de deuren een regengordijn vormen waar het schip onderdoor moet. (bron: Wikipedia)  +
Het gevorderde bedrag. (bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo)  +
(bron: Adventus / Aquo)  +
Heien gebeurt met een heistelling door middel van het aanhoudend slaan met een heiblok of hydraulische-impacthamer op de kop van de paal of in de paal laten vallen van een valblok, of met een trilblok, welke door trillingen de paal of damwand de grond in drijft. Indien het heien niet goed uitgevoerd wordt, kan de heipaal kapotgeheid worden en kunnen trillingen in de omgeving veroorzaakt worden. Om het gevaar van het kapotheien van de paalkop te reduceren kan een mutsvulling gebruikt worden. Dit samendrukbare materiaal dempt de piek van de klap en verdeelt de kracht over een langere tijdsperiode. Mutsvulling wordt veelal uitgevoerd in hout of plastic. Een goede sondering van de bodem vormt de basis voor ieder heiwerk. Funderingspalen kunnen behalve geheid ook geschroefd of geboord worden. Alternatieven voor damwanden zijn drukken of trillen. Zowel van toepassing voor stalen als betonnen damwandprofielen. De aloude heitechniek met valblokken wordt nog op diverse manieren toegepast bij het heien van stalen damwanden. Dieselblokken met zuigergewichten van 500 kg tot 8000 kg worden het meeste gebruikt. Ook het stoomblok wordt bij bepaalde zware toepassingen nog steeds ingezet. Een nieuwe ontwikkeling is de hydraulische heihamer, waarbij het valgewicht met behulp van hydrauliek wordt bewogen. In deze categorie behoren ook perslucht gedreven hei- en trekhamers. Het gebruik hiervan in Nederland is zeer beperkt. Heiblokken en hamers zijn vrijwel alleen geschikt voor het inbrengen van damwandplanken en worden met name toegepast als werken met trilblokken niet (meer) mogelijk of wenselijk is. Ook bij deze technieken kan geluids- en trillingsoverlast een rol spelen.  +
In tegenstelling tot een boeggolf is een hekgolf in eerste instantie een golfdal, dat begint in de waterspiegelverlaging die achter een varend schip ontstaat (kielzog). De diepte van dit dal neemt toe met de snelheid, maar is ook afhankelijk van de vorm van de achtersteven: een stompe of zelfs rechte achtersteven geeft een dieper dal dan een spitse en/of geleidelijk uit het water oprijzende achtersteven. Een schip met een ideale stroomlijn geeft bij het varen een lage hekgolf. De horizontale hoek die een hekgolf (en ook de boeggolf) maakt met de bewegingsrichting van een schip is scherper bij hogere snelheid van het schip en stomper bij hogere voortplantingssnelheid van de golf over het water. De voortplantingssnelheid van de golf hangt weer af van de waterdiepte ter plaatse.  +
(Bron: www.lenntech.com / Aquo)  +
De hellingsgraad van een heuvel, helling, berg of rivier is gelijk aan het hoogteverschil Δh gedeeld door de horizontale afstand d maal 100%. (Δh/d)x100 Een hellingsgraad van 10% geeft aan dat tussen vertrek en eindpunt de weg 10 meter hoger ligt per 100 meter horizontaal afgelegde weg. Een andere maat voor de steilheid is de hellingshoek die het wegdek maakt met het horizontale vlak. De hellingsgraad is de tangens van de hellingshoek. Daar men in de praktijk de horizontale afstand (d) moeilijk kan meten vervangt men deze wel door de effectief gereden afstand (l). De hellingsgraad die we op deze manier berekenen is dus gelijk aan het hoogteverschil Δh gedeeld door de effectief afgelegde afstand l. In de wiskunde is deze gelijk aan de sinus van de hellingshoek. Deze twee rekenmethoden geven verschillende resultaten, doch het verschil is verwaarloosbaar bij kleine hellingshoeken. Bij bovengenoemd voorbeeld zal men (volgens de stelling van Pythagoras) circa 100,5 meter rijden over de horizontale afstand van 100 meter, zodat men een hellingsgraad van (10 / 100,5) × 100 ≈ 9,95% zal berekenen. Merk op dat een hellingsgraad van 100% niet beantwoordt aan een hoek van 90°, maar aan een hoek van 45° en dat een hellingsgraad van meer dan 100% dus mogelijk is.  +
Er zijn drie assen mogelijk (roll, pitch en yaw) waarvan in de regel alleen roll en pitch bepaald worden.  +
Helofyten zijn moerasplanten die wortelen in de bodem, maar met stengels en bladeren boven het wateroppervlak uitsteken, zoals riet en lisdodde. De wortels van de planten zorgen voor een prima leefomgeving voor bacteriën, die afvalstoffen uit het water halen. In mindere mate nemen ook de moerasplanten zelf afvalstoffen op. Zo worden bijvoorbeeld fosfaat en stikstof op natuurlijke wijze uit het water verwijderd. Een helofytenfilter of moerasfilter is een filter dat met behulp van helofyten afvalwater zuivert tot een kwaliteit die onschadelijk is voor het milieu. Helofytenfilters worden aangelegd om bijvoorbeeld vijvers of afstromend water van wegen te filteren. Ook het zuiveren van huishoudelijk afvalwater en ecologische zwemvijvers is mogelijk. De planten in helofytenfilters leveren zelf niet de grootste bijdrage aan de zuivering, dit gebeurt vooral door bacteriën die in de bodem leven. De planten zorgen wel in hoge mate voor een goed leefklimaat voor die bacteriën. Rondom de wortels van de planten leven talloze bacteriën die zuurstof nodig hebben. In vloeivelden en horizontaal doorstroomde filters werken de planten als een soort zuurstofpomp die via de wortels zuurstof onder het wateroppervlak inbrengen. De bacteriën zetten afvalstoffen uit het water om in voedingsstoffen voor zichzelf en voor de planten. Verder naar onderen in een helofytenfilter zijn bacteriën die zonder zuurstof leven actief. Deze voeden zich onder andere met de afvalstoffen van de zuurstofminnende bacteriën hoger in het filter. Zo wordt het water op een natuurlijke manier gezuiverd, zonder dat er stoffen behoeven te worden toegevoegd. Het zuiveringsrendement van helofytenfilters is hoog terwijl het energiegebruik laag is, hooguit dient het water eenmalig te worden opgepompt om goed over het filter verdeeld te worden. Dit laatste gebeurt met name bij verticaal doorstroomde filters waarbij de beluchting in belangrijke mate plaatsvindt door onderbrekingen in de bevloeiing. Op decentrale locaties zijn helofytenfilters een alternatief op communale zuiveringen. De kosten voor het aansluiten op de riolering kunnen hoger zijn dan de aanschaf van het relatief eenvoudige helofytenfilter. Er bestaan verschillende typen helofytenfilters. - Het simpelste type is het vloeiveld. Hierbij stroomt het (matig) verontreinigde water over de bodem van een moeras tussen de beplanting door. - Een iets ingewikkelder systeem is het horizontaal doorstroomd helofytenfilter. Hierbij zakt het verontreinigde water door de bodem langs de wortels van helofyten zonder in contact te komen met de buitenlucht. Dit type filter heeft als ondergrond vaak grof zand en grind. Per persoon is ongeveer 5 m² filter nodig. - Voor bijvoorbeeld huishoudelijk afvalwater wordt het verticaal doorstroomde helofytenfilter ingezet. Het vuile water zakt langs de plantenwortels in ongeveer één tot drie dagen, door een bassin, gevuld met fijn zand (en grindlagen die een functie hebben bij infiltratie en drainage). Als het water het filter verlaat is het schoon genoeg om op het oppervlaktewater te worden geloosd. Per persoon is ongeveer 3 m² filter nodig. Er zijn ook helofytenfilters met een systeem voor het toevoegen van extra zuurstof. De bioactiviteit wordt hiermee vergroot wat de capaciteit van het filter ten goede komt. De eisen die gesteld worden aan het lozen van behandeld afvalwater variëren per locatie, afhankelijk van de schade die kan optreden aan het milieu. Helofytenfilters behoren in de regel tot de systemen die aan de strengste eisen kunnen voldoen. Het met een helofytenfilter (effluent) gezuiverde water is niet geschikt als drinkwater tenzij gebruik wordt gemaakt van een extra zuiveringsstap zoals nano- of ultrafiltratie. De investering in deze extra nazuivering is alleen aantrekkelijk in landen waar water schaars is en drinkwater duur.  
In de sterrenkunde worden de termen object en lichaam vaak door elkaar gebruikt. Sommige hemellichamen zijn met het blote oog te zien, voor andere zijn meer of minder geavanceerde telescopen nodig. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Adventus Wegen / Aquo) <br/> <br/> Een voorziening voor opvang en afvoer van hemelwater. <br/> Systeem van goten en pijpen om hemelwater (regewater) af te voeren. (bron encyclo.nl) <br/> <br/> Onder hemelwater verstaan we alle vormen van water dat "uit de hemel" komt, zoals regen, sneeuw, hagel. Doel van de hemelwaterafvoer is het afvoeren van hemelwater van dak en dakgoot naar de riolering of, soms, naar een wadi (een systeem voor afvoer en opvang van hemelwater, meestal in de grond) of een greppel. De hemelwaterafvoer in nauwe betekenis is de regenpijp (vaak als hwa op bouwtekeningen). <br/> <br/> Meestal vindt hemelwaterafvoer plaats via hemelwaterstandleidingen (regenpijpen) aan de buitenkant van een gebouw, soms via een ketting waarlangs het water stroomt. (Zie veel voorbeelden van bijzondere regenpijpen.) <br/> <br/> Bij een gescheiden rioleringsstelsel wordt het publieke ondergrondse deel dat naar het oppervlaktewater loopt ook tot de hemelwaterafvoer gerekend. Bij een gemengd rioleringsstelsel wordt afvalwater met hemelwatervoer samengebracht voordat het in het publieke deel van het rioleringsstelsel aankomt. <br/> <br/> Het te groene sprookje van het afkoppelen van de hemelwaterafvoer van het riool. <br/> Door soms wat heftige regenval, te veel harde en dichte bestrating, te weinig overloopmogelijkheden, te weinig opvang in greppels, wadi's en sloten en omdat bij vervanging van het riool vaak te krappe diameters rioolafvoerbuis worden toegepast, stroomt heel af en toe teveel hemelwater door het riool. Er zijn gemeenten die daarom het afkoppelen van de hemelwaterafvoer van het riool propageren en subsidiëren. De gevolgen daarvan zijn o.m.: <br/> * omvangrijke ondergrondse regentanks in de tuinen * verzameld hemelwater dat vuil wordt en ongezond lang blijft staan * hoge kosten voor extra materiaal, leidingen en apparatuur * de tuinen worden veel te nat (als de afvoer stremt) * er moet toch een overloop zijn naar het riool om de grootste overlast te vermijden. <br/> <br/> Wanneer zich problemen voordoen met het afvoeren van hemelwater kan de gemeente het beste met het waterschap overleggen en nagaan of de knelpunten aangepakt kunnen worden door o.m.: * vertraagd afvoeren van hemelwater (toch maar een soort regentonnen-plan, wateropvang voor de tuin) * lokaal bufferen (wadi's, greppels, singels, plassen e.d.) * meer omvangrijke waterbergingen (retentie; in overleg met het waterschap en mogelijk de provincie) * vergroten van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewater (in overleg met waterschap; soms zijn een paar pompen al voldoende; overigens, het is simpelweg één van de taken van het waterschap om te zorgen dat we droge houden). (bron: Joost de Vree)  
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo) <br/> <br/> Een herbivoor (Latijn herba: gras, kruid, plant; -vorus: etend, eter), fytofaag (Grieks phuton: gras, kruid, plant; phagein: eten) of planteneter is een organisme dat zich uitsluitend met plantaardig voedsel voedt. Dit in tegenstelling tot carnivoren, die dierlijk materiaal als voedsel gebruiken, bacterivoren die bacteriën eten, en detrivoren of afvaleters, die leven van detritus (dood organisch materiaal). Het begrip herbivoor wordt gebruikt voor organismen die (vrijwel) uitsluitend planten, of delen van planten zoals bladeren, wortels, zaden, vruchten, bloemen, nectar, schors, hout, of plantensappen consumeren. Binnen de groep herbivoren zijn er specialisten die voornamelijk bladeren (folivoor), vruchten (frugivoor), of hout (xylofaag) eten. Wordt het menu van een herbivoor voor minstens 5% aangevuld met dierlijke voeding, dan wordt gsesproken van een omnivoor. De overeenkomst tussen herbivoren, carnivoren, bacterivoren, detrivoren en omnivoren is dat ze andere organismen consumeren; ze zijn heterotroof. Daartegenover staan autotrofe organismen (planten) die alleen anorganische materie nodig hebben om te leven. (bron: Wikipedia)  +
Hoe dicht bij elkaar liggen metingen als je een zelfde grootheid meerdere keren na elkaar meet. Meestal uitgedrukt in een 95% cirkel. (bron: IMO resolutie A.860(20) - vertaald - aangepast / Aquo)  +
Herverkaveling kan zowel op een gedeelte als op het hele gebied toegepast worden. Bij herinrichting bestaat (in tegenstelling tot ruilkaveling) de mogelijkheid tot onteigening. Daarnaast kan men 3% van het land gebruiken voor het verbeteren van wegen en waterlopen  +
Dit gaat over de mate waarin bij de data zelf inzichtelijk is waar ze vandaan komen, wanneer en hoe ze tot stand zijn gekomen. Het wordt ook wel 'data provenance' of 'data lineage' genoemd. Het vraagt het aanleggen van een audit trail over de totstandkoming van data. Een dergelijk audit trail is onderdeel van de data zelf, in tegenstelling tot een 'standaard' audit trail bij een dataset die meer vanuit audit perspectief wordt aangelegd. Herleidbaarheid is in meer algemene zin gericht op het beschikbaar stellen van informatie over de totstandkoming van data. Denk bijvoorbeeld aan het kunnen reproduceren van data op basis van originele invoerdata of het inzichtelijk maken wat de brondata zijn die ten grondslag liggen aan data. Dat is met name relevant daar waar transformaties van data plaats vinden. Het belang van herleidbaarheid is hoger als data afkomstig zijn van externe bronnen; van data uit je eigen organisatie is meestal vrij goed bekend waar ze vandaan komen en hoe ze tot stand zijn gekomen. Het gewenste detailniveau van herleidbaarheid kan per situatie verschillen; in sommige gevallen kan het voldoende zijn om data te kunnen herleiden naar bronbestanden, terwijl in andere situaties herleidbaarheid naar individuele attribuutwaarden relevant kan zijn. (bron: ArchiXL)  +
Hermeanderen is de benaming van het weer laten meanderen van een gekanaliseerde rivier. Veel beken slingerden en zijn in het verleden rechtgetrokken. In Nederland is dit vooral in de jaren 1960 en 1970 veelvuldig gebeurd. Vooral de landbouw had hier baat bij, omdat het land beter begaanbaar is voor landbouwmachines. Door deze verandering wordt het water echter te snel en te onnatuurlijk afgevoerd. Dit kan verdroging veroorzaken. Dit is vooral ongunstig voor natuurgebieden. Rivieren worden vooral gekanaliseerd uit economische overwegingen: de scherpe bochten worden uit de rivier gehaald, de vaarweg is korter, dus de reistijd is korter. Wellicht kan ook de veiligheid een rol spelen: een rechte vaarweg geeft mogelijk minder aanvaringen. Na een eeuw kanaliseren ontdekt de overheid plotseling dat de afvoer van het water door de gekanaliseerde rivier te snel gaat, waardoor stroomafwaarts het rivierwater te snel stijgt, wat tot overstromingen kan leiden. Vooral na veel regenval of een langere dooiperiode na veel sneeuwval stijgt het water van gekanaliseerde rivieren zeer snel. De rivier is door het rechttrekken slechts ca. 1/3 van de meanderende lengte, dus de rivier kan veel minder water "opnemen". Het belangrijkste nadeel van hermeanderen (dekanaliseren, "ontkanaliseren") is dat de economische voordelen van het rechttrekken van de rivier worden tenietgedaan. Slechts wat beken en kleinere riviertjes worden weer hermeanderd, d.w.z. dat oevers worden gewijzigd of aangelegd waardoor de beek weer gaat meanderen of er worden volledig nieuwe profielen gegraven. Het zogenoemde beekherstel vindt plaats in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Waterbeheer van de 21e Eeuw (WB21). Ook de ecologische waterkwaliteit neemt toe bij een meanderende rivier: meer riet e.d. in de bochten en daarmee meer ruimte voor vogels. In plaats van hermeanderen zoekt Nederland het, vooral bij de grote rivieren, in meer "ruimte voor de rivier", wat inhoudt dat bepaalde polders bij een te hoge waterstand van de rivier mogen onderlopen.  
(bron: Lexicon Circulair Bouwen) <br/> <br/> Grondstof van biologische oorsprong, exclusief grondstoffen uit geologische afzetting of fossiele grondstoffen, die wordt beheerd en/of geteeld en die na winning binnen een mensenleven teruggroeit zonder het betreffende ecosysteem uit te putten (bron: Circulaire kantoor- en leeromgeving - Deel 1: Definities, code: 3.37 / ABDL) <br/> <br/> Over hernieuwbare grondstof zegt de norm ISO 14021, amendement 1: "Materiaal dat samengesteld is uit biomassa van een levende bron en dat doorlopend kan worden hernieuwd". De hernieuwbare grondstoffen zijn (bijna) onuitputtelijke grondstoffen, waarvan de voorraad in een korte periode kan worden hersteld. In elk geval moet deze voorraad even snel worden hernieuwd als hij werd verbruikt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij hout, katoen, rijst, tarwe, hennep, stro, suikerbieten, maïs, zeewier, mest, algen, insecten enzovoort. (bron: Eurabo)  +
Herschouw betekent opnieuw kijken naar iets, vaak met een kritische en reflecterende houding. Het impliceert het heroverwegen van een situatie, een standpunt, een beslissing of een probleem, met als doel een dieper begrip te krijgen of nieuwe inzichten te verkrijgen. Herschouwen kan helpen om bestaande overtuigingen of aannames in twijfel te trekken en open te staan voor andere perspectieven. Het kan ook leiden tot het herzien of aanpassen van eerdere conclusies of acties op basis van nieuwe informatie of inzichten. Herschouwen is een waardevolle vaardigheid die kan bijdragen aan persoonlijke groei, professionele ontwikkeling en het nemen van weloverwogen beslissingen. (bron: HEA)  +
maatregel(en), noodzakelijk om de kwaliteit van de boezemkade, met name met betrekking tot het waterkerend vermogen, op het vereiste peil te brengen.  +
Een maatregel die wordt uitgevoerd als gevolg van, aan een object gestelde, veranderde (zwaardere) functie-eisen. Het object voldoet hierdoor niet meer aan de vastgestelde functies, het interventieniveau is bereikt. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo)  +
(bron: NNI, 1991 - vertaald uit ISO 6107-5-25. / Aquo) <br/> <br/> Een organisme is een heterotroof organisme als het zijn organische celmateriaal opbouwt uit voedingsstoffen die het betrekt uit organische stoffen, afkomstig van andere organismen. Een heterotroof organisme is dus afhankelijk van andere organismen: het dissimileert moleculen die uiteindelijk, via een kortere of langere voedselketen, door autotrofe organismen aangemaakt zijn. De simpelste heterotrofen zijn eencellige gisten, en veel soorten bacteriën, maar ook alle dieren, inclusief de mens, zijn heterotroof. De vertering kan zowel in het organisme, zoals de spijsvertering bij dieren, als buiten het organisme, zoals bij schimmels, plaatsvinden. Het woord "heterotroof" is afkomstig uit het Grieks en betekent letterlijk "zich van anderen voedend" (heteros - "vreemd", "een andere"; trophein - "voeden"). (bron: Wikipedia)  +
Een heterotroof organisme is dus afhankelijk van andere organismen: het dissimileert moleculen die uiteindelijk, via een kortere of langere voedselketen, door autotrofe organismen aangemaakt zijn. De simpelste heterotrofen zijn eencellige gisten, en veel soorten bacteriën, maar ook alle dieren, inclusief de mens, zijn heterotroof. De vertering kan zowel in het organisme, zoals de spijsvertering bij dieren, als buiten het organisme, zoals bij schimmels, plaatsvinden. Het woord "heterotroof" is afkomstig uit het Grieks en betekent letterlijk "zich van anderen voedend" (heteros - "vreemd", "een andere"; trophein - "voeden"). Een mycoheterotroof organisme krijgt de benodigde koolhydraten van een schimmel. Heterotroof is het tegenovergestelde van autotroof. De meeste planten zijn autotroof: met behulp van zonlicht, kooldioxide uit de lucht, grondwater en mineralen maken planten hun eigen biomoleculen aan. Uitzonderingen zijn parasitaire en epiparasitaire planten. Vleesetende planten zijn niet heterotroof, omdat ze alleen een aanvulling van mineralen, voornamelijk stikstof, van heterotrofe organismen verkrijgen. (bron: Wikipedia)  +
(Bron: (BRT))  +
Het verhoogde middengedeelte gaat in de regel over een waterkering of een (stroom)scheiding heen. De constructie laat dan toe dat een zekere watermassa zich volgens de wet van de communicerende vaten laat verplaatsen tussen wederzijds gelegen wateren. Dit wordt in gang gezet met een vacuümpomp. Een hevel is een middel om een vloeistof uit een vat te verwijderen. Hiervoor wordt een slang of buis gebruikt waarvan de ingang ondergedompeld is in de te verwijderen vloeistof en de uitgang lager is gepositioneerd dan het vloeistofniveau in het vat. Wanneer de vloeistof naar een ander vat stroomt, dan geldt dat het vloeistofniveau in het doelvat niet hoger mag zijn dan het vloeistofniveau in het bronvat. De hevel moet eerst geactiveerd worden voordat deze gaat werken. Hiertoe wordt de te gebruiken slang eerst gevuld met de te pompen vloeistof. Dit kan door de luchtdruk aan het uiteinde van de slang weg te nemen (bijvoorbeeld door de lucht uit de slang te zuigen), door de slang tijdelijk in zijn geheel onder het vloeistofniveau in het vat te brengen, of door het vloeistofniveau in het vat tijdelijk te verhogen tot boven het hoogste punt van de hevel. Wanneer in werking stroomt de vloeistof zonder hulp van bewegende onderdelen het vat uit. De arbeid die hiervoor nodig is, wordt geleverd door de zwaartekracht.  +
(bron: Hunze en Aa's)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Een hevelstuw is een stuw met een verhoogd, kokervormig middengedeelte dat twee wateren met elkaar verbindt. (bron: DAMO)  +
(bron: (AAT-Ned) / CHT) <br/> <br/> Een hijskraan is een hijswerktuig waarmee zware lasten gehesen en horizontaal verplaatst kunnen worden. Een kraan wordt gebruikt om goederen omhoog te hijsen, te laten zakken of om objecten te verplaatsen. Veelal worden hiervoor staalkabels gebruikt om de hijshaak via hijsblokken met een lier omhoog en omlaag te verplaatsen. De kabels lopen veelal via een giek die kan zwenken en op- en aftoppen om de last horizontaal te verplaatsen. Toepassing vindt vooral plaats in de bouw en in de transportsector voor los- en laadklussen. Dikwijls zijn kranen tijdelijke constructies, hetzij aan de grond bevestigd, hetzij op een verrijdbare constructie, zoals op een vrachtauto. De grootste kranen zijn te vinden op kraanschepen. (bron: Wikipedia)  +
[[Bestand:Waterinfrastructureel erfgoed Restant oude spuisluis Fiemel.jpg|500px|historisch erfgoed]] <br/> Waterinfrastructureel erfgoed Restant oude spuisluis Fiemel  +
Dit heeft betrekking op dat data op elk moment waarover een dataset uitspraken doet een geldige waarde moeten hebben. Er mogen als het ware geen gaten in de tijd ontstaan. Elke relevante toestandsverandering van een object zou zijn weerslag moeten vinden in de registratie. Er is in het algemeen een onderscheid te maken tussen materiële historie (dat wat wijzigt in de werkelijkheid) en formele historie (dat wat wijzigt in de registratie). (bron: ArchiXL)  +
et KNMI (Nederland) en sinds 2003 ook het KMI (België) hanteren de volgende officiële definitie:[1][2] ten minste vijf dagen achtereen waarop de maximumtemperatuur 25,0 °C of meer bedraagt (zomerse dagen); waarbij ten minste op drie dagen de maximumtemperatuur 30,0 °C of meer bedraagt (tropische dagen). Deze temperaturen worden op anderhalve meter boven het maaiveld gemeten in een zogenaamde weerhut. In het dagelijkse taalgebruik wordt de uitdrukking hittegolf vaak gebruikt zonder dat het weer voldoet aan bovenstaande definitie. Links staan twee fictieve voorbeelden van een echte hittegolf en een onechte hittegolf. In Nederland hebben klimatologen het over een landelijke hittegolf, wanneer in De Bilt er sprake is van een hittegolf volgens bovenstaand criterium. In België geldt Ukkel als de maatstaf. (bron: Wikipedia)  +
In warme, droge zomers kan een grote massa hete lucht zich ophopen. De hoge druk uit de atmosfeer van de aarde duwt de hete lucht omlaag, waardoor de lucht verder en verder opwarmt. (bron: Wikipedia)  +
Extreme weersomstandigheden door klimaatverandering worden vaak geassocieerd met onweer, hagel en hoosbuien. Hitte wordt in dit rijtje snel vergeten en geeft voor veel mensen nog steeds vooral een zomers gevoel. Toch kan hittestress voor veel problemen zorgen bij mens en dier. Volgens de directeur van het KNMI is het zelfs “de meest bedreigende van alle klimaatextremen”. Daarom is het een belangrijk aandachtspunt bij klimaatadaptatie. (bron: Provincie Noord-Brabant) <br/> <br/> Klachten veroorzaakt door hitte. (bron: Ensie) <br/> <br/> Hyperthermie, ook wel oververhitting, hittestress of hitteletsel, is een toestand van het lichaam waarbij er een ongecontroleerde stijging van de temperatuur plaatsvindt door een verstoring van de balans tussen warmteproductie en warmteverlies. De lichaamstemperatuur zal stijgen zonder een verhoogde instelling van de inwendige thermostaat. Dit onderscheidt hyperthermie van koorts. (bron: Wikipedia)  +
De vorm van de eenheid kan een equivalent zijn waarin de meetwaarde wordt uitgedrukt, als ware het een andere vergelijkbare parameter. Voorbeeld hiervan is ‘uitgedrukt in Stikstof’ bij de parameter Nitraat (NO3). De vorm van de eenheid ook een referentie(-kader) weergeven zoals in bijvoorbeeld ‘t.o.v. NAP’. De waarde “na filtratie (opgelost fractie)” of de korrelgroottefractie zijn voorbeelden van fracties van een parameter. (bron: W-0810-0018 / Aquo) <br/> <br/> Beschrijving van relevante eigenschappen van het monster waarin de waardebepaling is verricht en van de aard van het waardebepalingsresultaat waarop de eenheid betrekking heeft. (bron: DIV) <br/> <br/> De vorm waarin de eenheid behorend bij een meetwaarde wordt uitgedrukt. De toestand waarin een te meten/analyseren monster zich bevindt. Voorbeelden zijn 'na filtratie', 'particulair', en 'na centrifugeren. (bron: DIV)  +
Bron: NEN 2660-2 (Ontw) <br/> <br/> prefDef: Macroscopisch object, dat bestaat uit een aangesloten hoeveelheid materie zonder vaste structuur (of vaste vorm), en dat primair door externe krachten (zwaartekracht, opsluiting) wordt bijeengehouden. Een hoeveelheid bulkmaterie kan stromen, een discreet object kan bewegen. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
Bron: NEN 2660-2 (Ontw). <br/> <br/> Fysiek object dat bestaat uit een macroscopische hoeveelheid chemische stof, waarvan de afmetingen zodanig zijn dat de klassieke fysica dominant is. Het object kan als een continuum worden behandeld. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL))  +
De lijn van hoge gronden is op Bijlage I van de Wet aangegeven als de NAP + 1 m lijn bij bedreiging vanaf het IJsselmeer of Markermeer, de NAP + 2 m lijn bij bedreiging vanaf zee of, indien hoger langs de rivieren, als de lijn van de kruinhoogte van de primaire waterkering ter plaatse van de aansluiting van de hoge grond aan de primaire waterkering aan de bovenstroomse zijde tot de laagste kruinhoogte van de primaire waterkering aan de benedenstroomse zijde van het dijkringgebied. Bij meerdere bedreigingen ligt de begrenzingslijn op het hoogste van de genoemde niveaus. <br/> <br/> Beheergebied Waterschap Hunze en Aa's. Hoge gronden sluiten het stelsel van waterkeringen en zijn onderdeel van de waterstaatswerken. Voor het grootste deel gaat het hierbij om de zogenaamde +2,0m lijn (EKDB), -0,36 lijn (Oldambt) en -0,12 lijn (Duurswold), of hoger. Hoge gronden die boezemwater keren en aansluiten op of ingesloten zijn door regionale keringen, worden aangemerkt als regionale kering. Hoge gronden aansluitend op of ingesloten door overige keringen worden aangemerkt als overige keringen. Hoge gronden zijn volgens de toelichting bij de Wet op de Waterkering: "geografische gegevens en vormen als zodanig geen object van waterstaatszorg. Voor het wettelijke kader is enkel relevant hun aanwezigheid…". Dit betekent dat hoge grond niet getoetst wordt op de geboden veiligheid tegen overstroming van achtergelegen land. Daarbij dient er wel voor gezorgd te worden dat hoge grond 'hoge grond' blijft. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de provincie en het is de Inspectie Verkeer en Waterstaat die erop toeziet dat alle partijen die betrokken zijn bij het bieden van veiligheid tegen overstromen hun rol vervullen. De aansluiting van hoge grond aan de primaire waterkering wordt wel getoetst; dit is de verantwoordelijkheid van de beheerder. Hoge gronden, anders dan duinen, zijn in de dijkringgebiedenkaart bij de (ref.) Wet op de waterkering aangegeven als de NAP + 1 m lijn bij bedreiging vanaf het IJsselmeer, de NAP + 2 m lijn bij bedreiging vanaf zee of, indien hoger langs de rivieren, als de uiterst verwachte inundatielijn verlopend van de maatgevende hoogwaterstand (MHW) aan de bovenstroomse zijde van het dijkringgebied tot de laagste kruinhoogte van de primaire waterkering aan de benedenstroomse zijde van het dijkringgebied.  
Een hoogwaterperiode waarbij geen sprake is van een stormvloed, maar waarbij aan minstens een der voor stormvloeden bepalend gestelde stations het peil met overschrijdingsfrequentie vijf per jaar wordt bereikt of overschreden. (bron: DIV)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Hogerwal en lagerwal zijn twee termen uit de zeilsport, die zijn bedoeld om de windrichting ten opzichte van de wal aan te duiden. <br/> <br/> Hogerwal is de wal waar de wind vandaan komt en lagerwal is de wal waar de wind naartoe gaat. Als de wind van noord naar zuid waait, is de noordzijde van een meer de hogerwal en de zuidzijde de lagerwal. <br/> <br/> Ligt een zeilboot tegen de hogerwal, dan is wegvaren eenvoudig. Ligt een boot tegen de lagerwal, dan wordt hij door de wind steeds tegen de wal geblazen en is het moeilijk in de juiste positie te komen om weg te varen. Een zeiler zal dan ook trachten tijdig van koers te veranderen voordat hij aan lagerwal geraakt. <br/> <br/> De termen zijn terug te vinden in het spreekwoord Aan lager wal raken. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL) / ABDL)  +
* (medisch) gelijksoortig * (scheikunde) waarvan de samenstelling niet van plaats tot plaats verschilt ** Gasmoleculen verdelen zich homogeen' in de ruimte, overal evenveel. * (wiskunde) een gelijkmatige verdeling   +
(bron: DIV)  +
Een watergang wordt aangemerkt als een hoofdwatergang wanneer de watergang niet geïsoleerd gelegen is, en voldoet aan minimaal één van onderstaande criteria: * De afvoer is in een maatgevende situatie (situatie die 1 à 2 keer per jaar voorkomt) groter dan 50 l/s. Dit komt overeen met een afvoergebied van circa 38 ha. (1,33 l/s/ha * 38 ha =50 l/s) * De watergang vervult een functie voor de aanvoer van water of doorspoeling. * Op het water vindt een lozing plaats vanuit een gemeentelijk riool. * Zowel bij een regenwaterlozing als bij een gescheiden stelsel als bij een overstort uit een gemengd rioolstelsel (mits de overstorten in overleg met het waterschap zijn aangelegd). * Hunze en Aa’s staat voor een taakopvatting die past bij integraal waterbeheer. Wij streven een veerkrachtig watersysteem na en dus een zo groot mogelijke bergingscapaciteit en een zo groot mogelijk zelfreinigend vermogen in het watersysteem. Daarom wordt bij hoofdwatergangen de volledige watergang als hoofdwatergang beschouwd, dit wil zeggen van insteek tot insteek.  +
(bron: CHO (480) / Aquo)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> De verzameling hoofdwateren (oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen in Waterbesluit, bijlage II, onderdeel 1 (Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer). (bron: Waterbesluit) <br/> <br/> De verzameling oppervlaktewaterlichamen dat is aangewezen in bijlage II, onderdeel 1 (Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer), bij het Waterbesluit. (bron: Prestatie-eisen assetmanagement (werkpakket 6b)) <br/> <br/> prefDef: Het samenhangend geheel van oppervlaktewater en grond- water van nationale betekenis, met bijbehorende bergings- gebieden, waterkeringen en ondersteunende infrastructuur. (bron: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte / ABDL)  +
Geen beregening betekent verlies van oogst. Fabrieks- en consumptieaardappelen, granen, bieten en maïs behoren niet tot de hoog salderende teelten. Deze gewassen kunnen zich na een droogteperiode vaak nog voldoende herstellen. (bron: Waterschapsverordening Artikel 4.33 Aanwijzing algemene regels, waterschap Hunze en Aa's) <br/> <br/> Een hoog salderend gewas verwijst naar een gewas dat een hoge opbrengst of productie heeft, waardoor het een positieve bijdrage levert aan de inkomsten van een landbouwbedrijf. Het kan ook verwijzen naar gewassen die een hogere marktwaarde hebben in vergelijking tot andere gewassen. <br/> <br/> Hoog salderende gewassen kunnen variëren afhankelijk van de regio, het klimaat, de bodemgesteldheid en de landbouwpraktijken. Enkele voorbeelden van gewassen die als hoog salderend worden beschouwd zijn bloemen, bollen, sierteelt, fruit, bomen, graszaad en graszoden, pootaardappelen, cichorei en (glas)tuinbouw. <br/> <br/> Het is belangrijk op te merken dat de saldering van een gewas niet alleen afhangt van de opbrengst, maar ook van de kosten die gepaard gaan met de teelt, zoals zaden, meststoffen, irrigatie, gewasbescherming en arbeid. Daarom kan het rendement van een gewas variëren afhankelijk van de specifieke omstandigheden en managementpraktijken. (bron: Hunze en Aa's)  +
Bij een hooggefundeerd landhoofd bevindt zich een talud voor de voorkant van het landhoofd. Hierdoor is de overspanning van de brug groter dan bij een laaggefundeerd landhoofd.  +
(bron: Basisrapport zandige kust, T.A.W., 1996 / Aquo)  +
Het segment tussen 1 kV en 52 kV wisselspanning wordt ook wel middenspanning genoemd volgens de IEC 62271-200. De term middenspanning staat echter niet beschreven in de Europese norm voor hoogspanning EN-50110. <br/> <br/> De spanning die thuis op het stopcontact staat, meestal 230 V, wordt gerekend tot de laagspanning, wat niet betekent dat deze spanning zonder gevaar kan worden aangeraakt. (Bron: Wikipedia) <br/> <br/> Hoogspanning is nominale wisselspanning van meer dan 1.000 volt, hetzij een nominale gelijkspanning van meer dan 1.500 volt. (bron: Bouwbesluit 2012) <br/> <br/> Hoogspanning is spanning waarvan de waarde bij wisselspanning hoger is dan 1000 volt effectief tussen de fasen of 600 volt effectief tussen een fase en aarde en bij gelijkspanning hoger is dan 1500 volt tussen de polen of 900 volt tussen een van de polen en aarde; (bron: Arbeidsomstandighedenbesluit) <br/> <br/> Hoogspanning heeft een spanningsniveau hoger dan 35 kV; (bron: Begrippencode elektriciteit)  +
Bron: www.bodemdata.nl  +
In de Veenkoloniën is het HSP 20 cm hoger dan het zomerpeil. Bron: Anton Bartelds. Het hoogste stuwpeil is dus niet van toepassing op natuurgebieden waar sprake is van een minimum en maximum peil via natuurlijk verloop.  +
Methoden Waterpassing De NAP-hoogte wordt bepaald door middel van waterpassing. Dit nulvlak (een equipotentiaalvlak) staat per definitie overal loodrecht op de zwaartekracht en is grillig van vorm met deuken en bulten van tientallen meters. Het vlak verandert door platentektoniek en inklinking van de bodem. Voor hoogtebepaling door middel van waterpassing gebruikt elk land zijn eigen nulvlak. Uitsluitend in Nederland gebruikt men het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Hierdoor kan de hoogteaanduiding van een plaats per land verschillen. In België is het nulvlak voor het hoogtesysteem in 1958 tijdens de Tweede Algemene Waterpassing vastgelegd ten opzichte van de gemiddelde laagwaterstand in Oostende. De hoogte hiervan is 2,34 meter beneden NAP. Het Duitse hoogtenet Normalnull (NN) werd in 1879 aangesloten op het NAP. In Oost-Europa wordt het Kronstadtpeil gebruikt, dat 14 cm boven NN ligt. Het Amsterdams peil was in 1684 nog gelijk aan het hoogwaterniveau van het IJ. Door bodemdaling en zeespiegelstijging ligt het NAP tegenwoordig ongeveer op het gemiddelde zeeniveau van de Noordzee. GPS Met behulp van GPS kan een hoogte worden bepaald. Deze GPS-hoogte is de hoogte ten opzichte van een ander nulvlak: de referentie-ellipsoïde, een wiskundig gedefinieerde eenvoudige en 'gladde' benadering van de vorm van de aarde. In Nederland bedraagt de GPS-hoogte 40 tot 46 meter meer dan de NAP-hoogte. Andere methoden Andere methoden om hoogte(verschillen) te bepalen zijn barometrisch (bepalen van verschillen in luchtdruk), laseraltimetrie (tijdmeting van gereflecteerde laserpulsen), fotogrammetrisch (bepalen van de stereografische parallax op luchtfoto's), gravimetrisch (bepalen van verschillen in zwaartekracht), trigoniometrisch (driehoekshoekmeting).  +
Uit deze contouren, een gevoel van het algemene terrein kan worden bepaald. Ze worden gebruikt op verschillende schaalniveaus, van grootschalige technische tekeningen en bouwtekeningen, door middel van topografische kaarten en bathymetrische grafieken , tot continentale schaal kaarten. "Contour line" is de meest voorkomende gebruik in de cartografie , maar isobath voor water diepte op bathymetrische kaarten en isohypse voor verhogingen worden ook gebruikt. Cartografie, de contour interval is het hoogteverschil tussen aangrenzende contourlijnen. De contour interval moet hetzelfde over een enkele kaart zijn. Wanneer berekend als een verhouding ten opzichte van de schaal, kan een gevoel van de hilliness van het terrein af te leiden.  +
(bron: GWN / Aquo)  +
In tegenstelling tot laagveen wordt hoogveen uitsluitend door neerslag (precipitatie) en de in de lucht aanwezige mineralen verzorgd. Het is een hydrologisch en ecologisch bijzonder veentype. Hoogvenen met een dikte van soms vijf meter of meer zijn in duizenden jaren ontstaan, sinds het Subatlanticum. De groei van veenmossen speelde daarbij een cruciale rol. Hoogvenen worden wereldwijd sterk bedreigd door turfwinning en het indringen van mineraalrijk water uit de omgeving dat afkomstig is van landbouw of industrie. Levend en groeiend hoogveen vindt men tegenwoordig nog maar weinig. De laatste grote hoogveengebieden bevinden zich in West-Siberië en Canada. Er is echter ook tropisch hoogveen, zoals in het Surinaamse natuurreservaat Wanekreek. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Hoogveen wordt onder water gevormd, maar boven de grondwaterspiegel. Het bestaat vrijwel uitsluitend uit de resten van veenmos (Sphagnum), dat dikke kussens vormt en regenwater vasthoudt, waardoor de waterspiegel van het hoogveengebied boven de lokale grondwaterstand kan uitstijgen. Dit voorkomt dat de kussens uitdrogen. Hoogveen komt vooral in het noorden, oosten en zuiden van ons land voor. Vroeger was het ook in West- en Midden-Nederland te vinden, maar daar is het veen ontwaterd om te gebruiken als landbouwgrond, met het gevolg dat het veen wegrotte. (bron: www.geologievannederland.nl)  +
In zeeën en wateren met merkbare getijden is hoogwater het moment van het hoogste waterpeil aan het einde van de vloed en voor de overgang naar eb. Hoog- en laagwater van het getij wisselen elkaar gemiddeld gezien af om de 6 tot 6½ uur. Hoge getijdenstanden bij volle en nieuwe maan worden springtijden genoemd en worden soms versterkt door getijgolven of wind (driftstroom) tot stormgetij die zo een vlakke kust mijlenver kunnen overstromen. <br/> <br/> In rivieren en kleinere stromen wordt gesproken van hoogwater wanneer het waterpeil gedurende langere tijd (meerdere dagen) de normale meetwaarden overschrijdt. Zij hebben meestal - afhankelijk van de vorm van het stroomgebied - een seizoensgebonden accumulatie, ongeveer samenvallend met het smelten van de sneeuw of na hevige zomerregens. Bij een sterke verhoging van de waterstand moet eerst de binnenvaart worden stilgelegd; bij verdere stijging kan het komen tot overstromingen. In de bergen kunnen aanzwellende bergbeken bruggen meesleuren of aardverschuivingen veroorzaken. <br/> <br/> De waterstanden worden in Nederland bijgehouden door de RWS Water, Verkeer en Leefomgeving (tussen 2008 en april 2013 door Waterdienst, daarvoor door het RIZA), dat een hoogwaterbericht uitstuurt wanneer een bepaald kritisch peil is bereikt.  +
In een getijdegebied is dit de hoogste stand in een getijperiode (12 uur en 25 minuten). Op een rivier heeft het getij nog invloed op de benedenloop. Van een hoogwater op een rivier (boven- en benedenloop) is sprake als er een hogere afvoer dan gemiddeld is (bijv. door smeltwater of hevige regenval bovenstrooms). (bron: RWS / Aquo) <br/> <br/> Toestand met de hoogste waterstand gedurende één volledige getijgang ter plaatse.  Hoogste waterstand gedurende een volledige getijgang ter plaatse. Toestand van hoge rivierstand. (bron: DIV)  +
(bron: CHO (404) / Aquo)  +
Nederland is kwetsbaar voor overstromingen. Zestig procent van ons land zou regelmatig onder water lopen zonder onze dijken en duinen. Daarom werken de waterschappen en Rijkswaterstaat samen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma aan sterke dijken. Dit gebeurt in twee uitvoeringsprogramma’s: het HWBP-2 en het HWBP. Beide hebben een aparte regeling met ieder een eigen verantwoordings- en sturingslijn. Wel werken beide programma’s samen en hebben zij een gezamenlijke programmadirectie. De opgave van het HWBP-2 bestaat uit 87 projecten, 18 kunstwerken en 362 kilometer te versterken dijken. Het programma is bijna klaar. Het HWBP daarentegen is in 2014 gestart en zal naar verwachting tot 2050 ruim 1.100 kilometer dijken versterken, en 500 sluizen en gemalen in zo’n 300 projecten.  +
De geul kan zijn uitgegraven of bestaan uit een natuurlijke laagte in het landschap. Indien hij buiten de uiterwaard is gelegen wordt hij aan weerszijden bedijkt tot op dezelfde hoogte als de rivier. Wanneer de geul niet in gebruik is kan het land tussen de dijken gebruikt worden voor landbouw of recreatie. Het gebied kan ook als natuurgebied worden ingericht. Het gebruik mag uiteraard de afvoer van water niet hinderen. Aanleg van hoogwatergeulen en nevengeulen heeft, net als verlaging van uiterwaarden een capaciteitsvergrotende functie voor het riviersysteem. Wanneer de afvoercapaciteit plaatselijk wordt vergroot bestaat altijd het risico dat de wateroverlast zich benedenstrooms verplaatst. Hiermee wordt bij de planning rekening gehouden. Een hoogwatergeul kan stroomafwaarts het water voorbij een vernauwing terugvoeren naar dezelfde rivier. In dat geval spreekt men van een bypass. Het water kan ook naar een andere rivier of ander oppervlaktewater worden afgevoerd. Het verschil tussen een hoogwatergeul en een nevengeul is dat een hoogwatergeul alleen door de rivier gevoed wordt bij een hoge waterstand. Het aanleggen van extra geulen is in veel landen noodzakelijk geworden in verband met de klimaatverandering. Voor de Nederlandse rivieren bleek de noodzaak bij de extreem hoge waterstanden van 1995. (bron: Wikipedia)  +
(bron: DIV)  +
(bron: DIV)  +
De techniek is van oorsprong gebruikt in de olie-industrie, maar vanaf de jaren 70 werd het ook steeds meer ingezet om pijpleidingen onder rivieren, kanalen en grote wegen door te laten gaan. Vanaf de jaren 90 wordt HDD niet alleen meer voor aardgas- en aardolieleidingen gebruikt, maar ook bij de aanleg van waterleidingen, telecommunicatiekabels en elektriciteitskabels ingezet. (bron: Wikipedia)  +
Om deze buizen is een ommanteling gebracht om te voorkomen dat zand in de buis komt. Deze buizen kunnen ook met horizontaal gestuurd boren worden aangebracht.  +
Bij horizontale drainage is meestal sprake van een omhullend materiaal, het drainagefilter, om de openingen in de buis tegen dichtslibben van bepaalde bodemdeeltjes te beschermen (selectieve filterwerking) en om de toestroom van water naar de buis te regelen (hydrologische werking). De meest voorkomende drainagefilters zijn vezels van kokos, polypropyleen (vaak PP450 of PP700) of polystyreen (PS1000). Kokosvezels gaan wat minder lang mee dan polypropyleen maar zijn een natuurlijk materiaal. In de aanduiding van bijvoorbeeld PP700 geeft 700 de zogenoemde O90-waarde (het O90-getal) de zanddichtheid van de vezel weer: 90% van de deeltjes met een korreldiameter van 700 micrometer worden tegengehouden. Bij drainage is een O90 van 450 tot 1000 algemeen. "Het verdient aanbeveling de drain met omhulling in een drainkoffer te leggen. Deze koffer kan gevuld worden met drainzand of grind. Dit onder andere ter bevordering van de aanvoer van grondwater naar de drain." Een smallere ribbelbuis met drainagefilter, diameter ca. 8 cm, wordt toegepast bij beplanting, vooral bomen: door de buis wordt lucht aangevoerd (de buis zorgt voor beluchting). Bij horizontale drainage worden buizen die voorzien zijn van een drainage filter door middel van een kettinggraver of sleufloos in de grond geplaatst. De drainagebuizen kunnen tot een diameter van 160 mm aangebracht worden met een sleufopvulling van zand, grind of een ander vulmateriaal. Het aanbrengen van deze ribbeldrainbuizen kan exact en nauwkeurig geschieden met behulp van moderne GPS-systemen.  +
De drain wordt (lasergestuurd) op de gewenste diepte (van 2 tot ruim 4 meter) aangebracht. I.g.v. een slecht doorlatende bodem wordt de drain, middels een trechter op de drainmachine, aangevuld met grof zand. Hierdoor wordt de toestroming van het grondwater naar de drain bevorderd. De drain wordt tot boven het maaiveld verlengd d.m.v. een ongeperforeerde buis. De ongeperforeerde buis wordt aangesloten op onze bekende oranje bemalingspompen. Dit type bemaling wordt vaak toegepast t.b.v. het aanbrengen van riolering bij nieuwe bouwplannen (uitbreidingsplannen). Ook bij leidingprojecten en grotere bouwputten maken wij regelmatig gebruik van deze bemalingmethode.  +
Spanning in de grond als gevolg van een uitwendige belasting en het eigen gewicht van het materiaal. Horizontale gronddruk kan worden onderscheiden in: 1. neutrale gronddruk; bij stijve constructies die niet verplaatsen; sluiskolkmuren, landhoofden, kelders 2. actieve gronddruk; bij damwanden en keermuren welke een beetje verschuiven 3. passieve gronddruk De horizontale gronddruk is afhankelijk van: * de grondsoort en hoek van inwendige wrijving * de aard van de constructie * de stijfheid van de constructie  +
Hormonen zijn signaalstoffen die door klieren via de bloedbaan aan doelcellen of -organen worden afgegeven. Dit in tegenstelling tot neurotransmitters waarvan het effect (meestal) optreedt op de plaats van afgifte (de synaps). Ook planten maken hormonen. Het woord hormoon komt van het Griekse hormao dat 'in beweging zetten' betekent.  +
Een pendam is een schutdam in een sloot. <br/> Houten pendammen liggen in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's voornamelijk in secundaire en tertiaire watergangen.  +
De ouderdom van deze landschapselementen varieert sterk. Ze zijn vaak bij een ontginning aangelegd, in zeldzame gevallen zijn het overblijfselen van grenswallen uit de middeleeuwen. De basisfunctie van de wallen was het afbakenen van bezit. Als erfafscheiding duidden ze de grenzen aan van percelen, weilanden, akkers of landgoederen. Tegelijkertijd dienden ze om het wild buiten de landbouwpercelen te houden (wildwal) en om het vee binnen te houden. Vanwege hun rol als natuurlijk prikkeldraad werden vaak struiken met doornen aangeplant, zoals de meidoorn. Veel wallen hadden ook een functie als houtleverancier voor geriefhout en brandhout. Er zijn ook houtwallen die aangelegd werden als bescherming tegen wind en om zandverstuivingen tegen te gaan. Houtwallen en houtsingels zijn landschappelijk en ecologisch van bijzondere betekenis en herbergen een grote verscheidenheid aan planten- en diersoorten. De helling biedt variatie in nat/droog en warm/koud. De zonkant is dan vooral interessant voor insecten, amfibieën en reptielen, de schaduwkant voor varens en mossen. De vegetatie onder de bomen wordt vaak gekenmerkt door soorten die buiten de houtsingels niet of nauwelijks in het gebied voorkomen, zoals kamperfoelie, maagdenpalm, bosandoorn, dauwnetel. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Aquo)  +
Huishoudelijk afvalwater wordt namelijk voor het overgrote deel door organische stoffen vervuild. Om deze organische stoffen af te breken is zuurstof nodig. Er blijkt per etmaal gemiddeld 150 g zuurstof nodig te zijn om het door één persoon geproduceerde afvalwater te zuiveren. Per jaar is dat 54,8 kg zuurstof. Tegenwoordig spreekt men dan van een vervuilingseenheid aan zuurstofbindende stoffen, ofwel veO, en deze wordt als volgt bepaald: aantal veO=Q/1000*(CZV+4,57*Kj-N)/54,8=Q*(CZV+4,57*Kj-N)/54.800. <br/> Hierin is Q het jaarvolume in m3/jaar, CZV het chemisch zuurstofverbruik in mg/l en Kj-N geeft de hoeveelheid Kjeldahl-stikstof weer die in ammonium of als organische stof is gebonden. CZV en Kj-N worden volgens nauwkeurig omschreven laboratoriumanalysemethoden bepaald, waarbij Kjeldahl de standaardmethode voor het bepalen van gereduceerd stikstof heeft ontwikkeld.  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Een huishouden is zowel een economische eenheid (zoals een gezin of woongemeenschap) als de organisatie van de bijbehorende werkzaamheden om in de voeding, kleding en het onderdak van dat huishouden te voorzien. De leden van een huishouden wonen in één woning. (bron: Wikipedia)  +
Zie ook NEN5104 (bron: Aquo) <br/> <br/> Humus of teelaarde is het traag afbreekbare deel van organische stof in de bodem. Het gaat hierbij om dood materiaal, van plantaardige en in mindere mate van dierlijke oorsprong, waarbij de specifieke celstructuur van de oorspronkelijke bestanddelen door eerdere biologische afbraak reeds verloren is gegaan. Dit gehomogeniseerde karakter onderscheidt humus van de strooisellaag. 'Humus' wordt ook wel abusievelijk als synoniem gebruikt voor compost. Compost is echter het eindproduct van een door mensen gecontroleerd biologisch afbraakproces. Humus kan in soorten worden onderverdeeld op grond van meerdere criteria: chemisch karakter; mate van afbreekbaarheid; structuur in samenhang met het milieu waarin een bepaalde humuslaag zich heeft gevormd. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Door microflora en microfauna afgebroken dood plantaardig en dierlijk materiaal. (bron: DIV)  +
(bron: Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten / ABDL)  +
(bron: Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten / ABDL) <br/> <br/> Huur is het gebruik van goederen die aan een ander toebehoren in ruil voor een vergoeding. Het betaalde bedrag wordt eveneens huur genoemd. Worden goederen van een ander om niet (zonder vergoeding) gebruikt, dan spreekt men van lenen. Geld kan ook gehuurd worden, maar dat wordt nooit zo genoemd. Bij geld spreekt men steeds van lenen, ongeacht of er een vergoeding (rente) wordt betaald of niet. Een huurovereenkomst kan voor onbepaalde tijd zijn, bijvoorbeeld bij huur van een huis, of voor enkele uren of dagen, bijvoorbeeld bij huur van een fiets of auto. Het bekendste object wat permanent gehuurd wordt is een huis of een bedrijfspand: veel mensen wonen of werken in een gehuurd gebouw. De voordelen van huren zijn voor de huurder onder andere het niet hoeven betalen van het grote bedrag voor de aanschaf, en dat de verhuurder zorgt voor onderhoud van het pand. Andere goederen die permanent gehuurd worden zijn telefoonapparatuur (vanouds), kabelontvangers, elektra- en gasmeters. Deze artikelen zijn vaak nieuw (of in nieuwstaat), wat van een gehuurd huis niet gezegd kan worden. Wordt het abonnement opgezegd, dan doet de verhuurder vaak geen moeite om de gehuurde artikelen terug te halen. Ook voertuigen worden vaak gehuurd, hier moet vaak een waarborg of onderpand voor betaald worden. Dit is om ervoor te zorgen dat de gehuurde goederen inderdaad terugkomen en eventuele beschadigingen mee te kunnen bekostigen. Het huren van voertuigen voor bedrijfsdoeleinden wordt ook vaak leasen genoemd, het verschil tussen huren en leasen heeft met de belasting te maken. (bron: Wikipedia)  +
Circulair modelleren van het oppervlaktewatersysteem. <br/> Het NHI heeft een nieuwe standaard ontwikkeld voor het eenvoudig kunnen modelleren van het oppervlaktewatersysteem: HyDAMO. Het is een datamodel voor de hydroloog, met DAMO Watersysteem (HWH) als uitgangspunt, aangevuld met hydrologische data zoals sturing, ruwheden en koppelmogelijkheden met grondwatermodellen. <br/> Deze ontwikkeling is gebaseerd op de behoefte van hydrologen om van het beheren van modellen naar het beheren van de data te komen. Ofwel, van een lineair modelleerproces naar een circulair modelleerproces. Het grote voordeel hiervan is dat er tevens een proces van valideren en terugmelden wordt ingericht, waarmee de kwaliteit en actualiteit van de brondata continu wordt verbeterd. <br/> Ambitie<br/> Het NHI heeft de ambitie om HyDAMO als standaard op te nemen in de landelijke standaard DAMO Watersysteem van het Waterschapshuis. Op deze wijze wordt het fundament voor circulair modelleren gelegd en toekomstbestendig gemaakt. Dit gaat gerealiseerd worden in de eerste helft van 2021 in de vorm van DAMO Watersysteem v2.2. <br/> Ondertussen kunnen geodata beheerders en hydrologen al aan de slag met HyDAMO in haar huidige vorm. Diverse marktpartijen waaronder Sweco, HKV, RHDHV en Hydroconsult zijn al begonnen met het aansluiten van hun tools en software op HyDAMO. <br/>  +
Een hydrant is een uitlaat van een vloeistofleiding, vaak bestaande uit een rechtopstaande pijp met een klep eraan bevestigd, waaruit vloeistof (bijvoorbeeld water of brandstof) kan worden getapt. Voor het beregenen van gewassen kan een beregeningsinstallatie worden aangesloten op een hydrant voor de toevoer van water.  +
Er zijn verschillende mogelijkheden om hydraulieksystemen in te delen; de hier gehanteerde indeling is voor discussie open: * simpele systemen, die bijvoorbeeld op vuilniswagens worden gebruikt; * mobiele systemen, die op graafmachines en dergelijke worden gebruikt; * industriële systemen, die een hoog rendement en een lange levensduur vragen; * speciale systemen  +
Bron: waterbodemrichtlijn.  +
Een getijstroom wordt veroorzaakt door verschillen in getijhoogte of hoogwater aan de twee uiteinden van een zeestraat. (bron: Wijk, J van der, Taal van het Water / Aquo)  +
(Bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid)  +
Hydraulische randvoorwaarde voor het toetsen van de waterkering. (Bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid)  +
Men onderscheidt wandruwheid en bodemruwheid. (Bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst, CHO, "Rapporten en nota's" nr. 16, 's-Gravenhage, 1986 (ingekort) / Aquo)  +
Een waterloop is een open leiding. (bron: CHO (510), iets gewijzigd / Aquo) <br/> <br/> De hydraulische straal R of hydraulische diameter Dh is een begrip dat wordt gebruikt bij berekeningen aan waterstromen door buizen met een niet-cirkelvormige doorsnede. Het is de verhouding van het doorstroomde oppervlak met de zogenaamde natte omtrek. Dit getal is van belang bij de berekening van de weerstand in een leiding. (bron: Wikipedia) Verhouding tussen natte oppervlakte en natte omtrek van de waterloop. (bron: DIV) <br/> <br/> De hydraulische straal R of hydraulische diameter Dh is een begrip dat wordt gebruikt bij berekeningen aan waterstromen door buizen met een niet-cirkelvormige doorsnede. Het is de verhouding van het doorstroomde oppervlak met de zogenaamde natte omtrek. Dit getal is van belang bij de berekening van de weerstand in een leiding. (bron: Wikiwand)  +
Een hydro object is een oppervlaktewaterlichaam, als lijnvormig object gedigitaliseerd, vastgelegd in de DAMO database. (Bron: HEA) <br/> <br/> Er zijn 4 soorten hydro objecten. (HEI / Hunze en Aa's) * primair (primaire wateren, hoofdwatergang) * secundair (secundaire wateren, schouwsloot) * tertiair (tertiair water, overige sloot) * overig (greppels) <br/> <br/> De hydro objecten worden naar de afvoerrichting gedigitaliseerd. <br/> <br/> Categorieën hydro-objecten. (DAMO)<br/> Een indeling naar de grootte van de afvoer en/of oppervlakte zoals bepaald bij wet/verordening. Hiermee wordt de indeling van oppervlaktewaterlichamen bedoeld naar primair, secundair tertiair en overig: * ‘Primair’ voor wateren met een belangrijk functie in de wateraan- en afvoer en waterberging * ‘Secundair’ voor wateren die een functie hebben in de wateraan- en afvoer en waterberging van percelen van meerdere gerechtigden - met uitzondering van primaire wateren. * ‘Tertiair’ voor wateren die alleen een functie hebben in de wateraan- en afvoer van en naar terreinen waarvan de onderhoudsplichtige zelf gerechtigde is en die in directe of indirecte verbinding staan met secundaire of primaire wateren.  +
Het HydroObject is het basisgegeven van de waterloop. In de volksmond ook wel ‘de as van de waterloop’ (lijn). Voor SoortOppwaterkwantiteit en SoortOppwaterkwaliteit zijn domeinlijsten aanwezig. Hierin kan het ‘Type watergang’ vastgelegd worden zoals vanuit de Legger noodzakelijk is, ook o.a. bronbeek. De categorieOppwaterlichaam geeft aan of het een primaire, secundaire of overige waterloop is.  +
Een samenvoeging van HydroObjecten met homogene kenmerken, zoals: * Naam van het water (bv 'Kanaal door Voorne', of 'Het Spui') <br/> * Functies voor oppervlaktewater <br/> Met homogene kenmerken worden geen afmetingen bedoeld, zoals bodemhoogte, bodembreedte etc.  +
(bron: GR, 1989. / Aquo)  +
In het kort kan men zeggen dat hydrografie landmeten op het water is. Belangrijk bij hydrografie is meten, zoals de diepte, de samenstelling van het water en de zeebodem, het getij, de golven en de stroming. Deze metingen voert de hydrograaf uit vanaf het water of het land met behulp van hydrografische apparatuur en een hydrografisch vaartuig. Er zijn verschillende hydrografische methoden die toegepast kunnen worden om een hydrografische opneming uit te voeren. Vervolgens worden deze hydrografische data verwerkt met hydrografische software. Na de bewerking in de software kunnen de meetgegevens weergegeven worden in hydrografische kaarten, profielen, volumes, tabellen en grafieken. De hydrografie heeft zeer veel toepassingen in het dagelijks leven. Het beroepenveld bestaat uit overheidsinstellingen, baggerbedrijven, offshorebedrijven en opnemingsbedrijven. De manier waarop de hydrografie tegenwoordig wordt toegepast, en de manier waarop, is anders dan die in het verleden, van de hydrografische geschiedenis.  +
Opmerking: ook de invloed van menselijk handelen wordt hier dikwijls onder begrepen. <br/> Hydrologie is de studie van de hydrosfeer of wel de studie van het gedrag en de eigenschappen van water in de atmosfeer, op en onder het aardoppervlak. <br/> <br/> Het vakgebied behandelt onder andere: <br/> - Neerslag <br/> - Bodemvochtigheid <br/> - Evapotranspiratie (verdamping + verdamping door gewassen) <br/> - Grondwaterstroming <br/> - Het evenwicht tussen smelt en groei van de ijsmassa's op aarde. <br/> <br/> In het waterbeheer wordt dankbaar gebruikgemaakt van de kennis uit de hydrologie. Met behulp van die kennis kan worden gegarandeerd dat bewoonde en landbouwgebieden beschikking hebben over voldoende water van goede kwaliteit, en dat ze veilig zijn voor overstromingen. <br/> <br/> De hydrologische cyclus vormt de basis voor het vakgebied van de hydrologie. Die beschrijft de weg die het water aflegt door de atmosfeer (in de vorm van waterdamp en wolken), naar de aarde (als neerslag), over en door de bodem (beken, rivieren en grondwater), naar een zee of oceaan en weer terug naar de atmosfeer (door verdamping). <br/> <br/> De hydrologie kent twee belangrijke deelgebieden: <br/> - Oppervlaktewaterhydrologie <br/> - Grondwaterhydrologie <br/>  +
(bron: CHO (548) / Aquo) <br/> <br/> Alles wat betrekking heeft op de toestand en het gedrag van een bepaalde rivier. (bron: DIV)  +
De grenzen van een dergelijk hydrologisch systeem worden in de eerste plaats bepaald op grond van morfologische, ecologische en functionele samenhang. De waterwet definieerd het watersysteem als een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken.  +
(Bron: RfC Intwis waterkeringen/Aquo)  +
(Bron: DAMO/HyDAMO)  +
De aardse hydrosfeer reikt tot in de hoogste lagen van de atmosfeer waar watermoleculen voorkomen, en blijft dus hoofdzakelijk beperkt tot de troposfeer. In de stratosfeer, vanaf circa 15 km hoogte, komt bijna geen water meer voor.  +
De term ”statisch” benadrukt dat de energieoverdracht hoofdzakelijk komt van de druk op de vloeistof en in mindere mate uit de kinetische energie van de vloeistofstroom. Een hydrostatische aandrijving bestaat in de basis uit drie onderdelen. Een hydropomp, een hydromotor en uit regelkleppen. De hydropomp kan door een elektromotor of een verbrandingsmotor worden aangedreven. Aan een hydropomp wordt een werktuig bevestigd. Dit kan zowel een lier als een wiel zijn. Met behulp van regelkleppen is het vrij eenvoudig mogelijk om regelingen te realiseren.  +
Hydrostatische druk is de druk die uitgeoefend wordt door een statische vloeistof op een lichaam op een bepaalde diepte in die vloeistof. Deze druk werkt in alle richtingen, is constant in een horizontaal vlak en wordt uitgedrukt in de eenheid Pascal. De druk is aanwezig in stilstaande (statische) vloeistoffen en is een belangrijke eigenschap in de hydrostatica. Daarnaast kunnen er nog allerlei drukken ontstaan in bewegende vloeistoffen, en die worden bestudeerd in de vloeistofdynamica. In grondwater heerst, wanneer de poriën in de bodem of in het gesteente met elkaar verbonden zijn, ook hydrostatische druk. Men spreekt dan meestal van poriëndruk. Hydrostatische druk wordt gemeten met een manometer, piëzometer of druksensor.  +
(Poriën)waterspanning, hydraulische druk of poriëndruk is de druk die heerst in grondwater. In het geval van freatisch water in een goed doorlatend materiaal is deze druk ongeveer gelijk aan de hydrostatische druk, de druk die wordt veroorzaakt door de massa van de bovengelegen waterkolom. Grond is echter zwaarder dan water, dit extra gewicht wordt gedragen door de korrels zelf.  +
Een hyperlink is vaak een stukje tekst maar kan ook een afbeelding of enig ander HTML-element zijn. Een specifieke plaats binnen een document waarnaar wordt gelinkt, wordt een anker genoemd. Ankers kunnen als volgt worden aangegeven: Anker Hyperlink <h2 id="ankernaam">Kop</h2> Verouderd: <h2><a name="ankernaam">Kop</a></h2> <a href="pagina.html#ankernaam">Link</a> Veel hypertekst is te verdelen in onafhankelijk onderhouden verzamelingen "hyperdocumenten"; het wereldwijde web bestaat bijvoorbeeld uit websites. Deze documenten hebben meestal een algemene voorpagina (de hoofdpagina van een website). Het maken van hyperlinks naar andere pagina's dan de beginpagina wordt dieplinken genoemd. Op het wereldwijde web worden voor hyperlinks zogenaamde URL's gebruikt (Uniform Resource Locators, oftewel uniforme adresseringen van een informatiebron. Een URL zoals https://nl.wikipedia.org/wiki/Wikipedia is als volgt opgebouwd: https:// geeft het communicatieprotocol aan: de techniek waarmee de browser met de server moet communiceren, in dit geval HTTP. Het protocol wordt afgesloten met ://. Er staat bijvoorbeeld ftp:// als het FTP-protocol moet worden gebruikt. nl.wikipedia.org is de naam van de server op het internet waar de browser contact mee moet leggen. Dit stukje tekst, vaak tot de schuine streep (/) geeft aan van welke website we de informatie willen hebben. Dat klopt dus ook, want we gaan informatie opvragen bij nl.wikipedia.org en nergens anders. wiki/Wikipedia geeft een specifieke informatiebron aan binnen de website van nl.wikipedia.org; dit is vaak een bestand op de harde schijf, maar dat hoeft niet. Als het een bestand is, is wiki/Wikipedia/ meestal de naam van een map op de harde schijf waar het bestand te vinden is. Submappen worden door websitebeheerders/ontwerpers aangemaakt om de inhoud te organiseren en te categoriseren. In dit geval wordt dus de map wiki geopend en daarna de map Wikipedia. Meestal surfen (d.w.z. navigeren) we naar de hoofdmap van een website, zoals https://nl.wikipedia.org en worden we daar ontvangen.  
De talrijke smalle banden van hyperspectrale sensoren zorgen voor een continue spectrale meting over het gehele elektromagnetische spectrum en zijn daarom gevoeliger voor subtiele variaties in gereflecteerde energie. Beelden die worden gemaakt van hyperspectrale sensoren bevatten veel meer gegevens dan beelden van multispectrale sensoren en hebben een groter potentieel om verschillen tussen land- en waterkenmerken te detecteren. Multispectrale beelden kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om beboste gebieden in kaart te brengen, terwijl hyperspectrale beelden kunnen worden gebruikt om boomsoorten in het bos te onderscheiden.  +
i
Digitaal en mobiel toegangsbeheer zonder batterij en zonder snoeren.  +
Een paspoort is een voorbeeld van een identificatiebewijs. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL) / Taxonomie van documenttypen / ABDL)  +
De programmeur wil bijvoorbeeld een waarde in het geheugen opslaan omdat hij die waarde later weer nodig heeft. Hij gebruikt dan een identifier om de waarde een naam te geven. In zo'n geval wordt de identifier een variabele genoemd. Ook gebeurt het vaak dat een programmeur een subroutine of functie maakt, die elders in het programma wordt aangeroepen. Zo'n subroutine of functie heeft dan een naam nodig, en die naam is een identifier. Het verdient de voorkeur een naam te kiezen waaruit duidelijk blijkt waar de identifier voor dient. Het programma blijft daardoor begrijpelijk. De regels waaraan een identifier moet voldoen zijn in bijna alle programmeertalen ongeveer dezelfde. Het is een reeks van letter en cijfers, te beginnen met een letter of underscore. Soms zijn er nog meer tekens die in een identifier mogen voorkomen, en soms is de lengte van een identifier beperkt. Sommige talen maken onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters, bij andere talen is dat verschil niet van belang. In bijna alle programmeertalen geldt dat er bepaalde woorden zijn met een speciale betekenis (sleutelwoorden). Deze mogen meestal niet als identifier gebruikt worden. Vooral COBOL is in dat opzicht berucht. Er zijn echter ook talen, zoals Fortran en PL/1, waarvan de syntaxis het mogelijk maakt de sleutelwoorden te onderscheiden van identifiers. (bron: Wikipedia)  +
IJking is het relateren van een meetmethode aan een wettelijk erkende standaard. Door een ijking wordt een meetinstrument officieel geschikt verklaard voor metingen waaraan wettelijke nauwkeurigheidseisen worden gesteld, zoals metingen waarvan het resultaat wordt gebruikt om een kostprijs te bepalen. Een ijking bestaat uit een kalibratie (de afwijking ten opzichte van de standaard vaststellen) gevolgd door een justering (de afwijking corrigeren). Alle meetapparatuur die commercieel gebruikt wordt, moet regelmatig geijkt worden om er zeker van te zijn dat de metingen nog aan de wettelijk gestelde eisen (specificaties) voldoen. Professionele meetinstrumenten kunnen een ingebouwde referentie hebben; deze verricht automatisch controles en geeft een melding wanneer de meetapparatuur niet meer voldoet. Zo worden snelheidsmeters voor verkeersovertredingen voor en na elke meet-sessie geijkt, om de vastgestelde overtreding meer rechtszekerheid te geven. Vooral als de meetapparatuur gebruikt wordt voor de overdracht van eigendom moet de ijking gebeuren door een officiële instantie zoals het Nederlands Meetinstituut (het vroegere IJkwezen). De toezichthouder op de Metrologiewet (voormalige IJkwet) is Agentschap Telecom.  +
Zo worden gewichten vergeleken met een zogenaamd ijkgewicht. Dat is een object (een massa) waarvan het gewicht bekend is en als vergelijking dient.  +
IJs is de vaste vorm van water en kan zeer uiteenlopende vormen aannemen, variërend van een ijsberg, gletsjer of ijspegel, tot hagel of sneeuw. Een unieke eigenschap van ijs is dat het bij de smelttemperatuur een ca. 10% lagere dichtheid heeft dan vloeibaar water. Door de beperkingen die de waterstofbruggen aan de watermoleculen opleggen (tetraëdrische omringing van de moleculen) in combinatie met het kristalrooster is het niet mogelijk een dichtere vaste stapeling te verkrijgen. In de thermodynamica heeft de lage dichtheid van ijs tot gevolg dat het onder hogere druk een lagere smelttemperatuur heeft; een vrij unieke eigenschap. De lagere dichtheid van ijs heeft als gevolg dat ijs op water blijft drijven, en daardoor een isolerende laag vormt die ondiep water in de winter voor totale bevriezing behoedt. Dit heeft waarschijnlijk een grote rol gespeeld bij het ontstaan van het leven op aarde. Water krijgt vanaf 275 watermoleculen de typische ijskristalstructuur.  +
Wordt in tienden uitgedrukt. (bron: Aquo)  +
Dit is goed zichtbaar wanneer het ijs gesmolten is. Wanneer er een ijstijd is, breidt het ijs zich uit en vervormt het aardoppervlak. Als het ijs vervolgens dan weer gesmolten is, ziet de aarde eronder er heel anders uit. Op deze manier ontstaan ook gletsjers, waarin stromen van ijs door het aardoppervlak schuren.  +
Een ijskap onderscheidt zich van een gletsjer doordat hij op het landschap ligt en wordt in principe niet door topografie beperkt. Op Aarde bevinden zich twee grote ijskappen, te weten Groenland en de Antarctica. Daarnaast bevinden zich op Aarde nog talloze kleinere ijskappen, bijvoorbeeld de Vatnajökull op IJsland, de Hardangerjøkulen in Noorwegen en de Agassiz-ijskap op Ellesmere-eiland in het noorden van Canada. In het Nederlands wordt ook poolkap gezegd. Daarmee wordt de Antarctische ijskap bedoeld, en het meerjarige zee-ijs rond de Noordpool. Het laatstgenoemde is echter volgens de definitie geen ijskap.  +
Meestal is een illustratie een tekening of een toepasselijke foto bij een geschreven verhaal. De illustratie beeldt dan een fragment uit waardoor de lijn van het verhaal zichtbaar wordt voor de lezer of de sfeer van het verhaal wordt geaccentueerd. Een illustratie is dan een visuele uitleg of verduidelijking. Kinderboeken en wetenschappelijke verhandelingen worden vaak met illustraties verluchtigd. <br/> <br/> Men kan de volgende twee soorten illustraties onderscheiden: * Tekeningen van (complexe) objecten of situaties, zie infographic * Weergave van informatie door een cartoon <br/> <br/> Een bijzonder vorm van illustreren is het toepassen van illuminaties. <br/> <br/> Een illustratie kan in overdrachtelijke zin ook een uitleg zijn bij een verhaal of bij een presentatie. Daarbij is de illustratie zelf ook weer een verhaal, dat echter als een voorbeeld kan dienen ter verduidelijking van het gespreksonderwerp. In de Bijbel wordt een gelijkenis als illustratie bij de leer van Jezus Christus gebruikt. <br/> <br/> Volgens sommigen is een nadeel van het gebruik van illustraties dat de fantasie van de lezer of toehoorder minder wordt geprikkeld dan bij verhalen zonder illustraties, omdat de illustratie een deel van de onduidelijkheid invult, bijvoorbeeld over het uiterlijk van een hoofdpersoon.  +
(bron: van Dale, 1993. / Aquo) <br/> <br/> Imago (meerv. imagines) is de naam voor een volwassen insect na metamorfose. Het is in staat zich voort te planten. Bij gevleugelde soorten zijn pas in dit stadium functionele vleugels aanwezig. De metamorfose (gedaanteverwisseling) kan onvolledig of volledig zijn. Insectensoorten met een volledige metamorfose hebben een larve- en popstadium; bij onvolledige metamorfose spreekt men van een nimfstadium (of -stadia). Bij veel insecten is het geslacht pas te bepalen bij de imago, zoals vlinders en kevers, waarbij de mannetjes vaak duidelijk van de vrouwtjes zijn te onderscheiden. Vaak krijgen de volwassen wordende dieren allerlei kleuren (vlinders), hoorns (kevers), stekels of haren (hommels), vleugels (libellen), groeven in het lijf om geluid mee te maken (sprinkhanen en cicaden) et cetera. Bij insecten leven geslachtsrijpe dieren meestal enkele maanden; met uitzondering van soorten die als imago overwinteren. Enkele kevers halen drie jaar. Cicaden van het geslacht Magicicada hebben een ontwikkelingsduur van 13 of 17 jaar. De larven of nimfen vreten zich vol, en na de metamorfose is voedsel zoeken voor veel soorten ondergeschikt aan een partner zoeken. De eendagsvlieg, sommige mottensoorten en de meeste langpootmuggen hebben als imago geen monddelen en kunnen geen voedsel opnemen. Deze dieren leven als imago dan ook niet lang. Hun enige taak is het zoeken van een partner en het leggen van eieren. Andere insecten, zoals de honingbij, kunnen als imago maanden oud worden. Hoewel veel insecten maar een kort leven hebben als imago, leven ze in totaal wel enige tijd. De larve van de eendagsvlieg leeft een jaar onder water. Met een larvetijd van 4 weken, poptijd van een halve week en een vier weken levend imago is waarschijnlijk de (huis)vlieg het kortst levende insect.  +
Immissie wordt in het bijzonder gebruikt bij doordringing van verontreinigde stoffen. (bron: Aquo) <br/> <br/> Lucht: verschil emissie en immissie: <br/> Er is een verschil tussen emissie en immissie. De emissie is de hoeveelheid verontreinigende stoffen die uit de bron komt. De verontreinigende stoffen verspreiden zich via de lucht en veroorzaken zo een belasting op de woon- en leefomgeving: de immissie. <br/> <br/> Emissie: <br/> De emissie is de hoeveelheid verontreinigende stoffen die uit de bron komt. De emissie is uitgedrukt in de vorm van een concentratie (in mg/m3) of een vracht (in kg/uur). Bronnen van schadelijke stoffen in de lucht zijn bedrijven, het verkeer en de scheepvaart. Maar ook activiteiten van burgers kunnen een bron zijn. Denk bijvoorbeeld aan particuliere houtkachels. <br/> <br/> Immissie: <br/> De verontreinigende stoffen verspreiden zich via de lucht en veroorzaken zo een belasting op de woon- en leefomgeving. De leefhoogte is 1,5 meter hoog vanaf de grond gemeten. Het is belangrijk dat de lucht op die hoogte zo schoon mogelijk is, omdat veel mensen en dieren deze lucht inademen. De hoeveelheid stoffen uit de lucht op leefhoogte vormen de immissie. Deze hoeveelheid is te meten of te berekenen. (bron: informatiepunt leefomgeving)  +
Een gebeurtenis die, direct of indirect, van negatieve invloed kan zijn op de kwaliteit van het oppervlaktewater. In het uiterste geval is een incident aanleiding om de situatie ter plekke te bekijken en daarover een bezoekverslag vast te leggen. (bron: Werkgroep gegevenswoordenboek AQUABEL, juni 1996 / Aquo)  +
Incidentele activiteiten hebben veelal betrekking op eenmalig te realiseren producten. De volgende karakteristieken zijn voor de beheersing van incidentele activiteiten van belang:- Uniek (stukproductie) en daarom op werksoortniveau veelal (voorlopig) geen normen vast te stellen, wel richtlijnen. Het feit dat het stukproductie betreft wil overigens niet zeggen dat bepaalde fasen c.q. bouwstenen niet te normeren zijn - - Meerjarig - - Veel volgtijdige beslispunten (go versus no-go) - - Beginfase veelal alleen eigen inzet (initiatieffase, verkenningsfase, planstudiefase) - - Informatie redelijk intensief verstrekt (voortgang). (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Van Middelen naar Produkten. / Aquo)  +
Het incidentgebied is ontruimd. (bron: Aquo)  +
Er zijn gewonden op de incidentlocatie. (bron: Aquo)  +
Het denken in indicatoren komt zowel voor in de context van prestatiemanagement als in de context van kwaliteitsmanagement. In de context van prestatiemanagement wordt gesproken over prestatie indicatoren, of kritische prestatie indicatoren (KPI's).  +
(bron: NCS / Aquo)  +
In Nederland rekent men onder indirecte belastingen de omzetbelasting, accijnzen, motorrijtuigenbelasting, de BPM, milieubelastingen, invoerrechten, belastingen van rechtsverkeer en de bankbelasting. <br/> Minder bekende indirecte belastingen zijn de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, de verhuurderheffing en de belasting op zware motorvoertuigen. <br/> Ook de inmiddels weer afgeschafte verpakkingsbelasting was een indirecte belasting.  +
Emissies die alvorens het watersysteem te belasten eerst getransporteerd worden en eventueel van aard veranderen. (bron: Landelijke watersysteemrapportage 1994, Commissie Integraal Waterbeheer CUWVO, werkgroep VII / Aquo)  +
(bron: Van Middelen naar Produkten / Aquo) <br/> <br/> Uitgaven van een onderneming die niet worden verrekend in de fabricatiekosten van een product. (bron: EuroVOC)  +
Betreft voorzieningen, zoals septictanks, voor het zuiveren van af valwater afkomstig van percelen die niet op de riolering zijn aangesloten. <br/> <br/> Een mini-afvalwaterzuivering is een individuele behandeling van afvalwater (ook wel iba). In Nederland gebruiken we minizuiveringen als de afstand van een huis tot de gemeentelijke riolering te groot is. Bijvoorbeeld in het buitengebied waar maar een paar huizen of boerderijen staan. Sommige minizuiveringen zijn heel simpel en maken het afvalwater maar een beetje schoner. Een septic tank is een voorbeeld van zo’n minizuivering. Er zijn ook minizuiveringen die het water heel goed zuiveren, net als een grote rioolwaterzuivering. Bijna alle minizuiveringen liggen op het eigen terrein dat bij het gebouw hoort. Op sommige plaatsen beheert de gemeente de minizuivering, op sommige plaatsen moet de eigenaar dat doen. Er bestaan verschillende soorten IBA systemen, maar hebben alle als gemeenschappelijk kenmerk dat ze huishoudelijk afvalwater kleinschalig zuiveren. Huishoudelijk afvalwater bevat organisch materiaal, zwevende stoffen en nutriënten zoals ammonium en fosfaat. Een IBA is ontworpen om zo veel mogelijk organisch materiaal uit het afvalwater te halen dat anders bij afbraak opgeloste zuurstof uit het afvalwater zou onttrekken. Een IBA verwijdert ook zwevende stoffen, maar biedt geen garantie voor het verwijderen van ammonium. De verwijdering van ammonium en andere vormen van stikstof is afhankelijk van de temperatuur, zodat de zuiveringsefficiëntie van een IBA varieert per seizoen. Een IBA maakt onder andere gebruik van opgeloste zuurstof om het afvalwater te zuiveren. De eenvoudigste vorm van IBA is een septische put ontworpen voor de behandeling van uitsluitend sanitair afvalwater. Een septische put verwijdert hoofdzakelijk zwevende stoffen en maakt deze vaste stoffen vloeibaarder. Hoewel een septische put ook het water van één gezin of gebouw zuivert, is de zuivering minder ver doorgedreven en zijn er geen zuiveringsprocessen die gebruiken maken van in het water opgeloste zuurstof. Er zijn vier klassen IBA's: klasse 1 is een septische put, terwijl IBA's van klasse 2, 3A en 3B voldoen aan KIWA certificatie-eisen die een bepaalde mate van (aanvullend) zuiveringsrendement weergeven. Een klasse 2 IBA verwijdert met name zwevende stoffen, een klasse 3A IBA verwijdert ook stikstof en een klasse 3B IBA verwijdert daarnaast ook fosfaat. Een IBA klasse 1 is een bijzondere septische put, met een inhoud van minimaal 6 m³ verdeeld in 3 compartimenten in een verhouding van 2:1:1. Een IBA klasse 2 of 3 kan bestaan uit twee of drie tanks of compartimenten. Te weten, een voorbezinktank waar de zwaardere (niet-organische) delen bezinken, een actief-slibtank met beluchtingsinstallatie, gevolgd door een nabezinktank waar de vaste stoffen en bacterievlokken bezinken. De zuivering vindt in tegenstelling tot een septische put plaats onder aerobe omstandigheden. Bacteriën breken daar het organisch materiaal af. Er zijn ook huizen en boerderijen in het buitengebied die niet op het gemeenteriool zijn aangesloten. Het afvalwater van deze huizen wordt op het eigen terrein schoongemaakt in een minizuivering (individuele behandeling afvalwater). 1 op de 1000 huizen in Nederland heeft geen aansluiting op riolering of minizuivering. Het afvalwater van deze huizen komt in het milieu terecht. Een IBA is een reservoir waarbij het vuilwater op biologische wijze wordt gereinigd en het gereinigde water direct wordt geloosd op het oppervlaktewater. (bron: NPR 4768) Het effluent uit een IBA klasse 2 of 3 moet nagenoeg helder zijn.  
Een voorbeeld van inductie is de beroemde hypothese 'alle raven zijn zwart'. Deze conclusie komt voort uit een groot aantal waarnemingen van zwarte raven, zonder daarbij één enkele witte raaf te observeren. De conclusies die volgen uit een inductieve redenering waarbij de vertrekpunten, de premissen, waar zijn, kunnen waar maar ook onwaar zijn. In dit geval namelijk wanneer we één witte raaf waarnemen. Inductie staat tegenover deductie als manier van redeneren. Inductieve redeneringen beginnen doorgaans bij de waargenomen feiten en omstandigheden; kwesties van waarschijnlijkheid en kansberekening staan hierbij centraal. Bij deductie gaat het eerder om de kwaliteit van de argumenten, waarbij de logica centraal staat. Beide vormen worden vaak gecombineerd, zoals in de empirische cyclus. Een inductieve redenering die niet strookt met de waargenomen feiten en omstandigheden, wordt een overhaaste generalisatie genoemd.  +
Industrieel afvalwater is een bijproduct van industriële of commerciële activiteiten. Of het nu het voedsel is dat we eten, de dranken die we drinken, de kleding die we dragen, of de papieren en chemische producten die we gebruiken, water is nodig voor bijna elke productiestap in een groot aantal verschillende industrieën. Het resulterende afvalwater moet zorgvuldig gezuiverd worden. <br/> <br/> Industrieel afvalwater is niet alleen met organische stoffen verontreinigd, maar vaak ook met andere chemische stoffen zoals zware metalen en zouten. Bij de zware metalen maakt men onderscheid tussen die van de 'grijze lijst', welke in zekere mate schadelijk zijn. Dit betreft chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink. De stoffen die uiterst schadelijk zijn staan op de 'zwarte lijst'. Dit betreft arseen, cadmium, en kwik. Bij de grijze lijst stoffen komt de afvoer van 1 kg per jaar overeen met 1 vervuilingseenheid, bij de zwarte lijst stoffen komt de afvoer van 100 g per jaar overeen met 1 vervuilingseenheid. Voor chloriden en sulfaten komt een lozing van 650 kg per jaar overeen met 1 vervuilingseenheid, bij fosfor komt een lozing van 20 kg per jaar overeen met 1 vervuilingseenheid.  +
Water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater. (bron: Waterschapsverordening) <br/> <br/> Infiltratie is een term uit de hydrologie, bodemkunde en het waterbeheer en betekent dat water in de bodem dringt en in de onverzadigde zone van de bodem komt. Als water in een bepaalde regio te weinig de kans krijgt om te infiltreren in de bodem, kan dit bijdragen aan waterschaarste in die regio. Infiltreren kan plaatsvinden op de plek zelf waar de neerslag valt. Indirect, kleinschalig, door de vorming van plassen of grootschalig door de vorming van een ven of vijver (depressie). Het infiltratievermogen of -capaciteit wordt uitgedrukt in de eenheid mm water per etmaal. Het meten van infiltratiecapaciteit gebeurt met lysimeters of door proefvakken. In Nederland infiltreert circa 500 mm water per jaar. Infiltratie is daardoor een hoofdfactor voor de watervoorziening van de landbouw en de drinkwatervoorziening. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Helpdesk Water) <br/> (vergelijk ook injectie en grondwateraanvulling) Indringen van water in de dijk of ondergrond. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017)  +
Een infiltratiesloot is dus kort gezegt een regenwaterinfiltratievoorziening in het buitengebied. <br/> <br/> Infiltratiesloten bevinden zich in het beheergebied van waterschap Hunze en Aa's vooral op het Drents Plateau. Het oppervlaktewater van het achter gelegen gebied stroomt naar de zaksloot en infiltreert dan in de bodem. Wordt het oppervlaktewater verzamelt in een zakput en infiltreert het water hier in de bodem dan noemt men dit een infiltratieveld. (bron: Hunze en Aa's) <br/> <br/> Een zaksloot is een in het grondlichaam gegraven verdieping ten behoeve van de berging van water wat van de weg afstroomt. Een verbinding met andere watergangen is afwezig. De zaksloot staat regelmatig droog. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OB01061) <br/> <br/> Een zaksloot is een uitgraving waarin hemelwater tijdelijk wordt opgevangen en vervolgens wegzakt in de ondergrond. (bron: Nomenclatuur van weg en verkeer / CROW) <br/> (bron: ABDL)  +
Een verdiept terrein met waterdoorlatende bodem bestemd voor de inzameling van hemelwater, waarbij dit water door middel van infiltratie door de bodem kan worden afgevoerd. [NEN 3300:1996] verdiept terrein waarop overstort- of regenwater wordt geloosd om in de bodem te infiltreren. Infiltratievelden (zakputten) komen bij waterschap Hunze en Aa’s vooral voor op de Hondsrug. Omdat er hier een keileemlaag in de ondergrond zit, infiltreert het water moeilijk in de bodem en moet het water horizontaal, via sloten, worden afgevoerd. In de zomerperiode staan de zakputten droog maar in een natte periode (herfst/winter/voorjaar) staan de zakputten vol met water. Het is belangrijk dat de bodem van de zakput goed onderhouden wordt zodat de infiltratie van het oppervlaktewater in de bodem optimaal functioneert. Het geinfiltreerde water stroomt door de ondergrond naar de voet van de Hondsrug en komt daar als kwelwater aan de oppervlakte. Via een uitgebreid stelsel van sloten, wijken en hoofdwatergangen wordt dit water opgevangen en afgevoerd.  +
BWBR0025458, Wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet). <br/> <br/> Het indringen van water in de grond. <br/> <br/> Water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater.  +
In een academische context maakt men vaak onderscheid tussen theoretische informatica, die de wiskundige en logische grondslagen bestudeert, en toegepaste informatica, die zich richt op de implementatie en toepassing in computersystemen. Informatica kan worden onderverdeeld in veel verschillende vakgebieden en onderzoeksvelden. De theorie van berekenbaarheid en wiskundige logica vormen de grondslagen om informaticaproblemen op te lossen. Algoritmen en datastructuren worden wel gezien als de kern van de informatica. Computerarchitectuur richt zich op de elektronische apparatuur, programmeren op het ontwerpen van software. De kunstmatige intelligentie streeft ernaar slimme, doelgerichte processen te ontwikkelen op basis van menselijk denken en leren. Vanwege de vergaande overlap met andere wetenschappelijk en maatschappelijk belangrijke activiteiten, die alle gebruik maken van computers voor het verwerken van hun gegevens, is een strikte afbakening van de informatica niet mogelijk. Gebieden die zich richten op toepassingen van informatica zijn onder meer beleidsinformatica, medische informatica en digitale veiligheid. Kennis van deze gebieden kan bijvoorbeeld worden gebruikt om bedrijfsprocessen te optimaliseren, klinische gegevens te analyseren en een veilige uitwisseling van informatie te waarborgen. Informatica richt zich op de theoretische grondslagen van informatie, de mechanische (automatische) verzameling en verwerking ervan, evenals de praktische toepassingen die eruit voortvloeien. (bron: Wikipedia)  +
Informatie (van Latijn informare: "vormgeven, vormen, instrueren") is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. Interpreteren en integreren van informatie resulteert in kennis. Er verschenen in de loop van de tijd honderden definities van het begrip. Dit komt doordat een aantal (sub)wetenschappen en toepassingsgebieden het verschillend gebruiken. Informatie wordt overgedragen via communicatie. Wie een boodschap overdraagt is de zender en wie de boodschap ontvangt is de ontvanger. Meestal is er tweerichtingsverkeer. De eenheid van informatie (en gegevens) is bit. <br/> <br/> De betekenis van data in een specifieke context. <br/> Informatie is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. Interpreteren en integreren van informatie resulteert in kennis. Informatie wordt overgedragen via communicatie. (Bron: ArchiXL)  +
Er is geen algemeen erkende definitie voor het begrip informatie-architectuur. Andere, gerelateerde termen voor het begrip informatie-architectuur zijn digitale architectuur en architectuur van de informatievoorziening. De informatie-architectuur is te beschouwen als een onderdeel van de bredere enterprise-architectuur. De informatie-architectuur is leidend bij het opstellen van de applicatie-architectuur (applicatielandschap) of service-architectuur (servicelandschap). In die zin is de informatie-architectuur een model waarmee de Business-IT alignment kan worden vormgegeven. De informatie-architectuur wordt opgesteld door een informatiekundige in de rol van informatie-architect.  +
Het is een containerbegrip voor verschillende algemeen bruikbare, permanent beschikbare basisvoorzieningen in een bedrijfsketen voor verwerking, opslag en transport van gegevens die gemeenschappelijk worden gebruikt door de samenwerkende organisaties in die keten. Het gaat dan over zowel technische faciliteiten, keteninformatiesystemen, gegevens en kennis en regelingen (Grijpink, 1999). Het tot stand brengen van een informatie-infrastructuur is moeilijk. Dit komt doordat organisaties zelf hun eigen gegevens beheren, waardoor gemeenschappelijke databanken tussen organisaties maar zelden mogelijk zijn. Zelfs in gevallen waarin het lukt, blijft telkens de discussie aanwezig over eigendom van gegevens, bevoegdheden en beheerstaken. Het ontbreken van formeel en eenduidig gezag is de belangrijkste factor. (bron: Wikipedia)  +
Het totaal van wensen en eisen dat door de gebruikers van het systeem met betrekking tot de te verstrekken informatie geformuleerd wordt. (Bron: ArchiXL)  +
Veelal ingevuld door beschrijvingen van ontwikkelingen, achterliggende organisatiebeleidsvisies, schetsen van de op middellange en lange termijn gewenste informatievoorziening, en de wijze, waarop de sturing en realisatie ervan plaatsvindt. (Bron: BiSL/ArchiXL)  +
(bron: Wikipedia / ArchiXL) <br/> <br/> Men doet dit door het treffen van de noodzakelijke organisatorische, procedurele en technische maatregelen die gebaseerd zijn op een (organisatieafhankelijke) risicoanalyse of een wettelijke verplichting. In Nederland valt hierbij te denken aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), de Telecommunicatiewet en andere vigerende wet- en regelgeving. Ten aanzien van beursgenoteerde ondernemingen in de Verenigde Staten moet worden gedacht aan de Sarbanes-Oxley wetgeving. Voor privacybescherming in de Amerikaanse gezondheidssector is bijvoorbeeld de Health Insurance Portability and Accountability Act (HIPAA) maatgevend. Op basis van een risicoanalyse wordt het gewenste niveau van beveiliging bepaald. Daarbij wordt in de regel een BIV-klasse beschikbaarheid, integriteit (=betrouwbaarheid) en vertrouwelijkheid (=exclusiviteit) bepaald, vaak uitgebreid met een indicatie voor controleerbaarheid (het belang om achteraf toegang en transacties te kunnen verifiëren). De Engelse term die wordt gehanteerd is de CIA Triad: confidentiality, integrity en availability. * Beschikbaarheid bevat de garanties voor het afgesproken niveau van dienstverlening gericht op de beschikbaarheid van de dienst op de afgesproken momenten (bedrijfsduur, waarbij rekening wordt gehouden met uitvalstijden, storingen en incidenten). Kenmerken van beschikbaarheid zijn tijdigheid, continuïteit en robuustheid. Zie ook Business Continuity Management. * Integriteit geeft de mate aan waarin de informatie actueel en correct is. Kenmerken zijn juistheid, volledigheid en geautoriseerdheid van de transacties. * Vertrouwelijkheid of exclusiviteit is het kwaliteitsbegrip waaronder privacybescherming maar ook de exclusiviteit van informatie gevangen kan worden. Het waarborgt dat alleen geautoriseerden toegang krijgen en dat informatie niet kan uitlekken. * Toerekenbaarheid geeft de garanties dat bij een transactie waarin twee partijen betrokken zijn aantoonbaar is dat beide partijen deel hebben genomen aan de transactie; bijvoorbeeld een verzender kan aantonen dat de ontvanger ontvangen heeft en de ontvanger kan aantonen wie de verzender was. (bron: Wikipedia)  
Het vakgebied informatiemanagement is beschreven in de BiSL standaard. Het vakgebied functioneel beheer wordt ook wel als onderdeel beschouwd van informatiemanagement. (Bron: ArchiXL) Informatiemanagement is een proces dat ervoor zorgt dat de informatiebehoeften die vanuit verschillende werk- en bedrijfsprocessen van een organisatie ontstaan worden vertaald in informatievoorziening. Informatiemanagement professionaliseert de vraagkant van ICT en valt daarom in de regel niet onder een ICT-afdeling maar onder de gebruikersorganisatie. Informatiemanagement functioneert hierbij als opdrachtgever voor de ICT-leverancier en vertegenwoordigt de gebruikersorganisatie als afnemer van de informatievoorziening. <br/> In praktijk wordt de term informatiemanagement alleen gebruikt voor strategische en sturende activiteiten. Voor operationele activiteiten wordt meestal de term functioneel beheer gebruikt. Een de facto standaard voor informatiemanagement en functioneel beheer is BiSL. <br/> <br/> Informatiemanagement is namens de gebruikersorganisatie verantwoordelijk voor de aanwezige informatievoorziening en daarbij ingezette informatiesystemen. Op strategisch niveau is informatiemanagement verantwoordelijk voor het opstellen van de informatiestrategie, voor het opstellen van de strategie voor de informatievoorzieningsorganisatie en voor de informatiecoördinatie (het coördineren en afstemmen tussen deze strategieën en andere beleidsplannen). Daarnaast is informatiemanagement verantwoordelijk voor een aantal sturende processen: * Financieel management: Het bewaken van de kosten van de informatievoorziening * Planning & Control: Aansturing van de tijds- en capaciteitsaspecten van de informatievoorziening * Behoeftenmanagement: Bewaken van de kwaliteit van de informatievoorziening, en vertalen van ontwikkelingen in de behoeften vanuit werk- en bedrijfsprocessen in aanpassingen aan de informatievoorziening * Contractmanagement: Het maken van goede afspraken met de ICT-leverancier <br/> <br/> Ten slotte voert informatiemanagement vaak regie over projecten om te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen aansluiten op doelstellingen voor de lange termijn. Operationele taken als het ondersteunen van gebruikers, het specificeren van wijzigingen, het specificeren van nieuwe functionaliteiten, het testen van wijzigingen worden meestal uitgevoerd door functioneel beheerders of senior gebruikers. Technisch applicatiebeheer en andere ICT-processen vallen niet onder de gebruikersorganisatie maar onder de ICT-leverancier. Informatiemanagement en functioneel beheer verstrekken hieraan opdrachten, maar informatiemanagement is niet hiërarchisch verantwoordelijk voor dergelijke afdelingen. ICT kan worden ondergebracht bij een interne afdeling, of worden uitbesteed. Ook functioneel beheer kan soms worden uitbesteed, maar Informatiemanagement dat op dergelijke uitbestedingen de regie voert kan nooit worden uitbesteed. (Bron: Wikipedia)  
Een informatiemodel is een model dat de termen, definities, relaties en algemene regels beschrijft voor het vastleggen van informatie in een registratie. <br/> <br/> Een informatiemodel is een conceptueel model. Dat wil zeggen dat het alleen de inhoud van een informatieobject beschrijft, maar niks zegt over de fysieke vorm waarin de gegevens zijn vastgelegd. Dezelfde inhoud kan in veel verschillende vormen zijn vastgelegd. Een conceptueel model dat de dingen in de werkelijkheid en hun onderlinge relaties beschrijft. (Bron: ArchiXL) <br/> <br/> Een informatiemodel beschrijft de structuur, semantiek en eigenschappen van deze informatie, over dingen in de werkelijkheid. (Bron: ArchiXL) <br/> <br/> De groepering van alle modelelementen waaruit het informatiemodel is opgebouwd, het informatiemodel als geheel. (MIM)  +
(bron: Kennisbank Nationaal Archief / Nederlandse Overheid Referentie Architectuur / Semantische gegevensmodellering in de gebouwde omgeving) <br/> <br/> * 1. Een document (tekst met eventueel afbeeldingen) die niet volgens de STOP standaard is geserialiseerd maar op een andere manier die is toegestaan in de Bekendmakingswet en bijbehorende regelingen; * 2. Een op zichzelf staand geheel van gegevens, zoals een lijst, een register, een geometrie of een database. Het is machine-leesbare informatie die niet direct door mensen gelezen kan worden, maar die met algemene beschikbare software te lezen is. <br/> (bron: Standaard Officiële Publicaties) <br/> <br/> Geheel van gegevens met een eigen identiteit (bron: Taxonomie van documenttypen, code: 3.5) Object, dat bestaat of kan bestaan binnen de geest van een mens, en dat een mentale representatie (conceptualisatie) vormt van een ding in de werkelijkheid. (bron: Regels voor informatiemodellering van de gebouwde omgeving – Deel 1: Conceptuele modellen) <br/> (bron: ABDL) <br/> Object dat bestaat of kan bestaan binnen de geest (mind) van een persoon.(bron: NEN 2660-1 (Ontw)) <br/> <br/> Op zichzelf staand geheel van gegevens met een eigen identiteit. Op zichzelf staand geheel van gegevens met een eigen identiteit. (bron: Nederlandse Overheid Referentie Architectuur) Een op zichzelf staand geheel van gegevens met een eigen identiteit. (bron: NTA 8035) Object, dat bestaat of kan bestaan binnen de geest van een mens, en dat een mentale representatie (conceptualisatie) vormt van een ding in de werkelijkheid. (bron: NEN 2660-1 (Ontw))  +
(Bron: BiSL/ArchiXL)  +
Een informatieproduct vraagt typisch het integreren en transformeren van data en het presenteren van het resultaat in een gebruikersvriendelijke vorm. (Bron: ArchiXL)  +
De term wordt praktisch ook gebruikt als: een verzameling samenwerkende programmatuur met onderliggend gebruikte gegevensverzamelingen, die door een organisatie gebruikt wordt om informatieverwerkende processen uit te voeren of te ondersteunen.  +
(Bron: BiSL/ArchiXL)  +
Veelal wordt het golflengtegebied van 780 nm tot 10 micrometer aangeduid met nabij-infrarood, van 10 tot 30 µm met middel-infrarood, van 30 µm tot 300 µm met ver-infrarood en van 300 µm tot 1 mm met sub-millimetergebied. Infrarood betekent 'onder het rood', omdat de frequentie van infraroodstraling iets lager ligt dan die van zichtbaar rood licht.  +
Een onderdeel van de infrastructuur. (bron: Informatieplan Water 1987 / Aquo)  +
Een infrastructuur is het geheel van voorzieningen dat nodig is om een land of organisatie, zoals een bedrijf of een instelling, goed te laten functioneren. Deze voorzieningen hebben de volgende basiskenmerken: * ze zijn tot op zekere hoogte blijvend of voortdurend beschikbaar; * ze functioneren in belangrijke mate onafhankelijk van specifiek gebruik; * ze zijn bestemd voor algemeen en gemeenschappelijk gebruik. In veel gevallen is een overheid verantwoordelijk voor de infrastructuur voor een land of regio. In Nederland is het Rijk verantwoordelijk voor de aanleg van rijkswegen en spoorlijnen en grote bouwwerken, voor onderzoek en onderwijs, en voor de ziekenhuiszorg. Bekabeling voor transport van elektriciteit en data zijn vaak in particuliere handen. Provincies en gemeenten hebben verantwoordelijkheden voor de lokale verkeersinfrastructuur, inclusief het lokale openbaar vervoer. Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de gezondheidszorg. Waterschappen hebben het kwalitatieve en kwantitatieve waterbeheer als belangrijkste taken. De Europese Unie eist dat infrastructuren op elkaar aansluiten, wat bijvoorbeeld zichtbaar is in de op elkaar lijkende verkeersborden en -tekens op het Europese wegennet. De infrastructuur van organisaties wordt gewoonlijk door die organisaties zelf gedragen. Organisaties maken natuurlijk ook gebruik van infrastructuren die door overheden worden aangeboden. Het geheel van voorzieningen voor het waterbeheer als dijken, watergangen, gemalen, afvalwaterzuiveringsinstallaties, enzovoorts, wordt wel de natte infrastructuur genoemd. Voorzieningen voor vervoer over water worden zowel gerekend tot de natte infrastructuur als tot de verkeersinfrastructuur. De ICT-infrastructuur omvat ICT-voorzieningen voor dataopslag; datacommunicatie zoals computernetwerken, waaronder het internet; voorzieningen voor beveiliging en de apparatuur en programmatuur die voor dit alles nodig is. Bij organisaties worden bedrijfsdata soms ook tot de ICT-infrastructuur gerekend. Kennisinfrastructuur zijn de structurele voorzieningen die zijn gericht op het genereren en verbreiden van kennis. Voorbeelden hiervan zijn onderzoek van universiteiten en bedrijven, (universitair) onderwijs, bibliotheken en kennisbanken. Ook het aanwezige kennisniveau van de bevolking van een stad of regio, met name van de werknemers, wordt gewoonlijk onder kennisinfrastructuur begrepen, evenals specifieke afspraken over kennisontwikkeling en kennisverspreiding, en specifieke financiering daarvan. Digitale infrastructuur omvat de netwerken, internet exchanges, ISP's, datacenters, hosting en cloud opslag en computing, en het domeinnaamsysteem (DNS). De sector digitale infrastructuur bestaat uit organisaties en bedrijven die deze diensten beheren en leveren. De digitale infrastructuur verbindt consumenten en bedrijven en maakt de online samenleving mogelijk.  
(bron: Woordgebruik bij Waterschappen, C. Euser, Heemraad Waterschap IJsselmonde, 1985 / Aquo) <br/> <br/> Een ingeland is iemand die eigendommen (land) heeft binnen een (Nederlands) waterschap. Een ingeland hoeft dus niet per se in het waterschap te wonen, zolang hij maar eigendom heeft binnen het waterschap. Traditioneel hadden de ingelanden als enigen actief en passief kiesrecht binnen het waterschap. De huidige wetgeving kent echter meerdere categorieën. Ook ingezetenen zijn stemgerechtigd. Ingeland komt uit het Middelnederlands. Gelant betekende 'eigenaar zijnde van een stuk land'. (bron: Wikipedia)  +
(bron: HHSK / Aquo) <br/> <br/> Zij die hun werkelijke woonplaats hebben in het beheersgebied van het waterschap.  +
Denk bij die 'voorwaarden' aan hoeveelheden, termijn, geld enz. (bron: Aquo)  +
Tijdens de kredietcrisis hebben de overheden massaal moeten ingrijpen om de banken overeind te houden.  +
Inklinken of kortweg klink is het proces van volumevermindering van grond door verdroging of onttrekken van grondwater. Klink kan bijvoorbeeld ontstaan bij bemaling in een polder. Door afname van de hoeveelheid water krimpt de grond, maar zal wanneer deze weer nat wordt weer opzwellen. Een deel van deze klink is echter onomkeerbaar. Dit doet zich vooral voor in veengrond welke voor ongeveer 15 % uit afgestorven plantenmateriaal bestaat en voor de rest grotendeels uit water, maar ook kleigrond krimpt. Bij veen wordt dit nog versterkt door het feit dat het afgestorven plantenmateriaal na ontwatering in aanraking komt met zuurstof uit de lucht, waarna bacteriën dit materiaal kunnen oxideren, het veen boven het grondwaterniveau verdwijnt en de bodem daalt. In feite wordt door de oxidatie het veen verbrand, maar dan heel langzaam.[1] Door het inklinken is de veengrond niet meer bruikbaar voor teelt van graan en kan het alleen gebruikt worden als weide, of om hennep te telen.[1] Als oplossing kan het polderpeil verlaagd worden, maar dit zal extra oxidatie tot gevolg hebben waardoor men het waterpeil opnieuw zal willen verlagen. Uiteindelijk kan op die manier een veengebied zo ver dalen dat zoute kwel een probleem gaat vormen.  +
(bron: NEN-EN-ISO 41011) <br/> <br/> Inkoop is het proces van kopen van producten, goederen of diensten. Veel bedrijven en organisaties hebben medewerkers die belast zijn met inkoop. De inkoper verwerft goederen en diensten bij externe leveranciers. Het inkoopproces is onderverdeeld in strategische, tactische en operationele inkoop. Een door Van Weele opgestelde cyclus van het inkoopproces wordt 'De 6 stappen van Van Weele' genoemd. De goederen en diensten die door een organisatie worden ingekocht worden vaak onderverdeeld in "directe inkoop", alle goederen en diensten die direct met het eindproduct / dienst te maken hebben, en "indirecte inkoop". Indirect staat voor alles wat ondersteunend is aan het primaire proces of productieproces, zoals onderhoud, energie, uitzendkrachten, kantoorartikelen etc. De indirecte inkoop wordt ook wel aangeduid met NPR, hetgeen staat voor Non Product Related. De directe inkoop wordt ook wel aangeduid met BOM, hetgeen staat voor Bill-of-Materials (stuklijst). (bron: Wikipedia)  +
De gebieden zijn ontstaan door het afgraven van klei. Als de klei in deze gebieden is afgegraven om de binnendijk te versterken (en dus afkomstig uit polders) noemen we de gebieden karrevelden, als de afgegraven klei werd gebruikt voor de aanleg van de binnendijk, dan noemen we de gebieden inlagen. In sommige gevallen, bij lage ligging van het gebied is er sprake van zoute kwel (vooral op Schouwen en bij Scherpenisse) in andere gevallen is er sprake van brakke of zoete gebieden, vooral op Noord-Beveland. De gebieden zijn belangrijk voor vogels om te foerageren (voedsel zoeken) broeden en ‘overtijen’ (=wachten tot het weer eb is). (Bron: Delta wateren) <br/> <br/> Een inlaag of inlaagpolder ontstond als in verband met het risico van wegzakken van een dijk een inlaagdijk als reservewaterkering werd aangelegd. Het gebied tussen een door dijkval bedreigde dijk en een inlaagdijk wordt inlaag genoemd. Doordat de voor de nieuwe dijk benodigde grond doorgaans uit de inlaag werd gehaald ligt het maaiveld laag en is de invloed van zout kwelwater groot. Deze inlagen met karrevelden zijn vaak drassig en ongeschikt voor landbouw en veeteelt. Daardoor bleven ze ook in het verleden vaak braak liggen. Sommige inlagen werden gebruikt als boezem voor het lozen van water uit de aanliggende polder. Andere waren in gebruik als hooiland. Door aanleg van vele greppeltjes werd dan de afwatering geregeld. In de twintigste eeuw kwamen ook deze hooilanden braak te liggen en kreeg de natuur vrij spel. Bij Vlietepolder in Zeeland is een voorbeeld van dit soort inlagen.  +
Dijk die ter bescherming achter een bestaande dijk is aangelegd. (bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst / Aquo) <br/> <br/> Een slaperdijk is een landinwaarts gelegen reservedijk, meestal bij een zeedijk. Slaperdijken zijn vaak oude dijken waarvan de direct waterkerende functie is komen te vervallen door de aanleg van de nieuwe voorgelegen dijk. In geval van een doorbraak van de nieuwe dijk kan de slaperdijk verdere inundatie voorkomen, de slaperdijk is dus potentieel zeewerend, en ligt als het ware te slapen. De nieuwe zeedijk wordt dan ook wakerdijk genoemd. Een extra slaperdijk wordt ook wel dromerdijk genoemd. Slaperdijken zijn met name te vinden in het Schelde-estuarium, achter de Hondsbossche zeewering en langs de Waddenzeekust. (bron: Wikipedia)  +
(bron: HEA) <br/> <br/> Een inlaat is een kunstwerk, dat op de scheiding van twee gebieden is gelegen, om water onder vrij verval van het ene naar het andere gebied te laten stromen. (bron: Aquo)  +
Punt waar aanvoer van afvalwater in een rioolstelsel mogelijk is.  +
Een inlaatduiker, of kortweg inlaat is een waterstaatkundig kunstwerk, dat in de waterkering is gelegen en dat bedoeld is om (vers) water in de polder te laten. Een inlaat wordt ook wel duikersluis genoemd. Een wat verwarrende naam, omdat men bij sluis denkt aan een schut- of spuisluis. Dat het zo genoemd wordt, komt omdat het primair de taak heeft (net als een sluis) het water te keren. Een inlaat bestaat bijna altijd uit een duiker met aan de kant van het buitenwater een schuif of klep die kan worden opengezet om water binnen te laten. Er zijn andere types inlaten. Dit binnen laten van water is nodig om het water vers te houden - stilstaand water wordt "dood". Bij een te lage waterstand, bijvoorbeeld na een lange periode van droogte en de daarbij voorkomende verdamping, wordt de inlaat ook gebruikt om het water weer op peil te krijgen.  +
(bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst. / Aquo) <br/> <br/> Sluis die het buitenwater moet binnenlaten. <br/> De inlaatsluis wordt o.a. gebruikt om het polderwater op peil te houden, voor waterverversing in steden, voor het voeden van scheepvaartkanalen, voor irrigatie en voor militaire inundatiedoeleinden. De beweegbare waterkering kan niet worden gevormd door de bij schutsluizen veelvuldig toegepaste puntdeuren, daar deze dan tegen de druk van het hoger staand buitenwater in geopend zouden moeten worden. Bij toepassing van deuren kunnen als beweegbare waterkering in aanmerking komen: schuiven, waaierdeuren, klepdeuren (→sluisdeur). Waaierdeuren hebben het voordeel dat zij ook gebruikt kunnen worden als het buitenwater lager is dan het binnenwater en de inlaatsluis bij uitzondering water moet uitlaten. Behalve deuren en schuiven kunnen ook schotbalken als waterkering dienst doen. Ook kunnen vergrendelde kleppen worden toegepast. De inlaatsluis kan worden gemaakt als duikersluis (inlaatduiker met inlaatschuif) en als open sluis. De capaciteit van een inlaatsluis kan doelmatiger worden verkregen door diepe ligging van de drempel dan door grote wijdte van de sluis, te meer daar het inlaten vaak gewenst is bij lage waterstand. (Ensie) <br/> <br/> Inlaat die in de waterkering is gelegen die bedoeld is om (vers) water in de polder te laten. (De Binnenvaart) <br/> <br/> Een inlaatsluis is een sluis, geschikt om wate rin te laten. Een dergelijke sluis moet voorzien zijn van deuren die tegen hoogwater in geopend kunnen worden. Dat lukt niet met puntdeuren. Die krijgt u, wanneer daar enige waterdruk achter staat , niet meer open. Men gebruikt daarom in deze sluizen vooral schuiven of hefdeuren. Inlaatsluizen komen als duikersluis en als open sluis voor. (bron: PBNA Waterbouwkunde 1998)  +
(bron: VROM, 1995: artikel 1.1 Wet milieubeheer) <br/> <br/> * het is een bedrijf of de omvang is bedrijfsmatig * de activiteit gebeurt op een bepaalde plek, niet op meerdere * de activiteit duurt ten minste zes maanden of keert regelmatig terug op dezelfde plek * de activiteit staat in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht  +
Bijvoorbeeld natuurbouw of milieu inrichting. (bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo)  +
Ruimtelijk object, punt- of lijnvormig, al dan niet ter detaillering dan wel ter inrichting van de overige benoemde ruimtelijke objecten of andere inrichtingselementen.  +
Ruimtelijk object, punt- of lijnvormig, al dan niet ter detaillering dan wel ter inrichting van de waterkering.  +
Deze kan zowel voortvloeien uit verminderde gebruiksmogelijkheden als uit maatregelen bij de aanleg (bv. werkstroken).  +
Het afbrokkelen van een oever door uitschuring door de stroming wordt inscharing genoemd. (bron: Joost de Vree)  +
Geschat wordt dat er vele miljoenen soorten nog niet zijn beschreven en benoemd. Insecten komen voor in vrijwel alle leefomgevingen op aarde, met name op het land en in zoetwater. In de zeeën overheerst een andere groep geleedpotigen, de kreeftachtigen. <br/> <br/> Alle insecten hebben een driedelig lichaam (kop, borststuk en achterlijf) dat omgeven is door een hard, chitineus exoskelet. Het exoskelet wordt tijdens de groei een aantal keer afgeworpen en vernieuwd: vervelling. Het borststuk draagt drie paar flexibele poten en bij veel soorten ook de vleugels. Het achterlijf bevat de spijsverterings-, uitscheidings- en voortplantingsorganen van het insect, evenals een groot deel van het ademhalingssysteem, dat uit tracheeën is opgebouwd. <br/> <br/> Veel insecten ondergaan tijdens hun ontwikkeling drastische veranderingen in lichaamsvorm en fysiologie. Deze zogenaamde volledige metamorfose kenmerkt zich door een popstadium, waarin de larve zich transformeert tot een volwassen insect (imago). Andere insecten hebben een meer geleidelijke, onvolledige metamorfose en ontwikkelen zich via een reeks nymfale stadia. De taxonomie van insecten is voor een belangrijk deel gebaseerd op het verloop van de metamorfose. <br/> <br/> Sommige insecten spelen een directe rol in het leven van de mens, bijvoorbeeld bij het overbrengen van ziekten, door het opeten van de oogst, maar ook door de bestuiving van voedingsgewassen en de productie van honing of zijde. In veel culturen zijn insecten een belangrijke bron van voedsel. Door menselijke activiteiten is de biodiversiteit van insecten in diverse delen van de wereld ernstig aangetast.  +
Bron: Frick GW (1984) Environmental Glossary. Rockville: Government Institutes. 325 pp.  +
Insectivoor is een term uit de ecologie. Insectivora is een verouderde term uit de systematiek en taxonomie. Binnen de zoogdieren zijn Eulipotyphla en Afroinsectiphilia bekende groepen van insecteneters, maar ook binnen de vogels en de vissen zijn er soorten die voornamelijk insecten eten. Vrijwel alle reptielen en amfibieën leven grotendeels van insecten. Er zijn ook insectivore planten, zogenaamde vleesetende planten. Voor het vangen en verteren van insecten zijn er speciale structuren ontwikkeld, die in feite gemodificeerde bladeren zijn. Er zijn ook insecten die insectivoor zijn, voorbeelden zijn roofvliegen, bidsprinkhanen, sommige krekels en roofwantsen. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Insecteneter. (bron: Aquo)  +
(bron: Aquo)  +
De inspanningsverplichting komt veel voor in de dienstverlening en staat in contrast met een resultaatsverplichting, die verplicht een resultaat te bereiken. Dit laatste ziet men meer in de handel in materiële producten. Inspanningsverbintenissen ziet men met name bij dienstverleningen waar een zekere onzekerheidsmarge bestaat. Een advocaat kan bijvoorbeeld niet garanderen dat hij een zaak zal winnen, daarom heeft hij een inspanningsverplichting zo goed mogelijk zijn best te doen. Hetzelfde geldt voor een belastingadviseur, een effectenmakelaar, een arts of een ingenieursbureau. Wanneer men iemand op een inspanningsverplichting wil aanspreken, zal men voor de rechter moeten aantonen dat iemand zich onvoldoende heeft ingespannen. Dit is moeilijker dan aan kunnen tonen dat een resultaat niet is bereikt. Bij dit soort zaken zullen vaak experts moeten worden ingeschakeld die erg duur kunnen zijn. Wel is uitgemaakt dat ook een inspanningsverbintenis resultaatscomponenten heeft. Deze componenten gelden voor bepaalde eenvoudiger handelingen die weinig deskundigheid vereisen of die iedereen van de beroepsgroep makkelijk kan verrichten. Voorbeelden zijn het bewaken van termijnen (advocaat, belastingadviseur), rekening houden met recente jurisprudentie (idem), iemand het juiste medicament voorschrijven (arts), de juiste vloeistof inspuiten (verpleegkundige). Aangezien er een onzekerheidsmarge ten aanzien van het resultaat bestaat, spreken we van 'verlies van een kans'. Is deze kans op resultaat zeer hoog of gelijk aan 100%, dan zal de dienstverlener schadevergoeding moeten betalen. Is deze kans lager, dan zal ook de schadevergoeding lager of nihil zijn. In het geval van de advocatuur spreekt men dan van een zaak in een zaak: men moet bepalen of de zaak die de advocaat behandelde kansrijk was. Wanneer een kans (met name in medische zaken) hoger is dan 50%, is een rechter vaak geneigd het volle pond toe te kennen (Nieuwenhuis). Vrijtekening en aansprakelijkheidsbeperking in contracten komt regelmatig voor (bijvoorbeeld door PTT en de NS), maar is voor veel vrije beroepen niet mogelijk. Soms is het wettelijk verboden zich vrij te tekenen en soms is de concurrentie zo sterk, dat men dit niet durft ("dan ga ik wel naar een ander"). Bovendien kan in het Nederlands recht een rechter altijd bepalen dat zo een beding "niet redelijk" is. Vanwege dit soort problematiek kennen veel beschermde beroepsgroepen een verzekeringsplicht. Ook niet-beschermde beroepsgroepen, zoals accountants en belastingadviseurs, verzekeren zich. Daar vergissen menselijk is en de claims vaak torenhoog, kunnen ook met de verzekeringspremies flinke bedragen gemoeid zijn.  
Controles/metingen/tests of toezicht houden. (bron: WWB0044) <br/> Inspanning die nodig is om een actueel, betrouwbaar en compleet beeld te krijgen van de toestand van het Areaal, de met de toestand samenhangende risico’s en de beheersing daarvan. (bron: Vraagspecificatie Algemeen PRC (oud)) <br/> Het visueel onderzoek van fysieke componenten van de interface (bron: RWS VPR - Universeel Koppelvlak Verkeerscentrale) <br/> Proces (inwinnen, verwerken en interpreteren van gegevens) dat de actuele situatie van een object ten aanzien van functioneren, presteren en toestand vaststelt en doorvertaalt naar risicos en consequenties (beheersmaatregelen) voor een beheerder. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/> Proces (inwinnen, verwerken en interpreteren van gegevens) dat de actuele situatie van een object ten aanzien van functioneren, presteren en toestand vaststelt en doorvertaalt naar risicos en consequenties (beheersmaatregelen) voor een beheerder. (bron: Inspectiekader RWS) <br/>  +
(bron: GWSW) <br/> <br/> Constructie toeganggevend tot het rioolstelsel. (bron: GFO / RIO / Aquo)  +
(bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo)  +
In Nederland volgt na publicatie van de MER, inspraak door burgers en daarna vaststelling door de minister. Vlaanderen kent geen officiële inspraak van de bevolking op de MER, maar een openbaar onderzoek (=consultatie van overheden). (bron: www.scheldenet.nl / Aquo)  +
Een installatie in technische zin is een samenhangend en vaak min of meer geavanceerd systeem dat een bepaald doel dient, zoals een centraleverwarmingsinstallatie. Dit soort technische installaties wordt meestal gemaakt door een loodgieter of een installateur. <br/> <br/> Context Bouwwerken: Voor het functioneren van een bouwwerk of een gedeelte daarvan noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/> <br/> Samenhangend systeem dat een bepaald doel dient. (bron: Informatiemodel Grootschalige topografie) Samenhangend technisch systeem met een bepaald doel (bron: RTD 1014) <br/> <br/> Technische eenheid binnen een inrichting waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, gebruikt, verwerkt of opgeslagen. (bron: Besluit risico's zware ongevallen 2015) <br/> <br/> Voor het functioneren van een bouwwerk of een gedeelte daarvan noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard. (bron: Bouwbesluit 2012)  +
(bron: GW'96 / Aquo)  +
(bron: AOA Begrippen- en Definitielijst) <br/> <br/> Functionele eenheid van een (gebouw)installatie (bron: NEN 2776) <br/> <br/> Onderdeel van een installatie. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL))  +
Instandhouding is één van de vier thema’s binnen Wegbeheer. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo) <br/> <br/> Een maatregel die uitgevoerd wordt om de functionele kwaliteit van een object voor een bepaalde functie op "goed" te handhaven. (bron: DIV)  +
(bron: Aquo) <br/> <br/> Een organisatievorm die niet aan het bestaan en de belangen van een individueel persoon is gebonden en een afgescheiden vermogen met eigen aansprakelijkheid bezit en een eigen bestaan leidt. (bron: DIV)  +
Snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. (bron: Waterschapsverordening)  +
De hoofdpost is breed beschikbaar voor personeel van het waterschap. Wel is het zo dat personeel eerst moet inloggen op de hoofdpost, voordat hij zaken kan bedienen of instellen. NB. Instellingen kunnen tevens via de HMI instelbaar zijn.  +