Eigenschap:Toelichting op definitie
Klik op de button om een nieuwe eigenschap te maken:
nl
s
Bij de evenaar begint de stratosfeer op ongeveer 17 kilometer boven het aardoppervlak (zeeniveau) en bij de polen op ongeveer 10 kilometer. Op een hoogte van 50 kilometer gaat de stratosfeer over in de mesosfeer.
Het begin van deze laag wordt – in tegenstelling tot de onderliggende troposfeer – gekenmerkt door een vrijwel constante temperatuur bij toenemende hoogte, de isotherme laag. Daarboven stijgt de temperatuur en bij ongeveer 47 km bereikt hij weer het vriespunt.
Waar de temperatuur verder de hoogte in weer afneemt, gaat de stratosfeer over in de mesosfeer. Het is ongeveer -50 °C op het laagste punt van de stratosfeer en tussen de 0 en 30 °C op het hoogste punt. De toename van de temperatuur in de stratosfeer is een gevolg van de absorptie van ultraviolet licht van de zon. De hoeveelheid straling die doordringt, wordt kleiner naarmate de afstand tot de aarde afneemt. Gecombineerd met een grotere dichtheid van de atmosfeer resulteert dat in een temperatuurdaling. Door plotselinge stratosferische opwarming kan de temperatuur in de winter plotseling stijgen met tientallen graden Celsius.
Door het verticale temperatuurverloop is de stratosfeer stabiel en is er vrijwel geen convectie en turbulentie. Wolken vormen zich daardoor vrijwel niet, maar in zeer koude poolwinters kunnen zich parelmoerwolken vormen. Deze zijn van belang bij de vorming van ozon. Boven in de stratosfeer bevindt zich een hogere concentratie ozon. Dit gebied wordt dan ook de ozonlaag genoemd.
Er is een aanzienlijk verschil in samenstelling tussen de troposfeer en de stratosfeer. Zo bevat de stratosfeer meer ozon en minder waterdamp en koolstofdioxide dan de troposfeer. Het gebrek aan verticale luchtbewegingen maakt het dat eenmaal aanwezige verontreiniging lang in de stratosfeer kan blijven. De stratosfeer maakt deel uit van de dampkring. (bron: Wikipedia) +
Ze kunnen worden geschouwd als doelen voor de lange termijn, met als kern een duurzame ecologische ontwikkeling en een duurzaam gebruik van het water door de mens, waarbij een integrale afweging en afstemming heeft plaatsgevonden tussen de verschillende toegekende functies. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 en PROSES2044 / Aquo / DIV) +
(bron: PROSES2044 / Aquo) +
Bij waterschappen worden diverse streefpeilen gehanteerd bij peilgebieden/peilafwijkingen. Voorbeelden van soorten peilen zijn: flexibel peil, vast peil, zomerpeil, winterpeil. (DAMO) <br/>
<br/>
Peil dat pas ontstaat in toestand van rust (als er geen stroming meer is). <br/>
<br/>
In een polder en het water eromheen, de boezem, wordt door een waterschap een bepaald peil gehandhaafd. Dit kan met behulp van gemalen, spuisluizen en stuwen. In de zomer is het peil in de polder vaak hoger dan in de winter, omdat er in de zomer in de polder meer water nodig is. Daarom spreekt men in dit kader wel van zomerpeil en winterpeil.
Omdat water nu eenmaal tijd nodig heeft om ergens naar toe te stromen, is het peil achterin een polder vaak hoger dan bij het gemaal. En omdat het water uit de polder naar de boezem wordt uitgeslagen en niet altijd meteen kan afvloeien, varieert ook daar de waterstand. Men spreekt daarom vaak van streefpeil, het peil dat pas ontstaat in toestand van rust (als er geen stroming meer is).
Er wordt wel getracht deze waterstand binnen bepaalde grenzen te houden. Dit streefpeil heet boezempeil. Staat het water open voor de scheepvaart, dan spreekt men ook wel van kanaalpeil.
De grote rivieren hebben geen vast peil. +
De concentratie van een stof in een bepaald compartiment (bijvoorbeeld oppervlaktewater) waarbij de risico's voor als nadelig te waarderen effecten voor ecosystemen, functionele eigenschappen van het milieu en voor andere compartimenten verwaarloosbaar worden geacht. In Vlaanderen vergelijkbaar met de achtergrondwaarde bij bodemonderzoek. In Nederland vastgelegd in de Wet bodembescherming, als het niveau waarbij geen sprake is van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. (bron: STOWA, 1996 / Aquo / DIV) +
Bij rivier specifiek in holle oevers, gemaakt van zand, afgedekt met zinkstukken en bestorting van steen evenwijdig aan de stroomrichting. (bron: Prisma Technisch woordenboek, ir. H. Damerau, gewijzigd / Aquo / DIV) +
(bron: Technische Woorden / behandeld door de Centrale Taalcommissie voor de Techniek (CTT) Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland (HCNN), 1958. N5043: Hydraulica, 1954 (gewijzigd). / Aquo) <br/>
<br/>
In de voortplantingsrichting van de windgolven gemeten afstand, waarover wind over een aaneengesloten wateroppervlak strijkt. (bron: DIV) <br/>
<br/>
De windbaan of strijklengte is de lengte waarover de wind vrij over zee waait en golven maakt. Met de windsnelheid en de duur bepaalt de windbaan de significante golfhoogte en de golfperiode van de zeegang. Dit kan worden uitgezet in een diagram. Hoe langer de windbaan, hoe groter de golven worden. Ook de energie neemt toe bij een toenemende windbaan en -sterkte. (bron: Wikipedia) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: CHO (504), verkort / Aquo / DIV) +
Stromingsleer heeft vele toepassingen, zoals het berekenen van krachten op vliegtuigen, bepalen hoeveel olie er door een pijpleiding stroomt of het voorspellen van het weer. Ook het verkeer kan soms als vloeistof gemodelleerd worden.
Stromingsleer levert de wiskundige structuur achter deze toepassingen. Daarbij draait het er om de eigenschappen van het fluïdum, zoals snelheid, druk, dichtheid en temperatuur, te beschrijven als functie van de tijd en plaats.
Ook andere "stromen" worden bestudeerd, zoals verkeersstromen (zie verkeersstroomtheorie), waaronder ook loopstromen (zie ook crowd control en crowd management). +
(bron: CHO (357) / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
In de richting van de stroom, met de stroom mee, in de richting van de rivier- of beekmonding of boezem. <br/>
(bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Richting van bron naar monding. (bron: Encyclo.nl) <br/>
<br/>
Benedenstrooms of stroomafwaarts is de tegengestelde term van bovenstrooms of stroomopwaarts. 'Benedenstrooms' wijst in de richting met de stroom mee, naar de monding van het water. Deze begrippen worden gebruikt als richtingaanduiding vanaf een bepaald punt aan rivieren of andere wateren die een constante stroomrichting vertonen.
De benedenloop van een rivier kent soms wisselende stroomrichtingen door inkomend getijde. De stroomrichting van een rivier te kennen is onder andere van belang voor de scheepvaart en voor waterbeheer. (bron: Wikipedia) +
Zie ook stroomlijn. (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Denkbeeldige koker met vaste afvoer en begrensd door stroomlijnen, deel uitmakend van een aangenomen stromingspatroon (quasi-permanente stromingstoestand). (bron: DIV) +
(bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
(Bron: Ensie) <br/>
<br/>
Een aflaatvoorziening langs een sluis. De scheepvaart heeft door deze voorziening geen last van de stroming tijdens het schutten omdat bij het aflaten van water, van het hoge pand naar het lage pand, het water om de sluis heen stroomt. (Bron: Hunze en Aa's) +
(bron: CHO (313) / RWS: themagroep Geografie/Watersystemen / Aquo) <br/>
<br/>
De Kaderrichtlijn Water (KRW) kent als eenheid voor het waterbeheer zogenoemde stroomgebieddistricten. Deze bestaan uit een of meer stroomgebieden. Een stroomgebied is het gebied vanwaar het aanwezige oppervlaktewater via één uitgang (riviermond, estuarium of delta) in zee stroomt. Voor Nederland gaat het hierbij om 4 stroomgebieddistricten. Dit zijn de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems.
Landgebied waarvan alle oppervlakte-afstroming door een reeks beken, rivieren of meren in de zee stroomt bij één riviermonding, estuarium of delta. (Inspire) <br/>
<br/>
Het gehele gebied dat afwatert naar één uitstroompunt op een water. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een gebied, waaruit het afstromende water door één bepaalde waterloop wordt afgevoerd. (bron: DIV) +
Stroomgebied >2500 km2, bijv. Rijn. Het gebied als bedoeld in artikel 2, onderdeel 15, van de kaderrichtlijn water. +
Stenen dam of hoofd veelal loodrecht op de kust, aangelegd tot bescherming van het strand (beteugeling langstransport). (bron: UvW: VDW, gewijzigd / Aquo) <br/>
<br/>
Kunstmatig opgeworpen zeewaarts gerichte beveiliging van het strand. (bron: DIV) +
Men maakt onderscheid tussen schema's voor hoofdstroom (400/230Vac) en stuurstroom (lagere spanningen), zodoende spreekt men ook vaak van hoofdstroomschema en stuurstroomschema. (bron: ABDL / Wikipedia) +
Dit in tegenstelling tot een stroombaan. (bron: CHO (570) / Aquo) <br/>
<br/>
Lijn waarvan de richting in ieder punt de richting van de gemiddelde watersnelheid aangeeft die op een gegeven tijdstip bestaat. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Curve waarvan de richting in ieder punt de richting van de grondwatersnelheid (243) aangeeft, die op een gegeven tijdstip bestaat. +
(bron: CHO (358) / Aquo) <br/>
<br/>
Tegen de richting van de stroom. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Bovenstrooms of stroomopwaarts wijst in de richting tegen de stroom in, naar de oorsprong van het water en is de tegengestelde term van benedenstrooms of stroomafwaarts. Deze termen worden gebruikt als richtingaanduiding vanaf een bepaald punt aan rivieren, kanalen of beken die constant in één richting stromen. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Tegen de stroom in, tegen de richting van de stroom in. (bron: Ensie) +
In DONAR opgeslagen in hexadecimale graden t.o.v. een nader te specificeren Noorden. N.B. Altijd aangegeven als de richting waarin, terwijl dit bij wind- en golfrichting andersom is. (bron: DONAR (bekort) / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Gemiddelde snelheid waarmee een vloeistof (water) door een dwarsprofiel stroomt (in meter/seconde) (bron: DIV) +
Veelal afgeleid uit een niet geheel simultane verticaalmeting. (bron: Aquo / DIV) +
(bron: CHO (555) / Aquo) <br/>
<br/>
Dat gedeelte van het natte oppervlak waardoor het water stroomt. (bron: DIV) +
(bron: CHO (554) / Aquo / DIV) +
SQL is een vierde-generatie-taal (G4-taal) omdat ze niet imperatief maar declaratief is, zoals Prolog.
SQL is gebaseerd op de relationele algebra en werd in de loop van de jaren zeventig ontwikkeld door IBM (San José). Sinds het ontstaan van SQL hebben verschillende SQL-versies het levenslicht gezien. In de loop van de jaren 80 werd SQL gestandaardiseerd, gevolgd door renovaties als SQL-92, SQL-99, SQL-2003 en verder.[3]
Bijna elk DBMS heeft zijn eigen extra functies toegevoegd aan SQL-92. Dit maakt dat computerprogramma's waarbij de database-interface werd geschreven met behulp van SQL niet noodzakelijk zonder problemen kunnen worden gemigreerd van de ene naar de andere SQL-compatibele database. In vele gevallen werd door de ontwikkelaar van de software een SQL-functie gebruikt die alleen bestaat in de SQL-implementatie van één specifiek DBMS.
In eerste instantie werd SQL ontwikkeld als een vraagtaal voor de eindgebruiker. Het idee was dat businessmanagers SQL zouden gebruiken om bedrijfsgegevens te analyseren. Achteraf is gebleken dat SQL te complex is om door eindgebruikers toegepast te worden. Het gebruik van SQL impliceert immers een volledige kennis van de structuur van de te ondervragen database. Tegenwoordig benadert de programmeur van de applicatie de database met SQL via een application programming interface (API), zoals ODBC of ADO (Windows), JDBC (Java) of een productspecifieke API. SQL is dus in essentie omgevormd van een taal voor eindgebruikers tot een brug tussen applicaties en databases.
SQL kan worden opgedeeld in vier onderdelen: de query language, de data manipulation language (DML), de data control language (DCL) en de data definition language (DDL). +
Bv kruiden, struiken en bomen. (bron: Themagroep: Ecologie / Aquo / DIV) +
Identieke naast elkaar gelegen stuwen worden niet als afzonderlijk kunstwerk gedigitaliseerd. Met behulp van het gegevenselement [Aantal identieke stuwen naast elkaar], wordt aan deze situatie vorm gegeven. Het aan de stuw te relateren peil kan worden afgeleid uit de gegevens van het peilgebied waarin of waaraan de stuw is gelegen. (Bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een regelvoorziening waarmee de afvoercapaciteit beperkt kan worden. (Bron: Waterbeheerprogramma waterschap Hunze en Aa's)<br/>
<br/>
Een stuw is een waterbouwkundig kunstwerk dat als doel heeft de waterspiegel in een loop, beek of rivier te beïnvloeden. <br/>
Stuwen kunnen vast of regelbaar zijn. Een vaste stuw geeft altijd hetzelfde peil. Bij een regelbare is er een inrichting (bijvoorbeeld een klep) die ervoor zorgt dat er in verschillende periodes een ander peil kan worden ingesteld. Zo is het peil in de winter vaak lager dan in de zomer. Doorgaans worden de stuwen omhoog gehaald nadat de gewassen zijn geplant en gezaaid en laat men de stuwen weer zakken vlak voor dat de oogst wordt binnen gehaald. Op deze manier kunnen de landerijen en akkers tijdens het zaaien en oogsten met zware landbouwmachines worden betreden en hoeft er in het groeiseizoen niet zo snel te worden beregend. <br/>
<br/>
Stuwen in beken en waterlopen worden vaak geplaatst om water langer vast te houden in hoger gelegen gebieden en zo te voorkomen dat deze gebieden verdrogen. Tevens wordt met deze stuwen voorkomen dat lager gelegen gebieden snel overstromen. <br/>
<br/>
In de grote rivieren worden stuwen niet alleen gebouwd om verdroging van hoger gelegen gebieden te voorkomen, maar ook om voor de scheepvaart het hele jaar door een minimale waterstand te garanderen. <br/>
<br/>
Verder worden stuwen aangelegd om waterstromen te sturen. De stuwen die in de Nederrijn en de Lek zijn gebouwd hebben vooral als doel om het water uit de Rijn via de IJssel naar het IJsselmeer te voeren. <br/>
<br/>
Een gesloten stuw is voor schepen een onneembare hindernis omdat een waterweg volledig wordt afgesloten. Daarom is naast een stuw vaak een schutsluis gebouwd, zodat scheepvaart bij een gesloten stuw mogelijk blijft. (Bron: Wikipedia)<br/>
Een stuw is een waterbouwkundige constructie met één of meerdere beweegbare
keringen met als hoofdfunctie het waterniveau bovenstrooms op peil te houden tijdens
perioden van lage debieten. Door het handhaven van een vooraf bepaald peil is de waterloop beschikbaar voor bijvoorbeeld scheepvaart, watervoorzieningen, waterenergie en/of irrigatie.
De voornaamste functionele onderdelen van een stuw zijn:
* Het afsluitmiddel voor keren en opstuwen
* De landhoofden en pijlers voor krachtafdracht naar de ondergrond
* De drempel voor stabiliteit tegen stroming water
* Bodembescherming
* Geleidewerken voor stroming
* Woelbak voor fixeren watersprong <br/>
<br/>
De hoofdgeometrie van een stuw in DAMO is een punt. De stuw kan ook als lijn en als vlak worden vastgelegd met een directe relatie met het punt object.
Veelal dam met als functie het opstuwen van rivierwater en/of het afsluiten van een dal voor wateropzameling. (bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst / Aquo / DIV) +
Doordat de duiker boven de bodem van de watergang is aangebracht heeft deze een stuwende functie.
Stuwende duikers worden alleen gedigitaliseerd in een primaire watergang.
Een stuwende duiker hoeft niet perse op de scheiding van een peilgebied te liggen. +
Een voorbeeld is het Shillongplateau ten noorden van Bangladesh, dat aan de voet van het Himalayagebergte is gelegen. Tijdens het regenseizoen (de moesson) brengen passaatwinden er vochtige lucht van de Golf van Bengalen. Als gevolg is dit het natste gebied ter wereld. +
(bron: CHO (515), aangevuld / Aquo / DIV) +
Put voorzien van een afvoerbeperking. (Aquo). Bron: NEN 3300:1996.
Rioolput voorzien van een afvoerbeperking. +
Subatomaire deeltjes kunnen onderscheiden worden in elementaire en samengestelde deeltjes. Elementaire deeltjes zijn voor zover bekend niet verder op te delen in kleinere eenheden. Een samengesteld deeltje is opgebouwd uit twee of meer elementaire deeltjes.
Een ander onderscheid is de verdeling in bosonen en fermionen. Fermionen, deeltjes met halftallige spin, zijn de materiedeeltjes waaruit het universum is opgebouwd. Bosonen, deeltjes met heeltallige spin, bestaan slechts tijdelijk voor het overbrengen van krachten (interacties, wisselwerkingen) tussen de fermionen. De twee typen deeltjes gedragen zich verschillend. Bosonen kunnen zich met een ongelimiteerd aantal in een en dezelfde kwantumtoestand bevinden; zo is er voor fotonen geen limiet aan de sterkte van een laserstraal, dat wil zeggen aan het aantal fotonen waaruit de straal bestaat. Fermionen daarentegen moeten altijd alleen zijn in hun kwantumtoestand; zo kan het heliumatoom slechts twee elektronen bevatten, één met spin omhoog en één met spin omlaag. Die eigenschap van fermionen wordt het uitsluitingsprincipe van Pauli genoemd. De energieverdeling van een hoeveelheid bosonen volgt de Bose-Einsteinstatistiek; die van fermionen is de Fermi-Diracverdeling. (bron: Wikipedia) +
Een niet-natuurlijk persoon (bedrijf) kan een relatie hebben naar een natuurlijk persoon via rol subject (contact persoon). Rollen adres zijn woon-, werk- of postadres. (bron: Project IMWA Watersysteem / Aquo / DIV) +
Stroomsnelheden van de Nederlandse rivieren zijn ergens in de buurt van de 1 m/s, de waterdiepte ongeveer 4 meter, zodat het getal van Froude ongeveer 0,16 is. (bron: Wikipedia) +
(bron: WIikipedia) <br/>
<br/>
Sublitoraal milieu: deel van het litoraal dat de zone beneden de laagwaterlijn, die in principe altijd onder water staat, aanduidt. (bron: RWSV / Aquo) +
(bron: RWSV / Aquo) +
Voor de toetsing en beoordeling voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) moet de parameter ‘som submerse planten en draadalgen’ worden gebruikt. (bron: Aquo) <br/>
<br/>
De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten (en ook schimmels), die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken. <br/>
Er zijn ook emerse waterplanten, die gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteken. <br/>
Voorbeelden van submers groeiende planten zijn plat fonteinkruid (ook andere fonteinkruidsoorten, zoals doorgroeid fonteinkruid), evenals soorten van Vallisneria en Rotola. <br/>
<br/>
Voorbeelden van submers groeiende schimmels zijn Vibrissea en enkele soorten van Mollisia. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Niet boven het wateroppervlak uitkomende vegetatie. (bron: DIV) +
Subsidie is een verzamelnaam voor het instrumentarium dat de overheid heeft om beleidspunten te stimuleren. Vormen van subsidie zijn onder meer: achtergesteld krediet, garanties en investeringspremies.
Verschillende activiteiten zijn zonder subsidie van de overheid niet mogelijk of worden onbetaalbaar voor gebruikers. Zo worden kunstuitingen zoals toneel, muziek en musea gesubsidieerd, maar bijvoorbeeld ook het onderwijs en het openbaar vervoer ontvangen subsidie. Activiteiten van werkzoekenden om te re-integreren worden met behulp van Europese fondsen ondersteund.
Aan het verstrekken van subsidie kleeft het gevaar dat afhankelijkheid ontstaat. Veel projecten voor duurzame energie kunnen bijvoorbeeld zonder subsidie niet bestaan. Stoppen van de subsidie leidt dan tot een maatschappelijk conflict over nut en kosten. +
Bij begeleid leren is elk voorbeeld een paar dat bestaat uit een invoerobject (typisch een vector) en een gewenste uitvoerwaarde (ook wel het supervisiesignaal genoemd ). Een begeleid leeralgoritme analyseert de trainingsgegevens en produceert een afgeleide functie, die kan worden gebruikt om nieuwe voorbeelden in kaart te brengen. Met een optimaal scenario kan het algoritme de klasselabels voor ongeziene instanties correct bepalen. Dit vereist dat het leeralgoritme op een "redelijke" manier generaliseert van de trainingsgegevens naar ongeziene situaties (zie inductieve bias ).
De parallelle taak in de menselijke en dierlijke psychologie wordt vaak conceptleren genoemd .
Om een bepaald probleem van begeleid leren op te lossen, moet men de volgende stappen uitvoeren:
1. Bepaal het type trainingsvoorbeelden. Voordat de gebruiker iets anders gaat doen, moet hij beslissen wat voor soort gegevens als trainingsset moeten worden gebruikt. In het geval van handschriftanalyse kan dit bijvoorbeeld een enkel handgeschreven teken zijn, een heel handgeschreven woord of een hele regel handschrift.
2. Verzamel een trainingsset. De trainingsset moet representatief zijn voor het echte gebruik van de functie. Zo wordt een set invoerobjecten verzameld en worden overeenkomstige uitvoeringen ook verzameld, hetzij van menselijke experts of van metingen.
3. Bepaal de weergave van de invoerfunctie van de geleerde functie. De nauwkeurigheid van de aangeleerde functie hangt sterk af van hoe het invoerobject wordt weergegeven. Meestal wordt het invoerobject getransformeerd in een kenmerkvector , die een aantal kenmerken bevat die het object beschrijven. Het aantal kenmerken mag niet te groot zijn vanwege de vloek van dimensionaliteit ; maar moet voldoende informatie bevatten om de output nauwkeurig te voorspellen.
4. Bepaal de structuur van de aangeleerde functie en het bijbehorende leeralgoritme. De ingenieur kan er bijvoorbeeld voor kiezen om ondersteunende vectormachines of beslissingsbomen te gebruiken.
5. Maak het ontwerp af. Voer het leeralgoritme uit op de verzamelde trainingsset. Bij sommige onder toezicht staande leeralgoritmen moet de gebruiker bepaalde controleparameters bepalen. Deze parameters kunnen worden aangepast door de prestaties op een subset (een zogenaamde validatieset ) van de trainingsset te optimaliseren, of via kruisvalidatie .
6. Evalueer de nauwkeurigheid van de geleerde functie. Na aanpassing van de parameters en leren, moeten de prestaties van de resulterende functie worden gemeten op een testset die losstaat van de trainingsset.
Vloeistof of gas waarin een andere stof in zeer kleine deeltjes zweeft. (bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
In de fysische chemie wordt met een suspensie een mengsel van twee stoffen bedoeld waarvan de ene stof in zeer kleine deeltjes is gemengd met de andere stof en het mengsel zich niet snel laat scheiden. Over het algemeen betreft het een vaste stof die is gesuspendeerd in een vloeistof. Wanneer de deeltjes in het mengsel kleiner zijn dan 100 μm (micrometer), wordt het mengsel een colloïdale suspensie genoemd. (bron: Wikipedia) +
(bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Langdurig samenleven van twee of meer organismen van verschillende soorten, waarbij de samenleving voor ten minste een van de organismen gunstig, of zelfs noodzakelijk is. De samenlevende partners heten symbionten. De grootste partner is de gastheer. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL) / ABDL) +
(Nomenclature 3.0 for Museum Cataloging) +
Dit omvat populatie-, gemeenschap- en ecosysteemecologie. (bron: Krebs, C. J., Ecology. The experimental analysis of distribution and abundance. Harper international edition, Harper & Row, Publishers, New York, 1972. / Aquo / DIV) +
