Eigenschap:Toelichting op definitie
Klik op de button om een nieuwe eigenschap te maken:
nl
t
Kunstmatige glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enz. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10). (bron: Krebs, C. J., Ecology. The experimental analysis of distribution and abundance. Harper international edition, Harper & Row, Publishers, New York, 1972. / Marechal / UIVO-W / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het talud (van het Franse talus, helling, ook wel beloop, is het bouwkundig aangelegde schuine vlak langs een weg, spoor, watergang, dijk, naar een brug of tunnel waarmee een hoogteverschil wordt overwonnen tussen bouwwerk en maaiveld. Een talud kan een ophoging zijn of een ingraving.
De helling van een talud wordt weergegeven als de verhouding hoogte : aanleg (ofwel de tangens van de helling), waarbij voor de hoogte in Nederland meestal één wordt aangehouden. De hellingshoek is afhankelijk van de grondsoort of het bouwmateriaal, van bouwkundige- en veiligheidseisen en van de ruimte die ter beschikking staat. Iedere grondsoort heeft, afhankelijk van de cohesie en hoek van inwendige wrijving, een natuurlijk talud waarbij de grondsoort niet gaat schuiven. Bij zand is dit veelal 1 : 1 dus 45°, bij watergangen wordt meestal 1 : 1½ aangehouden. Bij spoorwegen of dijken worden, in verband met bouwkundige eisen, flauwere hellingen aangehouden, bijvoorbeeld 1 : 3. Door een flauwere en dus langere helling bij een zeedijk, breken hogere golven voordat ze daadwerkelijk de dijk bereiken en wordt het dijklichaam minder zwaar belast. De verhouding van de maximale golfhoogte gedeeld door de lokale diepgang is ongeveer 0,75. Bij de oprit naar een brug voor auto- of treinverkeer moet rekening worden gehouden met maximaal toegestane stijgingspercentages. Vaak wordt een talud bekleed met bijvoorbeeld gras of stortsteen, wat het afschuiven helpt tegengaan.
Bij aanleg van infrastructuur in bebouwde gebieden is vaak onvoldoende ruimte om een natuurlijk talud te realiseren, dan wordt met bouwkundige verstevigingen gewerkt, bijvoorbeeld wapening. (bron: Wikipedia)
De taludbekleding bestaat uit een erosiebestendige toplaag, inclusief de onderliggende vlijlaag, filterlaag, kleilaag en/of geotextiel. +
(bron: CHO (325), gecomb. met WMD1090 en gewijzigd / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een talweg is de lijn die de laagste punten in de vallei van een helling met elkaar verbindt. Een talweg geeft zo ook het natuurlijke profiel weer van een waterloop. Het woord is afkomstig uit het Duits: Tal (vallei) en Weg (weg, route).
In het internationaal recht wordt gesproken over de Thalweg Doctrine (talwegprincipe): het trekken van een grens tussen twee staten op basis van een waterweg, waarbij de grenslijn langs de talweg wordt getrokken. De precieze demarcatie van riviergrenzen is vaak van belang geweest in de geschiedenis. Bekende voorbeelden zijn de Sjatt al-Arab (in Iran Arvand Rud genoemd) tussen Irak en Iran, de Donau in Midden-Europa en het Kasikili/Sedudu-eilandconflict tussen Namibië en Botswana (opgelost in het voordeel van de laatste door het Internationaal Gerechtshof in 1999). +
Het waterschap kan volgens de Waterschapswet de volgende heffingen voor het bekostigen van activiteiten voor de watersysteemtaak opleggen: <br/>
1. watersysteemheffing ingezetenen <br/>
2. watersysteemheffing overig ongebouwd (binnendijks en buitendijks) <br/>
3. watersysteemheffing overig ongebouwd wegen (binnendijks en buitendijks) <br/>
4. watersysteemheffing natuur <br/>
5. watersysteemheffing gebouwd (binnendijks en buitendijks). <br/>
<br/>
Voor het kunnen opleggen van aanslagen waterschapsbelastingen voor de watersysteemheffing 2, 3, 4 en 5 moet het waterschap over een kaart beschikken van het hele beheergebied van het waterschap waarin per kadastraal perceel is aangeven hoeveel procent van dat perceel overig ongebouwd wegen en natuur is. De rest van het perceel valt dan automatisch onder de categorie overig ongebouwd. Dat is een rest categorie. Het NBK filtert van deze restcategorie ongebouwd dan de percelen gebouwd uit. Hiervoor maakt het NBK gebruik van de WOZ bestanden (met daaraan gekoppelde de aan een WOZ object toegerekende oppervlaktes) van de gemeenten binnen het beheergebied van Hunze en Aa’s. +
Door H.J. Lam ingevoerd begrip. Meervoud: taxa. Een groep van organismen die op grond van een zekere overeenkomst een taxonomische eenheid vormen, onafhankelijk van de grootte of de rangorde van die eenheid. Van hoog naar laag in het classificatiesysteem zijn dat fylum, klasse, orde, familie, genus, soort en ondersoort. Bron: Westhof, V., en A. J. den Held, Plantengemeenschappen in Nederland. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 2e oplaag, 1975 (gewijzigd) (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een taxon (meervoud: taxa) is een taxonomische eenheid of taxonomische groep, een groep organismen die volgens een taxonoom een van andere groepen te onderscheiden eenheid vormt. (bro: Wikipedia) <br/>
<br/>
Samenvattende naam voor biologische categorieën zoals phylum, klasse, orde, familie, geslacht, soort en ondersoort. (HEA) <br/>
<br/>
Een taxonomische rang of taxon is een niveau in de hiërarchische indeling (taxonomie) van organismen. <br/>
<br/>
In de taxonomie is de rang van een bepaalde taxonomische groep enigszins arbitrair. Een rang wordt door de onderzoeker mede gekozen op grond van reeds bekende informatie over onderliggende en bovenliggende groepen, en die van zustergroepen. Taxonomische groepen kunnen dus op grond van nieuwe inzichten een andere rang krijgen. <br/>
De naamgeving van organismen staat beschreven in de verschillende nomenclatuurcodes. De namen van de hogere taxa hebben vaak een uitgang die de taxonomische rang van dat taxon aangeven. Deze uitgangen zijn niet altijd voorgeschreven, er kan van worden afgeweken. Zo verschilt de uitgang voor dezelfde taxonomische rang van 'familie' voor verschillende groepen organismen: -oidea bij dieren, -aceae bij planten en schimmels, en -viridae bij virussen. (Wikipedia) <br/>
<br/>
Samenvattende naam voor biologische categorieën zoals phylum, klasse, orde, familie, geslacht, soort en ondersoort. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Naam voor taxonomische categorieën van de levende natuur. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Eenheid in het classificatiesysteem van organismen. (bron: DIV).
Taxonomie (Grieks: τάξις táxis ordening, schikking en νόμος nómos gebruik, wet) is, in wetenschappelijk en technologisch verband, het indelen van individuen of objecten in groepen (taxa, enkelvoud taxon). Taxonomie is hiermee een vorm van classificatie.
Taxonomie verwijst naar zowel de gehanteerde methodologie van de indeling als naar de hiërarchische ordening die hiervan het resultaat is. In oorsprong, en in algemene zin, is taxonomie een onderdeel van de biologie, waar het een wetenschap is; inmiddels wordt de term ook wel elders gebezigd.
Een taxonomie is een systematische ordening op basis van óf a priori (vooraf gestelde) óf a posteriori (achteraf gestelde) criteria. Taxonomieën worden aangepast naargelang er nieuwe waarnemingen of ontdekkingen (in de biologie bijvoorbeeld van nieuwe soorten organismen) optreden. Op fundamenteler niveau kunnen, als gevolg van hierdoor nieuw gevormde inzichten, ook de indelingsprincipes gewijzigd worden.
In de informatica ontstaat meer en meer de behoefte te komen tot een gemeenschappelijke terminologie in systemen en databases, onder andere ten behoeve van de integratie van gegevens uit verschillende systemen en ten behoeve van de eenduidige uitwisseling van productgegevens, zoals in e-business systemen en kennisgestuurde ontwerpen. Daartoe wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde definities van begrippen, waarbij de begrippen in een subtype-supertype hiërarchie of taxonomie gerangschikt worden. Deze structuur heeft onder andere als groot voordeel dat eigenschappen van supertypen geërfd worden door de subtypen. Een voorbeeld van zo'n subtype-supertype hiërarchie van begrippen is het elektronische Gellish Nederlands Taxonomisch Woordenboek, waarvan tevens een uitgebreidere Engelse variant beschikbaar is.
Binnen de vakgebieden informatica en kunstmatige intelligentie wordt getracht een machine door clusteranalyse automatisch een taxonomie of classificatiesysteem te laten maken van een verzameling objecten (dingen, entiteiten of individuen) op grond van hun kenmerken (eigenschappen, attributen). Een voorbeeld is het automatisch laten classificeren van een groep documenten, voor bijvoorbeeld digitale bibliotheken.
In dit vakgebied wordt een onderscheid gemaakt tussen een taxonomie en een typologie. Het verschil zit vooral in de manier waarop de indeling tot stand komt (in de informatica: het classificatie-algoritme).
Bij een taxonomie gaat men uit van een groep voorbeeld-objecten die men probeert te verdelen. Vervolgens wordt bekeken wat de karakteristieken van de objecten in een groep zijn, en op deze manier krijgt de taxonomie gestalte.
Bij een typologie begint men vanuit het concept. Men bedenkt welke onderscheidende eigenschappen eventuele objecten normaliter zouden kunnen bezitten, en gaat vervolgens de daadwerkelijke objecten volgens deze regels indelen.
Men zou kunnen zeggen dat taxonomieën empirisch (inductief) tot stand komen, en typologieën conceptueel (deductief).
Een systematische ordening op basis van óf a priori (vooraf gestelde) óf a posteriori (achteraf gestelde) criteria. (ArchiXL) <br/>
<br/>
Studie of leer van de onderliggende verwantschap van organismen. Het classificeren van planten- en dierensoorten. (bron: Woordenwijzer Ecologie. /Aquo / DIV)
(bron: GR, 1998a. / Aquo / DIV) +
Het begrip techniek wordt in verschillende betekenissen gebruikt:
* Het geheel van materiële zaken als voorwerpen, meubels, apparaten, dat niet tot de natuur behoort maar eens door de mens is uitgevonden, verwant met uitvinding. <br/>
* Het op systematische manier toepassen van nieuwe natuurwetenschappelijke of andere georganiseerde kennis ten behoeve van praktische doeleinden, verwant met technologie. <br/>
* Een bepaalde aangeleerde vaardigheid in het werk, sport of spel of in het huishouden om een bepaalde activiteit te verrichten, verwant met gestructureerd handelen. <br/>
* Een vak in het onderwijs over het maatschappelijk functioneren van techniek, over technische ontwikkelingen, over de pijlers van techniek als materie, energie en informatie, over in de relatie tussen techniek en natuurwetenschappen, over de technieken om techniek voort te brengen, en of het zelf praktisch bezig te zijn op dit gebied. <br/>
* Een tak van wetenschap naast de geesteswetenschap, de natuurwetenschap, en de sociale wetenschap, verwant met technische wetenschappen. +
(bron: Maarten Looijen, ArchiXL) +
Bijvoorbeeld een sluis of stuw. (bron: Informatie analyse keuze technische beheersactie BOAC, technisch rapport / Aquo / DIV) +
(bron: BEBOP, gewijzigd / Aquo / DIV) +
(bron: RWS-A, 1997 / RWS-R, 1996: Boog, T. H. M. van der, Gegevenswoordenboek Bestuurlijk-Juridische Zaken Klaswat en Wvo, EDS, nr. A2403-R-3, 15 mei 1996, pag. 37. / Aquo / DIV) +
(bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo / DIV) +
In de architectuur en mechanica maakt men gebruik van projectie, perspectief, maataanduiding, tolerantie e.d. om zo precies mogelijk het voorwerp weer te geven. Aan de hand van een technische tekening kan dat voorwerp dan precies gemaakt worden.
In de elektriciteit en elektronica dient de technische tekening of schema om de werking van een installatie of toestel voor te stellen of om aan te geven hoe de onderdelen met elkaar verbonden zijn. Deze onderdelen worden zo mogelijk voorgesteld door gestandaardiseerde symbolen; de verbindingen ertussen door lijnen. (bron: Wikipedia) +
De eenvoudigste vorm van technologie is de ontwikkeling en het gebruik van werktuigen. Na de prehistorische ontdekking van vuurbeheersing en de latere neolithische revolutie kreeg de mens met behulp van werktuigen een grote controle over zijn voedselbronnen. De uitvinding van het wiel stelde de mens vervolgens in staat om te reizen en de omgeving sterker te beïnvloeden. Latere technologische ontwikkelingen zoals de drukpers, de telefoon en het internet, maakten het mogelijk dat mensen over langere afstanden konden communiceren.
Technologie heeft belangrijke effecten. Ze ligt bijvoorbeeld aan de basis van geavanceerde economieën (inclusief de huidige wereldeconomie) en ze is een centrale component van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding geworden. Veel technologische processen produceren ongewenste bijproducten (vervuiling). Innovaties op het gebied van technologie beïnvloeden waarden binnen een samenleving en werpen vaak ethische vragen op. Bijvoorbeeld de opkomst van het begrip efficiëntie in termen van menselijke productiviteit, of nieuwe uitdagingen binnen de bio-ethiek.
Vanaf de industriële revolutie ontstonden filosofische debatten over gebruik van technologie. Onenigheid bestaat over de vraag of technologie de menselijke staat verbetert of verslechtert. Het neoluddisme, het anarchoprimitivisme en soortgelijke reactionaire bewegingen bekritiseren de alomtegenwoordigheid van technologie, met als argument dat ze het milieu schaadt en sociale vervreemding vergroot. Voorstanders van ideologieën zoals transhumanisme beschouwen technologische vooruitgang juist als bevorderlijk voor de mens en de samenleving. +
In het verlengde hiervan ligt de kweek. Zo geeft een teeltkalender aan wanneer bepaalde gewassen gezaaid, gepoot/geplant en geoogst kunnen of moeten worden. (bron: Wikipedia) +
Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, anti-worteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten. (bron: www.waterwizard.nl / Aquo) +
(bron: HEA) <br/>
<br/>
De teeltvrije zone is de strook tussen de insteek van het talud en het hart van de buitenste plantenrij van het gewas op het perceel.
Teeltvrije zones zijn nodig om het water in sloten beter te beschermen tegen afspoeling en verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen. Ook mag er in de teeltvrije zone niet worden bemest. Hierdoor wordt de uitspoeling en afspoeling van meststoffen beperkt. (bron: waterschap Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een teeltvrije zone is een strook land tussen het land waarop gewassen worden geteeld en een oppervlaktewaterlichaam. In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. <br/>
<br/>
De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel:
* Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater.
* Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen. <br/>
Daarbij hebben teeltvrije zones volgens onderzoek van het RIVM positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer. <br/>
<br/>
Een teeltvrije zone heeft ook een vangnet functie. Apparatuur realiseert niet altijd en overal de gemeten driftreductie. Dit komt door normale slijtage of invloed van andere factoren (bron: InfoMill)) <br/>
<br/>
Teeltvrije zones moeten worden aangehouden langs sloten en greppels die tussen 1 april en 1 oktober (spuitseizoen) water bevatten. <br/>
<br/>
Teeltvrije zones zijn niet nodig als er sprake is van droge sloten en greppels én watergangen met stuwtjes die zonder stuwtjes niet watervoerend zijn tussen 1 april en 1 oktober. <br/>
<br/>
De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. <br/>
<br/>
In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel: Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen. Daarbij hebben teeltvrije zones volgens onderzoek van het RIVM positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer <br/> (bron: Waterschap Hunze en Aa's.) <br/>
<br/>
Artikel 3.85 Activiteitenbesluit <br/>
* 1. Binnen een teeltvrije zone als bedoeld in artikel 3.79, tweede lid, worden geen meststoffen gebruikt. <br/>
* 2. In afwijking van het eerste lid is het bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen of van appelen, peren en overige pitvruchten en steenvruchten, toegestaan binnen een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken op een afstand van ten minste 25 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, indien binnen die zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld. <br/>
* 3. In afwijking van het eerste lid en onverminderd het zesde lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de teeltvrije zone op een afstand van ten minste 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam toegestaan, indien het vanggewas voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. <br/>
* 4. Bij het gebruik van korrelvormige of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone gebruik gemaakt van een voorziening die de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewaterlichaam verhindert. <br/>
* 5. Bij het gebruik van bladmeststoffen op een strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone: o a. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, eerste en vierde lid, gebruik gemaakt van kantdoppen die aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligen en andere driftarme doppen die zich niet hoger dan 50 centimeter boven het gewas of de kale bodem bevinden, of o b. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, tweede en derde lid, geen gebruik gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur. <br/>
* 6. Bij het gebruik van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas waarbij ingevolge artikel 3.79, zevende lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik gemaakt van een emissiescherm, dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. <br/>
* 7. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het gebruik van meststoffen langs de oppervlaktewaterlichamen, aangewezen in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. <br/>
* 8. Op braakliggend land worden binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen meststoffen gebruikt. <br/>
Horizontaal gedeelte van een dijk, aan de buitenzijde gelegen, als overgang tussen de harde bekleding en de rest van het talud of de vooroever Ook wel ‘kreukelberm’ (Zeeland) of ‘plasberm’ genoemd. (Bron: Delta Expertise) +
(bron: Themagroep: Geografie/watersystemen / Aquo) <br/>
<br/>
Een tekening is een duurzame neerslag van tekenmateriaal (potlood, pen, penseel, plotter) op een drager (papier, doek of plaat).
Men maakt onderscheid tussen:
* een kunstzinnige tekening
* een technische tekening <br/>
(bron: Wikipedia) +
Textmining is verwant aan tekstanalyse; de termen worden vaak door elkaar gebruikt.
Hoewel ook in tekstanalyse kwantitatieve methoden worden gebruikt, verwijst textmining eerder naar analyse op grote schaal: bij ondernemingen in het kader van business intelligence, bijvoorbeeld om feedback van klanten te analyseren, en bijvoorbeeld in de sociale media om de publieke opinie in kaart te brengen (sentiment analysis). In de biotechnologie wordt textmining ingezet om wetenschappelijke informatie te analyseren uit de gigantische hoeveelheid publicaties. Textmining wordt ook benut door inlichtingendiensten. In die zin kan textmining beschouwd worden als een vorm van datamining. Textmining kan daarbij als doel dienen om een dataset te genereren waarop vervolgens statistische analyses worden toegepast.
Textmining is een toegankelijker woord voor bepaalde onderdelen uit het brede gebied van computationele taalkunde. Dit kennisgebied houdt zich bezig met het verwerken van menselijke taal door computers. +
Moderne vormen van telecommunicatie zijn: (mobiele) telefoon, radio, televisie en internet. Een oudere vorm is telegrafie. Experimenten om te communiceren op afstand zijn zeer oud (vuur, rooksignalen, heliograaf, de optisch-mechanische telegrafie ontwikkeld door Claude Chappe in Frankrijk vanaf 1793 enz.). <br/>
<br/>
De overdracht van informatie vindt via elektromagnetische weg plaats, bijvoorbeeld in kabels (elektrische signalen), glasvezel (licht) of met radiogolven door 'de ether'. Door koppeling met randapparatuur, multiplexers en schakelapparatuur (bijvoorbeeld een telefooncentrale of een IP-router of een ATM-switch) ontstaan telecommunicatienetwerken waarop grote aantallen gebruikers kunnen worden aangesloten, en waarmee de gewenste Quality of Service kan worden gerealiseerd. +
Verbinding tussen twee (digitale) systemen waarbij de waarneming van het ene systeem op afstand door het andere systeem kan worden uitgelezen.
Het gebruik van radiogolven, telefoonlijnen enz. Om de meetwaarden van meetinstrumenten door te sturen naar een apparaat waarop de meetwaarden kunnen worden aangegeven of geregistreerd. +
Dit is vergelijkbaar met thematische nauwkeurigheid, maar gaat specifiek in op attributen die betrekking hebben op tijd. Deze data moeten zoveel mogelijk overeenkomen met de daadwerkelijke tijd. (bron: ArchiXL) +
Met temporele resolutie wordt bedoeld hoe vaak een satelliet over komt.
Temporele resolutie verwijst naar de discrete resolutie van een meting met betrekking tot tijd. +
In de eenvoudigste vorm is dit een met water gevulde buis, aan een kant verbonden met een vloeistof manometer en aan de andere kant voorzien van een poreus materiaal of een waterdoorlatend membraan, geplaatst in het beschouwde punt van de onverzadigde zone. (bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een tensiometer is een meetinstrument dat gebruikt wordt voor het meten van het vochtgehalte van de bodem aan de hand van de zuigspanning. Een tensiometer met watervulling kan zuigspanningen van 0 tot ongeveer -850 hPa of 2,7 pF meten.
Het meten gebeurt met behulp van een luchtdichte, poreuze keramiekcel, die een maximale poriëngrootte heeft van ongeveer 1 µm. De keramiekcel wordt in de bodem geplaatst. Door het doorzichtige, kunststof peilglas kan gezien worden of deze geheel met water gevuld is. Het peilglas wordt gevuld met ontgast water, dat eventueel met een kleurstof gekleurd is.
Wanneer de bodem rond de keramiekcel uitdroogt wordt er zoveel water aan de keramiekcel onttrokken totdat er een evenwicht met het omringende bodemvocht is. De ontstaande onderdruk wordt zichtbaar gemaakt met een manometer of met een elektronische druksensor vastgelegd.
Bij bodemfysische onderzoekingen kan met behulp van tensiometers op verschillende diepten de waterhuishouding van de bodem continue gemeten worden. In de land- en tuinbouw worden tensiometers gebruikt voor de automatische beregeningsinstallaties. Hierbij kan zoveel water gegeven worden dat de planten de optimale waterhoeveelheden krijgen zonder dat er uitspoeling van voedingsstoffen optreedt. (bron: Wikipedia) +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Teratogeen (Grieks teras = monster, gennan = voortbrengen) is de eigenschap van een stof of een ziekte om bij de foetus afwijkingen te veroorzaken als de moeder tijdens de zwangerschap met de stof in aanraking komt, deze inademt of inneemt, dan wel de ziekte doormaakt.
Van een groot aantal chemische stoffen en van sommige geneesmiddelen is bekend dat zij aangeboren afwijkingen kunnen veroorzaken. Het slaapmiddel thalidomide (merknaam Softenon) en DES, dat vroeger werd gegeven om miskramen te voorkomen, zijn hiervan bekende voorbeelden.
Ook alcoholgebruik tijdens de zwangerschap, roken en vele drugs hebben aangetoonde nadelige gevolgen voor de vrucht. Verder kan besmetting met een virus dit verschijnsel veroorzaken, zoals rodehond. (bron: Wikipedia) +
(Bron: Kadaster) <br/>
<br/>
Heuvel aangelegd tot wijkplaats bij overstroming, vaak permanent bewoond. (bron: Aquo)
<br/>
Heuvel, terp, voor de veiligheid opgeworpen tegen vijandelijke aanvallen of watervloed, om er een sterkte (burcht, donjon) of wijkplaats op te bouwen. (Bron: Haslinghuis) <br/>
<br/.
In het kustgebied stammen de terpen uit de periode vóór de bedijking. De oudste zijn opgeworpen vanaf de 4e eeuw v. Chr. De woonheuvels werden opgeworpen met huisvuil, mest en kwelderzoden. Terpen werden naderhand vaak meermalen verhoogd. De aanvankelijke kleine huisterpen Groeiden soms in de loop van de tijd aaneen tot grote dorpsterpen.De terpen zijn niet alle in dezelfde tijd ontstaan. Nog in de Vroege Middeleeuwen werden nieuwe opgeworpen. Veel terpen zijn periodiek onbewoond geweest. De bewoningshiaten waren vermoedelijk het gevolg van het feit dat in sommige tijdperken de overstromingsfrequentie of -hevigheid relatief groot was. Ook werden sommige terpen in dergelijke tijdperken voorgoed verlaten.De locatie van een terp werd in sterke mate bepaald door de mogelijkheden die ter plaatse aanwezig waren voor agrarische activiteiten. De terpbewoners waren voor hun levensonderhoud voor een belangrijk deel aangewezen op landbouw. De hier gebruikelijke vormen van landbouw richtten zich zowel op de voortbrenging van voedsel- en gebruiksgewassen als op de instandhouding van een veestapel. De hoogteligging en de waterhuishouding waren dus zeer belangrijk voor de keuze van een bewoningslocatie. De akkers lagen het hoogst: op de hogere oeverwallen en kwelderruggen. Ook de randen van de terpen zelf waren in gebruik als akkerland. De weilanden bevonden zich op de lagere delen van de kwelders. De weg rondom een terp wordt een ossenweg genoemd.Een groot aantal terpen is vanaf de negentiende eeuw afgegraven voor de winning van terpaarde.De terpen in het Rivierengebied zijn juist na de bedijking opgeworpen, toen een dijkdoorbraak tot hogere overstromingen leidde dan in het eerdere onbedijkte landschap. In het veengebied zijn terpjes aangelegd om droog te kunnen wonen in een gebied dat van nature erg nat was en bovendien door maaivelddaling steeds natter werd. (Bron: CHT) <br/>
<br/>
Een terp is een ter bewoning aangelegde verhoging in het landschap.
Het woord terp is een Friese variant van "thorp" (dorp), dat in vele varianten van het Oudgermaans voorkomt (Gotisch: thaurp). Er wordt een kunstmatige heuvel (landvorm) mee aangeduid, die werd opgeworpen om bij hoogwater een droge plek te hebben.
In Groningen wordt meestal de benaming wierde gebruikt, in Noord-Holland en het eiland Marken de benaming werf, in Noord-Duitsland de benamingen warft, wurt of wierde en in Denemarken værft, varft of verft. Berendsen (2005) stelt dat het Groningse woord wierde eigenlijk een betere benaming is dan terp, omdat het eerste 'woonheuvel' zou betekenen en het tweede 'dorp' (zie ook de betreffende paragraaf). De etymologie van het woord wierde (dat mogelijk op meerdere woorden teruggaat) is volgens het WNT echter onzeker en zou eerder samenhangen met het woord 'weren' (zich verdedigen).
Deze woonheuvels zijn geleidelijk ontstaan nadat bewoners zich in het Fries-Groningse kweldergebied gevestigd hadden vanaf de zesde eeuw voor Christus. Deze door aanslibbing van de zee gevormde vruchtbare gronden, op sommige plaatsen een lage kwelderwal, boden een goede woonplaats. De boeren waren echter door de stijgende zeespiegel gedwongen hun huis en have te redden op terpen, die in omvang en hoogte steeds toenamen.[3][4] Terpen kwamen voor langs de hele Waddenkust van West-Europa; in België, Noord-Nederland, Noord-Duitsland en West-Denemarken. In Groningen en Friesland liggen waarschijnlijk rond de 2000 terpen. Bij een inventarisatie in 1963 werden 587 terpen geteld in Groningen en bij een inventarisatie in 1979 955 in Friesland. Er worden echter nog regelmatig nieuwe terpen ontdekt, waarvan de meeste in de loop der tijd overslibd zijn geraakt. (Bron: Wikipedia)
De definitie houdt sterk verband met die voor water: in principe kan alles dat geen water is, worden beschouwd als terrein. <br/>
<br/>
Door een type landgebruik gekarakteriseerd, zichtbaar begrensd stuk grond. Bron NEN 2767-4 (CBNL) <br/>
<br/>
Een zichtbaar begrensd gedeelte van het aardoppervlak dat niet bedekt is met water. (bron: DIV) +
Een terristrische meting is een meting vanaf de aarde, bijv. een meting met een waterpasinstrument, tachymeter of GPS toestel (rover). (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Op het land (in tegenstelling met 'aquatisch'). (bron: DIV) <br/>
<br/>
Voorkomend (groeiend) op minerale substraten - op het land. Tegenstelling: aquatisch (bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo) +
KRW categorie om het gedeelte van de Nederlandse territoriale zee van 1 tot 12 zeemijl aan te duiden. Van 0 tot 1 zeemijl is kustwater. Territoriaal water wordt niet genoemd als waterlichaamcategorie in de KRW. Echter, artikel 2.1 van de KRW geeft aan dat de chemische status ook voor territoriaal water geldt. Deze optie als categorie geeft lidstaten de mogelijkheid om voor territoriaal water relevante informatie te rapporteren. (Bron: Dienst Hydrografie van Defensie) <br/>
<br/>
Territoriale wateren (ook wel: territoriale zone, territoriale zee) zijn een zeestrook, grenzend aan het landgebied van een kuststaat, waarover de soevereiniteit van deze staat zich uitstrekt (met inbegrip van het luchtruim, de bodem en de ondergrond). De territoriale wateren worden gescheiden van het landgebied en de binnenwateren door de basislijn. Binnen de territoriale wateren kan een land zelf zijn wetten bepalen en rechtspraak toepassen. +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een territorium of revier is bij dieren een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied, hetzij door een individu, hetzij door een sociale groep. Het is een gebied om voedsel te zoeken en de jongen te verzorgen. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het Tertiair is een geologisch tijdperk dat volgt op het Krijt en wordt opgevolgd door het Kwartair. Het Tertiair duurde van 66,0 tot 2,58 miljoen jaar (Ma) geleden.
Het 'Tertiair' is een eenheid binnen de era Cenozoïcum. De term 'Tertiar' werd voor het eerst gebruikt door de Italiaanse geoloog Giovanni Arduino rond 1750. Hij verdeelde de geologische tijdschaal in een eerste 'primitief' tijdperk (Primair), een tweede meer ontwikkeld tijdperk (Secondair) en een derde tijdperk (Tertiair). Later werd er een vierde 'modern' tijdperk (Quartair) aan toegevoegd. Hij baseerde dit op zijn observaties van de geologie van Noord-Italië.[1] Bij een latere revisie van de geologische tijdschaal is het begrip 'Tertiair' verlaten en vervangen door Neogeen en Paleogeen. Ondanks deze verandering wordt het begrip 'Tertiair' nog steeds zeer veel gebruikt. Er is in de geologische wereld verschil van mening over het verdwijnen van deze term. Zo heeft de Amerikaanse Geologische Dienst besloten de term gewoon te handhaven. Ook in Nederland (en andere Europese landen) wordt de term nog veel gebruikt (bijvoorbeeld: Wong, et al., 2007). Er zijn grote groepen invloedrijke geologen die terugkeer van de term 'Tertiair' voorstaan en het is zeker niet ondenkbaar dat zij toch weer in de stratigrafische kolom terugkeert. Het Tertiair is hier als sub-era gehandhaafd. Omdat vooraf en erna geen sub-era's aanwezig zijn, 'hangt' het Tertiair in de huidige indeling. Tijdens het Internationaal Geologisch Congres van 2008 in Oslo is een formeel voorstel gedaan dat als volgt luidt: "Het Tertiair wordt hier voorgesteld als een periode/systeem voorafgaand aan het Kwartair en met een basis zoals gedefinieerd door het GSSP dat de basis van de Danien etage aangeeft bij ongeveer 66,0 Ma. Het Neogeen en het Paleogeen, thans aangemerkt als perioden, worden dan sub-perioden binnen het Tertiair. De top van het Tertiair zou worden aangegeven door de basis van het Kwartair bij 2.6 Ma." Dit voorstel is aangehouden en niet in stemming gebracht.
Het Tertiair wordt onderverdeeld in de volgende tijdvakken:
* Plioceen (5,333 - 2,58 Ma)
* Mioceen (23,03 - 5,333 Ma)
* Oligoceen (33,9 - 23,03 Ma)
* Eoceen (56,0 - 33,9 Ma)
* Paleoceen (66,0 - 56,0 Ma)
(bron: Wikipedia)
Tertiaire oppervlaktewaterlichamen zijn de (particuliere) sloten (groen weergegeven op de gis-kaart) die niet op de schouwlegger staan. Deze oppervlaktewaterlichamen kunnen soms een belangrijke functie voor de waterhuishouding hebben, echter is er in dit geval dan maar een belanghebbende. Deze waterlichamen mogen niet gedempt worden tenzij ze in hoog en droog gebied liggen, zie hiervoor de algemene regel dempen kaart. +
Een sloot is een watergang (keur: zegt oppervlaktewatersysteem) op plaatsen waar regenwater samenstroomt, zodat het gezamenlijk kan worden afgevoerd om wateroverlast te voorkomen. Een sloot is een onderdeel van de waterhuishoudkundige infrastructuur. Het via sloten afgevoerde water wordt elders weggepompt. Het is belangrijk dat de stroming van het water onbelemmerd is. Hiervoor worden schouwsloten bij de schouw gecontroleerd. Overige sloten worden niet geschouwd. De sloten worden naar de afvoerrichting gedigitaliseerd. +
(bron: NCS / Aquo) <br/>
<br/>
Afsluitconstructie waardoor stroming in slechts één richting mogelijk is. <br/>
<br/>
Een terugslagventiel, terugstroombeveiliger, terugslagklep of keerklep, is een ventiel dat wordt gebruikt om water, vloeistof, granulaat, poeder of gas in één richting door te laten. Meestal duwt het medium de klep bij het heenstromen open en sluit een veer of de zwaartekracht de klep. In andere gevallen duwt het medium bij het terugstromen de klep zelf dicht. Het onderscheid ligt in de uitvoering en de toepassing. Terugslagventielen zijn te vinden in bijvoorbeeld de pomp en de luchtbanden voor fietsen (zie fietsventiel), luchtbedden of auto's. In de hydrauliek komen al dan niet gestuurde terugslagkleppen veelvuldig voor. (bron: GWSW) +
(bron: IDsW / Aquo) <br/>
<br/>
Witte fosfor of tetrafosfor is een allotroop van fosfor met als brutoformule P4.
Witte fosfor (kleine nucleaire) kan verkregen worden door de damp die uit P4-moleculen bestaat tot een vaste stof te laten condenseren. Witte fosfor heeft bij gewone temperaturen een kubische structuur. Bij lage temperaturen gaat de stof reversibel over in een structuur die waarschijnlijk hexagonaal is. Witte fosfor is metastabiel en lichtgevoelig. Onder invloed van licht kunnen de bindingen in het molecuul openbreken en nieuwe bindingen met een buurmolecuul ontstaan. Dit is het begin van de overgang tot de stabielere rode vorm maar vaak ontstaat een amorfe gele overgangstoestand die slechts bij verwarming uitkristalliseert tot de rode vorm. (bron: Wikipedia) +
Dit gaat vooral over of data inhoudelijk kloppen. Idealiter is dat of ze overeenkomen met de werkelijkheid, maar in de praktijk is dat of ze overeenkomen met een registratie die dichter bij de werkelijkheid ligt of meer betrouwbaar is. Heel specifiek gaat het alleen over die data die geen betrekking hebben op locatie, tijd of kwantiteit omdat die onder andere, meer specifieke indicatoren vallen. ISO/IEC 25012 maakt daarbij nog onderscheid tussen syntactische en semantische juistheid. De eerste gaat bijvoorbeeld over het registreren van het woord Mary als Marj. De tweede gaat bijvoorbeeld over het registreren van het woord John als George. Er bestaan methoden om de mate van syntactische en semantische juistheid van woorden te bepalen. Syntactische juistheid kan bijvoorbeeld worden bepaald met vergelijkingsfuncties die het aantal toevoegingen, verwijderingen of wijzigingen tellen om te komen van de attribuutwaarde tot de werkelijke waarde. Semantische juistheid kun je bijvoorbeeld bepalen door te kijken naar de onderlinge relatie van de attribuutwaarde en de werkelijke waarde in een thesaurus. (bron: ArchiXL) +
Met een theodoliet kan men horizontale en verticale hoeken meten met een hoge nauwkeurigheid. Dit toestel is in essentie niet meer dan een kijker die om twee assen draait: een verticale as, ook wel de eerste as genoemd en een horizontale as, ook wel de tweede as genoemd.
Op beide assen zit een systeem dat het toelaat de waarde van de betreffende hoek af te lezen. Bij de oudere optisch-mechanische toestellen gebeurde dat met een ringvormige glasplaat waarin een verdeling was aangebracht. Met behulp van een index en afleesinrichting, en soms met microscopen, werd de waarde gelezen. Het waren kolossale instrumenten, die soms wel 90 kg wogen.[1] Bij de huidige elektronische theodoliet gebeurt dit met behulp van een roterende glazen cirkelrand waarop een vast aantal verdelingen is aangebracht (bijvoorbeeld 1024). Een stel indexen leveren hier de hoekwaarde.
Een buisniveau, zoals in een waterpas, in het toestel ingebouwd, laat het toe om het toestel op waterpas te zetten. In die toestand zou de eerste as verticaal moeten staan en de tweede as horizontaal.
Om voldoende nauwkeurig te werken voor de landmeetkunde bruikbare resultaten, dient een theodoliet zeer nauwkeurig gebouwd te worden. Niettegenstaande zijn hoge nauwkeurigheid heeft elk toestel nog steeds een aantal fouten in zich. De landmeter of topograaf dient daarmee vertrouwd te zijn.
Een theodoliet is niet in staat om afstanden te meten. Nochtans zijn afstanden meestal essentiële elementen bij de meetmethoden waarin een theodoliet wordt ingezet (driehoeksmeting, veelhoeksmeting etc.). Die afstanden dienen dus met andere instrumenten te worden gemeten. Een moderne, gecomputeriseerde theodoliet met afstandsmeter is een totaalstation of tachymeter.
Het is pas sedert de opkomst van de digitale afstandsmeter en later de digitale theodoliet dat beide toestellen steeds meer met elkaar zijn versmolten. Tegenwoordig gebruikt de landmeter meestal een totaalstation, zijnde de combinatie van theodoliet, afstandsmeter en digitale registratie.
Thermisch infrarood wordt vaak gebruikt in thermografie, een techniek waarbij speciale camera’s warmtebeelden maken van objecten. Deze beelden kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om warmteverlies in gebouwen op te sporen, elektrische installaties te controleren of zelfs in medische toepassingen. (bron: Wikipedia)
Het waterschap gebruikt deze techniek om o.a. wellen op te sporen achter de waterkeringen. (bron Hunze en Aa's) +
Een plotselinge stijging van de watertemperatuur in een waterlichaam waarin thermisch effluent wordt geloosd veroorzaakt aanzienlijke schade aan de fysiologische functies van vissen en schaaldieren die geen homotherm bloed hebben. Bron: International Navigation Association (2000) Glossary of Selected Environmental Terms, Report of Working Group n.º3 of the Permanent Environmental Commission, Supplement to Bulletin No. 104. +
(bron: http://www.vliz.be / Aquo) +
Het verrichten van arbeid door warmte toe te voegen aan een arbeidsmedium (gas).
De thermodynamica vindt zijn oorsprong in de praktische behoefte de efficiëntie van stoommachines te verbeteren. +
Thermoharders blijven hard als ze worden verhit, in tegenstelling tot de thermoplasten, die zacht worden bij verhitting. Dit komt door crosslinks (dwarsverbindingen) tussen de individuele ketens. Thermoharders kunnen niet op dezelfde manier worden verwerkt als thermoplasten. Dit omdat een thermoharder na verwerking niet meer om te vormen is. Als een thermoharder wordt verhit, smelt het niet maar het ontleedt zich zonder vloeibaar te worden. De oorzaak hiervan zijn de crosslinks, die covalent zijn. Om deze reden smelt een thermoharder niet (in tegenstelling tot thermoplasten waarbij de meeste interactie tussen de macromoleculen bestaat uit vanderwaalskrachten). <br/>
Thermoharders worden minder gebruikt dan thermoplasten, omdat ze lastiger te produceren zijn door middel van spuitgieten en slecht recycleerbaar zijn. Thermohardende kunststoffen zijn normaal een stuk brozer dan thermoplastische kunststoffen. Voorbeelden van thermohardende materialen zijn:
* Alkydharsen
* Bakeliet
* Diallylftalaat (DAP)
* Melamineformaldehyde (MF)
* Polyesterharsen
* Ureumformaldehyde (UF) <br/>
(Bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Een thermoharder is een kunststof die hard wordt bij verhitting en daarna hard blijft . In tegenstelling tot een thermoplast kan een thermoharder niet meer van vorm veranderen (anders dan te ontleden, een soort verkolen zou je kunnen zeggen).
Thermoharders worden minder gebruikt dan thermoplasten omdat ze (bijna) niet met spuitgieten zijn te verwerken en slecht recyclebaar zijn. Thermohardende kunststoffen zijn normaal een stuk brosser dan thermoplastische kunststoffen. Thermoharders zijn altijd harde kunststoffen. Ze zijn moeilijk te krassen en je kunt er moeilijk een stukje afsnijden.
Een thermoharder is een materiaal dat verkregen wordt door het samen van monomeren, die verhit boven een definitieve temperatuur, een vernet polymeer dat niet langer van vorm kan veranderen. Dit netwerk van monomeren is door verhitting via atoombindingen met elkaar verbonden. De bindingen tussen de atomen zijn sterk omdat ze covalent zijn, dwz de atomen hebben één of meer elektronenpaar gemeenschappelijk. Tijdens het proces kunnen ze daarom maar één keer "gegoten" worden, later het plastic niet meer vervormbaar is.
Een voorbeeld van een thermoharder is bakeliet, de eerste kunststof die gefabriceerd werd; het is een hars op basis van fenol en formaldehyde (PF). Andere voorbeelden zijn alkydharsen, epoxyharsen (EP), polyurethaan ( PUR ), melamineformaldehyde (MF), onverzadigde polyesters (UP en GUP ). (Bron: Joost de Vree)
Deze materiaalgroep bestaat uit lineaire macromoleculen zonder dwarsverbindingen, hoewel soms een zekere vertakking kan optreden. In de moleculen zijn de bindingen covalent en sterk, terwijl de moleculen onderling slechts gebonden zijn door vanderwaalsbindingen. Deze laatste verbreken bij opwarmen, waardoor de individuele ketens langs elkaar kunnen 'glijden' en zo kan een thermoplast smelten. (Bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Een thermoplast is een kunststof die bij fabricage zacht is en daarna ook meer of minder zacht blijft . Thermoplasten zijn plastics die bestaan uit lange molecuulketens ( polymeren ) die bijeengehouden worden door vanderwaalsbindingen en soms ook waterstofbruggen. In tegenstelling tot thermoharders kennen thermoplasten een verwekingspunt , de glastransitietemperatuur Tg. Boven deze temperatuur kan deze plastic vervormd worden ("smelten"), zodat ze tot draden gesponnen of tot folie geblazen kan worden. Zonder bewerkingen verglaast een thermoplast bij afkoelen beneden Tg volledig.
Thermoplasten lenen zich zeer goed voorspuitgiettechnieken .
Meer dan 80% van de industriële polymeren zijn thermoplasten. Voorbeelden Zijn acrylonitril Butadieen styreen ( ABS ), polycarbonaat (PC), polyethyleen ( Polyetheen PE), polyether-ether-keton (PEEK), polymethylmetth acrylaat (PMMA), polypropyleen ( polypropeen , PP), polystyreen ( PS ), polyvinylchloride ( PVC ), tereftalaat.
Thermoplasten kom je overal tegen; ook de belijningen op wegen zijn van thermoplast.
("PEEK wordt over het algemeen beschouwd als één van de best ervaren thermoplasten in de wereld.") (Bron: Joost de Vree) +
Een thesaurus gebruikt men om het exacte woord voor een voorwerp (een bepaalde vakterm) of een woord met de gewenste connotatie (uit stijloverwegingen) te vinden.
Een thesaurus verbindt begrippen door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties. Je kunt een thesaurus gebruiken om het exacte woord voor een voorwerp of met de gewenste connotatie te vinden. (ArchiXL, bron: Merriam-Webster) <br/>
<br/>
In de klassieke betekenis is een thesaurus een soort naslagwerk. Een thesaurus gebruikt men om het exacte woord voor een voorwerp (een bepaalde vakterm) of een woord met de gewenste connotatie (uit stijloverwegingen) te vinden. In de moderne tijd is het een ontsluitingsmiddel waarbij unieke concepten door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties verbonden worden. Een semantisch netwerk voor het toegankelijk maken en koppelen van (collectie)gegevens. <br/>
<br/>
De term komt uit het Grieks θησαυρός (thèsauros) en werd in het Latijn overgenomen als thesaurus (meervoud thesauri) en betekent schatkamer, het weggelegde. Het werd aanvankelijk in de taalkunde opgesteld als een logisch-systematisch (en ook alfabetisch, maar niet verklarend) woordenboek: de begrippen van een taal werden gecategoriseerd en vergeleken met verwante begrippen:
* synoniemen
* woorden die een ruimer begrip beschrijven: hyperoniemen
* woorden die een engere betekenis hebben: hyponiemen
* woorden met tegengestelde betekenis: antoniemen, of
* begrippen die aan het lemma verwant zijn, maar een andere nuance uitdrukken, of een overlappende betekenis hebben. <br/>
<br/>
Uit een Nederlandstalige thesaurus kan men besluiten dat synoniemenlijst een nauwere betekenis heeft dan thesaurus en het begrip lexicon overlapt. Soms hanteert men betekeniswoordenboek als synoniem van thesaurus, maar de betekenis van een woord is in dit bijzondere geval niet gelijk aan de verklaring ervan, maar vloeit voort uit de situering van dit woord binnen het geheel. <br/>
<br/>
De aanduiding "thesaurus" wordt nu ook gebruikt voor een naslagwerk met geselecteerde woorden of concepten, bv. een gespecialiseerd vocabularium binnen een bepaald interesse- of vakgebied, zoals geneeskunde of muziek. <br/>
<br/>
Met behulp van een thesaurus kan men bijvoorbeeld de catalogus van een bibliotheek beter toegankelijk maken dan door middel van een ordening, die uiteindelijk willekeurig is. Zo is men niet meer strikt gebonden aan de terminologie - en de taal! - van een boek of andere informatiedrager. Per publicatie of informatie-item kan men meerdere descriptoren (thesaurustermen) toekennen. Een itemsgewijze beschrijving wordt zodoende versterkt door een systematische ontsluiting. Er bestaan thesauri voor vele wetenschappelijke disciplines. Zo bestaan voor de beschrijving en ontsluiting van erfgoed bijvoorbeeld de Art and Architecture Thesaurus en de erfgoedthesaurus van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Beide richten zich vooral op materiële cultuur en objecten. Voor het beschrijven van de iconografie van beeldende kunst is er Iconclass, een meertalig classificatiesysteem. <br/>
<br/>
Taxonomieën zijn aan thesauri verwant. De benaming thesaurus wordt ook gebruikt in de taalkunde voor de grote gegevensbestanden met de woordenschat van het Latijn, de Thesaurus Linguae Latinae te München, en die van het Grieks, de Thesaurus Linguae Graecae van de Universiteit van Californië. Het is dan de "schatkamer" van oorspronkelijke teksten, waarop men zich baseert om de dode taal (Latijn of Grieks) te reconstrueren. <br/>
<br/>
Thesauri treft men in papieren vorm (boek) aan, maar ook als elektronisch medium. Een juiste vakterm kan ook worden gezocht, als het internet wordt uitgesloten, door het raadplegen van een beeldwoordenboek.
De getagde structuur is ontworpen om gemakkelijk uit te breiden en veel leveranciers hebben eigen speciale tags geïntroduceerd - met als resultaat dat geen enkele lezer elke smaak van het TIFF-bestand verwerkt. [ nodig citaat ] TIFF's kunnen lossy of lossless zijn, afhankelijk van de gekozen techniek voor het opslaan van de pixeldata. Sommige bieden relatief goede compressie zonder verlies voor afbeeldingen op twee niveaus (zwart-wit) . Sommige digitale camera's kunnen afbeeldingen opslaan in TIFF-indeling met behulp van het LZW- compressie-algoritme voor verliesloze opslag. TIFF-afbeeldingsformaat wordt niet algemeen ondersteund door webbrowsers. TIFF blijft algemeen geaccepteerd als standaard voor fotobestanden in de drukkerij. TIFF kan apparaatspecifieke kleurruimten verwerken, zoals de CMYK die wordt gedefinieerd door een bepaalde set drukpersinkten. OCR- softwarepakketten (Optical Character Recognition) genereren gewoonlijk een of andere vorm van TIFF-afbeelding (vaak monochroom ) voor gescande tekstpagina's.
Luchtfoto's worden meestal door de opdrachtnemer in het tif formaat uitgeleverd. +
De tijd wordt wel gezien als een opeenvolging van tijdstippen. Daarnaast kan bepaald worden hoeveel tijd een gebeurtenis na een andere plaatsvindt. Het betreft dan de tijdsduur tussen twee tijdstippen. Met het begrip tijd worden deze volgorde en duur beschreven. Tijd kan na hoogte, breedte en lengte gezien worden als een vierde dimensie.
Naast het verschijnsel van de lineaire, kwantitatieve en meetbare (klok)tijd, is tijd ook een ervaring van elk subject die op een unieke eigen kwalitatieve wijze beleefd wordt. Zie ook: tijdsperceptie.
In de filosofie en taalwetenschap, met name de semantiek, wordt tijdslogica onderzocht. Dit zijn formele logische systemen die het begrip tijd formaliseren.
De speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein stelde het begrip bij van tijd, causaliteit en snelheid waarmee informatie zich kan verplaatsen. +
(bron: DIV) +
Dit heeft betrekking op hoe oud data zijn. data moeten periodiek opnieuw worden gemeten of gecontroleerd of ze nog correct zijn. Het kan ook zijn dat het bij actualisatie noodzakelijk is dat de oude data worden verwijderd. Dit is de meest voorkomende interpretatie van actualiteit, maar is in deze context specifieker gedefinieerd omdat actualiteit ook betrekking heeft op frequentie. +
De reeks legt de waarden vast van een type parameter over een periode. Waterstandmetingen zijn een duidelijk voorbeeld van een waardereekstijd. Er worden op 1 meetobject gedurende langere tijd met vaste intervallen waterhoogten bepaald. (bron: STOWA/Unie-stekkerdoos / Aquo) <br/>
Reeks van waarden van parameters variërend in tijd. (bron: DIV) +
Meestal betreft het gegevens die gedurende een bepaalde periode op equidistante tijdstippen zijn waargenomen. Voorbeelden van tijdreeksen zijn de dagelijkse sluitingswaarde van de Dow Jones index en het jaarlijkse stroomvolume van de Nijl bij Aswan. Tijdreeksanalyse beoogt onder andere zinnige statistieken en andere karakteristieken te beschrijven. Tijdreeksanalyse wordt veel gebruikt om met behulp van een model een goede voorspelling te geven, zoals de waarde van een aandeel. Tijdreeksgegevens hebben een natuurlijke tijdsordening. Dit onderscheidt tijdreeksanalyse van andere gemeenschappelijke data-analyseproblemen, waarbij er geen natuurlijke ordening van de waarnemingen is. Een tijdreeksmodel zal over het algemeen waarnemingen in de nabije toekomst beter voorspellen dan waarnemingen verder weg in de toekomst. +
Bijvoorbeeld de periode tussen twee opeenvolgende tijdstippen waarvoor een model binnen de simulatieperiode de hydrologische processen en gesteldheid berekent. (bron: Aquo) <br/>
<br/>
Tijdsverschil tussen twee tijdstippen. (bron: DIV) +
(bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Geheel of gedeeltelijk droogvallende gronden die buitendijks gelegen zijn. (bron:
Informatiemodel van de Basisregistratie Topografie (IMBRT) / SOR) +
(bron: VROM, 1995: Gegevenswoordenboek milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1 juni 1995, pag. 93. / Aquo / DIV) +
Bron: NTA 8035.
Unieke configuratie van informatie (toestands-variabelen) in een programma of machine (definitie uit de automaten theorie). In de tunnelstandaard wordt ‘State’ gebruikt voor de toestand van de TTI van verkeersbuizen. (bron: LTS-1.10)
Entiteit gedurende een periode tussen twee gebeurtenissen. Een toestand wordt gekenmerkt door de eigenschappen en relaties van de entiteit. (bron: NEN 2660-1 (Ontw)) +
De gevolgschade is groot en de zekerheid over faaltijdstip klein, de toestand van de onderdelen moet regelmatig worden geïnspecteerd en vervanging vindt preventief plaats als het interventieniveau wordt bereikt. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo) <br/>
<br/>
Methode van preventief onderhoud op basis van vooraf gestelde criteria. Als voorbeeld een vooruit werkende inspectie of meting (periodiek controleren van kritische parameters). Zo'n korte inspectie kan opgevolgd worden door uitgebreider onderhoud na overschrijden van belangrijke grenswaarden. TAO is een planmatig soort onderhoud, kritieke parameters controlerend en pas bij noodzaak planmatig herstellend (conditieafhankelijk) vervangen van onderdelen. Deze vorm van onderhoud heeft een zeer hoge voorspelbaarheid vanwege de controles. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Dit is onderhoud dat wordt uitgevoerd, nadat tijdens een inspectie is gebleken dat het interventieniveau van een visuele of door meting vast te stellen grootheid is overschreden. (bron: DIV) +
Bron: WWB0044. <br/>
Gerichte toetsing, mede gebaseerd op risicoanalyse, voor het vaststellen van de huidige toestand en het huidig functioneren van objecten en onderdelen alsmede de houdbaarheid van de aangedragen risico’s en onder-houdsinterventies (maatregelen) met bijbehorende planning. (bron: Vraagspecificatie Algemeen PRC (oud)) <br/>
Resultaat van een conditiemeting betreffende gebouwen of installaties (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/>
Gerichte inspectie (toetsing), mede gebaseerd op risicoanalyse, voor het vaststellen van de huidige toestand en het huidig functioneren van objecten en onderdelen alsmede de houdbaarheid van het bijbehorende instandhoudingsplan. (bron: Inspectiekader RWS) <br/> +
(bron: LTS-1.10) <br/>
Relatie tussen twee toestanden (van een entiteit), waarin de begintoestand overgaat in de eindtoestand. (bron: NEN 2660-1 (Ontw)) +
De toetsingswaarden zijn niet gebaseerd op (eco)toxiciteitgegevens. De toetsingswaarden liggen op of boven de grenswaarden nieuw gevormd sediment en op of onder de interventiewaarden waterbodem. (bron: WSV-info, aangepast / Aquo) <br/>
<br/>
Waarde die aan de normwaarde getoetst wordt (bijvoorbeeld 90-percentiel van de in een jaar gemeten concentratie). (bron: DIV) +
In het geval van wegenbeheer is er sprake van een CROW-norm. (bron: GW'96 / Aquo / DIV) +
(bron: DBW / Aquo / DIV) +
Bijvoorbeeld 90-percentiel van de in een jaar gemeten concentratie. (bron: Aquo / DIV) +
Een fout die niet door een functie kan worden beschreven, (ofwel waarvan de waarde statistisch onafhankelijk is van voorgaande of latere waarden.) De kansverdeling van deze variabele wordt beschreven door een willekeurige, begrensde functie. De toevallige fout wordt (meestal) beschreven door de standaard deviatie. (bron: Aquo)
Bij toevallige fouten is de gemiddelde fout nul. Bij voldoende waarnemingen zullen deze fouten zich volgens de normale verdeling rond de werkelijke waarde, de verwachting μ, vormen.
Hierbij geldt dat bij meer metingen de normale verdeling steeds beter gevolgd gaat worden en dat het gemiddelde de werkelijke waarde steeds beter benadert. Doordat veel waarnemingen afgerond worden, zal er ook sprake zijn van een uniforme verdeling. (bron: Wikipedia) +
(bron: GW art. 133 - Waterstaatswet 1900 S.176) / Verwijzend en verklarend juridisch woordenboek, N.E. Algra en H.R.W. Gokkel, 1995 / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De door de Kroon uit te oefenen controle op de behartiging van de waterstaatszorg (incl. het provinciale toezicht). (bron: DIV) +
(https://webuildapps.com/definition/tool) <br/>
<br/>
Softwaregereedschap. Een tool is vaak een klein programma voor het uitvoeren van algemene taken. (https://www.encyclo.nl/lokaal/10230) <br/>
<br/>
Gereedschap. Middelen waarmee je de bewerkingen uitvoert. Gewoonlijk altijd bediend met de muis. De muispijl kan verschillende vormen aannemen, bijvoorbeeld een potloodje, een gummetje, een luidsprekertje of een nootje. Dat zijn allemaal verschillende tools. (https://www.encyclo.nl/lokaal/10272) <br/>
<br/>
Een tool is vaak een klein programma voor het uitvoeren van vaak terugkerende taken. Bijvoorbeeld in reporttool: een programma waarmee op een gemakkelijke manier overzichten uit een database kunnen worden gemaakt. (bron: Ensie) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
(bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/>
<br/>
Op waterkeringen wordt de deklaag, ook wel toplaag genoemd, vooral gebruikt om de slijtweerstand van de waterkering te verbeteren. <br/>
<br/>
Het betreft een overkoepelend object met enkele algemene attributen die gelden voor elk type toplaag. Daarnaast is het object Toplaag een specialisatie van bekledingslaag, waardoor het zodoende naast de eigen attributen ook alle attributen van bekledingslaag bevat. Elk object dat een type toplaag beschrijft (bijvoorbeeld ToplaagAsfalt) erft zowel de attributen van bekledingslaag als van Toplaag. <br/>
<br/>
In onderstaande afbeelding staat de afbakening in dwarsrichting van een aantal bekledingconstructies met verschillende type toplagen. (Bron: DAMO begrippen) +
(Bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/>
<br/>
Toplaag asfalt is een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. toplaag asfalt erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. ToplaagBetonbekleding erft de attributen van Toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. toplaag gras erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag losgestort materiaal erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO) +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag steenzetting erft de attributen van toplaag. (bron: DAMO) +
Een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag verpakte bekleding erft de attributen van Toplaag. (Bron: DAMO) +
Voorbeelden hiervan zijn: Het lijnenwerk op (een elektronische representatie van) een landkaart. Beschrijving van hoogteligging en -verdeling ten opzichte van een referentievlak. (bron: RWS, 1997: themagroep Geografie/Watersystemen / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Het lijnenwerk op (een elektronische representatie van) een landkaart. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Beschrijving van hoogteligging en -verdeling ten opzichte van een referentievlak. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Topografie (uit het Grieks, letterlijk "plaatsbeschrijving") is de studie van de beschrijving van kenmerken van plaatsen en gebieden. Tot de topografie behoort ook de studie van de ligging en de namen van plaatsen, wateren, bergen, streken, landen, en andere geografische vormen. Het woord topografie komt uit het Oudgrieks (τόπος topos, plaats, plek; γράφειν graphein = schrijven, beschrijving).
Wordt gebruikt voor het nauwkeurig, grafisch in kaart brengen van natuurlijke en door de mens gemaakte landschapselementen van een specifiek verstedelijkt gebied, stuk land of andere plaats, met name om hun ligging ten opzichte van elkaar en hun hoogte te laten zien. Gebruik 'topografie (kenmerk)' voor de reliëfelementen of de oppervlaktekenmerken van een plaats of object, waaronder natuurlijke en door de mens gecreëerde elementen.
Het belang van topografie is in de moderne geografiebeoefening sterk afgenomen, omdat bijna alle plaatsen eenvoudig opgezocht kunnen worden met een gedetailleerde atlas of computerprogramma. Het belang van bezit van parate kennis is verschoven naar de vaardigheid het te kunnen opzoeken.
De werkelijke waarde van topografische kennis is niet alleen het weten waar een stad of rivier ligt. De waarde van de topografie schuilt in het vormen van een juiste mentale kaart van een gebied. Men dient bij de topografie niet op de absolute maar de relatieve ligging of afstand te wijzen. De relatieve ligging van een plaats is de ligging ten opzichte van een andere plaats. Een relatieve afstand wordt uitgedrukt in de tijd, geld en/of moeite om die afstand te overbruggen.
Topografie is om de volgende redenen nog van belang:
* Zonder topografie kan men in feite geen geografie bedrijven. In de geografie is de basisvraag immers "waar is het en waarom is het daar?" De nadruk in het thematisch geografieonderwijs ligt vooral op het waarom daar?, maar die vraag krijgt pas zin na het antwoord op de vraag waar?.
* Topografie is een symbolische taal, een systeem dat zich manifesteert in een landkaart. Door de studie van de topografie wordt de leerling getraind in rangschikking en associatie.
* Topografie is nuttig en noodzakelijk in het dagelijkse leven. Als er iets in China gebeurt, moet men een idee hebben of het ver weg is gelegen of juist dichtbij.
* Een basiskennis van de topografie bevordert het inzicht in feiten en gebeurtenissen die met elkaar samenhangen in de ruimte. <br/>
De keuze van plaatsen die geleerd moeten worden, wordt bepaald aan de hand van geografische en didactische criteria. Voorbeelden van geografische criteria zijn:
* het aantal inwoners (grote steden wel, kleine dorpjes niet),
* de geografische afstand tot de plaats (een stad van 200.000 inwoners in China niet, een kleine stad in de eigen provincie wel),
* het politieke, historische, of economische belang van de plaats (bijvoorbeeld hoofdsteden, historische machtscentra). <br/>
Voorbeelden van didactische criteria zijn:
* beperking van de selectie tot een aantal dat in redelijke tijd te leren is.
* het selecteren van plaatsen die horen bij een bepaald thema, waaraan speciale aandacht wordt besteed, bijvoorbeeld "kolonisatie", of een bepaald werelddeel. (bron: WIkipedia)
Een topografische kaart is dus voor algemeen gebruik bedoeld, in tegenstelling tot een thematische kaart. In principe kan in iedere schaal een topografische kaart gemaakt worden, maar meestal gaat het om kaarten in de schaal 1:50.000 of 1:25.000. In het dagelijks taalgebruik duidt men dit soort kaarten ook wel aan met de (ietwat verouderde) term stafkaart. De kleur van een vlak kan eveneens als symbool worden aangemerkt, daar zij informatie over de terreingesteldheid geeft.
Om alle informatie op schaal weer te geven is een schaal van 1:25.000 of gedetailleerder nodig. Op deze schaal kan een weg nog net op schaal worden weergegeven (een weg van 2,5 m breed wordt 0,1 mm breed afgebeeld). Bij 1:50.000 en kleinere schalen moeten concessies worden gedaan. Wegen worden dan breder (dus niet op schaal) afgebeeld en objecten zoals gebouwen aan de weg worden daarvoor iets verschoven afgebeeld. Om de kaart leesbaar te houden worden kleinere wegen en andere details weggelaten (zie generalisatie).
Door de keuze van de schaal en van de kaartprojectie is de vervorming op topografische kaarten klein: in alle richtingen is de schaal gelijk, de hoeken die je op de kaart meet komen overeen met die in het veld en ook de vorm van de afgebeelde percelen is correct (hoekgetrouwe projectie).
Om een kaart leesbaar en overzichtelijk te houden worden er voor de afbeelding van bijzondere objecten, terreinkenmerken en bestuurlijke grenzen symbolen gebruikt. Enkele voorbeelden: wegwijzers, gemeentehuis, hunebedden, taludlijnen, bruggen, torens, hoogtelijnen, gemeentegrenzen.
De kleur van een vlak kan eveneens als symbool worden aangemerkt, daar zij informatie over de terreingesteldheid geeft. Paars kan op een kaart bijvoorbeeld een heideveld aangeven, terwijl de heide slechts enkele weken per jaar paars bloeit. Gebruikelijke keuzes voor de kleuren zijn groen voor bos, geel voor zand, blauw voor water en rood of zwart voor bebouwing.
Afhankelijk van de uitgever kunnen er andere kleuren en symbolen worden gebruikt, daarom is er een verklaring van gebruikte tekens (legenda) opgenomen.
(Bron: Wikipedia)
Met topologische regels kun je controleren of een duiker op een watergang ligt of dat een stuw op het einde van een watergang ligt maar ook op de begrenzing van een peilgebied ligt.
De topologie is een uitgroeisel van de meetkunde, maar anders dan de meetkunde, houdt de topologie zich niet bezig met metrische eigenschappen zoals de afstand tussen punten, maar met eigenschappen die beschrijven hoe een ruimte is samengesteld, zoals samenhang en oriëntatie.
Het woord topologie wordt zowel gebruikt om het studiegebied zelf aan te duiden, als voor de familie van verzamelingen die bepaalde eigenschappen beschrijft die worden gebruikt om een topologische ruimte te definiëren (het basisobject van de topologie). Van bijzonder belang in de studie van de topologie zijn de vervormingen die homeomorfismen worden genoemd. Informeel kunnen deze functies worden gezien als functies die de ruimte uitrekken zonder deze echter te scheuren of verschillende delen samen te plakken. Een meer abstracte notie van een vervorming is een homotopische equivalentie, een begrip dat ook een fundamentele rol speelt.
Toen de discipline aan het eind van de 19de eeuw ontstond, noemde men de topologie aanvankelijk geometria situs (Latijn: meetkunde van plaats) en analysis situs (Latijn: analyse van plaats). Topologie is intussen een grote tak van de wiskunde, die op zijn beurt weer vele deelgebieden kent. Van ongeveer 1925 tot 1975 kende de topologie een bloeiperiode en was zij een belangrijk groeigebied in de wiskunde.
De meest basale en traditionele verdeling binnen de topologie is de driedeling tussen
de point-set topologie, die de fundamenten van de topologie neerzet en concepten zoals compactheid en samenhangendheid onderzoekt;
de algebraïsche topologie, die algemeen gesteld probeert om de graden van samenhang te meten, en die daar gebruikmaakt van algebraïsche constructies, zoals homotopiegroepen en homologie en ten slotte
de meetkundige topologie, die in de eerste plaats variëteiten en hun inbedding in andere variëteiten bestudeert.
Een voorbeeld van topologisch editen is het tegelijkertijd verplaatsen van de begrenzing van 2 peilgebieden die een gemeenschappelijke geometrie bevatten. +
De topologie in termen van verbindingen verandert meestal niet als de posities van de items veranderen. +
Dit gaat over de relatie die verschillende vlakken met elkaar hebben. Deze vlakken kunnen onderdeel zijn van dezelfde geometrie (één attribuutwaarde) of van verschillende geometrieën (meerdere attribuutwaarden). Er zijn verschillende interpretaties bij topologische consistentie, waarbij bijvoorbeeld zelf-intersecties of onnodige slivers soms als onderdeel van geometrische correctheid worden gezien en soms als onderdeel van topologische consistentie. (bron: ArchiXL) +
(bron: CHO (544) / Aquo / DIV) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Denk aan aandrijfas van een voertuig, of aan een boring naar olie of gas. De boorkop bevindt zich honderden meters of kilometers onder de grond en hij wordt aangedreven via een lange pijp. Deze pijp ondervindt torsie. Torsie vervormt de pijp, zodat de boorkop ettelijke omwentelingen achter kan lopen op zijn aandrijfmechanisme. Torsie kan ontbonden worden in schuifkrachten, waarbij de schuifkracht toeneemt naarmate het verder is verwijderd van het zwaartepunt van het profiel. Bij een gelijke hoeveelheid materiaal per meter (ofwel een gelijk gewicht per meter) is een holle staaf daarom veel beter in staat om torsie op te nemen dan een massieve staaf. +
(bron: Aquo / DIV) +
(bron: Aquo / DIV) +
(bron: Westhof & den Held, 1975. / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo) +
Stof die, reeds in een relatief kleine hoeveelheid toegediend of ingenomen, de levensfuncties ernstig verstoort of zelfs de dood teweegbrengt. Elk vergif afkomstig van een plant (fytotoxine) of een dier (zoötoxine). (bron: Marechal, P., Gegevenswoordenboek Ecologie, Reaal Uitgevers, Lisse, 1991 / NEN 6599 / Aquo) <br/>
<br/>
Specifiek giftige stof. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een vergif (ook wel vergift of gif) is een stof die in kleine hoeveelheden een schadelijke invloed heeft op een organisme. Het begrip wordt vooral op chemische verbindingen toegepast.
Het eerste basisprincipe van de toxicologie is dat vrijwel iedere stof, die in overmaat aanwezig is, schadelijk (en dus niet giftig!) kan zijn.
Dosis sola facit venenum (alleen de hoeveelheid maakt het vergif) zei Paracelsus al in de 16e eeuw.
De keerzijde hiervan is dat er voor iedere (giftige) stof ook een drempelwaarde te vinden is waarbij het nadelig effect op het organisme aantoonbaar is. De giftigheid van een stof hangt niet alleen af van de drempelwaarde, maar ook van de sterkte van de effecten.
Er zijn ook andere factoren, zoals de wijze van opnemen of de aggregatietoestand van de stof (kwikdamp die wordt geïnhaleerd is bijvoorbeeld veel schadelijker dan vloeibaar kwik dat wordt doorgeslikt). Bij zware metalen is de geïoniseerde vorm veel makkelijker opneembaar en dus gevaarlijker dan de elementaire vorm. Soms is de stof zelf niet of weinig giftig, maar metaboliseert het lichaam de stof in een (nog) giftiger stof. Voorbeelden hiervan zijn methanol (wordt omgezet in methanal) en chloroform (wordt omgezet in fosgeen).
Vele vergiften worden in heel lage dosering zelfs als geneesmiddel gebruikt. De toxicologie en de farmacologie zijn dan ook nauw verwante wetenschappen. Andere vergiften worden gebruikt als chemisch bestrijdingsmiddel tegen plantenziekten en plagen. Veel van de meest effectieve of gevaarlijkste vergiften zijn de neurotoxinen van biologische oorsprong, vaak als afweermiddel van een organisme tegen het opgegeten of aangevallen worden door andere organismen. Ook zijn er minerale vergiften, zoals kwik- of arseenbevattende ertsen.
In de natuur komen veel giftige planten, dieren, en bacteriën voor. Sommige diersoorten gebruiken gif om makkelijker een prooi te kunnen vangen, andere om zich tegen aanvallers (dieren) of tegen vraat (planten) te verdedigen. Giftige dieren hebben niet zelden waarschuwende, felle ('aposematische') kleuren. (bron: Wikipedia)
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een vergif (ook wel vergift of gif) is een stof die in kleine hoeveelheden een schadelijke invloed heeft op een organisme. Het begrip wordt vooral op chemische verbindingen toegepast.
Het eerste basisprincipe van de toxicologie is dat vrijwel iedere stof, die in overmaat aanwezig is, schadelijk (en dus niet giftig!) kan zijn.
Dosis sola facit venenum (alleen de hoeveelheid maakt het vergif) zei Paracelsus al in de 16e eeuw.
De keerzijde hiervan is dat er voor iedere (giftige) stof ook een drempelwaarde te vinden is waarbij het nadelig effect op het organisme aantoonbaar is. De giftigheid van een stof hangt niet alleen af van de drempelwaarde, maar ook van de sterkte van de effecten.
Er zijn ook andere factoren, zoals de wijze van opnemen of de aggregatietoestand van de stof (kwikdamp die wordt geïnhaleerd is bijvoorbeeld veel schadelijker dan vloeibaar kwik dat wordt doorgeslikt). Bij zware metalen is de geïoniseerde vorm veel makkelijker opneembaar en dus gevaarlijker dan de elementaire vorm. Soms is de stof zelf niet of weinig giftig, maar metaboliseert het lichaam de stof in een (nog) giftiger stof. Voorbeelden hiervan zijn methanol (wordt omgezet in methanal) en chloroform (wordt omgezet in fosgeen).
Vele vergiften worden in heel lage dosering zelfs als geneesmiddel gebruikt. De toxicologie en de farmacologie zijn dan ook nauw verwante wetenschappen. Andere vergiften worden gebruikt als chemisch bestrijdingsmiddel tegen plantenziekten en plagen. Veel van de meest effectieve of gevaarlijkste vergiften zijn de neurotoxinen van biologische oorsprong, vaak als afweermiddel van een organisme tegen het opgegeten of aangevallen worden door andere organismen. Ook zijn er minerale vergiften, zoals kwik- of arseenbevattende ertsen.
In de natuur komen veel giftige planten, dieren, en bacteriën voor. Sommige diersoorten gebruiken gif om makkelijker een prooi te kunnen vangen, andere om zich tegen aanvallers (dieren) of tegen vraat (planten) te verdedigen. Giftige dieren hebben niet zelden waarschuwende, felle ('aposematische') kleuren.
Vergiften kunnen op verschillende manieren werkzaam zijn. Ze kunnen het zuurstoftransport blokkeren (blauwzuur, koolstofmonoxide), of bepaalde zenuwen verlammen door neurotransmitters na te bootsen of juist te blokkeren. Zware metalen kunnen enzymen blokkeren waardoor deze onwerkzaam worden. Halogenen reageren vrijwel met iedere stof in het lichaam. Natriumhydroxide breekt vrijwel iedere vetachtige verbinding af in zijn componenten. Zelfs water kan in hoge doses schadelijk of zelfs dodelijk zijn. De schadelijke werking van water is gebaseerd op de verstoring van de osmotische waarde van het bloed, waardoor de rode bloedcellen kapotgaan en kalium vrijkomt dat het hart ontregelt. Ieder vergif is gebaseerd op de ontregeling van een chemisch proces in het lichaam.
Verder reageren sommige diersoorten anders op bepaalde stoffen dan andere. Zo kunnen stoffen die voor de mens nauwelijks giftig zijn dodelijk zijn voor sommige dieren, en vice versa. Theobromine, dat in chocola zit, kan dodelijk zijn voor honden. Bepaalde organo-tinverbindingen zijn nauwelijks giftig voor mensen, maar zeer giftig voor micro-organismen. Op zeeslakken hebben deze stoffen weer een ander effect: het verstoort hun hormoonhuishouding. Door bioaccumulatie kunnen sommige schadelijke stoffen zich via de voedselketen ophopen in de organismen hoog in de voedselketens, inclusief de mens. Meestal betreft dit verontreinigingen met zware metalen door menselijk handelen, maar ook gechloreerde koolstofverbindingen zoals DDT zijn hierom berucht. (bron: Wikipedia)
Dit is het traagheidsprincipe, overeenkomend met het ervaringsfeit dat een voorwerp het traject gaat volgen van de minste actie. De bijbehorende beweging -zonder dat er een resulterende kracht op een voorwerp wordt uitgeoefend- heet een traagheidsbeweging.
Anders gesteld: de totale impuls (de hoeveelheid beweging, massa maal snelheid) van een systeem kan niet veranderen, tenzij er een externe kracht op inwerkt, waardoor er arbeid wordt verricht die een verplaatsing of rotatie van het voorwerp tot gevolg heeft.
Een ander woord voor traagheid is inertie.
Om de traagheidsbeweging van een voorwerp te veranderen is een kracht nodig. Daarbij manifesteert traagheid zich als een optredende weerstand tegen die verandering. Traagheid is een aspect van de massa van een object.
Ronddraaiende voorwerpen hebben de eigenschap dat ze hun "hoeveelheid draaiing" behouden, zie daarvoor "Traagheidsmoment". (bron: Wikipedia) +
Dit gaat vooral over het beschikbaar zijn van informatie over de herkomst en totstandkoming van data. Dit wordt ook wel 'data provenance' of 'data lineage' genoemd. Het vraagt een audit trail waarin dergelijke data beschikbaar zijn. In tegenstelling tot een meer algemene audit trail is deze onderdeel van de data zelf. Het detailniveau van de audit trail is op het niveau van handelingen van subjecten. (bron: ISO/IEC 25012 / ArchiXL) +
Het waterschap maakt onderscheid in de volgende tracties.
T0: transportmiddelen <br/>
T1: breedspoor tractor + dumper etc. <br/>
T2: breedspoor tractor + aanbouw <br/>
T3: breedspoor tractor + wiel- en rupskraan en shovel (los) <br/>
T4: smalspoor rupskraan + dieplader + tractor <br/>
T5: breedspoor rupskraan + dieplader + tractor <br/>
T6: smalspoor tractor + dumper etc. <br/>
T7: smalspoor tractor + aanbouw <br/>
T8: maaiboot, veegboot, amfibievoertuig <br/>
<br/>
Tractie is mechanische trekkracht om iets in beweging te brengen. Het woord wordt vaak gebruikt voor de aandrijving van spoorvoertuigen en tractoren.
Het object dat de tractie teweegbrengt wordt eveneens tractie genoemd, zoals een tractor.
<br/>
Overbrenging van de ronddraaiende beweging van de aangedreven wielen op het wegdek of rails. +
Tractors worden binnen het waterschap veel gebruikt voor onderhouds- en beheertaken in het veld, zoals maaien, baggeren, transport van materialen en werkzaamheden langs watergangen, dijken en onderhoudsstroken. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een tractor of trekker is een voertuig dat speciaal is ontwikkeld voor gebruik in de landbouw, maar nu ook voor andere doeleinden wordt gebruikt. (bron: Cultureel erfgoed.nl) <br/>
<br/>
Het woord tractor (afgeleid van het Latijnse trahere, dat "trekken" betekent) is een algemene omschrijving voor een voertuig dat een passief voorwerp dat geen eigen aandrijving heeft, kan trekken, duwen of slepen. In de geïndustrialiseerde wereld heeft de tractor de rol van trekdieren in het boerenbedrijf en elders vrijwel volledig overgenomen. In Nederland wordt voornamelijk trekker gebruikt, in België is tractor meer gangbaar. (bron: Wikipedia) +
Afgebakende aslijn van een weg, spoorweg of waterweg. (bron: Woordgebruik bij Waterschappen, C. Euser, Heemraad Waterschap Ijsselmonde, 1985 / Aquo / DIV) +
(bron: NPR 4768 / ABDL) +
Een normale trailerhelling is een helling die gemaakt is van beton, staal, steen of zelfs hout. Het getij kan de bruikbaarheid van een trailerhelling beïnvloeden. Tenzij de helling bij zowel eb als vloed onder water ligt.
Als een trailerhelling wordt gebruikt voor het bouwen en repareren van kleine schepen (schepen die niet zwaarder zijn dan 300 ton) wordt er gebruikgemaakt van een dragend voorwerp op wielen waarop de boot wordt gedragen. Deze loopt de helling af totdat de boot in het water ligt en geheel van de trailerhelling is losgekomen.
Bij recreatief gebruik van een trailerhelling staat de boot vaak op een trailer. De trailer wordt hierbij via de helling gedeeltelijk het water in gereden, zodat de boot langzaam het water in kan. Bij het uit het water halen van een boot wordt een lier gebruikt. (bron: Wikipedia) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw). +
Een bekende transitie uit het verleden was de energietransitie van steenkool naar aardgas als belangrijkste energiedrager. Dit vergde systeeminnovaties voor aardgaswinning en distributie, woningbouw en de ontwikkeling van (huishoudelijke) apparatuur. Destijds leek het onvoorstelbaar dat steenkool niet langer gebruikt zou worden en dat aardgas de toekomst zou worden. Andere transities waren de overgang van een industriële economie naar een diensteneconomie, en de demografische transitie van een hoog naar een laag sterfte- en geboortecijfer in West-Europa tussen 1750 en 1960.
In de huidige maatschappij worstelen diverse sectoren en domeinen - landbouw, verkeer en vervoer, waterbeheer, energievoorziening, bouwsector en gezondheidszorg - met hardnekkige, langslepende problemen van 'onduurzaamheid' die alleen door middel van transities op te lossen lijken te zijn. Voor het bewerkstelligen van die transities zijn tal van samenhangende 'systeeminnovaties' nodig: vernieuwingen op het niveau van technologieën, regels en organisatievormen. Transities duren vaak lang, tot zelfs meerdere generaties, en vergen de steun en inzet van bedrijven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en burgers, als onderdelen van maatschappelijke netwerken. De afgelopen jaren is men zowel wetenschappelijk als in het beleid druk bezig met experimenten met nieuwe vormen van sturing speciaal gericht op deze transities naar duurzaamheid, onder de noemer transitiemanagement. Ook vanuit de maatschappij worden diverse initiatieven ontplooid. Voorbeelden daarvan zijn de lokale gemeenschappen die onder de noemer van Transitiestad (Transition town) zelf aan de slag gaan om hun manier van wonen, werken en leven duurzamer te maken.
Omdat transities structurele veranderingen zijn die een grote impact op de samenleving hebben, veronderstellen ze ook de nodige tijd om die verandering te kunnen laten plaatsvinden. Als die tijd niet beschikbaar is, en de verandering dus op korte tijd moet plaatsvinden, dan gaat ze gepaard met grote overgangsmoeilijkheden. We spreken dan eerder over een revolutie. Schrijver en activist Rob Hopkins spreekt daarom over de nood om de verandering tijdig voor te bereiden. Hij stelt dat de maatschappij de keuze heeft om kiezen voor een transitie, waarbij de samenleving zich gedurende 1 à 2 decennia voorbereidt op een toekomst met bijvoorbeeld minder energievoorzieningen. Indien we ons hierop niet voorbereiden, en de transitie haar tijd dus niet gunnen, zal er eerder sprake zijn van een revolutie. De verandering wordt dan op een niet-comfortabele en vaak gewelddadige wijze door externe factoren opgedrongen. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Transitie verwijst naar een proces van verandering, overgang of overgang van de ene toestand naar de andere. Het kan betrekking hebben op verschillende aspecten van het leven, zoals persoonlijke groei, carrièreverandering, maatschappelijke ontwikkeling of zelfs klimaatverandering. Transitie impliceert vaak dat er aanpassingen, aanpassingen en nieuwe manieren van denken en handelen nodig zijn om de gewenste verandering te bereiken. Het kan een uitdagende maar ook een waardevolle periode zijn, waarin nieuwe mogelijkheden en perspectieven kunnen ontstaan. (bron: HEA)
Een verplaatsing van een puntmassa is altijd een translatie, omdat alle punten van dat voorwerp (hier de puntmassa) samenvallen met die ene puntmassa. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Een translatie (in de meetkunde) is een zuivere verschuiving, zonder een rotatie. Meetkundig is een translatie een affiene transformatie waarbij ieder punt van het vlak of de ruimte over dezelfde vector wordt verschoven, dat houdt in over dezelfde afstand in een gespecificeerde richting. +
Lopende golf, waarbij de waterdeeltjes gedurende het passeren van de golf ofwel uitsluitend voorwaarts dan wel uitsluitend achterwaarts bewegen en niet terugkeren. <br/>
voorbeeld: <br/>
* de golven die zich voordoen in kanaalpanden tengevolge van het schutten - bij het vullen van de sluiskolk een negatieve golf in het bovenpand, bij het ledigen een positieve golf in het benedenpand. (bron: CHO (565) / Aquo / DIV) +
Planten nemen het water in vloeibare vorm op via de wortels en verliezen water in gasvormige toestand langs de huidmondjes (stomata) op de bladeren. Een klein deel van het water (ongeveer 1%) dat door de wortels van de plant wordt opgenomen blijft in de plant. De rest van het water transpireert vanaf de bladeren in de atmosfeer. De grootte van transpiratie hangt af van de luchtvochtigheid en van de regulatie door de huidmondjes, die kunnen opengaan en sluiten.
De evaporatie en de transpiratie samen vormen de evapotranspiratie van een vegetatie. +
(bron: (AAT-Ned) / CHT)
<br/>
Van de ene plaats naar de andere brengen. (bron: Woordenboek.org) +
[NEN 3300:1996] Riool hoofdzakelijk bestemd voor het transport van afvalwater. +
Deze entiteit bevat de subentiteiten AFVALWATERTRANSPORTWERK en RIOLERINGSELEMENT en is zelf onderdeel van de superentiteit ZUIVERINGSINFRASTRUCTUUR. (Bron: Aquo) +
(bron: Wijk, J van der, Taal van het Water / Aquo) +
Een voorwerp waaraan wordt getrokken, wordt niet alleen langer, maar ook dunner. Dit verschijnsel wordt dwarscontractie genoemd. Een hangbrug is een succesvol brugtype voor bruggen, omdat het gewicht opgevangen kan worden met trekspanning. Omdat bij trekspanning geen rekening gehouden hoeft te worden met knik kan het materiaal tot zijn maximum sterkte (met inachtneming van een veiligheidsfactor) belast worden. +
Trillen of "intrillen" is zowel van toepassing voor stalen als betonnen damwandprofielen.
De in Nederland meest toegepaste techniek voor het inbrengen en verwijderen van stalen damwanden is trillen met behulp van een trilblok.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen elektrisch en hydraulisch aangedreven trilblokken.
De afgelopen jaren zijn hoogfrequente en variabel moment trilblokken ontwikkeld, die trillingsoverlast in de directe omgeving sterk reduceren. Een nadeel is dat deze trilblokken niet bij alle grondsoorten inzetbaar zijn. Trillingshinder voor belendingen kan een belemmerende factor zijn.
Vergelijkbaar met trillen is het "resoneren": de damwand (of buis of paal) wordt in trilling gebracht door een oscillerende cilinder die de damwand in eigenfrequentie brengt. Grootste voordelen van de Resonator van de Dieseko Group is dat de grond zo goed als trillingsvrij en dat het weinig energie kost om de damwand in de grond te brengen. (bron: Joost de Vree.nl) <br/>
<br/>
Trillen (in Vlaanderen soms ook trilheien genoemd) is een alternatieve heimethode waarbij men met een trilblok een funderingspaal of damwand in trilling brengt. Hierdoor verliest de onderliggende grond zijn draagkracht en zakt onder het gewicht van het trilblok en het eigen gewicht van de paal de grond in.
Trillen is ook een verdichtingsmethode om een dichtere pakking van mengsels te krijgen door middel van een trilplaat of trilstamper. Bijvoorbeeld toe te passen bij de aanleg van straatwerk waarbij het zandpakket wordt verdicht, zodat de tegels of straatstenen niet verzakken. Het trillen van beton, om luchtbelinsluiting te voorkomen. (bron: Wikipedia) +
Een trilplaat wordt hoofdzakelijk gebruikt om een dichtere pakking van mengsels te krijgen. Bij grote oppervlakten wordt daarvoor meestal een wals gebruikt. Men kan de trilplaat gebruiken bij de aanleg van een weg, een stoep zodat de tegels niet verzakken, aantrillen van bestrating of het trillen van beton, om luchtbelinsluiting te voorkomen. Een trilplaat wordt dan door een motor aangedreven. De meest basale trilplaat is een sleeptriller, deze kan enkel vooruit. Om het gebruiksgemak te verhogen is er de geschakelde trilplaat die zowel vooruit als achteruit kan. Dit wordt met name gebruikt voor de 'zwaardere' trilplaten.
Voor het aftrillen van straatwerk levert de sleeptriller een mooier resultaat dan de geschakelde trilplaat. Dit heeft te maken met de manier van voortbewegen omdat het onbalansgewicht bij een sleeptriller voor in de machine zit.
Een veel gebruikte manier om trilplaten met elkaar te vergelijken is slagkracht. Deze is afhankelijk van de combinatie tussen eigen gewicht, massa van onbalansgewicht(en) en trilfrequentie. +
(bron: NH / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De troebelheid of turbiditeit van een vloeistof, is de mate waarin kleine deeltjes in die vloeistof het licht dat erdoor valt verstrooien, zodat die vloeistof ondoorzichtig wordt. Troebelheid is daarmee het omgekeerde van helderheid. Suspensies en emulsies kunnen troebel zijn.
Troebelheid wordt meestal beïnvloed door onopgeloste zwevende deeltjes die te klein zijn om waar te worden genomen zonder vergroting, maar wel variëren in deeltjesdiameter. Ditzelfde geldt ook voor rook in de lucht, die eveneens bestaat uit zwevende deeltjes, maar dan in een gas(mengsel).
Wanneer de grootte of eigenlijk dichtheid van de deeltjes, groter is dan die van water zullen ze uiteindelijk naar de bodem zinken, wanneer de vloeistof een bepaalde tijd ergens stil staat. Als de dichtheid van de deeltjes nagenoeg gelijk is aan de dichtheid van de vloeistof zelf, of de deeltjes zijn coloïdaal dan blijven de deeltjes ergens in de vloeistof zweven.
De eenheid waarin de troebelheid wordt uitgedrukt is de Nephelometric Turbidity Unit (NTU) of Jackson Turbidity Unit (JTU). De troebelheid kan ook gemeten worden in absorptie-eenheden.
Bij celkweekexperimenten is de troebelheid een maat voor de concentratie van cellen. Bij deze experimenten wordt vaak gebruikgemaakt van de OD600, waarbij OD staat voor optische dichtheid (eigenlijk identiek aan de absorptie; niet te verwarren met optische dichtheid als synoniem voor brekingsindex) en 600 voor 600 nanometer, de golflengte waarbij doorgaans wordt gemeten. Andere golflengtes kunnen ook gebruikt worden. (bron: Wikipedia) +
(bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Het begrip wordt veelal in combinatie met 'saprobie' gebruikt: saprobie slaat dan op voeding met organische stof (voor heterotrofe organismen). (bron: GR, 1989. / Aquo) <br/>
<br/>
Voeding (meestal verstaat met hieronder de voeding van primaire producenten (algen, planten) met nutriënten als stikstof, fosfor of silicium). (bron: DIV) +
Binnen de trofie is er een schaalverdeling.
Vaak wordt de trofiegraad samen met de saprobie (de hoeveelheid afbreekbaar organische stof) gebruikt voor de beoordeling van een water-ecosysteem.
Voor zoet oppervlaktewater is er een indeling in enkele categorieën voor de voedselrijdom in oligotroof, mesotroof, eutroof en hypertroof water.
* Oligotroof oppervlaktewater bevat weinig voedingsstoffen (nutriënten) en er zal weinig plantengroei en algengroei plaatsvinden. Het water is helder en na de zomer is de verzadiging met zuurstof 70%.
* Mesotroof oppervlaktewater bevat meer nutriënten dan oligotroof water. Het water is nog steeds helder. In het water groeit echter wel fytoplankton. Na de zomer is de verzadiging met zuurstof 30 tot 70%.
* Eutroof oppervlaktewater is rijk aan nutriënten, bijvoorbeeld fosfaten. Hierdoor kan fytoplankton zich sterker vermeerderen. De transparantie van het water neemt hierdoor af. In het hypolimnion van het water bevindt zich nauwelijks zuurstof. Het epilimnion is oververzadigd met zuurstof door de fotosynthese van de algen en waterplanten.
* In hypertroof (of polytroof) oppervlaktewater is in de zomer door de algengroei de zuurstofvoorraad grotendeels verbruikt. Door het lage zuurstofgehalte treedt er vaak vissterfte op. +
(bron: Aquo / DIV) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De troposfeer is de onderste laag van de dampkring en bevat ongeveer 80% van de totale massa aan lucht. De meeste meteorologische verschijnselen vinden in dit deel van de atmosfeer plaats.
De troposfeer reikt boven tropische gebieden tot een hoogte van 16 tot 18 km. Boven de polen gaat hij na slechts 6 km via de tropopauze over in de stratosfeer.
De term troposfeer is afgeleid van het Griekse woord "tropos", dat staat voor bewegen of mengen. Deze regio, die constant in beweging is, heeft de hoogste dichtheid. De troposfeer bestaat voornamelijk uit stikstofgas en zuurstofgas en wordt onderscheiden door twee verschillende luchtlagen. Onmiddellijk boven het aardoppervlak bevindt zich de planetaire grenslaag (Engels: planetary boundary layer), pas daarboven begint de zogenoemde vrije atmosfeer. In de planetaire grenslaag ontstaan specifieke meteorologische verschijnselen door atmosferische wrijving met het aardoppervlak. De luchtstromen in deze onderste laag van de troposfeer wijken daardoor sterk af van de veel meer in geostrofisch evenwicht heersende stroming die zich daarboven bevindt.
Het verschil in luchttemperatuur in deze laag is groot in vergelijking met de andere lagen. Op zeeniveau ongeveer 17 °C tot −52 °C bij het begin van de tropopauze. De oorzaak van dat temperatuurverloop is het broeikaseffect. De aarde zendt aardse straling uit. Terwijl de inkomende zonnestraling een korte golflengte heeft, is de uitgaande aardse straling langgolfig (infrarood). Dit komt doordat de temperatuur van de aarde lager is dan die van de zon. De atmosfeer absorbeert langgolvige straling beter dan kortgolvige, zodat de opwarming van de atmosfeer vooral via het aardoppervlak plaatsvindt. Van de uitgaande straling wordt 82% geabsorbeerd door de broeikasgassen in de atmosfeer. Daardoor is de gemiddelde temperatuur op aarde niet −18°C, maar 15°C.
Hoe hoger in de atmosfeer, hoe minder van die straling doordringt en geabsorbeerd kan worden en dus hoe kouder. De verticale temperatuurgradiënt in de troposfeer neemt gemiddeld 6,5 °C per km af. Er komen echter tropopauzebreuken voor met een ander temperatuurverloop. Dit is het geval bij de straalstromen. In de tropopauze stijgt of daalt de temperatuur nauwelijks. Dit is de scheidslijn met de stratosfeer. Hier neemt de temperatuur toe met de hoogte.
In de troposfeer is er een relatief hoog waterdampgehalte. Vrijwel alle waterdamp in de atmosfeer bevindt zich in deze onderste laag. Daardoor komt vooral in deze laag bewolking en neerslag voor. Door het hoge waterdampgehalte is er veel turbulentie en door de veelvuldige instabiliteit van de troposfeer is er veel convectie. Er is daardoor een sterke menging, zodat de lucht geen kans krijgt om zich te scheiden in de zwaardere en lichtere bestanddelen. Daarmee is de troposfeer het onderste deel van de homosfeer. (bron: Wikipedia)
Een true ortho foto kan alleen gemaakt worden indien er met een overlap van 80%-60% wordt gevlogen.
In tegenstelling tot het truepixeelproduct bevat de true otho geen gaten.
True Orthofoto.
De True Orthofoto wordt opgenomen met een hoge voorwaartse en zijwaartse overlap. Deze extra opgenomen data wordt vervolgens door specifieke camera-software zodanig bewerkt dat een eindproduct ontstaat waarbij de omvalling 0% bedraagt. Kort uitgelegd gaat dit als volgt: als een gebouw rechtop wordt gezet, dan ontstaat er achter het gebouw een gat waar, als het met 1 foto wordt gedaan, geen data beschikbaar is. De data was immers verscholen achter het gebouw. Dit is bij een hoog gebouw een groot gat maar ook bij kleine gebouwen is invulling nodig. Dit is de reden dat we vliegen met een hogere overlap; hierdoor kan de software data uit naastliggende foto's gebruiken om alles in te vullen. Dit werkt alleen als de inpassing zeer accuraat is.
Inpassing en nauwkeurigheid.
Een nauwkeurige inpassing wordt mogelijk gemaakt door een intensieve aero-triangulatie, gecombineerd met paspunten en INS- en GPS data. Het resultaat bestaat uit een hoge absolute en relatieve nauwkeurigheid, waardoor de luchtfoto met hoge precisie kan worden ingezet voor veel gebruiksdoeleinden en processen. De nauwkeurigheid is gelijk of beter dan 2 pixels. Bij een 5cm resolutie houdt dit een maximale onnauwkeurigheid in van 10cm.
Gebruiksdoeleinden
Om bovengenoemde redenen is het ECW product tevens geschikt en voldoet het aan de eisen om in te zetten voor kartering.Karteren met behulp van het ecw product is nu zeer goed mogelijk: door het ontbreken van de omvalling in de ecw ontstaat er een optimaal overzicht voor processen als karteren.
Hoogtemodel
Bij de True-Orthofoto wordt een hoogtemodel gegenereerd uit de luchtfoto's zelf, bovendien met een hogere dichtheid dan het AHN hoogtemodel. Deze zogenaamde "dense pointcloud" wordt vervolgens gebruikt om de orthofoto te corrigeren. Op deze manier wordt niet alleen op maaiveld gecorrigeerd maar ook objecten boven het maaiveld zoals gebouwen worden gecorrigeerd zodat iedere pixel op de juiste locatie ligt. Verticaal gezien ligt de dakgoot van een gebouw perfect recht boven de voet van het gebouw en dat is ook wat in de True Orthofoto het geval zal zijn. De omvalling in de ECW prodcuten bedraagt 0%.
Een bijkomend voordeel van het gebruik van het uit de foto's gegenereerde hoogtemodel, is dat dit exact past bij het moment van de opname. Bij het AHN is het mogelijk dat er wijzigingen in het landschap zijn geweest die wel op de nieuwe luchtfoto staan maar niet in het AHN omdat dit enkele jaren oud is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan wijzigingen aan infrastructuur of een nieuwbouwwijk etc. Overal waar hoogtes zijn aangepast na de inwindatum van het AHN, is dat bestand niet correct en als het AHN wordt gebruikt voor correctie dan zal de orthofoto ook niet correct zijn. Dit is waar het verschil tussen de orthofoto en stereofoto belangrijk is, voor kartering wordt uiteraard gebruik gemaakt van de stereofoto's en daar is geen hoogtemodel op toegepast en de kartering is daarmee onafhankelijk. De karteerder maakt ook uit de foto's zelf een hoogtecorrectie voordat de karteer werkzaamheden worden gestart.
Bestandsformaat en gebruikssoftware
True Orthofoto wordt net als de standaard Orthofoto geleverd als Stereofoto (.jpg) Geotiff (.tiff) en ECW (.ecw). Hierbij zijn ook diverse variaties mogelijk, zoals levering van .jp2000 i.p.v. .ecw en de levering van Nabij InraRood (NIR) beelden in diverse outputs.
Dit betekent dat de foto geen perspectiefvervorming heeft, wat voorkomt bij traditionele ortho luchtfoto's. Hierdoor is een true pixel luchtfoto ideaal voor nauwkeurige kartering, zoals voor de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en het beheerregister. (bron: waterschap Hunze en Aa's) +
(Bron: BOKWA / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een tunnel is een kunstmatig aangelegde onderdoorgang om tussen twee punten transport, passage of communicatie mogelijk te maken. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk onder een of meerdere wegen, spoorwegen, waterwegen en/of andere hindernissen, als ondergrondse doorgang voor verkeer, leidingen of dieren. (bron: CROW 156) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk onder een of meerdere wegen, spoorwegen, waterwegen en/of andere hindernissen, als ondergrondse doorgang voor verkeer, leidingen of dieren. (bron: RTD 1001) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk onder een of meerdere wegen, spoorwegen, waterwegen en/of andere hindernissen, als ondergrondse doorgang voor verkeer, leidingen of dieren. (bron: Stelsel RWS Basisspecificaties) <br/>
<br/>
Kokervormig kunstwerk waarmee een weg, spoorweg, waterweg of leiding door een hindernis of daar onderdoor wordt geleid. (bron: Digitaal Topografisch Bestand) <br/>
<br/>
Kunstmatig aangelegde geboorde, afgezonken of in het droge gebouwde koker of buisvormige gang onder maaiveldniveau, dat aan beide zijdes is voorzien van een open bakconstructie, met als doel om spoor- en/ of wegverkeer tussen twee punten over een grote afstand mogelijk te maken. (bron: NPR 4768) <br/>
<br/>
Kunstmatig aangelegde, koker- of buisvormige gang(gen) onder maaiveld aan beide einden voorzien van een open bakconstructie (geboord, afgezonken of in de droge gebouwd). (bron: Netwerkwerkmanagement Informatiesysteem (NIS) - Definities)
altDef: Kunstmatig aangelegde, koker- of buisvormige gang onder maaiveld. (bron: OBR Kunstwerken droog zonder kosten) <br/>
<br/>
Ondergrondse of onder water gelegen civiel-bouwkundige constructie, die onderdeel is van een (auto-, spoor- of water)weg bij kruising met een andere weg of een terreinverdieping waarbij aan beide zijden grond en/of (grond)water moet worden gekeerd en/of een overdekt gedeelde van meer dan 80 m ontstaat voor de onderdoorgaande weg. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) (bron: ABDL)
Typische voorbeelden van een turbopomp zijn de centrifugaalpomp en de pomp met axiale rotor. Turbopompen hebben typisch hoge debieten, maar lage opvoerdrukken (althans in vergelijking met zuigerpompen). De opvoerdruk is in tegenstelling tot zuigerpompen niet enkel beperkt door sterkte overwegingen, ze kan nooit groter worden dan de Eulerse opvoerdruk.
De aanduiding turbopomp wordt ook wel gebruikt voor een turbomoleculaire pomp. Deze pomp wordt gebruikt om een hoog of 'ultrahoog' vacuüm (minder dan 10−7 Pa) te bereiken. Bij zulke lage drukken werkt de gewone vloeistofdynamica niet meer, en is een beschrijving in termen van afzonderlijke gasmoleculen nodig. De turbomoleculaire pomp werkt dan ook simpel gezegd door met de schoepen deze moleculen van de ingang naar de uitgang van de pomp te 'slaan'. (bron: Wikipedia) +
(bron: CHO (503), aangepast / Aquo) <br/>
<br/>
Turbulente stroming is een stroming die zich niet gelaagd, maar in wervels verplaatst. Er vindt veel stroming loodrecht op de hoofdstroom plaats. De tegenpool van turbulente stroming is laminaire stroming.
Turbulente stroming vindt plaats bij hogere stroomsnelheden. Wordt de snelheid kleiner, dan kan het type stroming omslaan naar laminair. Het moment waarop turbulente stroming overgaat in laminaire en andersom, wordt gekarakteriseerd door het reynoldsgetal. Het reynoldsgetal hangt niet alleen af van de snelheid, maar ook van de viscositeit. In viskeuze media zoals olie is de stroming daarom bij veel hogere snelheden nog laminair dan in bijvoorbeeld water. Turbulente stroming heeft een reynoldsgetal van meer dan circa 3500. Overigens is dit geen harde grens. Door zeer voorzichtig de snelheid te verhogen in een zeer gladde geometrie lukt het soms om ook bij hogere reynoldsgetallen nog laminaire stroming te krijgen. Andersom kan bij nog hogere snelheden of ongunstige vormen loslating van de grenslaag optreden, wat veelal een verdere vergroting van de luchtweerstand of stromingsweerstand oplevert.
In het algemeen is de stromingsweerstand voor turbulente stroming groter dan voor laminaire stroming. Door de aanwezigheid van wervels is de menging in een turbulente stroming veel sterker dan in een laminaire stroming. (bron: Wikipedia) +
(bron: CHO (503), aangepast / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Turbulente stroming is een stroming die zich niet gelaagd, maar in wervels verplaatst. Er vindt veel stroming loodrecht op de hoofdstroom plaats. De tegenpool van turbulente stroming is laminaire stroming.
Turbulente stroming vindt plaats bij hogere stroomsnelheden. Wordt de snelheid kleiner, dan kan het type stroming omslaan naar laminair. Het moment waarop turbulente stroming overgaat in laminaire en andersom, wordt gekarakteriseerd door het reynoldsgetal. Het reynoldsgetal hangt niet alleen af van de snelheid, maar ook van de viscositeit. In viskeuze media zoals olie is de stroming daarom bij veel hogere snelheden nog laminair dan in bijvoorbeeld water. Turbulente stroming heeft een reynoldsgetal van meer dan circa 3500. Overigens is dit geen harde grens. Door zeer voorzichtig de snelheid te verhogen in een zeer gladde geometrie lukt het soms om ook bij hogere reynoldsgetallen nog laminaire stroming te krijgen. Andersom kan bij nog hogere snelheden of ongunstige vormen loslating van de grenslaag optreden, wat veelal een verdere vergroting van de luchtweerstand of stromingsweerstand oplevert.
In het algemeen is de stromingsweerstand voor turbulente stroming groter dan voor laminaire stroming. Door de aanwezigheid van wervels is de menging in een turbulente stroming veel sterker dan in een laminaire stroming. (bron: Wikipedia) +
Civiel werk waarin de tussengemaalpompen of tussengemaalvijzels zijn opgesteld. +
Deze term wordt uitsluitend in het kader van het bouwstoffenbeleid gebezigd. (bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo / DIV) +
Waterdiepte, de vorm van de kust en de uitmonding van rivieren kunnen invloed hebben op het gedrag van het getij. De astronomische getijcyclus van 12 uur en 25 minuten blijft hetzelfde, maar op sommige plekken kan het door deze invloeden 2 keer zo lang eb of vloed zijn. Zo is er in Hoek van Holland sprake van een dubbel laagwater bij springtij en komen in Den Helder dubbele hoogwaters voor. (bron: RWS / Aquo) +
(bron: Aquo) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
u
Stroken land langs een rivier tussen de zomer en de winterdijk. Het zijn buitendijkse gronden die in de winter, bij aanvoer van veel regenwater, onder water staan. In de zomer worden ze meestal voor beweiding gebruikt. (bron: CHO(323) / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Uiterwaarden (ook: uiterwaarde en uiterdijk) zijn gronden die gelegen zijn tussen een winterdijk en de bedding van een beek of rivier. De primaire functie van de uiterwaard is waterhuishoudkundig. Het is de ruimte die de rivier nodig heeft om tijdelijke piekafvoeren aan te kunnen. In perioden van grote waterafvoer lopen de uiterwaarden tot aan de winterdijken onder water. Gebieden in de winterbedding die een deel van het jaar onder water staan worden broeken genoemd. In Vlaanderen worden uiterwaarden beemden of meersen genoemd. <br/>
Uiterwaarden zijn buitendijkse gronden. Ze ontstonden na bedijking van de rivieren in de middeleeuwen. Geulen binnen de uiterwaarden heten strang of hank. Door de uiterwaarden aan de rivierzijde van een (lage) zomerdijk te voorzien wordt de frequentie van overstromen beperkt. Dit is vooral belangrijk ten behoeve van het gebruik als weide voor vee. Incidentele bevloeiing in de wintermaanden werd vroeger door de boeren verwelkomd omdat sedimentering de vruchtbaarheid van de grond bevorderde. Soms zijn in uiterwaarden op pollen of terpen boerenbedrijven gebouwd. Ook steenfabrieken vestigden zich er vaak, ze dolven er de benodigde klei. (bron: Wikipedia) +
Opening waardoor water stroomt of onttrokken wordt aan een reservoir of oppervlaktewaterlichaam. (https://content.omgevingswet.overheid.nl/doc/concept/Uitlaat) +
([NEN-EN 752:2008] , [EN 1085:2007, definitie 1280]) <br/>
De constructie waar uitstroming van water uit een leiding naar het oppervlaktewater mogelijk is.
[NEN 3300:1996] Constructie waar uitstroming van afvalwater uit het in beschouwing genomen rioolstelsel naar het oppervlaktewater mogelijk is. +
(bron: NPR 4768) <br/>
<br/>
Constructiedeel van een riolering, bedoeld om hemelwater en/of afvalwater uit te laten (lozen). (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) +
Er zijn twee vormen van uitlekken, bewust en onbewust.
Onbewust lekken. <br/>
* Deze zijn spontaan, onbedoeld en vaak het gevolg van onoplettendheid. Een journalist treft nieuws aan op een vastgelopen pagina die in een kopieerapparaat is blijven steken, ontvangt fout geadresseerde post of krijgt een e-mail of sms die voor derden bestemd is. Het kan ook gaan om hoorbaar telefoneren in de trein of om een medewerker die zich verspreekt. Krijgt een journalist langs deze weg een fragment te pakken, dan kan hij of zij via sociale netwerken, reconstructie, door het combineren van informatiesnippers en via bluffen proberen meer details te pakken krijgen. De norm in de journalistiek is dat er zo mogelijk een tweede bron is die de juistheid van een feit bevestigt. Soms wordt een nieuwsfeit toegeschreven aan een lek maar dat is dan om de journalistieke primeur meer aanzien te geven terwijl de informatie gewoon opvraagbaar was.
Bewust lekken <br/>
Hierbij speelt een strategische of tactische opzet. Bewuste lekken zijn te onderscheiden naar het belang dat de lekker dient:
* Het persoonlijk belang: de tipgever strijkt met zijn onthulling geld of ander profijt op, ervaart statusverhoging of een andere vorm van waardering of probeert er goodwill mee op te bouwen bij een journalist. Een advocaat die lekt uit een strafdossier zal dat doen in het belang van diens cliënt. Ook emoties zoals wrok en rancune kunnen een persoonlijk motief zijn om via het lekken reputatieschade teweeg te brengen, ontwrichting te veroorzaken of om iemand in publieke verlegenheid te brengen. Speelt persoonlijke genoegdoening geen rol maar wel een (vermeend) hoger belang, dan is een van de navolgende belangen in het geding.
* Een organisatie- of beleidsbelang: de lekker gebruikt het lekken manipulatief om er een organisatiebelang mee te dienen. Een aantal voorbeelden. Hij of zij poogt er een aandachtsconcurrent mee in diskrediet te brengen of wil met ontijdige publieke aandacht andermans plannen in de kiem smoren. Dit laatste wordt in de politiek ook wel een afschietlek genoemd. Het verleggen of afleiden van de publieke aandacht kan eveneens gezien worden als een strategisch of tactisch doel van lekken. Het kan verder ook gaan om het oplaten van een proefballon om politieke reacties of het maatschappelijke draagvlak voor een ingreep te peilen. Deze vorm van lekken kan al dan niet geautoriseerd zijn door de organisatieleiding.
* Het publieke belang: een klokkenluider stelt misstanden zoals onrecht, fraude en niet-integer gedrag aan de kaak of onthult waardevolle feiten die dreigen te worden gewist. Een klokkenluider opereert niet per definitie op anonieme basis, soms wordt echter pas na jaren bekend wie het was. Deep Throat onthulde zijn identiteit toen hij 91 was, ruim 30 jaar na het Watergateschandaal. Klokkenluiders beroepen zich menigmaal op het belang van de democratische rechtsstaat. <br/>
Als iemand informatie onderbrengt bij een journalist voor het geval er iets met de ‘lekker’ zou gebeuren kan dit zowel het persoonlijke als het publieke belang dienen. (bron: Wikipedia)
Kan worden uitgedrukt als hoeveelheid van een stof per gewichtseenheid of per gewichtseenheid of per oppervlakte-eenheid. Bijvoorbeeld het (natuurlijk) proces waarbij de in duinzand aanwezige kalk (calciumcarbonaat) onder invloed van regen in oplossing gaat en naar dieper gelegen lagen verdwijnt. (bron: Checklist materialenmilieu, Rijkswaterstaat, H.P. Versteeg, P.P.M. van de Helm, J.W. Broers, 1996 / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Uitlogen is een proces waarbij mineralen uit een vaste substantie worden onttrokken door middel van oplossing in een vloeistof. Het kan zowel een natuurlijk als industrieel proces zijn. In het laatste geval wordt ook wel van extractie gesproken. Hoewel fysisch-chemisch het effect van uitlogen en extractie exact gelijk is, wordt de term uitlogen doorgaans gebruikt als de nadruk ligt op de substantie die achterblijft, terwijl extractie wordt gebruikt als de nadruk op de opgeloste component ligt.
Uitlogen wordt in een groot aantal industriële processen toegepast. Voorbeelden zijn de onttrekking van metalen uit erts met het gebruik van zuren of de onttrekking van suiker uit suikerbieten met behulp van heet water. Normaal gesproken bestaat de vaste substantie die wordt uitgeloogd uit de inerte onoplosbare drager A en het oplosbare B, dat onttrokken wordt. Het oplosmiddel C wordt toegevoegd om B op te lossen. Het proces produceert C met daarin opgelost B, terwijl er een mengsel van A met ditzelfde oplosmiddel achterblijft. In het ideale geval wordt B geheel opgelost en blijft A geheel inert.
Bij het logen van hout (met name eiken) wordt het natuurlijke, houtbeschermende looizuur met een daartoe geëigend middel (oxaalzuur of natronloog) aan het hout onttrokken, waarbij het hout van kleur verandert ('verweert'). Door oude meubels in een loogbad onder te dompelen, kunnen ze bovendien van hun verf-, lak- en beitslagen worden ontdaan. Nieuwe meubels werden vroeger vaak gebeitst om de kleur van dit geloogde hout na te bootsen.
Vroeger werd kaliumcarbonaat (het hoofdbestanddeel van potas) gewonnen door het uitlogen van houtas en indamping van de resulterende oplossing in een grote, ijzeren pot.
In de bodemkunde is uitlogen het verdwijnen van bepaalde mineralen en oplosbare organische stoffen uit de top van een bodem als gevolg van de percolatie van grondwater. Het speelt een belangrijke rol bij bodemvorming.
In de geologie speelt uitlogen een rol bij de diagenese van gesteenten. Bepaalde mineralen lossen bij dit uitlogen in grondwater op, waardoor holtes (poriën) in het gesteente ontstaan. In extreme gevallen kan het gesteente ook geheel oplossen, zoals het geval is bij karstvorming.
Een gevolg van het uitlogingsproces van zanden en kleien kan zijn dat de daarin aanwezige kalkige fossielen, zoals schelpen en foraminiferen, oplossen waardoor het lijkt alsof de betreffende sedimenten fossielloos zijn. Dit kan verwarring opleveren met vergelijkbare sedimenten die nooit fossielen hebben bevat. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Uitlogen is het langzaam oplossen in lucht of in water van stoffen die in vaste vorm gebonden zijn in (bouw)materialen. Voorbeelden zijn het uitlogen van metalen als lood, koper en zink van lantaarnpalen (foto) en dakgoten, het uitlogen van zouten uit verduurzaamd hout of van siliconen en olie uit afdichtingsmateriaal.
Uitloging hangt ook af van de permeabiliteit van de constructie: materialen waar water gemakkelijker in kan doordringen, zullen meestal eerder uitlogen.
Bouwmaterialen en afvalstoffen hebben soms de eigenschap dat ze uitlogen met als mogelijk gevolg dat er ongewenste stoffen in de bodem en in het oppervlaktewater en grondwater terecht komen. Hierover zijn echter nog weinig gegevens beschikbaar, maar er kunnen uitloogkarakteristieken worden bepaald en uitloogproeven worden verricht, waarbij bijvoorbeeld het materiaal een bepaalde tijd in aangezuurd water wordt gebracht, de zogenoemde diffusieproef en voor kleinkorrelige materialen de kolomproef. De resultaten van deze proeven geven de hoeveelheid van elke component die maximaal kan uitlogen. Daarnaast kan uit de meetgegevens het zuurneutraliserend vermogen van het materiaal berekend worden.
Met betrekking tot verontreinigde grond: door het toevoegen van de juiste verhouding additief en cement kan het geproduceerde immobilisaat niet meer uitlogen of eroderen.
Het uitlogen kan ook plaatsvinden onder invloed van meer extreme omstandigheden of door het toevoegen van een loog. Bijvoorbeeld beton van een vloer van een boerenstal wordt uitgeloogd door de voor beton agressieve stoffen die in de mest zitten.
De term "loog", oorspronkelijk een oplossing van soda, is het Middelnederlands al bekend als "zuiverend vocht". De term is o.m. verwant met het Latijnse lavare (wassen), het Griekse louein (wassen) en het Armeense loganam (wassen). De huidige betekenis is voortgekomen uit een oudere betekenis "wasmiddel". In het Scandinavisch heeft lögerdag (wasdag, baddag) zich ontwikkeld tot lördag (zaterdag). Bron Etymologiebank. (bron: Joost de Vree)
Deze term wordt uitsluitend in het kader van het bouwstoffenbeleid gebezigd. (bron: Themagroep: Waterkwaliteit / Aquo / DIV) +
(bron: CHO (543) / Aquo / DIV) +
(bron: Conditiemeting - Definities en foto's van decompositie en gebreken, code: 2060) <br/>
<br/>
Constructiedeel behorend bij een uitlaatvoorziening ter voorkoming van uitspoeling van grond. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL), code: OBI0269) <br/>
<br/>
Constructie ter plaatse van een riooluitlaat of -overstort, meestal van beton of metselwerk, om uitspoeling van het talud, het onderwatertalud en de bodem van een sloot of greppel te voorkomen. (bron: Nomenclatuur van weg en verkeer) +
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw) +
Om overtollig water, veroorzaakt door onder ander neerslag en kwel, af te voeren worden de deuren van de uitwateringssluis geopend zodra het buitenwaterpeil lager is dan het binnenwaterpeil. Het water stroomt dan onder vrij verval. Als het binnen- en buitenwaterpeil gelijk zijn, wordt de uitwateringssluis weer gesloten. Scheepvaart door deze sluis is niet mogelijk daarom passeert scheepvaart via de naastgelegen schutsluis.
(Bron: Aquo / naar NEN2767-4). <br/>
<br/>
Een uitwateringssluis is een kleine, zelfwerkende constructie (meestal met valkleppen) waarmee water passief kan afstromen naar lager gelegen buitenwater. De kleppen openen automatisch bij laag buitenwater en sluiten bij hoogwater. Het kunstwerk is bedoeld voor eenvoudige afwatering van polders of sloten en heeft geen actieve bediening.
Waarom dit géén spuisluis is:
* Een spuisluis is actief bediend, een uitwateringssluis zelfwerkend.
* Een spuisluis is ontworpen voor grote debieten, een uitwateringssluis voor kleine.
* Een spuisluis is onderdeel van gereguleerd waterbeheer, een uitwateringssluis van passieve afwatering. <br/>
<br/>
Waarom dit géén keersluis is: <br/>
* Een keersluis staat normaal open, een uitwateringssluis normaal dicht bij hoogwater.
* Een keersluis is ontworpen voor waterveiligheid, een uitwateringssluis voor afwatering.
* Een keersluis heeft grote deuren, een uitwateringssluis kleppen. <br/>
<br/>
Aquo relatie <br/>
Aquo gebruikt uitwateringssluis als verzamelterm voor kunstwerken die water afvoeren en buitenwater keren. In de praktijk wordt de term gebruikt voor zelfwerkende klepconstructies. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
<br/>
Een suatiesluis is een spuisluis waarbij de waterdruk aan weerszijden bepaalt of de klep open of dicht staat. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een uitwaeringssluis is een sluis voor het afvoeren van overtollig water. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Een beweegbare waterkering dat wordt ingezet om overtollig binnenwater te spuien en buitenwater te keren. <br/>
Grote delen van ons land bevinden zich beneden het gemiddelde peil van de zee. Om het teveel aan water, ontstaan door neerslag en kwel naar zee af te voeren worden de deuren van de uitwateringssluis geopend zodra het buiten peil lager is als het peil van de boezem en stoomt het water onder vrij verval naar zee. Zodra het binnen- en buitenwaterpeil gelijk is wordt de uitwateringssluis weer gesloten. De scheepvaart passeert de uitwateringssluis via de naastgelegen schutsluis. (bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een spuisluis, ook wel keersluis, uitwateringssluis, suatiesluis of zijl genoemd, is een sluis bedoeld om binnenwater te spuien en buitenwater te keren. Vandaar dat het ook wel keersluis wordt genoemd. <br/>
De naam is afgeleid van Middelnederlands spoye dat 'sluis', 'sluiskolk', 'sluiskom' of 'sluisbekken' betekent. Het is verwant aan het woord spugen. (bron: Wikipedia). <br/>
<br/>
Een uitwateringssluis of suatiesluis is een duiker met een beweegbare waterkering. Via deze sluis is dus geen scheepvaartverkeer mogelijk.
Men onderscheidt de volgende 3 soorten uitwateringssluizen:
* geheel zelfwerkende keersluis met 1 of meer deuren
* niet zelfwerkende keersluis, uitgerust met een schuif
* open uitwateringssluis <br/>
<br/>
Grote delen van ons land bevinden zich beneden het gemiddelde peil van de zee. Om nu het teveel aan water, ontstaan door neerslag en kwel, naar open water (zee of benedenrivieren) te kunnen afvoeren, bouwt men uitwateringssluizen of suatiesluizen. Soms kan het water direct op zee geloosd worden. In laag gelegen gebieden (polders en droogmakerijen) vindt de lozing van het overtollige water plaats via een boezem. (bron: PBNA Waterbouwkunde) <br/>
* unsigned 8 bit heeft een bereik van 10000000 tot 11111111 --> 0 t/m 255 (256 posities)
* signed 8 bit loopt echter van -128 tot +127 (ook 256 posities)
[[Bestand:(un)signed bit.gif]]
"Unsigned" maakt geen onderscheid tussen positieve en negatieve waarden. Een ondertekende / niet-ondertekende variabele kan verwijzen naar elk numeriek gegevenstype (zoals binair, geheel getal, zwevend, enz.). Elk gegevenstype kan verder worden gedefinieerd als ondertekend of niet ondertekend.
Een 8-bits ondertekend binair bestand kan bijvoorbeeld waarden van 0-127 bevatten, zowel positief als negatief (1 bit wordt gebruikt voor het teken en 7 bits voor de waarde), terwijl een niet-ondertekend binair 8-bits waarden van 0- kan bevatten 255 (niets maakt uit of de waarde al dan niet als positief of negatief moet worden beschouwd, hoewel algemeen wordt aangenomen dat deze positief is).
+
Twee van de belangrijkste methoden die worden gebruikt bij onbewaakt leren zijn hoofdcomponent- en clusteranalyse . Clusteranalyse wordt gebruikt bij het zonder toezicht leren om datasets met gedeelde attributen te groeperen of te segmenteren om algoritmische relaties te extrapoleren. Clusteranalyse is een tak van machine learning die de gegevens groepeert die niet zijn gelabeld , geclassificeerd of gecategoriseerd. In plaats van te reageren op feedback, identificeert clusteranalyse overeenkomsten in de gegevens en reageert op basis van de aanwezigheid of afwezigheid van dergelijke overeenkomsten in elk nieuw stuk gegevens. Deze aanpak helpt bij het detecteren van afwijkende gegevenspunten die niet in een van beide groepen passen.
Een centrale toepassing van leren zonder toezicht ligt op het gebied van dichtheidsschatting in de statistiek, hoewel leren zonder toezicht veel andere domeinen omvat, waarbij gegevenskenmerken worden samengevat en verklaard. +
Bron: INSPIRE Register. +
Een zijde kan men lopend in één uur afleggen. (bron: Atlas van Nederlandse Dagvlinders / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een uurhok is in Nederland een vierkant gebied van 5 × 5 km, gekenmerkt door de coördinaten van de zuidwestelijke hoek, opgegeven in Rijksdriehoekscoördinaten (Amersfoortcoördinaten).
Uurhokken en de kleinere maar analoog gedefinieerde kilometerhokken worden gebruikt voor het in kaart brengen van de biodiversiteit van een gebied en voor het maken van verspreidingskaarten van dier- en plantensoorten. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo / DIV) +
v
(bron: Scheepvaartverkeerswet / ABDL) <br/>
<br/>
Een vaarbewijs of stuurbrevet (België) is een bewijs van het met goed gevolg afleggen van een examen, waarin de theoretische bekwaamheid voor het varen met een schip werd getest. Alleen voor het beperkt groot vaarbewijs is een praktijkproef verplicht, voor de andere vaarbewijzen zegt het niets over de feitelijke bekwaamheid om een schip te besturen. Het vaarbewijs werd op 1 april 1992 in kader van de verbetering van de veiligheid op het water in Nederland verplicht gesteld aan bestuurders van schepen. Een vaarbewijs kan worden aangevraagd door personen vanaf 18 jaar. Het examen ervoor kan al eerder afgelegd worden.
De verantwoordelijke schipper of kapitein van een binnenschip, de gezagvoerder, moet in Nederlandse wateren in het bezit zijn van een vaarbewijs om met dat schip op de binnenwateren te mogen varen. In plaats daarvan mag de gezagvoerder ook een vergelijkbaar Rijnpatent gebruiken. Het patent is namelijk gelijkgesteld aan het vaarbewijs met als vaargebied Alle Binnenwateren.
Voor vaarbewijzen of bewijzen van kennis en bekwaamheid die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in het buitenland geldt ook een vrijstelling van het vaarbewijs. Bezitters van een Duits, Fins, Frans, Oostenrijks vaarbewijs of een Belgisch stuurbrevet zijn in Nederland vrijgesteld van het bezit van een Nederlands vaarbewijs. De vrijstellingen zijn geregeld in Internationale afspraken en/of in de Binnenschepenwet, artikel 17, onder g. Aan bezitters van een dergelijk erkend diploma en/of vaarbewijs wordt geen Nederlands Vaarbewijs afgegeven. (bron: Wikipedia) +
Op de kaart is de volgende informatie te vinden:
• vaarweginformatie, inclusief brug- en sluisbedieningsinformatie en actuele scheepvaartberichten;
• informatie over zelfbedieningssleutels en uitgiftepunten daarvan +
We onderscheiden onder andere de droge vaart, de natte vaart en de wilde vaart. (Bron: Wijk, J van der, Taal van het Water) +
Zeilschepen, motorschepen, sloepen, kano's, roeiboten, vlotten, windsurfplanken en andere drijvende zaken waarmee gevaren kan worden.
Voer/vaartuig bestemd voor het verkeer over waterwegen. (bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL)) +
Tussen hoofd- en zijvaarwegen wordt geen onderscheid gemaakt.
(Bron: AVV/ Aquo / DIV) <br/>
Een vaarweg of waterweg is een water dat kan worden bevaren. Dit kan een rivier of kanaal zijn of een aangelegde geul in een verder ondiep water.
Zeeën en diepe meren zijn ook vaarwegen, al worden ze in het algemeen niet zo genoemd.
Een bijzonder geval is een vaarweg die niet tot de oppervlakte komt, en waar dus alleen een onderzeeboot kan varen, bijvoorbeeld onder ijs en in een watergrot.
Als het gaat om een weg van het water zelf in plaats van water dat dient als weg om te varen dan spreekt men van een watergang. Het een sluit het ander niet uit.
Het Nederlands vaarwegennet beslaat ongeveer 5046 km. De hoofdtransportassen en hoofdvaarwegen (beheerd door het rijk) zijn samen circa 1400 km lang. De overige vaarwegen hebben een gezamenlijke lengte van ongeveer 3400 km, en zijn in beheer door de regionale overheden.
Vaarwegen worden in Nederland ook onderverdeeld in verschillende klassen, al naargelang van het gebruik.
* vaarwegen type A: voor de grote beroepsvaart
* vaarwegen type B: voor de kleine beroepvaart
* vaarwegen type C: voor de pleziervaart
* vaarwegen type 0: voor de overige wateren (kano's en dergelijke)
(bron: Wikipedia) +
Vaarwegbeheer is de zorg van de overheid om scheepvaart mogelijk te maken en te houden, overeenkomstig de aan dat water toegekende vaarwegfunctie. Vaarwegbeheer wordt in de Waterwet beschouwd als een van de onderdelen van het watersysteembeheer.
Normen
Als een water de functie heeft gekregen als vaarweg zijn ook de normen vastgesteld waaraan die vaarweg moet voldoen. Bijvoorbeeld normen voor breedte, diepte en zichtlijnen. Voor zichtlijnen nemen gemeenten of andere overheden in de ruimtelijke plannen de ruimtelijke reservering op (AMvB Ruimte). Dit houdt in dat men bepaalde zones langs vaarwegen vrij houden van opstallen. Zodat schepen tijdens het varen vanuit de stuurhut voldoende zicht behouden om veilig gebruik te kunnen maken van die vaarweg. Die zichtlijnen zijn in ieder geval aan de orde bij de vaarwegen, bedoeld voor de beroepsvaart en de grotere recreatievaart.
Bevoegd gezag
Rijk en provincies leggen gebruiksfuncties van het rijkswater en het regionaal water vast in hun waterplannen. Het rijk doet dit voor de rijkswateren in het Nationaal Waterplan. De provincie voor de regionale wateren in het Regionaal Waterplan. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het vaarwegbeheer op de rijkswateren en de provincie voor het vaarwegbeheer op de regionale wateren.
Vaarwegbeheer is een onderdeel van het totale watersysteembeheer dat via de Waterwet wordt gereguleerd. De Provincie is belast met dit specifieke onderdeel van het waterbeheer, de vaarwegfunctie.
Wateren in beheer bij Rijk
Bijlage II van het Waterbesluit (op grond van artikel 3.1 Waterwet) wijst de wateren aan die in beheer zijn bij het Rijk.
Wateren in beheer bij provincie
Bij provinciale verordening (vaak het waterschapsreglement) worden overheden aangewezen die belast zijn met het beheer van de overige watersystemen (regionale wateren) of onderdelen daarvan (artikel 3.2 Waterwet). De provincie neemt daarbij artikel 2, tweede lid Waterschapswet in acht (het decentralisatiebeginsel). Dit houdt in: toekenning waterbeheertaken aan het waterschap, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging in het betreffende gebied. Dat laatste is aan de orde bij het regionale vaar- en havenbeheer.
De provincie kan het vaarwegbeheer over de regionale wateren zelf (blijven) uitoefenen. De provincie kan ook een waterschap aanwijzen of in geval van havens een gemeente.
Nautisch beheer
Het begrip ‘nautisch beheer’ kent geen definitie in de Nederlandse wetgeving. Onder nautisch beheer wordt meestal verstaan: de zorg voor de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer.
Nautisch beheer is iets wezenlijks anders dan vaarwegbeheer. Het vaarwegbeheer is gebaseerd op de Waterwet. Het nautisch beheer is geheel gebaseerd op de Scheepvaartverkeerswet. Het Nautisch Beheer uit zich dan ook in feitelijk geheel andere handelingen dan het vaarwegbeheer. Het vaarwegbeheer zorgt voor een adequate infrastructuur waarover gevaren wordt (door middel van de instrumenten uit de Waterwet). Het nautisch beheer ziet op de wijze waarop die infrastructuur door het scheepvaartverkeer gebruikt wordt. Bijvoorbeeld door het geven van verkeersaanwijzingen, het aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens (‘bebording’) en het handhaven van de verkeersregels voor het scheepvaartverkeer.
Het nautisch beheer (Scheepvaartverkeerswet) wordt verder niet behandeld in het Handboek water.
Voorbeelden: Europees: CEMT-klasse - BPN: vaarwegklassen VW1, VW2 en VW3. 9bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
[NEN 3300:1996] Leiding waardoor afvalwater door onderdruk wordt getransporteerd. +
[NEN 3300:1996] +
Riolering waarbij het transport plaatsvindt door onderdruk . +
De begrenzing van een vak wordt bepaald door bovenstroomse en benedenstroomse knooppunten. De begrenzingen worden zodanig gekozen dat er een vak ontstaat met uniforme kwalificaties en uniforme eigenschappen. Doordat knooppunten zowel de bovenstroomse als de benedenstroomse begrenzing van vakken kunnen vormen, kunnen aldus aaneengesloten vakken (strengen van vakken) worden gedefinieerd. (Bron: Legger info waterkwantiteit, gewijzigd / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Indien er een wijziging optreed in de dimensie van een waterloop (ander talud, sprong in de bodem, bredere bodem, stuw, inlaat, aflaat, gemaal, sluis), dan moet er op deze locatie een nieuw vak worden ingetekend. +
(bron: Aquo / DIV) +
Een dergelijke val bestaat uit een snelle opeenvolging van afschuivingen. (bron: CHO (383b) / Aquo / DIV) +
(bron: Verklarende Hydrologische Woordenlijst, CHO, "Rapporten en nota's" nr.16, 's-Gravenhage, 1986. / Aquo) <br/>
<br/>
Het dalen van de waterspiegel. (bron: DIV) +
Het principe van de valgewichtdeflectiemeter bestaat uit het meten van de doorbuiging van een verharding. Dit gebeurt door middel van een dynamische belasting met een vallend gewicht. Sensoren in direct contact met het oppervlak van de verharding meten de doorbuiging. Per klap op de verharding wordt data verzameld, deze data kan met behulp van software worden uitgelezen. <br/>
<br/>
Door gewicht toe te voegen kan zwaardere wielbelasting worden gesimuleerd, bijvoorbeeld dat van vliegtuigen. <br/>
<br/>
Valgewichtdeflectiemetingen zijn daarom ook geschikt om op vliegvelden toe te passen waar over het algemeen de verhardingen dikker en stijver zijn. <br/>
<br/>
Een valgewichtdeflectiemeting is niet-destructief en volledig automatisch. (Bron: Wegdekmeten.nl) <br/> +
In de praktijk blijft dit beperkt tot de juistheid van de resultaten van een modelberekening. Een voorbeeld hiervan is het doorrekenen (met hetzelfde model) en analyseren van de berekeningsresultaten van een andere (afwijkende) meetperiode dan die waarvoor het model is gekalibreerd. (bron: Aquo)
Een bevestiging dat iets voldoet aan een overeengekomen specificatie.
Validaties kunnen op allerlei soorten objecten worden uitgevoerd. Een veelvoorkomende validatie is een validatie van data. Een dergelijke validatie kan allerlei aspecten van data controleren, zowel technische als inhoudelijke aspecten. (bron: ArchiXL) <br/>
<br/>
Procedure om te controleren of een meetwaarde aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet. (bron: DIV) +
Ook toegepast bij modellen, m.n. m.b.t. de voorspellende waarde. (bron: SAMWAT, Meet-, signalerings- en regelsystemen voor het waterbeheer, werkgroep SAMWAT, 1987 (gewijzigd) / Aquo / DIV) +
In beginsel zonder hinder van andere deeltjes (dus bij voldoend lage concentratie). (bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Een vangbalk kan niet alleen drijfvuil en maaisel afvangen. Een vangbalk helpt mogelijk ook de verspreiding van exoten, zoals waternavel tegen te gaan. (bron: Aquo) +
(bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie (NL)) +
Voorbeelden: aanbrengen van nieuwe asfaltlaag - vervangen kribkop. (bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo) <br/>
<br/>
Variabel onderhoud zijn variabele maatregelen t.b.v. de instandhouding van één of meer functies. Het onderhoud is in de tijd variabel, maar kan ook planbaar zijn. Er kan onderscheid worden gemaakt naar storingsafhankelijk, gebruiksafhankelijk en toestandsafhankelijk onderhoud. De maatregelen betreffen o.a. vervangingen, renovaties, conserveringen en baggerwerkzaamheden. (bron: DIV) +
(Bron: Aquo)
Een variabele is in de wiskunde de aanduiding voor een willekeurig element van een verzameling.
Men zegt wel dat de variabele de verzameling doorloopt, of dat de variabele waarden aanneemt in die verzameling. Een variabele wordt meestal voorgesteld door een letter, maar soms door meer dan één letter uit het alfabet; ook letters uit andere alfabetten worden gebruikt. <br/>
<br/>
Ook buiten een wiskundige context spreekt men over variabelen. In het bijzonder bij onderzoek waarin aan verschillende objecten een (of meer) attribuut of kenmerk dezelfde grootheden gemeten of waargenomen worden. Afhankelijk van de rol die zij spelen in het onderzoek maakt men onderscheid tussen de volgende typen variabelen:
* Onafhankelijke variabelen: Een onafhankelijke variabele veronderstelt een oorzaak of een vraag, voorspelt het veranderen van een afhankelijke variabele.
** Een actieve (of experimentele) onafhankelijke variabele kan gemanipuleerd worden door de onderzoeker om de relatie tussen een aantal variabelen te onderzoeken en verklaren.
** Een passieve onafhankelijke variabele kan niet worden gemanipuleerd, zoals oogkleur, geslacht, leeftijd.
** Covariabelen zijn meetbare onafhankelijke variabelen, die niet gemanipuleerd worden, die eigenlijk constant gehouden zouden moeten worden. In de effecten daarvan op het object is men niet geïnteresseerd. Deze effecten kunnen op statistische manier worden weggerekend.
** Modererende variabele: Een tweede onafhankelijke variabele waarvan wordt verondersteld dat deze een significante bijdrage heeft, die noch uit te sluiten valt, noch volledig vast te stellen valt, op de relatie tussen de onafhankelijke- en afhankelijke variabelen.
* Afhankelijke variabelen of responsvariabelen: De gemeten variabelen, voorspeld of geobserveerd door de onderzoeker, waarvan verwacht wordt dat deze wordt beïnvloed door de onafhankelijke variabele.
* Tussenkomende variabele: Een variabele die de waarneming beïnvloedt, maar niet gezien, gemeten of beïnvloed kan worden. Daardoor kan men afleiden dat het effect van deze variabele beïnvloed wordt door onafhankelijke en modererende variabelen.
(Bron: Wikipedia)
(bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo / DIV) +
(bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo / DIV)
Voorbeeld: het maaien van oevers en bermen. (zie ook het Handboek Vast onderhoud droge infrastructuur). +
Bij een vast peil is het winterpeil gelijk aan het zomerpeil. (Bron: Hunze en Aa's) <br/>
<br/>
Een peil dat niet mag variëren. (Bron: HDSR) +
* Het betreft de draagkrachtige, compacte ondergrond.
* Altijd onder de sliblaag. <br/>
(bron: waterschap Hunze en Aa's)
+
(bron: BOKWA / Aquo) <br/>
<br/>
Vaste verbinding uitgevoerd in beton en/of staal, voor het verkeer tussen twee punten, die door water zijn gescheiden. (bron: DIV) +
Deze voorziening heeft tot doel een waterscheiding te vormen. Een dam kan ook dienen om op een stuk grond (weiland, landbouwgrond, huisperceel) te komen. Een dam is dan vaak voorzien van een duiker. (Bron: Legger info waterkwantiteit / Aquo). <br/>
<br/>
Een voorziening in het water die tot doel heeft een waterscheiding te vormen (bron: DIV) <br/>
<br/>
In het noorden van Nederland worden dammen, met name als deze voorkomen in een watergang, ook wel pendam genoemd. Het woord pennen betekent het vasthouden of tegenhouden van water. Kades langs watergangen worden ook wel penning of pending genoemd. Omdat het woord niet meer als zodanig werd herkend, werd het soms verlengd tot penningsdijk (feitelijk een contaminatie). +
In Nederland is het beleid 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Het regenwater wordt eerst zoveel mogelijk lokaal vast gehouden, dan geborgen in oppervlaktewater of andere bergvoorzieningen, en pas als dit niet mogelijk is, wordt het regenwater afgevoerd.
De drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren is sinds het jaar 2000 de uitwerking van het beleid in Nederland om hemelwater niet direct af te voeren uit een gebied. De afvoer wordt door inzet van deze strategie zoveel mogelijk vertraagd om overlast benedenstrooms te voorkomen en verdroging van het bovenstroomse gebied tegen te gaan.
Het waterbeleid was er van oudsher op gericht om regenwater zo snel mogelijk uit het gebied waar het was gevallen af te voeren. Dit was vooral in het belang van de landbouw. Door verstening, ontbossing en klimaatsverandering werd dit steeds meer een probleem. Het werd steeds lastiger de soms zeer grote afvoer te verwerken. De capaciteit van afvoerkanalen, spuisluizen en gemalen was dan ontoereikend. Bovenstrooms dreigde evenwel verdroging van de bodem door een te lage stand van het grondwater.
De drietrapsstrategie bestaat uit achtereenvolgens het vasthouden van water, waterberging en waterafvoer. In het waterbeheer is deze strategie geïntroduceerd door de Commissie Waterbeheer 21ste Eeuw in het jaar 2000. Ze wordt algemeen toegepast door de waterschappen en is iets waarmee in de watertoets rekening gehouden moet worden.
Vasthouden <br/>
Oppervlaktewater laten infiltreren in de bodem, zodat het water niet de rivieren bereikt.
Om het vasthouden van water te bevorderen is het mogelijk gemaakt dat, voornamelijk in de midden- en bovenloop van een rivier, beek of wetering bepaalde retentiegebieden en -gebiedjes tijdelijk vol water lopen. Het water kan daar geleidelijk naar het grondwater infitreren. In stedelijke gebieden gebeurt dat in zogenoemde wadi's.
Bergen <br/>
Zo lang mogelijk vasthouden van oppervlaktewater, bijvoorbeeld in sloten, meren en uiterwaarden. Waterberging wordt vooral bevorderd door vergroten van uiterwaarden en door dijkverplaatsing, maar ook kunnen speciale wachtbekkens aangelegd worden die men bij een groot wateraanbod vol kan laten lopen, en na afloop van de regenperiode leeg kan laten lopen of leeg kan pompen. Het voordeel hiervan is dat de hoeveelheid weg te pompen water weliswaar gelijk blijft, maar omdat dit over een langere periode gespreid kan worden, er minder pompcapaciteit nodig is.
Afvoeren <br/>
Vergroten van de capaciteit waarmee water afgevoerd wordt, het debiet.
Soms kan dit door de stroomsnelheid te vergroten, maar meestal door de dwarsdoorsnede van de waterloop te vergroten of de weerstand te verkleinen. De waterafvoer wordt voornamelijk bevorderd door kribverlaging en het verwijderen van obstakels uit de rivier en de uiterwaarden.
(bron: Taxonomie van documenttypen / ABDL) +
Voorbeelden van vectordata zijn punt-, lijn- en vlak geometrie.
Vectorafbeeldingen komen tegenwoordig veel voor in de grafische bestandsindelingen SVG , EPS , PDF of AI en verschillen wezenlijk van de meer gebruikelijke bestandsindelingen voor rasterafbeeldingen , zoals JPEG , PNG , APNG , GIF en MPEG4 . +
(bron: Vechtstromen) +
Veelal ontstaan tijdens moerasachtige omstandigheden. (bron: Uit en thuisboek, Stichting het Limburgs Landschap, 1996 / Aquo) <br/>
<br/>
Opeenhoping van dode plantresten tijdens moerasachtige omstandigheden. (bron: DIV) <br/>
<br/>
Veengrond is een grondsoort, die is opgebouwd uit gehumificeerd plantaardig materiaal. Deze natte, sponsachtige grondsoort is gevormd door afgestorven planten in moerassen en later bewaard gebleven onder natte, zuurstofarme omstandigheden. Zo'n ter plaatse gevormde grondsoort wordt wel een sedentaat genoemd.
In Noord- en West-Nederland worden uitgestrekte veengebieden al honderden jaren vooral als weidegebied voor koeien gebruikt. Gedroogd veen is bruikbaar als brandstof (turf). De drassige gronden en veengebieden of veenmoerassen waar turf werd of wordt gestoken, werden vroeger ook wel moer genoemd. Veen op grote diepte, blootgesteld aan toenemende druk en temperatuur, verandert in bruinkool of steenkool. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Veen is ontstaan na de ijstijden, in het begin van de huidige geologische periode het Holoceen. Toen werd het klimaat veel milder waardoor plantengroei weer mogelijk werd. In met water gevulde laagten hoopte in de loop van de tijd afgestorven plantenmateriaal zich op, oftewel er ontstond veen. Veengroei belemmerde niet alleen de afvoer van overtollig water, maar ook de aanvoer van vers zoet water. Het milieu werd zodoende steeds zuurstof- en voedselarmer., waardoor verder van de oevers verwijderd de plantengroei geheel van regenwater afhankelijk was, groeide veenmos. Deze plantensoort heeft de eigenschap dat het onafhankelijk van grondwater kan groeien. Het zuigt zich tijdens regenbuien vol water en groeit hierdoor langzaam maar zeker naar alle kanten uit, alle onderliggende veenlagen bedekkend. Veen dat ontstond uit veenmos heet ook wel hoogveen. Laagveen is veen bestaande uit resten van planten die in verbinding stonden met het grondwater. Hieronder is het ontstaan van veen schematisch weergegeven. (bron: W. Fluit, 1990)
Het bijzondere van deze kades is dat ze niet door mensenhanden neergelegd zijn, maar ontstaan doordat de naastliggende gronden ingezakt of afgegraven zijn. Moderne waterkeringen worden niet van veen, maar van zand en klei gemaakt.
Een veenkade is vaak ontstaan door het in het kader van ontginning ontwateren van het aanliggende veengebied. In boezemwaters werd het water verzameld en vervolgens door de veenrivieren afgevoerd. Dit ontwateren had tot gevolg dat de veengrond die in cultuur gebracht was inklonk. Direct langs de boezemwateren droogde de veengrond niet in, doordat het grondwaterpeil hier hoog bleef. Zo ontstonden hoger gelegen kades in het landschap. Het bovenste deel van een veenkade, vaak circa 1 m dik, is wel door mensen opgeworpen. Daarbij werd gedroogd veen gebruikt, dat lokaal beschikbaar was.
Ook was een veenkade oorspronkelijk soms een ontsluitingsweg, die niet afgegraven werd.Op sommige locaties werd de veengrond grootschalig afgegraven en weggebaggerd om turf te winnen. Hierdoor ontstonden uitgestrekte veenplassen, waarvan de meeste later weer zijn drooggelegd. De wegen naast kanalen en veenrivieren die bij de ontginning werden gebruikt zijn niet afgegraven en bestaan nog uit het oorspronkelijke veen.
De vele kilometers veendijk die Nederland telt hebben ook in de eenentwintigste eeuw nog een belangrijke waterkerende functie. Naar schatting gaat het om 3.500 km, vooral in West- en Noord-Nederland. Hoe belangrijk de kades zijn wordt soms duidelijk als bij een verzakking het achterliggende gebied, dat inmiddels vaak intensief in gebruik is, dreigt te overstromen.
Uitgedroogd veen is aanmerkelijk lichter van gewicht en neemt ook niet meer in gewicht toe omdat het geen water meer kan absorberen. Het is waterafstotend geworden. Barsten en scheuren kunnen het gevolg zijn. De meeste kadebreuken ontstaan door 'afschuiving'; water uit de naastliggende watergang zoekt zich een weg door en onder het verdroogde veen door en spoelt het zand waarop dit rust weg. Het gevolg kan zijn dat een kadedeel wegschuift en een gat ontstaat dat door de stroming snel groter wordt. Het nabije gelegen gebied kan hierdoor met grote wateroverlast te maken krijgen. Kadebeheerders letten daarom, vooral na de kadebreuk bij Wilnis in 2003, scherp op dreigende uitdroging en zullen zo nodig regelmatig de veenkade 'beregenen' met water uit sloot of kanaal. Bij droogte wordt het waterpeil in boezems zo lang mogelijk hoog gehouden. In West-Nederland wordt daarvoor zo nodig de Klimaatbestendige Wateraanvoervoorziening in gezet.
Bij veel regen kan de grondwaterstand nog hoger worden dan normaliter al het geval is. Daardoor neemt de stabiliteit af, waardoor de kade kan afschuiven. Een ander risico is regen na een periode van droogte. Als het boezempeil door veel regen snel stijgt, neemt de uitgedroogde kade slechts langzaam water op. De kade blijft licht van gewicht en kan hierdoor ook bezwijken.
Op 15 januari 1989 bezweek een veenkade in Ierland na een heftige regenbui. Het was een deel van de dijk van de Grand Canal tussen het Aquaduct Blundell en de brug Downshire. Meer dan 300.000 m3 water stroomde het omringende gebied in. Er was veel schade en de reparaties namen 13 maanden te beslag.
Verzakking van de bodem door oxidatie van veengronden is een proces dat in Nederland en elders al eeuwen aan de gang is. Bij de ontginning van veengebieden werden vaarten en sloten gegraven om het veen te ontwateren. Hierdoor werden deze gebieden geschikt voor landbouw. De waterstand zakte zover dat zelfs in bepaalde gebieden akkerbouw mogelijk is geweest. +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een veerboot, of veerpont, ook wel pont of veer, of op zijn Engels ferry genoemd, is een vaartuig waarmee een verbinding over water wordt onderhouden.
In Nederland wordt de term veerboot gebruikt voor een schip dat twee zeehavens met elkaar verbindt, terwijl veerpont refereert aan een vaartuig waarmee mensen (met of zonder een vervoermiddel, zoals een auto of een fiets) naar de andere kant van het water (rivier, kanaal, meer, baai of sloot) worden gebracht. De eerste vaart veelal volgens een dienstregeling, de tweede naar behoefte.
In Nederland wordt er wettelijk onderscheid gemaakt tussen een veerboot en een veerpont. Volgens het in Nederland geldige Binnenvaartbesluit is een:
* Veerboot: een schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar vervoersdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan.
* Veerpont: een schip, niet zijnde een veerboot, dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van een of meer personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar vervoersdienst onderhoudt. (bron: Wikipedia) +
In Nederland wordt er wettelijk onderscheid gemaakt tussen een veerboot en een veerpont, vastgelegd in het Nederland geldige Binnenvaartbesluit. (bron: Wikipedia) +
Vermogen tot herstel van een bodem nadat een verandering is ingetreden door een extreme gebeurtenis (bijv. een storm) (bron: Themagroep: Morfologie / Aquo / DIV) +
Vee- en wildroosters bestaan uit ijzeren spijlen. De spijlen van wildroosters liggen op kleinere afstand tot elkaar dan de spijlen van veeroosters.
De meeste dieren komen niet graag op een rooster, doordat enerzijds hun hoeven tussen de spijlen of anderzijds de spijlen tussen hun gespleten hoeven kunnen schieten. (Zie evenhoevigen).
Weggebruikers als fietsers en voetgangers hebben nauwelijks hinder bij het passeren van een vee- of wildrooster. Wel kan een rooster een obstakel zijn voor honden, rolstoelers en skeelers. Hiervoor wordt dan soms een zijdelingse passage via een klaphekje of koepoortje aangebracht. +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Een veerpont is een schip, niet zijnde een veerboot, dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van een of meer personen buiten de bemanningsleden en dat een openbaar vervoersdienst onderhoudt.
In Nederland wordt er wettelijk onderscheid gemaakt tussen een veerboot en een veerpont, vastgelegd in het Nederland geldige Binnenvaartbesluit. (bron: Wikipedia) +
(bron: BOKWA / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een veerstoep of veersteiger bevindt zich aan een oever, dikwijls aan het eind van een veerweg of pad. Bij een voetveer bestaat hij soms uit een trap in een kademuur.
Hier meert een veerpont aan om personen of voertuigen van en aan boord te laten gaan. Een stoep voor voertuigen loopt vaak geleidelijk af in het water zodat de klep van de pont er bij verschillende waterhoogtes op neergelaten kan worden. In een riviermonding met flinke getijdenverschillen is meestal een reeks stoepen naast elkaar gebouwd. Zowel bij hoog- als bij laagwater kan dan gemakkelijk aangelegd worden. (bron: Wikipedia) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
Spontaan gegroeid palntendek (bron: DIV) <br/>
<br/>
Het ruimtelijk voorkomen van planten in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij spontaan hebben aangenomen. <br/>
<br/>
Vegetatie is "de ruimtelijke massa van planten-individuen, in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf (spontaan) hebben aangenomen" (Victor Westhoff). De termen begroeiing en aanplant of aanplanting zijn dus niet hetzelfde als vegetatie: begroeiïng kan spontaan zijn, maar ook aangeplant, aanplant is door menselijk toedoen tot stand gekomen. De vegetatie is het onderzoeksobject van de vegetatiekunde. <br/>
<br/>
Vegetatie wordt gekenmerkt door: <br/>
* de niet willekeurige samenstelling van de vegetatie - niet alle planten groeien spontaan samen.
* de samenhang met de plaats waar de planten groeien met abiotische en biotische factoren; de samenhang tussen standplaats (biotoop) en levensgemeenschap.
* de ruimtelijke en temporele vegetatiestructuur van de vegetatie. Ruimtelijke structuur bestaat uit horizontale patronen en verticale gelaagdheid van de vegetatie en temporele structuur uit patronen in de tijd.
* de textuur van de vegetatie: denk aan diversiteit aan soorten, groeivormen, levensvormen en levensstrategieën.
* het minimumareaal; de minimale ruimte die een vegetatietype nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen. <br/>
(bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Begroeiing, in casu op dijken. Een voorbeeld van een dijkvegetatie is een ‘grasmat’ (bestaande uit grasachtigen en kruiden) of een ruigte. (bron: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) <br/>
Natuurlijke en halfnatuurlijke begroeiing met alle spontaan gevestigde kruid-, struweel- en bosbegroeiingen. (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/>
(bron: ABDL) +
(Bron: IMGeo / Aquo) <br/>
<br/>
Individuele bomen hoeven alleen te worden opgenomen indien dit gewenst is. Vaak zal dit in het stedelijk gebied wel gebeuren en in landelijk gebied niet, uitzonderingen daargelaten.
Onder vrijstaande vegetatieobjecten worden niet alleen die vegetatieobjecten opgenomen die strict genomen solitair zijn, zoals bomen, maar ook vegetatieobjecten die samen één geheel vormen zoals een heg. (Bron: DAMO) +
(bron: Themagroep: Ecologie / Aquo / DIV) +
Meest bekende definitie van vegetatie is gegeven door Victor Westhoff:
Vegetatie is de ruimtelijke massa van plant-individuen, in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf (spontaan) hebben aangenomen.
Om de algemene principes van de vegetatiekunde[1] weer te geven stuit men op de moeilijkheid, dat het onderzoeksobject in West- en Midden-Europa een uitzonderlijke situatie vormt: er komt nog nauwelijks vegetatie voor die niet door de mens beïnvloed is. Het sterk door de mens beïnvloede plantendek bestaat uit in gebruik genomen, antropogene begroeiing. Dat geldt niet alleen voor akkers en grasland, maar ook voor de bosvegetaties. Menselijke ingrepen bepalen in de eerste plaats de samenstelling van de plantengemeenschappen. Enkele uitzonderingen zijn sommige kleinere bronvenen of steile rotswanden.
De plantensociologie wordt onderverdeeld in een aantal onderzoekstakken. <br/>
- Symmorfologie: Onderzoek naar de structuur en textuur van plantengemeenschappen. <br/>
- Syndynamiek: Onderzoek naar de veranderingen van de vegetatie door de tijd. <br/>
- Synchorologie: Onderzoek naar de geografische verspreiding van plantengemeenschappen. <br/>
- Syntaxonomie: De classificatie van plantengemeenschappen. <br/>
- Synchronologie: Onderzoek naar de geschiedenis van vegetatie.<br/> +
(bron: Themagroep: Ecologie / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Vegetatiestructuur is het vegetatiekundige begrip dat duidt op de ruimtelijke en temporele opbouw van de vegetatie. Ruimtelijke structuur bestaat uit horizontale patronen en verticale gelaagdheid van de vegetatie en temporele structuur uit patronen in de tijd, zoals de seizoensaspecten.
Hiertegenover staat de vegetatietextuur, wat slaat op de samenstelling aan soorten (zoals diversiteit en dominantie), aan groeivormen, aan levensvormen en aan levensstrategieën. (bron: Wikipedia) +
Een plantengemeenschap met een kenmerkende structuur, een karakteristiek uiterlijk en milieu en met een karakteristieke plantensamenstelling. (bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Met een vegetatietype wordt een vegetatie bedoeld die volgens een bepaalde indeling is gecategoriseerd. Er bestaan verscheidene classificatiesystemen en typologieën waarmee vegetatietypen worden ingedeeld.
In de onderstaande lijst staan enkele veelgebruikte indelingen van vegetatietypen.
* Vegetatietypen naar formatie (bijvoorbeeld: grasland, ruigte, struweel, bos)
* Vegetatietypen naar syntaxonomische rang (bijvoorbeeld: klasse, orde, verbond, associatie)
* Vegetatietypen naar inundatietolerantie (bijvoorbeeld: watervegetatie, amfibische vegetatie)
* Vegetatietypen naar successiestadium (bijvoorbeeld: pioniervegetatie, climaxvegetatie)
* Vegetatietypen naar antropogene invloed (bijvoorbeeld: halfnatuurlijke vegetatie, natuurlijke vegetatie, potentieel natuurlijke vegetatie) <br/>
(bron: Wikipedia) +
Veiligheid is de mate van afwezigheid van potentiële oorzaken van een gevaarlijke situatie of de mate van aanwezigheid van beschermende maatregelen tegen deze potentiële oorzaken. Veiligheid is een relatief begrip, aangezien niets onder alle omstandigheden volledig zonder gevaar is.
Het begrip veiligheid bestaat zowel rationeel als denkbeeldig. Rationeel kunnen er allerlei berekeningen worden toegepast op een situatie om te bepalen of deze veilig is. Daarnaast is er nog denkbeeldige veiligheid. Iemand kan zich veilig voelen maar het rationeel gezien niet zijn en andersom. Dit wordt ook wel schijnveiligheid (resp. schijnonveiligheid) genoemd.
Om de veiligheid te waarborgen bestaat er regelgeving. Zo moeten bijvoorbeeld drukvaten aan strenge eisen voldoen om explosiegevaar te minimaliseren en moeten gebouwen voldoen aan allerlei brandveiligheidseisen om in geval van brand het aantal slachtoffers en de schade te minimaliseren. +
(bron: Handleiding Beheersplan Nat (BPN) / Aquo) +
(bron: Aquo) <br/>
<br/>
De ruimte tussen het interventieniveau en het niveau van functie-verlies. (bron: DIV) +
(bron: Basisrapport zandige kust, T.A.W., 1996. / Aquo) <br/>
<br/>
Getal dat door de bevoegde autoriteit is toegekend aan een dijkvak of dijkring, als relatieve maat voor de vereiste veiligheid in de bescherming tegen hoog water. (bron: DIV) +
Er zijn in Nederland 25 veiligheidsregio’s. (bron: Richtlijn hectometrering)
Een veiligheidsregio is in Nederland een gebied waarin wordt samengewerkt door verscheidene besturen en diensten bij de uitvoering van taken op het terrein van brandweerzorg, rampen- en crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening, openbare orde en veiligheid. De term veiligheidsregio betekent ook het desbetreffende openbaar lichaam.
Nederland kent 25 veiligheidsregio's. Een regio omvat de volledige grondgebieden van een aantal gemeenten. Het samenwerkingsverband wordt bestuurd door deze gemeenten. De samenwerking is gestoeld op de Wet veiligheidsregio's (Wvr) en de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr): de eerste bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding veiligheidsregio, maar wel met bepaalde afwijkingen van de Wgr.
De voorzitters van de 25 veiligheidsregio's vormen samen het Veiligheidsberaad. +
(bron: Aquo / DIV) +
Watervlakte (meestal zoet) die op natuurlijke wijze dan wel door menselijk ingrijpen (ingraving of afsluiting) is ontstaan. Bron RWS-OTL 2016 +
Door combinaties van kleppen krijgt men de beschikking over meerwegventielen, waarmee het medium in verschillende richtingen gestuurd kan worden. De bediening van een ventiel kan op allerlei manieren gebeuren, bijvoorbeeld mechanisch met een draaiknop, een drukknop, een zwengel of een hefboom. Op afstand bestuurbare kleppen kunnen elektrisch bediend worden met een elektromagneet of een elektromotor, of pneumatisch, met perslucht. Deze ventielen hebben een ruststand en een of meer geactiveerde standen. Een ventiel is niet hetzelfde als een kraan omdat de laatste een regelbereik heeft.
Als de bediening lucht of een ander gasmengsel is, spreekt men van een pneumatisch ventiel, is het een vloeistof dan heet het een hydraulisch ventiel.
Een ventiel kan - als onderdeel van een machine of installatie - ook als appendage betiteld worden. +
De woorden veranderen en wijzigen betekenen hetzelfde. In veel gevallen kan ook in een meer formele mededeling veranderen gebruikt worden: De dienstregeling is veranderd. Wel klinkt wijzigen heel vreemd in minder formeel taalgebruik. (bron: Jan Renkema schrijfwijzer)<br/><br/>
Voorbeeld : Ik ben van mening veranderd. <br/> De loop van de rivier heeft zich hier gewijzigd. <br/> De loop van de rivier is hier gewijzigd. +
Dit thema gaat in op:
* Het broeikaseffect. Dit houdt de verhoging van de gemiddelde temperatuur door toename in concentratie van zogeheten broeikasgassen in de troposfeer als gevolg van menselijke activiteiten in.
* Aantasting van de ozonlaag. <br/>
(bron: project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo / DIV) +
Bron: CHEOBS +
Jaarlijkse rapportage na afloop van het begrotingsjaar van Directie aan Directoraat-Generaal/Hoofddirectie (en van Directoraat-Generaal/Hoofddirectie aan Departement) waarin verantwoording wordt afgelegd over de realisatie van het werkplan c.q. contract en de besteding van de budgetten. (bron: Financieel Woordenboek / Aquo / DIV) +
(bron: AOA Begrippen- en Definitielijst) +
[NEN 3300:1996] Gescheiden rioolstelsel met voorzieningen waardoor een deel van de neerslag naar het vuilwaterriool wordt afgevoerd. +
(bron: Bron IMGEO / CBNL) <br/>
<br/>
Een mof is een verbindingsgreep die rondom afsluit. Een veelgebruikte mof is een bescherming van de plek waar twee elektriciteitskabels aan elkaar zijn gelast.
De mof kan bestaan uit twee op elkaar passende schalen. Bij gietijzeren moffen zet men de schalen met bouten vast, kunststof schalen klikken in elkaar. Ook kan de mof worden gemaakt door middel van de wikkelmoftechniek, waarbij er met gaas en tape een cocon wordt gecreëerd rondom de verbinding, die vervolgens wordt geïnjecteerd met kunsthars.
Net als bij het gelijknamige kledingstuk worden sommige moffen over de twee aan elkaar gelaste kabeluiteinden geschoven.
Er bestaan verschillende vormen van moffen, afhankelijk van de kabels waarvoor zij gebruikt worden: gietijzeren moffen, voornamelijk voor hoogspanningskabels en kabels die met jute en kalk zijn geïsoleerd loden moffen, die kunnen zelfstandig bestaan in gebouwen, vaak gebruikt voor telecommunicatiekabels en dan zijn ze vaak in de vorm van een fles uitgevoerd, maar ze worden ook als binnenmof gebruikt voor de gietijzeren mof
moffen van een stuk pvc-buis en giethars, die door de elektricien vaak zelf worden gemaakt
kunststof schalen, die in elkaar klikken en gevuld worden met giethars
wikkelmof, dit is de meest toegepaste techniek bij de Nederlandse energienetbeheerders voor laagspanningskabelnetwerken
Ook in bedrading kan een mof worden gebruikt; die wordt dan op de aders gekrompen met een krimptang.
In het Belgisch-Nederlands is de gangbare vorm moffel (vgl. Frans moufle), wat het oorspronkelijke Nederlandse woord is en waarvan mof is afgeleid. Ook de werkwoorden moffelen (rondom afdekken, verbergen) en wegmoffelen (verstoppen) zijn afgeleid van moffel. (bron: Wikipedia) +
Heeft extra M-dimensie (hoogte in meters t.o.v. NAP). (Bron: DAMO) +
Verdamping gebeurt via planten. De wortels nemen water uit de grond en de bladeren geven vocht af. Zon en temperatuur bepalen hoeveel er verdampt. Hoe warmer en zonniger hoe meer water er verdampt. +
Bouwwerk in een waterloop waarmee waterstromen kunnen worden gesplitst. +
Men kent twee soorten pompen:
* de turbopomp, ook wel turbinepomp genoemd: hierbij wordt de vloeistof eerst op een hoge snelheid gebracht en vervolgens wordt deze snelheid 'omgezet' in druk. Dit houdt in dat het debiet afhankelijk is van de druk van de ruimte waarheen de vloeistof wordt verpompt; bij een bepaalde tegendruk loopt het debiet zelfs terug tot nul of negatief (terugstroom).
* de verdringerpomp: Deze verplaatst een constant volume van een ruimte met een lage druk naar een ruimte met een hoge druk.
<br/><br/>
Het debiet van de volumetrische pomp is theoretisch onafhankelijk van de opvoerdruk. De maximale opvoerdruk wordt in feite uitsluitend beperkt door de mechanische sterkte, dit in tegenstelling tot turbopompen.
<br/>
Met soortgelijke machines kan ook een last worden aangedreven; dan wordt de pomp dus als motor gebruikt. In heel veel gevallen wordt een volumetrische motor ook als volumetrische pomp gebruikt; bijvoorbeeld bij een liersysteem. Tijdens het hijsen werkt hij als motor, tijdens het vieren als pomp. +
Verbeterdoelen zijn vooral geformuleerd voor soorten en habitattypen waar Nederland relatief belangrijk voor is en waarvan de staat van instandhouding matig of zeer ongunstig is. (bron: BPRW. / Aquo) <br/>
Prioritering voor de verdeling van het zoetwater in geval van waterschaarste. <br/>
De verdringingsreeks geeft de rangorde van maatschappelijke behoeften aan, die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen indien er sprake is van een watertekort. <br/>
De huidige verdringingsreeks is tot stand gekomen na de watertekorten in 2003 en de daarop volgende Evaluatienota Waterbeheer - Aanhoudende droogte 2003. <br/>
De verdringingsreeks bestaat uit vier categorieën. De rangorde van belangen binnen de categorieën 1 en 2 is op nationaal niveau vastgelegd. Binnen de categorieën 3 en 4 is op nationaal niveau geen rangorde vastgelegd. Binnen (maar niet tussen!) die categorieën kan bij provinciale verordening een verdere rangschikking plaatsvinden. <br/>
Er kunnen geen garanties worden gegeven dat er overal en altijd voldoende zoet water beschikbaar is. Bij ernstige watertekorten hanteren waterbeheerders de verdringingsreeks voor de verdeling van het beschikbare zoetwater. Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod van water met een voor de diverse behoeften geschikte kwaliteit. De verdringingsreeks geeft de rangorde van maatschappelijke behoeften aan, die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. De verdringingsreeks was al opgenomen in onder meer de Tweede Nota Waterhuishouding. Met de inwerkingtreding van de Waterwet is dit voor het eerst wettelijk vastgelegd (artikel 2.9 van de Waterwet en artikel 2.1 van het Waterbesluit). +
In Nederland kan vooral in gebieden met veel veen in de ondergrond ook de veiligheid in het geding zijn door droogte. Denk aan het bezwijken van de veenkade bij Wilnis in 2003. Ook kan er onomkeerbare schade optreden door veenoxidatie en klink. Dit rechtvaardigt de afwijking van het Europese beleid. +
Onder energievoorziening worden zowel grote als kleine energiecentrales verstaan (centraal vermogen). Maar ook industriële voorzieningen (via warmtekoppeling, het nuttig toepassen van restwarmte die ontstaat bij energieopwekking) en andere leveranciers (decentraal vermogen). +
Het gaat om gewassen waarbij een totale mislukking van de oogst dreigt door watertekorten, terwijl met een relatief kleine hoeveelheid water grote schade kan worden voorkomen. +
Een gebied wordt als verdroogd aangemerkt als aan dat gebied een natuurfunctie is toegekend en de grondwaterstand in het gebied onvoldoende hoog is, dan wel de kwel onvoldoende sterk om bescherming van de karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden, waarop de functietoekenning is gebaseerd, te waarborgen. Een gebied met een natuurfunctie wordt ook als verdroogd aangemerkt als ter compensatie van een te lage grondwaterstand water van onvoldoende kwaliteit moet worden aangevoerd. (bron: Derde nota Waterhuishouding, 1989 / Evaluatienota 1994 / project Milieu indicatoren 1/1991 / Aquo) <br/>
<br/>
Verdroging is het verschijnsel waarbij de waterspiegel in het grondwater daalt ten opzichte van het "natuurlijke" niveau of waarbij water met een andere kwaliteit uit andere gebieden (gebiedsvreemd water) lokaal grondwater vervangt. De 4e Nota Waterhuishouding (1998) geeft de volgende definitie voor verdroging: <br/>
<br/>
Een gebied wordt als verdroogd aangemerkt als aan dat gebied een natuurfunctie is toegekend en de grondwaterstand in het gebied onvoldoende hoog is, dan wel de kwel onvoldoende sterk om bescherming van de karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden, waarop de functietoekenning is gebaseerd, te waarborgen. Een gebied met een natuurfunctie wordt ook als verdroogd aangemerkt als ter compensatie van een te lage grondwaterstand water van onvoldoende kwaliteit moet worden aangevoerd. Bron: Derde nota Waterhuishouding, 1989 / Evaluatienota 1994 / project Milieu indicatoren 1/1991. <br/>
<br/>
Op basis van de definitie in de 4e Nota Waterhuishouding kan gesplitst worden in twee soorten: verdroging waarbij sprake is van een afname van de hoeveelheid (grond)water en verdroging waarbij sprake is van een afname van de kwaliteit van het water als gevolg van toevoer van gebiedsvreemd water. <br/>
<br/>
De hoofdoorzaken van verdroging in de Benelux zijn: <br/>
* Drainage
* Waterwinning (voor consumptie, industrie of landbouw)
* Onttrekking van water in nabijgelegen gebieden.
* Opwarming van de Aarde <br/>
<br/>
Drainage zorgt voor een directe daling van het grondwaterpeil in een gebied. Het doel van drainage is doorgaans om een gebied droog genoeg te maken om het te kunnen gebruiken voor bouw- of landbouwactiviteiten. <br/>
<br/>
Waterwinning heeft een dubbel effect voor verdroging. Ten eerste zorgt waterwinning voor een daling van de waterstand nabij het punt waar het water wordt opgepompt. Verder zorgt waterwinning ook voor het veranderen van grondwaterstromingen. Door het wegpompen van water uit een gebied ontstaan er stromingen van grondwater richting dit gebied om het tekort aan te vullen. Dit kan zorgen voor een afname of zelfs het verdwijnen van kwel in aangrenzende gebieden. <br/>
<br/>
Onttrekking van water uit nabijgelegen gebieden kan dus zorgen voor een verstoring van kwelstromingen. Een ander gevolg is dat soms oppervlakte water gebruikt moet worden om het tekort aan kwel te compenseren. Kwelwater heeft van nature een hoge kwaliteit en lage concentraties voedingsstoffen (oligotroof) en vervuiling. Oppervlaktewater daarentegen is vaak vervuild en rijk aan voedingsstoffen (eutroof). <br/>
<br/>
In gebieden die te maken hebben met verdroging is vaak veel van de oorspronkelijke diversiteit aan planten (biodiversiteit) verloren gegaan. Dit omdat sommige plantensoorten niet meer voldoende water konden krijgen (door daling van het grondwaterniveau) of omdat de samenstelling van het water ongeschikt is. Bijzondere soorten die gevoelig zijn voor dergelijke veranderingen zoals orchideeën, parnassia en zonnedauw worden verdrongen door minder gevoelige soorten als riet, pijpenstrootje en brandnetels. Met het veranderen van de vegetatie verdwijnen ook lokale diersoorten. <br/>
<br/>
Enkele concrete gevolgen van verdroging in Nederland zijn zichtbaar bij de Noordoostpolder, veengebieden en vennen.<br/>
<br/>
De Noordoostpolder heeft geen randmeer. Doordat de polder dieper ligt dan omliggende gebieden trekt het grondwater vanuit het "oude land" aan. Hierdoor is het oude land verdroogd. Om dit effect tegen te gaan hebben de Flevoland polders wel een randmeer. Er wordt anno 2003 nog steeds gestudeerd op de wenselijkheid en de mogelijkheid om de Noordoostpolder een randmeer te geven. <br/>
<br/>
Wanneer de (grond)waterspiegel in veen verlaagd wordt, kan een onomkeerbaar proces optreden waardoor het veen later geen vocht meer opneemt en dus compacter blijft. Ook kan het veen oxideren doordat er zuurstof bij het veen komt. Hierdoor kan verzakking en bodemdaling optreden (waardoor er meer drainage nodig is en het grondwater nog verder daalt). <br/>
<br/>
Vennen zijn natuurgebieden met vegetatie die zeer specifieke eisen stelt aan de waterkwaliteit. Doordat er steeds meer landbouw kwam in de buurt van de vennen werden omliggende gebieden meer en meer gedraineerd. Dit heeft geleid tot wegzuiging van water uit de vennen. Om dit te compenseren werd op sommige plaatsen oppervlaktewater naar de vennen gepompt. Omdat vennen van nature voedselarm zijn (gevoed door regenwater of kwel) heeft de toevoer van voedselrijk water geleid tot het verdwijnen van ven-specifieke vegetatie en het toenemen van de hoeveelheid plaagsoorten. (bron: Wikipedia) <br/>
<br/>
Het begrip Verdroging is één van de Milieubeleidsthema's. Dit thema gaat in op het effect van grondwaterstandsdaling. Dit leidt tot:
* vochttekort,
* veranderingen in de watersamenstelling (= verhouding van neerslag),
* kwel- en oppervlaktewater en- chemische en fysische reacties in de bodem. <br/>
Er is sprake van verdroging als de gevolgen doorwerken in flora, fauna en landschap. (bron: DIV)
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Een vergunning of ontheffing is een officiële (noodzakelijke) toestemming van de overheid om een bepaalde activiteit uit te voeren.
De wet kan bepalen dat iets verboden is zonder vergunning. De wet kan ook bepalen dat iets verboden is, met de mogelijkheid om een ontheffing van dat verbod te krijgen.
In veel gevallen was vóór invoering van een vergunningenstelsel de activiteit zonder vergunning toegestaan. In sommige gevallen was de activiteit eerst helemaal verboden.
Als de overheid een vergunning verleent wil dat niet zeggen dat de overheid de activiteit positief waardeert. Het kan bijvoorbeeld gaan om een demonstratie tegen een regeringsmaatregel.
Soms is voor een activiteit registratie verplicht, en wordt deze registratie slechts beperkt toegestaan. De registratie komt dan neer op een vergunning. Dit is soms van toepassing bij tippelprostitutie.
Een vergunde branche is een branche waarin een vergunning is vereist. Een vergund bedrijf is een bedrijf met een vergunning. De overige bedrijven zijn of illegaal, of ze behoren tot een niet-vergunde branche. (bron: Wikipedia) +
Heeft een relatie in Rol subject - contactpersoon derde samenhangende aanvraag. (bron: GUW, Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: GWN / Aquo / DIV) +
(bron: VROM, 1996: Gegevenswoordenboek milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1 juni 1995, pag. 74 / Aquo / DIV). +
De soorten vergunningen die onderscheiden worden zijn ondermeer:
* wvow-vergunningen <br/>
* beheersovereenkomsten <br/>
* gebruiksovereenkomsten, zoals jachtrecht, grasrecht, visrecht, erfdienstbaarheid en ingebruikgeving <br/>
* keurontheffingen <br/>
* peilbesluiten <br/>
* zakelijk recht, zoals eigendom en pacht <br/>
* meetbeschikkingen (zie gegevenselement 'soort vergunning') <br/>
* Rol subject: <br/>
** vergunningverlener <br/>
** vergunningverkrijger <br/>
** inhoudelijk behandelaar <br/>
** beleidsmatig contactpersoon vergunning (spoedeisende gevallen) <br/>
** uitvoerend contactpersoon vergunning (spoedeisende gevallen) <br/>
<br/>
(bron: Beleidsplan vastgoedinformatie/Adventus / Aquo / DIV) +
(bron: Informatieplan Water 1987 / Aquo / DIV) +
Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het lozen van afvalwater, het aanleggen van waterwerken, het onttrekken van grondwater, het aanleggen van watergangen, enzovoort.
De vergunningplicht in de waterschapsverordening is bedoeld om ervoor te zorgen dat deze activiteiten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het waterschap, zoals het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast en het bevorderen van een duurzaam waterbeheer. Het vergunningsproces omvat meestal het indienen van een aanvraag, het voldoen aan bepaalde criteria en het naleven van eventuele voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
Het is belangrijk om de specifieke waterschapsverordening van het betreffende waterschap te raadplegen om te begrijpen welke activiteiten vergunningplichtig zijn en hoe het vergunningsproces verloopt. Daarnaast kan het raadplegen van het waterschap zelf of het inschakelen van professioneel advies ook nuttig zijn om aan de vergunningseisen te voldoen. (bron: Waterschap Hunze en Aa's) +
(bron: VNG / Aquo / DIV) +
(bron: Rivierenwet / Wet 1891 / WVO / Awb / RWS-A 1997 / RWS-R, 1996: Voorstudie WVO-INFO, Bijlage 12, pag. 40 (aangepast). / Aquo / DIV) +
(bron: Rivierenwet / Wet 1891 / WVO / Awb / Klassieke Waterstaatswetgeving en Wvo-vergunningverlening en -handhaving / Aquo / DIV) +
(bron: Boog, T. H. M. van der, Gegevenswoordenboek Bestuurlijk-Juridische Zaken Klaswat en Wvo, EDS, nr. A2403-R-3, 15 mei 1996, pag. 25 (aangepast). / Aquo / DIV) +
(bron: Aquo / DIV) <br/>
<br/>
De verhanglijn (waterspiegelverhang) of lengteprofiel die optreedt in een rivier is het verloop van de waterspiegel in lengterichting. Voor een gegeven rivier kunnen de mogelijk optredende verhanglijnen bepaald worden.
Dit gebeurt door de vergelijking van Bresse op te lossen, rekening te houden met randvoorwaarden zoals instroom in een reservoir. Afhankelijk van de helling van de rivier (sterk of zwak) zijn er telkens vier mogelijke verhanglijnen.
De verhanglijnen worden theoretisch bepaald met de vergelijking van Bélanger. De vergelijking van Bélanger drukt namelijk het behoud van impuls uit en hiermee kan men bepalen waar er al dan niet een watersprong optreedt. Een watersprong is de overgang van superkritsche stroming (Fr>1) naar subkritische stroming (Fr<1), hierbij treedt er plots een sprong op in de hoogte van het wateroppervlak.
De meeste bevaarbare rivieren en kanalen hebben een zwakke helling, het scheepstransport over een te sterke helling zou een te hoog vermogen vragen. Op deze rivieren kunnen vier verschillende verhanglijnen voorkomen, de meeste eigenschappen ervan kunnen uit de onderstaande figuur afgelezen worden: A1, A2, A3, Au. <br/>
<br/>
De A3-verhanglijn is de enige verhanglijn die "opwaarts bepaald" is, bijvoorbeeld doordat het water onder een schuif door moet lopen. De beginhoogte van de andere wordt afwaarts bepaald, bijvoorbeeld uit een reservoir (meer, andere rivier). Het type verhanglijn is dan afhankelijk van de hoogte van het water in het afwaartse reservoir.
Wanneer de A2 en A3-verhanglijnen de "kritische hoogte" HK bereiken, staat de verhanglijn theoretisch loodrecht op de kritische hoogte. Dit geldt enkel theoretisch. In de praktijk betekent dit dat de verhanglijn daar doodloopt, en een andere begint. (bron: Wikipedia) +
Een dak of een (gesloten) bestrating. +
(bron: Bron CHEOBS, CBNL) <br/>
<br/> +
Als het quotiënt bijvoorbeeld 3 is wordt dit genoteerd als 3:1 en uitgesproken als 3 staat tot 1 of 3 op 1. Soms wordt een schuine streep gebruikt, dan kan de schrijfwijze overeenkomen met deze van een quotiënt. Zo kan 2/3, als getal, uitgesproken worden als twee derde, en als verhouding als 2 staat tot 3 of 2 op 3.
Een verhouding kan ook uitgedrukt worden door middel van een percentage. (bron: Wikipedia) +
(bron: Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten / ABDL) <br/>
<br/>
Iemand of organisatie die dingen tegen betaling ter beschikking stelt. (WikiWoordenboek) +
Bij fysiek verkeer kan men onderscheiden mensen die zichzelf verplaatsen met of zonder vervoermiddel (en dieren die zich verplaatsen) en mensen en goederen die vervoerd worden (met een vervoermiddel, of bijvoorbeeld een kind dat door een ouder wordt gedragen). De verplaatsingen gebeuren veelal plaats in een speciaal daarvoor bestemde infrastructuur, zoals auto-, spoor- en waterwegen. Ook pijpleidingen, kabels en glasvezelverbindingen kunnen aangemerkt worden als verkeersinfrastructuur. In het dagelijkse taalgebruik wordt met verkeer meestal het wegverkeer bedoeld.
Indien het verkeer stagneert door een te groot verkeersvolume ten opzichte van de actuele mogelijkheden van de infrastructuur, dan is er sprake van congestie. Op het autowegennet wordt dit ook wel filevorming genoemd; op het spoorwegennet heet dit vertraging. In 2019 vielen er 661 doden in het verkeer in Nederland, in 2018 678, dat is bijna twee doden per dag.
Het vakgebied dat zich met verkeer bezighoudt wordt verkeerskunde genoemd. (bron: Wikipedia) +
(bron: CROW / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Verkeersborden zijn een van de drie soorten verkeerstekens die de wegbeheerder kan gebruiken om het verkeer op de weg te regelen. De andere twee zijn verkeerslichten en wegmarkering. Verkeerstekens in het algemeen en borden in het bijzonder geven aanwijzingen aan verkeersdeelnemers over hoe zich te gedragen op de weg.
Verkeersborden zijn er in verschillende categorieën. Sommige geven verboden weer voor het wegverkeer in het algemeen of bestuurders van bepaalde voertuigen in het bijzonder, andere verkeersborden leggen juist verplichtingen op of geven informatie aan de verkeersdeelnemer. Het uiterlijk van de borden werd het laatst in internationaal verband vastgesteld in 1968 in het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens.
Naast het wegverkeer zijn er ook verkeersborden in andere vervoerssystemen, zoals in de scheepvaart, op de spoorwegen of op een luchthaven.
Sommige borden zijn niet altijd nodig of gewenst: de wegbeheerder kan dan door middel van een wisselbord (of -wegwijzer) of een elektronisch matrixbord de verkeerssituatie veranderen.
Verkeersborden die gelden op de waterwegen zijn bepaald in het Binnenvaartpolitiereglement. Hierin worden de volgende verkeersborden vastgesteld:
* Verbodstekens
* Gebodstekens
* Beperkingstekens
* Aanbevelingstekens
* Aanwijzingstekens
* Bijkomende tekens
* Tekens aan kunstwerken
* Overige aanduidingen <br/>
(bron: Wikipedia) +
De Verkeerskunde is als discipline ontstaan na de publicatie van "Traffic in Towns" (het Buchanan Report) in 1963. Daarvóór bestonden er alleen disciplines als Wegenbouwkunde en Spoorwegbouwkunde. Buchanan was de eerste die verkeer zag als een functie van de ruimtelijke ordening en niet als onbeheersbaar natuurverschijnsel. Na 1963 werd Verkeerskunde ook in Nederland ingevoerd als onderwijsvak (TU Delft ca. 1969, Verkeersakademie Tilburg, nu NHTV internationaal hoger onderwijs Breda, 1972). Naast kennisinstituten in WO en hbo zijn er organisaties als de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) en de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat die internationaal gewaardeerd onderzoek doen. (bron: Wikipedia) +
(bron: BABW / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Maatregel die een gebod of verbod inhoudt voor een weggebruiker.
Verkeersmaatregelen vereisen in permanente situaties vaak een verkeersbesluit. De situaties waarop dat van toepassing is, zijn vermeld in het Uitvoeringsbesluit BABW.
Het geheel van alle aanwijzingen naar de weggebruiker bij wegwerkzaamheden wordt ook vaak aangeduid als verkeersmaatregelen. (bron: Wegenwiki) +
(bron: CROW / Aquo / DIV) <br/>
<br/>
Gebeurtenis op een openbare weg, die verband houdt met het verkeer, ten gevolge waarvan schade ontstaat aan objecten en/of letsel bij personen, en waarbij tenminste een rijdend voertuig is betrokken. (Bron: ABDL) +
(bron: Adventus / Aquo / DIV) +
