Eigenschap:Toelichting op definitie

Kennismodel
:
:
Tekst
Deze datatypespecificatie wordt genegeerd; de specificatie uit de externe vocabulaire krijgt voorrang.
Geldige waarden
:
Meerdere waarden toegestaan
:
Nee
Weergave op formulieren
:
Tekstvak
Initiële waarde
:
Verplicht veld
:
Nee
Toelichting op formulier
:
Toelichting op de definitie (Nederlandstalig)
Subeigenschap van
:
Geïmporteerd uit
:
Formatteerfunctie externe URI
:

Klik op de button om een nieuwe eigenschap te maken:


nl

100 pagina’s gebruiken deze eigenschap.
s
(bron: Sjabloon Systeemspecificatie) <br/> <br/> Beschrijving van een systeem in de vorm van een verzameling geordende eisen, van het object in zijn directe omgeving en van de in het ontwerpproces gemaakte ontwerpkeuzes. (bron: Uitvoeren functie-analyse) <br/> <br/> De extern begrenzende en intern structurerende specificatie van het beschouwde systeem. (bron: Structureren van eisen (vervallen)) <br/> <br/> Een project specifieke specificatie, opgesteld met behulp van één of meerdere basisspecificaties. (bron: Werken met basisspecificaties) <br/> <br/> Gestructureerd overzicht van het betreffende systeem, de beschikbare oplossingsruimte, een beschrijving van de benodigde functionaliteiten, de context van het systeem, de geïdentificeerde raakvlakken met (andere systemen in) de omgeving, de eisen gesteld aan het systeem alsmede een beschrijving van de gemaakte ontwerpkeuzes. (bron: Leidraad voor Systems Engineering (SE) in de GWW sector) <br/> <br/> The requirements to be met by the system (bron: Bijlage bij IA J-STD-016-1995, code: F.2.2)  +
Dit gaat over de structurele afwijking die een meetinstrument of rekenmodel model vertoont. Als dit een bekende afwijking is dan kunnen data hierop kunnen worden gecorrigeerd. Vergelijk dit bijvoorbeeld met een geweer waarvan de loop kom is, waarbij uit de hoek van de loop kan worden bepaald hoe ver je naast een doel schiet als je gewoon rechtdoor schiet. Systematische afwijking moet in relatie tot nauwkeurigheid en statistische precisie worden beschouwd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen systematische afwijkingen, toevallige afwijkingen en grove fouten. Deze kwaliteitsaspecten zijn nadrukkelijk meer statistisch van aard dan de meer administratieve indicatoren. Systematische afwijking gaat over de mate waarin het resultaat van een groot aantal metingen of berekeningen overeenkomt met een geaccepteerde referentiewaarde. Toevallige afwijking gaat over de mate waarin herhaalde metingen of berekeningen met elkaar oveenkomen. Dit valt in het kwaliteitsraamwerk onder statistische precisie. Systematische afwijkingen en toevallige afwijkingen worden ook wel fouten genoemd. Een andere categorie van fouten zijn grove fouten, wat zowel onverklaarbaar buitensporige waarden (ook wel: outliers) als menselijke vergissingen kunnen zijn. Nauwkeurigheid is het resultaat van de combinatie van systematische afwijking en toevallige afwijking. Afhankelijk van waar de meting of berekening betrekking op heeft gaat dit bijvoorbeeld over positionele nauwkeurigheid (coördinaten), temporele nauwkeurigheid (tijdmetingen) of kwantitatieve nauwkeurigheid (getallen). (bron: ArchiXL)  +
Systematische fouten worden veroorzaakt door niet-willekeurige fout, bijvoorbeeld een verkeerde ijking, het consequent verkeerd hanteren van een instrument of het verkeerd aflezen van een schaal. Meestal kan bij nader onderzoek deze systematische fout worden bepaald en kunnen de meetgegevens zo gecorrigeerd. Een recent voorbeeld is de neutrino's in het CERN Neutrinos to Gran Sasso-experiment die sneller dan het licht zouden gaan. Uiteindelijk bleek dit te wijten te zijn aan een slechte glasvezelverbinding.  +
t
Binnen de wiskunde bestaat de matrix, wat een tabel is met speciale eigenschappen. In het dagelijkse spraakgebruik wordt de term "matrix" ook vaker gebruikt voor een tabel die strikt wiskundig gezien geen matrix is.  +
Een total station wordt bij het waterschap gebruikt op locaties waar GPS apparatuur onvoldoende GPS signaal ontvangt heeft, zoals in bosrijke gebieden. Beschrijving en gebruik Meestal is de hoekaflezing digitaal en zorgt een ingebouwde computer voor de aansturing hiervan. De gegevens die een tachymeter feitelijk kan meten zijn: * horizontale richting * verticale hoek * (schuine) afstand. De schuine afstand kan omgerekend (gereduceerd) worden naar de horizontale afstand. Tweedimensionaal gezien vormen de horizontale hoek en horizontale afstand samen poolcoördinaten, die omgerekend kunnen worden naar rechthoekige coördinaten met een X- en Y-as. Ook is het mogelijk om met een tachymeter hoogtes (Z-coördinaat) te bepalen (zie trigonometrische hoogtemeting). In Nederland wordt voor het platte vlak (2-dimensionaal) vrijwel uitsluitend gebruikgemaakt van het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel, ook wel RD genoemd. Voor België wordt veelal gewerkt in het Lambert72-coördinatenstelsel (dat samenhangt met de in België gebruikte Lambertprojectie. Voor de verticale component zijn dit in Nederland het NAP en in België de TAW. Huidige instrumenten (veelal total station genaamd) kunnen de berekeningen zelf uitvoeren, waarbij de coördinaten in beeld verschijnen en opgeslagen worden. De modernste tachymeters kunnen zelfs een kaartje weergeven van de gemeten punten. Ook is het mogelijk om punten vanuit een ontwerptekening uit te zetten in het terrein met de tachymeter. Eerst wordt daarbij de positie van de tachymeter bepaald met behulp van bekende punten. Vervolgens wordt de berekening omgekeerd uitgevoerd en wordt met behulp van meerdere metingen informatie verkregen over waar het uit te zetten punt zich bevindt. Tachymeters maken gebruik van elektro-optische afstandmeting. De meeste voor tachymetrie gebruikte afstandmeters maken gebruik van infrarood licht. De nauwkeurigheid is in de praktijk vooral afhankelijk van de nauwkeurigheid van de opstelling van het prisma (zie figuur 2) en van de tachymeter.  
(bron: Beheersystematiek Openbare Ruimte)  +
Kunstmatige glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enz. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10). (bron: Krebs, C. J., Ecology. The experimental analysis of distribution and abundance. Harper international edition, Harper & Row, Publishers, New York, 1972. / Marechal / UIVO-W / Aquo / DIV) <br/> <br/> Het talud (van het Franse talus, helling, ook wel beloop, is het bouwkundig aangelegde schuine vlak langs een weg, spoor, watergang, dijk, naar een brug of tunnel waarmee een hoogteverschil wordt overwonnen tussen bouwwerk en maaiveld. Een talud kan een ophoging zijn of een ingraving. De helling van een talud wordt weergegeven als de verhouding hoogte : aanleg (ofwel de tangens van de helling), waarbij voor de hoogte in Nederland meestal één wordt aangehouden. De hellingshoek is afhankelijk van de grondsoort of het bouwmateriaal, van bouwkundige- en veiligheidseisen en van de ruimte die ter beschikking staat. Iedere grondsoort heeft, afhankelijk van de cohesie en hoek van inwendige wrijving, een natuurlijk talud waarbij de grondsoort niet gaat schuiven. Bij zand is dit veelal 1 : 1 dus 45°, bij watergangen wordt meestal 1 : 1½ aangehouden. Bij spoorwegen of dijken worden, in verband met bouwkundige eisen, flauwere hellingen aangehouden, bijvoorbeeld 1 : 3. Door een flauwere en dus langere helling bij een zeedijk, breken hogere golven voordat ze daadwerkelijk de dijk bereiken en wordt het dijklichaam minder zwaar belast. De verhouding van de maximale golfhoogte gedeeld door de lokale diepgang is ongeveer 0,75. Bij de oprit naar een brug voor auto- of treinverkeer moet rekening worden gehouden met maximaal toegestane stijgingspercentages. Vaak wordt een talud bekleed met bijvoorbeeld gras of stortsteen, wat het afschuiven helpt tegengaan. Bij aanleg van infrastructuur in bebouwde gebieden is vaak onvoldoende ruimte om een natuurlijk talud te realiseren, dan wordt met bouwkundige verstevigingen gewerkt, bijvoorbeeld wapening. (bron: Wikipedia)  
De taludbekleding bestaat uit een erosiebestendige toplaag, inclusief de onderliggende vlijlaag, filterlaag, kleilaag en/of geotextiel.  +
(bron: CHO (325), gecomb. met WMD1090 en gewijzigd / Aquo / DIV) <br/> <br/> Een talweg is de lijn die de laagste punten in de vallei van een helling met elkaar verbindt. Een talweg geeft zo ook het natuurlijke profiel weer van een waterloop. Het woord is afkomstig uit het Duits: Tal (vallei) en Weg (weg, route). In het internationaal recht wordt gesproken over de Thalweg Doctrine (talwegprincipe): het trekken van een grens tussen twee staten op basis van een waterweg, waarbij de grenslijn langs de talweg wordt getrokken. De precieze demarcatie van riviergrenzen is vaak van belang geweest in de geschiedenis. Bekende voorbeelden zijn de Sjatt al-Arab (in Iran Arvand Rud genoemd) tussen Irak en Iran, de Donau in Midden-Europa en het Kasikili/Sedudu-eilandconflict tussen Namibië en Botswana (opgelost in het voordeel van de laatste door het Internationaal Gerechtshof in 1999).  +
Bron: NCS  +
Het waterschap kan volgens de Waterschapswet de volgende heffingen voor het bekostigen van activiteiten voor de watersysteemtaak opleggen: <br/> 1. watersysteemheffing ingezetenen <br/> 2. watersysteemheffing overig ongebouwd (binnendijks en buitendijks) <br/> 3. watersysteemheffing overig ongebouwd wegen (binnendijks en buitendijks) <br/> 4. watersysteemheffing natuur <br/> 5. watersysteemheffing gebouwd (binnendijks en buitendijks). <br/> <br/> Voor het kunnen opleggen van aanslagen waterschapsbelastingen voor de watersysteemheffing 2, 3, 4 en 5 moet het waterschap over een kaart beschikken van het hele beheergebied van het waterschap waarin per kadastraal perceel is aangeven hoeveel procent van dat perceel overig ongebouwd wegen en natuur is. De rest van het perceel valt dan automatisch onder de categorie overig ongebouwd. Dat is een rest categorie. Het NBK filtert van deze restcategorie ongebouwd dan de percelen gebouwd uit. Hiervoor maakt het NBK gebruik van de WOZ bestanden (met daaraan gekoppelde de aan een WOZ object toegerekende oppervlaktes) van de gemeenten binnen het beheergebied van Hunze en Aa’s.  +
Door H.J. Lam ingevoerd begrip. Meervoud: taxa. Een groep van organismen die op grond van een zekere overeenkomst een taxonomische eenheid vormen, onafhankelijk van de grootte of de rangorde van die eenheid. Van hoog naar laag in het classificatiesysteem zijn dat fylum, klasse, orde, familie, genus, soort en ondersoort. Bron: Westhof, V., en A. J. den Held, Plantengemeenschappen in Nederland. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 2e oplaag, 1975 (gewijzigd) (bron: Aquo) <br/> <br/> Een taxon (meervoud: taxa) is een taxonomische eenheid of taxonomische groep, een groep organismen die volgens een taxonoom een van andere groepen te onderscheiden eenheid vormt. (bro: Wikipedia) <br/> <br/> Samenvattende naam voor biologische categorieën zoals phylum, klasse, orde, familie, geslacht, soort en ondersoort. (HEA) <br/> <br/> Een taxonomische rang of taxon is een niveau in de hiërarchische indeling (taxonomie) van organismen. <br/> <br/> In de taxonomie is de rang van een bepaalde taxonomische groep enigszins arbitrair. Een rang wordt door de onderzoeker mede gekozen op grond van reeds bekende informatie over onderliggende en bovenliggende groepen, en die van zustergroepen. Taxonomische groepen kunnen dus op grond van nieuwe inzichten een andere rang krijgen. <br/> De naamgeving van organismen staat beschreven in de verschillende nomenclatuurcodes. De namen van de hogere taxa hebben vaak een uitgang die de taxonomische rang van dat taxon aangeven. Deze uitgangen zijn niet altijd voorgeschreven, er kan van worden afgeweken. Zo verschilt de uitgang voor dezelfde taxonomische rang van 'familie' voor verschillende groepen organismen: -oidea bij dieren, -aceae bij planten en schimmels, en -viridae bij virussen. (Wikipedia) <br/> <br/> Samenvattende naam voor biologische categorieën zoals phylum, klasse, orde, familie, geslacht, soort en ondersoort. (bron: DIV) <br/> <br/> Naam voor taxonomische categorieën van de levende natuur. (bron: DIV) <br/> <br/> Eenheid in het classificatiesysteem van organismen. (bron: DIV).  
Taxonomie (Grieks: τάξις táxis ordening, schikking en νόμος nómos gebruik, wet) is, in wetenschappelijk en technologisch verband, het indelen van individuen of objecten in groepen (taxa, enkelvoud taxon). Taxonomie is hiermee een vorm van classificatie. Taxonomie verwijst naar zowel de gehanteerde methodologie van de indeling als naar de hiërarchische ordening die hiervan het resultaat is. In oorsprong, en in algemene zin, is taxonomie een onderdeel van de biologie, waar het een wetenschap is; inmiddels wordt de term ook wel elders gebezigd. Een taxonomie is een systematische ordening op basis van óf a priori (vooraf gestelde) óf a posteriori (achteraf gestelde) criteria. Taxonomieën worden aangepast naargelang er nieuwe waarnemingen of ontdekkingen (in de biologie bijvoorbeeld van nieuwe soorten organismen) optreden. Op fundamenteler niveau kunnen, als gevolg van hierdoor nieuw gevormde inzichten, ook de indelingsprincipes gewijzigd worden. In de informatica ontstaat meer en meer de behoefte te komen tot een gemeenschappelijke terminologie in systemen en databases, onder andere ten behoeve van de integratie van gegevens uit verschillende systemen en ten behoeve van de eenduidige uitwisseling van productgegevens, zoals in e-business systemen en kennisgestuurde ontwerpen. Daartoe wordt gebruikgemaakt van gestandaardiseerde definities van begrippen, waarbij de begrippen in een subtype-supertype hiërarchie of taxonomie gerangschikt worden. Deze structuur heeft onder andere als groot voordeel dat eigenschappen van supertypen geërfd worden door de subtypen. Een voorbeeld van zo'n subtype-supertype hiërarchie van begrippen is het elektronische Gellish Nederlands Taxonomisch Woordenboek, waarvan tevens een uitgebreidere Engelse variant beschikbaar is. Binnen de vakgebieden informatica en kunstmatige intelligentie wordt getracht een machine door clusteranalyse automatisch een taxonomie of classificatiesysteem te laten maken van een verzameling objecten (dingen, entiteiten of individuen) op grond van hun kenmerken (eigenschappen, attributen). Een voorbeeld is het automatisch laten classificeren van een groep documenten, voor bijvoorbeeld digitale bibliotheken. In dit vakgebied wordt een onderscheid gemaakt tussen een taxonomie en een typologie. Het verschil zit vooral in de manier waarop de indeling tot stand komt (in de informatica: het classificatie-algoritme). Bij een taxonomie gaat men uit van een groep voorbeeld-objecten die men probeert te verdelen. Vervolgens wordt bekeken wat de karakteristieken van de objecten in een groep zijn, en op deze manier krijgt de taxonomie gestalte. Bij een typologie begint men vanuit het concept. Men bedenkt welke onderscheidende eigenschappen eventuele objecten normaliter zouden kunnen bezitten, en gaat vervolgens de daadwerkelijke objecten volgens deze regels indelen. Men zou kunnen zeggen dat taxonomieën empirisch (inductief) tot stand komen, en typologieën conceptueel (deductief). Een systematische ordening op basis van óf a priori (vooraf gestelde) óf a posteriori (achteraf gestelde) criteria. (ArchiXL) <br/> <br/> Studie of leer van de onderliggende verwantschap van organismen. Het classificeren van planten- en dierensoorten. (bron: Woordenwijzer Ecologie. /Aquo / DIV)  
(bron: GR, 1998a. / Aquo / DIV)  +
Het begrip techniek wordt in verschillende betekenissen gebruikt: * Het geheel van materiële zaken als voorwerpen, meubels, apparaten, dat niet tot de natuur behoort maar eens door de mens is uitgevonden, verwant met uitvinding. <br/> * Het op systematische manier toepassen van nieuwe natuurwetenschappelijke of andere georganiseerde kennis ten behoeve van praktische doeleinden, verwant met technologie. <br/> * Een bepaalde aangeleerde vaardigheid in het werk, sport of spel of in het huishouden om een bepaalde activiteit te verrichten, verwant met gestructureerd handelen. <br/> * Een vak in het onderwijs over het maatschappelijk functioneren van techniek, over technische ontwikkelingen, over de pijlers van techniek als materie, energie en informatie, over in de relatie tussen techniek en natuurwetenschappen, over de technieken om techniek voort te brengen, en of het zelf praktisch bezig te zijn op dit gebied. <br/> * Een tak van wetenschap naast de geesteswetenschap, de natuurwetenschap, en de sociale wetenschap, verwant met technische wetenschappen.  +
(bron: Maarten Looijen, ArchiXL)  +
Bijvoorbeeld een sluis of stuw. (bron: Informatie analyse keuze technische beheersactie BOAC, technisch rapport / Aquo / DIV)  +
(bron: BEBOP, gewijzigd / Aquo / DIV)  +
(bron: RWS-A, 1997 / RWS-R, 1996: Boog, T. H. M. van der, Gegevenswoordenboek Bestuurlijk-Juridische Zaken Klaswat en Wvo, EDS, nr. A2403-R-3, 15 mei 1996, pag. 37. / Aquo / DIV)  +
(bron: Informatie-analyse operationeel beheer: technisch rapport / Aquo / DIV)  +
In de architectuur en mechanica maakt men gebruik van projectie, perspectief, maataanduiding, tolerantie e.d. om zo precies mogelijk het voorwerp weer te geven. Aan de hand van een technische tekening kan dat voorwerp dan precies gemaakt worden. In de elektriciteit en elektronica dient de technische tekening of schema om de werking van een installatie of toestel voor te stellen of om aan te geven hoe de onderdelen met elkaar verbonden zijn. Deze onderdelen worden zo mogelijk voorgesteld door gestandaardiseerde symbolen; de verbindingen ertussen door lijnen. (bron: Wikipedia)  +
De eenvoudigste vorm van technologie is de ontwikkeling en het gebruik van werktuigen. Na de prehistorische ontdekking van vuurbeheersing en de latere neolithische revolutie kreeg de mens met behulp van werktuigen een grote controle over zijn voedselbronnen. De uitvinding van het wiel stelde de mens vervolgens in staat om te reizen en de omgeving sterker te beïnvloeden. Latere technologische ontwikkelingen zoals de drukpers, de telefoon en het internet, maakten het mogelijk dat mensen over langere afstanden konden communiceren. Technologie heeft belangrijke effecten. Ze ligt bijvoorbeeld aan de basis van geavanceerde economieën (inclusief de huidige wereldeconomie) en ze is een centrale component van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding geworden. Veel technologische processen produceren ongewenste bijproducten (vervuiling). Innovaties op het gebied van technologie beïnvloeden waarden binnen een samenleving en werpen vaak ethische vragen op. Bijvoorbeeld de opkomst van het begrip efficiëntie in termen van menselijke productiviteit, of nieuwe uitdagingen binnen de bio-ethiek. Vanaf de industriële revolutie ontstonden filosofische debatten over gebruik van technologie. Onenigheid bestaat over de vraag of technologie de menselijke staat verbetert of verslechtert. Het neoluddisme, het anarchoprimitivisme en soortgelijke reactionaire bewegingen bekritiseren de alomtegenwoordigheid van technologie, met als argument dat ze het milieu schaadt en sociale vervreemding vergroot. Voorstanders van ideologieën zoals transhumanisme beschouwen technologische vooruitgang juist als bevorderlijk voor de mens en de samenleving.  +
In het verlengde hiervan ligt de kweek. Zo geeft een teeltkalender aan wanneer bepaalde gewassen gezaaid, gepoot/geplant en geoogst kunnen of moeten worden. (bron: Wikipedia)  +
Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, anti-worteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten. (bron: www.waterwizard.nl / Aquo)  +
(bron: HEA) <br/> <br/> De teeltvrije zone is de strook tussen de insteek van het talud en het hart van de buitenste plantenrij van het gewas op het perceel. Teeltvrije zones zijn nodig om het water in sloten beter te beschermen tegen afspoeling en verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen. Ook mag er in de teeltvrije zone niet worden bemest. Hierdoor wordt de uitspoeling en afspoeling van meststoffen beperkt. (bron: waterschap Hunze en Aa's) <br/> <br/> Een teeltvrije zone is een strook land tussen het land waarop gewassen worden geteeld en een oppervlaktewaterlichaam. In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. <br/> <br/> De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel: * Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. * Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen. <br/> Daarbij hebben teeltvrije zones volgens onderzoek van het RIVM positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer. <br/> <br/> Een teeltvrije zone heeft ook een vangnet functie. Apparatuur realiseert niet altijd en overal de gemeten driftreductie. Dit komt door normale slijtage of invloed van andere factoren (bron: InfoMill)) <br/> <br/> Teeltvrije zones moeten worden aangehouden langs sloten en greppels die tussen 1 april en 1 oktober (spuitseizoen) water bevatten. <br/> <br/> Teeltvrije zones zijn niet nodig als er sprake is van droge sloten en greppels én watergangen met stuwtjes die zonder stuwtjes niet watervoerend zijn tussen 1 april en 1 oktober. <br/> <br/> De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. <br/> <br/> In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze een functie als vanggewas. De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. De breedte van de teeltvrije zone wordt gemeten van het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel: Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen. Daarbij hebben teeltvrije zones volgens onderzoek van het RIVM positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer <br/> (bron: Waterschap Hunze en Aa's.) <br/> <br/> Artikel 3.85 Activiteitenbesluit <br/> * 1. Binnen een teeltvrije zone als bedoeld in artikel 3.79, tweede lid, worden geen meststoffen gebruikt. <br/> * 2. In afwijking van het eerste lid is het bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen of van appelen, peren en overige pitvruchten en steenvruchten, toegestaan binnen een teeltvrije zone meststoffen te gebruiken op een afstand van ten minste 25 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, indien binnen die zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld. <br/> * 3. In afwijking van het eerste lid en onverminderd het zesde lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de teeltvrije zone op een afstand van ten minste 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam toegestaan, indien het vanggewas voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. <br/> * 4. Bij het gebruik van korrelvormige of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone gebruik gemaakt van een voorziening die de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewaterlichaam verhindert. <br/> * 5. Bij het gebruik van bladmeststoffen op een strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone: o a. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, eerste en vierde lid, gebruik gemaakt van kantdoppen die aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligen en andere driftarme doppen die zich niet hoger dan 50 centimeter boven het gewas of de kale bodem bevinden, of o b. bij het bemesten van gewassen als bedoeld in artikel 3.80, tweede en derde lid, geen gebruik gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur. <br/> * 6. Bij het gebruik van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas waarbij ingevolge artikel 3.79, zevende lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik gemaakt van een emissiescherm, dat voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. <br/> * 7. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het gebruik van meststoffen langs de oppervlaktewaterlichamen, aangewezen in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. <br/> * 8. Op braakliggend land worden binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen meststoffen gebruikt. <br/>  
Horizontaal gedeelte van een dijk, aan de buitenzijde gelegen, als overgang tussen de harde bekleding en de rest van het talud of de vooroever Ook wel ‘kreukelberm’ (Zeeland) of ‘plasberm’ genoemd. (Bron: Delta Expertise)  +
(bron: Themagroep: Geografie/watersystemen / Aquo) <br/> <br/> Een tekening is een duurzame neerslag van tekenmateriaal (potlood, pen, penseel, plotter) op een drager (papier, doek of plaat). Men maakt onderscheid tussen: * een kunstzinnige tekening * een technische tekening <br/> (bron: Wikipedia)  +
Textmining is verwant aan tekstanalyse; de termen worden vaak door elkaar gebruikt. Hoewel ook in tekstanalyse kwantitatieve methoden worden gebruikt, verwijst textmining eerder naar analyse op grote schaal: bij ondernemingen in het kader van business intelligence, bijvoorbeeld om feedback van klanten te analyseren, en bijvoorbeeld in de sociale media om de publieke opinie in kaart te brengen (sentiment analysis). In de biotechnologie wordt textmining ingezet om wetenschappelijke informatie te analyseren uit de gigantische hoeveelheid publicaties. Textmining wordt ook benut door inlichtingendiensten. In die zin kan textmining beschouwd worden als een vorm van datamining. Textmining kan daarbij als doel dienen om een dataset te genereren waarop vervolgens statistische analyses worden toegepast. Textmining is een toegankelijker woord voor bepaalde onderdelen uit het brede gebied van computationele taalkunde. Dit kennisgebied houdt zich bezig met het verwerken van menselijke taal door computers.  +
Moderne vormen van telecommunicatie zijn: (mobiele) telefoon, radio, televisie en internet. Een oudere vorm is telegrafie. Experimenten om te communiceren op afstand zijn zeer oud (vuur, rooksignalen, heliograaf, de optisch-mechanische telegrafie ontwikkeld door Claude Chappe in Frankrijk vanaf 1793 enz.). <br/> <br/> De overdracht van informatie vindt via elektromagnetische weg plaats, bijvoorbeeld in kabels (elektrische signalen), glasvezel (licht) of met radiogolven door 'de ether'. Door koppeling met randapparatuur, multiplexers en schakelapparatuur (bijvoorbeeld een telefooncentrale of een IP-router of een ATM-switch) ontstaan telecommunicatienetwerken waarop grote aantallen gebruikers kunnen worden aangesloten, en waarmee de gewenste Quality of Service kan worden gerealiseerd.  +
Verbinding tussen twee (digitale) systemen waarbij de waarneming van het ene systeem op afstand door het andere systeem kan worden uitgelezen. Het gebruik van radiogolven, telefoonlijnen enz. Om de meetwaarden van meetinstrumenten door te sturen naar een apparaat waarop de meetwaarden kunnen worden aangegeven of geregistreerd.  +
(bron: CROW / Aquo / DIV)  +
Dit is vergelijkbaar met thematische nauwkeurigheid, maar gaat specifiek in op attributen die betrekking hebben op tijd. Deze data moeten zoveel mogelijk overeenkomen met de daadwerkelijke tijd. (bron: ArchiXL)  +
Met temporele resolutie wordt bedoeld hoe vaak een satelliet over komt. Temporele resolutie verwijst naar de discrete resolutie van een meting met betrekking tot tijd.  +
In de eenvoudigste vorm is dit een met water gevulde buis, aan een kant verbonden met een vloeistof manometer en aan de andere kant voorzien van een poreus materiaal of een waterdoorlatend membraan, geplaatst in het beschouwde punt van de onverzadigde zone. (bron: Aquo / DIV) <br/> <br/> Een tensiometer is een meetinstrument dat gebruikt wordt voor het meten van het vochtgehalte van de bodem aan de hand van de zuigspanning. Een tensiometer met watervulling kan zuigspanningen van 0 tot ongeveer -850 hPa of 2,7 pF meten. Het meten gebeurt met behulp van een luchtdichte, poreuze keramiekcel, die een maximale poriëngrootte heeft van ongeveer 1 µm. De keramiekcel wordt in de bodem geplaatst. Door het doorzichtige, kunststof peilglas kan gezien worden of deze geheel met water gevuld is. Het peilglas wordt gevuld met ontgast water, dat eventueel met een kleurstof gekleurd is. Wanneer de bodem rond de keramiekcel uitdroogt wordt er zoveel water aan de keramiekcel onttrokken totdat er een evenwicht met het omringende bodemvocht is. De ontstaande onderdruk wordt zichtbaar gemaakt met een manometer of met een elektronische druksensor vastgelegd. Bij bodemfysische onderzoekingen kan met behulp van tensiometers op verschillende diepten de waterhuishouding van de bodem continue gemeten worden. In de land- en tuinbouw worden tensiometers gebruikt voor de automatische beregeningsinstallaties. Hierbij kan zoveel water gegeven worden dat de planten de optimale waterhoeveelheden krijgen zonder dat er uitspoeling van voedingsstoffen optreedt. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/> <br/> Teratogeen (Grieks teras = monster, gennan = voortbrengen) is de eigenschap van een stof of een ziekte om bij de foetus afwijkingen te veroorzaken als de moeder tijdens de zwangerschap met de stof in aanraking komt, deze inademt of inneemt, dan wel de ziekte doormaakt. Van een groot aantal chemische stoffen en van sommige geneesmiddelen is bekend dat zij aangeboren afwijkingen kunnen veroorzaken. Het slaapmiddel thalidomide (merknaam Softenon) en DES, dat vroeger werd gegeven om miskramen te voorkomen, zijn hiervan bekende voorbeelden. Ook alcoholgebruik tijdens de zwangerschap, roken en vele drugs hebben aangetoonde nadelige gevolgen voor de vrucht. Verder kan besmetting met een virus dit verschijnsel veroorzaken, zoals rodehond. (bron: Wikipedia)  +
(Bron: Kadaster) <br/> <br/> Heuvel aangelegd tot wijkplaats bij overstroming, vaak permanent bewoond. (bron: Aquo) <br/> Heuvel, terp, voor de veiligheid opgeworpen tegen vijandelijke aanvallen of watervloed, om er een sterkte (burcht, donjon) of wijkplaats op te bouwen. (Bron: Haslinghuis) <br/> <br/. In het kustgebied stammen de terpen uit de periode vóór de bedijking. De oudste zijn opgeworpen vanaf de 4e eeuw v. Chr. De woonheuvels werden opgeworpen met huisvuil, mest en kwelderzoden. Terpen werden naderhand vaak meermalen verhoogd. De aanvankelijke kleine huisterpen Groeiden soms in de loop van de tijd aaneen tot grote dorpsterpen.De terpen zijn niet alle in dezelfde tijd ontstaan. Nog in de Vroege Middeleeuwen werden nieuwe opgeworpen. Veel terpen zijn periodiek onbewoond geweest. De bewoningshiaten waren vermoedelijk het gevolg van het feit dat in sommige tijdperken de overstromingsfrequentie of -hevigheid relatief groot was. Ook werden sommige terpen in dergelijke tijdperken voorgoed verlaten.De locatie van een terp werd in sterke mate bepaald door de mogelijkheden die ter plaatse aanwezig waren voor agrarische activiteiten. De terpbewoners waren voor hun levensonderhoud voor een belangrijk deel aangewezen op landbouw. De hier gebruikelijke vormen van landbouw richtten zich zowel op de voortbrenging van voedsel- en gebruiksgewassen als op de instandhouding van een veestapel. De hoogteligging en de waterhuishouding waren dus zeer belangrijk voor de keuze van een bewoningslocatie. De akkers lagen het hoogst: op de hogere oeverwallen en kwelderruggen. Ook de randen van de terpen zelf waren in gebruik als akkerland. De weilanden bevonden zich op de lagere delen van de kwelders. De weg rondom een terp wordt een ossenweg genoemd.Een groot aantal terpen is vanaf de negentiende eeuw afgegraven voor de winning van terpaarde.De terpen in het Rivierengebied zijn juist na de bedijking opgeworpen, toen een dijkdoorbraak tot hogere overstromingen leidde dan in het eerdere onbedijkte landschap. In het veengebied zijn terpjes aangelegd om droog te kunnen wonen in een gebied dat van nature erg nat was en bovendien door maaivelddaling steeds natter werd. (Bron: CHT) <br/> <br/> Een terp is een ter bewoning aangelegde verhoging in het landschap. Het woord terp is een Friese variant van "thorp" (dorp), dat in vele varianten van het Oudgermaans voorkomt (Gotisch: thaurp). Er wordt een kunstmatige heuvel (landvorm) mee aangeduid, die werd opgeworpen om bij hoogwater een droge plek te hebben. In Groningen wordt meestal de benaming wierde gebruikt, in Noord-Holland en het eiland Marken de benaming werf, in Noord-Duitsland de benamingen warft, wurt of wierde en in Denemarken værft, varft of verft. Berendsen (2005) stelt dat het Groningse woord wierde eigenlijk een betere benaming is dan terp, omdat het eerste 'woonheuvel' zou betekenen en het tweede 'dorp' (zie ook de betreffende paragraaf). De etymologie van het woord wierde (dat mogelijk op meerdere woorden teruggaat) is volgens het WNT echter onzeker en zou eerder samenhangen met het woord 'weren' (zich verdedigen). Deze woonheuvels zijn geleidelijk ontstaan nadat bewoners zich in het Fries-Groningse kweldergebied gevestigd hadden vanaf de zesde eeuw voor Christus. Deze door aanslibbing van de zee gevormde vruchtbare gronden, op sommige plaatsen een lage kwelderwal, boden een goede woonplaats. De boeren waren echter door de stijgende zeespiegel gedwongen hun huis en have te redden op terpen, die in omvang en hoogte steeds toenamen.[3][4] Terpen kwamen voor langs de hele Waddenkust van West-Europa; in België, Noord-Nederland, Noord-Duitsland en West-Denemarken. In Groningen en Friesland liggen waarschijnlijk rond de 2000 terpen. Bij een inventarisatie in 1963 werden 587 terpen geteld in Groningen en bij een inventarisatie in 1979 955 in Friesland. Er worden echter nog regelmatig nieuwe terpen ontdekt, waarvan de meeste in de loop der tijd overslibd zijn geraakt. (Bron: Wikipedia)  
De definitie houdt sterk verband met die voor water: in principe kan alles dat geen water is, worden beschouwd als terrein. <br/> <br/> Door een type landgebruik gekarakteriseerd, zichtbaar begrensd stuk grond. Bron NEN 2767-4 (CBNL) <br/> <br/> Een zichtbaar begrensd gedeelte van het aardoppervlak dat niet bedekt is met water. (bron: DIV)  +
Een terristrische meting is een meting vanaf de aarde, bijv. een meting met een waterpasinstrument, tachymeter of GPS toestel (rover). (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Op het land (in tegenstelling met 'aquatisch'). (bron: DIV) <br/> <br/> Voorkomend (groeiend) op minerale substraten - op het land. Tegenstelling: aquatisch (bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo)  +
KRW categorie om het gedeelte van de Nederlandse territoriale zee van 1 tot 12 zeemijl aan te duiden. Van 0 tot 1 zeemijl is kustwater. Territoriaal water wordt niet genoemd als waterlichaamcategorie in de KRW. Echter, artikel 2.1 van de KRW geeft aan dat de chemische status ook voor territoriaal water geldt. Deze optie als categorie geeft lidstaten de mogelijkheid om voor territoriaal water relevante informatie te rapporteren. (Bron: Dienst Hydrografie van Defensie) <br/> <br/> Territoriale wateren (ook wel: territoriale zone, territoriale zee) zijn een zeestrook, grenzend aan het landgebied van een kuststaat, waarover de soevereiniteit van deze staat zich uitstrekt (met inbegrip van het luchtruim, de bodem en de ondergrond). De territoriale wateren worden gescheiden van het landgebied en de binnenwateren door de basislijn. Binnen de territoriale wateren kan een land zelf zijn wetten bepalen en rechtspraak toepassen.  +
(bron: Woordenwijzer Ecologie. / Aquo / DIV) <br/> <br/> Een territorium of revier is bij dieren een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied, hetzij door een individu, hetzij door een sociale groep. Het is een gebied om voedsel te zoeken en de jongen te verzorgen. (bron: Wikipedia)  +
(bron: Aquo / DIV) <br/> <br/> Het Tertiair is een geologisch tijdperk dat volgt op het Krijt en wordt opgevolgd door het Kwartair. Het Tertiair duurde van 66,0 tot 2,58 miljoen jaar (Ma) geleden. Het 'Tertiair' is een eenheid binnen de era Cenozoïcum. De term 'Tertiar' werd voor het eerst gebruikt door de Italiaanse geoloog Giovanni Arduino rond 1750. Hij verdeelde de geologische tijdschaal in een eerste 'primitief' tijdperk (Primair), een tweede meer ontwikkeld tijdperk (Secondair) en een derde tijdperk (Tertiair). Later werd er een vierde 'modern' tijdperk (Quartair) aan toegevoegd. Hij baseerde dit op zijn observaties van de geologie van Noord-Italië.[1] Bij een latere revisie van de geologische tijdschaal is het begrip 'Tertiair' verlaten en vervangen door Neogeen en Paleogeen. Ondanks deze verandering wordt het begrip 'Tertiair' nog steeds zeer veel gebruikt. Er is in de geologische wereld verschil van mening over het verdwijnen van deze term. Zo heeft de Amerikaanse Geologische Dienst besloten de term gewoon te handhaven. Ook in Nederland (en andere Europese landen) wordt de term nog veel gebruikt (bijvoorbeeld: Wong, et al., 2007). Er zijn grote groepen invloedrijke geologen die terugkeer van de term 'Tertiair' voorstaan en het is zeker niet ondenkbaar dat zij toch weer in de stratigrafische kolom terugkeert. Het Tertiair is hier als sub-era gehandhaafd. Omdat vooraf en erna geen sub-era's aanwezig zijn, 'hangt' het Tertiair in de huidige indeling. Tijdens het Internationaal Geologisch Congres van 2008 in Oslo is een formeel voorstel gedaan dat als volgt luidt: "Het Tertiair wordt hier voorgesteld als een periode/systeem voorafgaand aan het Kwartair en met een basis zoals gedefinieerd door het GSSP dat de basis van de Danien etage aangeeft bij ongeveer 66,0 Ma. Het Neogeen en het Paleogeen, thans aangemerkt als perioden, worden dan sub-perioden binnen het Tertiair. De top van het Tertiair zou worden aangegeven door de basis van het Kwartair bij 2.6 Ma." Dit voorstel is aangehouden en niet in stemming gebracht. Het Tertiair wordt onderverdeeld in de volgende tijdvakken: * Plioceen (5,333 - 2,58 Ma) * Mioceen (23,03 - 5,333 Ma) * Oligoceen (33,9 - 23,03 Ma) * Eoceen (56,0 - 33,9 Ma) * Paleoceen (66,0 - 56,0 Ma) (bron: Wikipedia)  
Tertiaire oppervlaktewaterlichamen zijn de (particuliere) sloten (groen weergegeven op de gis-kaart) die niet op de schouwlegger staan. Deze oppervlaktewaterlichamen kunnen soms een belangrijke functie voor de waterhuishouding hebben, echter is er in dit geval dan maar een belanghebbende. Deze waterlichamen mogen niet gedempt worden tenzij ze in hoog en droog gebied liggen, zie hiervoor de algemene regel dempen kaart.  +
Een sloot is een watergang (keur: zegt oppervlaktewatersysteem) op plaatsen waar regenwater samenstroomt, zodat het gezamenlijk kan worden afgevoerd om wateroverlast te voorkomen. Een sloot is een onderdeel van de waterhuishoudkundige infrastructuur. Het via sloten afgevoerde water wordt elders weggepompt. Het is belangrijk dat de stroming van het water onbelemmerd is. Hiervoor worden schouwsloten bij de schouw gecontroleerd. Overige sloten worden niet geschouwd. De sloten worden naar de afvoerrichting gedigitaliseerd.  +
(bron: NCS / Aquo) <br/> <br/> Afsluitconstructie waardoor stroming in slechts één richting mogelijk is. <br/> <br/> Een terugslagventiel, terugstroombeveiliger, terugslagklep of keerklep, is een ventiel dat wordt gebruikt om water, vloeistof, granulaat, poeder of gas in één richting door te laten. Meestal duwt het medium de klep bij het heenstromen open en sluit een veer of de zwaartekracht de klep. In andere gevallen duwt het medium bij het terugstromen de klep zelf dicht. Het onderscheid ligt in de uitvoering en de toepassing. Terugslagventielen zijn te vinden in bijvoorbeeld de pomp en de luchtbanden voor fietsen (zie fietsventiel), luchtbedden of auto's. In de hydrauliek komen al dan niet gestuurde terugslagkleppen veelvuldig voor. (bron: GWSW)  +
(bron: IDsW / Aquo) <br/> <br/> Witte fosfor of tetrafosfor is een allotroop van fosfor met als brutoformule P4. Witte fosfor (kleine nucleaire) kan verkregen worden door de damp die uit P4-moleculen bestaat tot een vaste stof te laten condenseren. Witte fosfor heeft bij gewone temperaturen een kubische structuur. Bij lage temperaturen gaat de stof reversibel over in een structuur die waarschijnlijk hexagonaal is. Witte fosfor is metastabiel en lichtgevoelig. Onder invloed van licht kunnen de bindingen in het molecuul openbreken en nieuwe bindingen met een buurmolecuul ontstaan. Dit is het begin van de overgang tot de stabielere rode vorm maar vaak ontstaat een amorfe gele overgangstoestand die slechts bij verwarming uitkristalliseert tot de rode vorm. (bron: Wikipedia)  +
Dit gaat vooral over of data inhoudelijk kloppen. Idealiter is dat of ze overeenkomen met de werkelijkheid, maar in de praktijk is dat of ze overeenkomen met een registratie die dichter bij de werkelijkheid ligt of meer betrouwbaar is. Heel specifiek gaat het alleen over die data die geen betrekking hebben op locatie, tijd of kwantiteit omdat die onder andere, meer specifieke indicatoren vallen. ISO/IEC 25012 maakt daarbij nog onderscheid tussen syntactische en semantische juistheid. De eerste gaat bijvoorbeeld over het registreren van het woord Mary als Marj. De tweede gaat bijvoorbeeld over het registreren van het woord John als George. Er bestaan methoden om de mate van syntactische en semantische juistheid van woorden te bepalen. Syntactische juistheid kan bijvoorbeeld worden bepaald met vergelijkingsfuncties die het aantal toevoegingen, verwijderingen of wijzigingen tellen om te komen van de attribuutwaarde tot de werkelijke waarde. Semantische juistheid kun je bijvoorbeeld bepalen door te kijken naar de onderlinge relatie van de attribuutwaarde en de werkelijke waarde in een thesaurus. (bron: ArchiXL)  +
Met een theodoliet kan men horizontale en verticale hoeken meten met een hoge nauwkeurigheid. Dit toestel is in essentie niet meer dan een kijker die om twee assen draait: een verticale as, ook wel de eerste as genoemd en een horizontale as, ook wel de tweede as genoemd. Op beide assen zit een systeem dat het toelaat de waarde van de betreffende hoek af te lezen. Bij de oudere optisch-mechanische toestellen gebeurde dat met een ringvormige glasplaat waarin een verdeling was aangebracht. Met behulp van een index en afleesinrichting, en soms met microscopen, werd de waarde gelezen. Het waren kolossale instrumenten, die soms wel 90 kg wogen.[1] Bij de huidige elektronische theodoliet gebeurt dit met behulp van een roterende glazen cirkelrand waarop een vast aantal verdelingen is aangebracht (bijvoorbeeld 1024). Een stel indexen leveren hier de hoekwaarde. Een buisniveau, zoals in een waterpas, in het toestel ingebouwd, laat het toe om het toestel op waterpas te zetten. In die toestand zou de eerste as verticaal moeten staan en de tweede as horizontaal. Om voldoende nauwkeurig te werken voor de landmeetkunde bruikbare resultaten, dient een theodoliet zeer nauwkeurig gebouwd te worden. Niettegenstaande zijn hoge nauwkeurigheid heeft elk toestel nog steeds een aantal fouten in zich. De landmeter of topograaf dient daarmee vertrouwd te zijn. Een theodoliet is niet in staat om afstanden te meten. Nochtans zijn afstanden meestal essentiële elementen bij de meetmethoden waarin een theodoliet wordt ingezet (driehoeksmeting, veelhoeksmeting etc.). Die afstanden dienen dus met andere instrumenten te worden gemeten. Een moderne, gecomputeriseerde theodoliet met afstandsmeter is een totaalstation of tachymeter. Het is pas sedert de opkomst van de digitale afstandsmeter en later de digitale theodoliet dat beide toestellen steeds meer met elkaar zijn versmolten. Tegenwoordig gebruikt de landmeter meestal een totaalstation, zijnde de combinatie van theodoliet, afstandsmeter en digitale registratie.  
Thermisch infrarood wordt vaak gebruikt in thermografie, een techniek waarbij speciale camera’s warmtebeelden maken van objecten. Deze beelden kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om warmteverlies in gebouwen op te sporen, elektrische installaties te controleren of zelfs in medische toepassingen. (bron: Wikipedia) Het waterschap gebruikt deze techniek om o.a. wellen op te sporen achter de waterkeringen. (bron Hunze en Aa's)  +
Een plotselinge stijging van de watertemperatuur in een waterlichaam waarin thermisch effluent wordt geloosd veroorzaakt aanzienlijke schade aan de fysiologische functies van vissen en schaaldieren die geen homotherm bloed hebben. Bron: International Navigation Association (2000) Glossary of Selected Environmental Terms, Report of Working Group n.º3 of the Permanent Environmental Commission, Supplement to Bulletin No. 104.  +
(bron: http://www.vliz.be / Aquo)  +
Het verrichten van arbeid door warmte toe te voegen aan een arbeidsmedium (gas). De thermodynamica vindt zijn oorsprong in de praktische behoefte de efficiëntie van stoommachines te verbeteren.  +
Thermoharders blijven hard als ze worden verhit, in tegenstelling tot de thermoplasten, die zacht worden bij verhitting. Dit komt door crosslinks (dwarsverbindingen) tussen de individuele ketens. Thermoharders kunnen niet op dezelfde manier worden verwerkt als thermoplasten. Dit omdat een thermoharder na verwerking niet meer om te vormen is. Als een thermoharder wordt verhit, smelt het niet maar het ontleedt zich zonder vloeibaar te worden. De oorzaak hiervan zijn de crosslinks, die covalent zijn. Om deze reden smelt een thermoharder niet (in tegenstelling tot thermoplasten waarbij de meeste interactie tussen de macromoleculen bestaat uit vanderwaalskrachten). <br/> Thermoharders worden minder gebruikt dan thermoplasten, omdat ze lastiger te produceren zijn door middel van spuitgieten en slecht recycleerbaar zijn. Thermohardende kunststoffen zijn normaal een stuk brozer dan thermoplastische kunststoffen. Voorbeelden van thermohardende materialen zijn: * Alkydharsen * Bakeliet * Diallylftalaat (DAP) * Melamineformaldehyde (MF) * Polyesterharsen * Ureumformaldehyde (UF) <br/> (Bron: Wikipedia) <br/> <br/> Een thermoharder is een kunststof die hard wordt bij verhitting en daarna hard blijft . In tegenstelling tot een thermoplast kan een thermoharder niet meer van vorm veranderen (anders dan te ontleden, een soort verkolen zou je kunnen zeggen). Thermoharders worden minder gebruikt dan thermoplasten omdat ze (bijna) niet met spuitgieten zijn te verwerken en slecht recyclebaar zijn. Thermohardende kunststoffen zijn normaal een stuk brosser dan thermoplastische kunststoffen. Thermoharders zijn altijd harde kunststoffen. Ze zijn moeilijk te krassen en je kunt er moeilijk een stukje afsnijden. Een thermoharder is een materiaal dat verkregen wordt door het samen van monomeren, die verhit boven een definitieve temperatuur, een vernet polymeer dat niet langer van vorm kan veranderen. Dit netwerk van monomeren is door verhitting via atoombindingen met elkaar verbonden. De bindingen tussen de atomen zijn sterk omdat ze covalent zijn, dwz de atomen hebben één of meer elektronenpaar gemeenschappelijk. Tijdens het proces kunnen ze daarom maar één keer "gegoten" worden, later het plastic niet meer vervormbaar is. Een voorbeeld van een thermoharder is bakeliet, de eerste kunststof die gefabriceerd werd; het is een hars op basis van fenol en formaldehyde (PF). Andere voorbeelden zijn alkydharsen, epoxyharsen (EP), polyurethaan ( PUR ), melamineformaldehyde (MF), onverzadigde polyesters (UP en GUP ). (Bron: Joost de Vree)  
Deze materiaalgroep bestaat uit lineaire macromoleculen zonder dwarsverbindingen, hoewel soms een zekere vertakking kan optreden. In de moleculen zijn de bindingen covalent en sterk, terwijl de moleculen onderling slechts gebonden zijn door vanderwaalsbindingen. Deze laatste verbreken bij opwarmen, waardoor de individuele ketens langs elkaar kunnen 'glijden' en zo kan een thermoplast smelten. (Bron: Wikipedia) <br/> <br/> Een thermoplast is een kunststof die bij fabricage zacht is en daarna ook meer of minder zacht blijft . Thermoplasten zijn plastics die bestaan uit lange molecuulketens ( polymeren ) die bijeengehouden worden door vanderwaalsbindingen en soms ook waterstofbruggen. In tegenstelling tot thermoharders kennen thermoplasten een verwekingspunt , de glastransitietemperatuur Tg. Boven deze temperatuur kan deze plastic vervormd worden ("smelten"), zodat ze tot draden gesponnen of tot folie geblazen kan worden. Zonder bewerkingen verglaast een thermoplast bij afkoelen beneden Tg volledig. Thermoplasten lenen zich zeer goed voorspuitgiettechnieken . Meer dan 80% van de industriële polymeren zijn thermoplasten. Voorbeelden Zijn acrylonitril Butadieen styreen ( ABS ), polycarbonaat (PC), polyethyleen ( Polyetheen PE), polyether-ether-keton (PEEK), polymethylmetth acrylaat (PMMA), polypropyleen ( polypropeen , PP), polystyreen ( PS ), polyvinylchloride ( PVC ), tereftalaat. Thermoplasten kom je overal tegen; ook de belijningen op wegen zijn van thermoplast. ("PEEK wordt over het algemeen beschouwd als één van de best ervaren thermoplasten in de wereld.") (Bron: Joost de Vree)  +
Een thesaurus gebruikt men om het exacte woord voor een voorwerp (een bepaalde vakterm) of een woord met de gewenste connotatie (uit stijloverwegingen) te vinden. Een thesaurus verbindt begrippen door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties. Je kunt een thesaurus gebruiken om het exacte woord voor een voorwerp of met de gewenste connotatie te vinden. (ArchiXL, bron: Merriam-Webster) <br/> <br/> In de klassieke betekenis is een thesaurus een soort naslagwerk. Een thesaurus gebruikt men om het exacte woord voor een voorwerp (een bepaalde vakterm) of een woord met de gewenste connotatie (uit stijloverwegingen) te vinden. In de moderne tijd is het een ontsluitingsmiddel waarbij unieke concepten door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties verbonden worden. Een semantisch netwerk voor het toegankelijk maken en koppelen van (collectie)gegevens. <br/> <br/> De term komt uit het Grieks θησαυρός (thèsauros) en werd in het Latijn overgenomen als thesaurus (meervoud thesauri) en betekent schatkamer, het weggelegde. Het werd aanvankelijk in de taalkunde opgesteld als een logisch-systematisch (en ook alfabetisch, maar niet verklarend) woordenboek: de begrippen van een taal werden gecategoriseerd en vergeleken met verwante begrippen: * synoniemen * woorden die een ruimer begrip beschrijven: hyperoniemen * woorden die een engere betekenis hebben: hyponiemen * woorden met tegengestelde betekenis: antoniemen, of * begrippen die aan het lemma verwant zijn, maar een andere nuance uitdrukken, of een overlappende betekenis hebben. <br/> <br/> Uit een Nederlandstalige thesaurus kan men besluiten dat synoniemenlijst een nauwere betekenis heeft dan thesaurus en het begrip lexicon overlapt. Soms hanteert men betekeniswoordenboek als synoniem van thesaurus, maar de betekenis van een woord is in dit bijzondere geval niet gelijk aan de verklaring ervan, maar vloeit voort uit de situering van dit woord binnen het geheel. <br/> <br/> De aanduiding "thesaurus" wordt nu ook gebruikt voor een naslagwerk met geselecteerde woorden of concepten, bv. een gespecialiseerd vocabularium binnen een bepaald interesse- of vakgebied, zoals geneeskunde of muziek. <br/> <br/> Met behulp van een thesaurus kan men bijvoorbeeld de catalogus van een bibliotheek beter toegankelijk maken dan door middel van een ordening, die uiteindelijk willekeurig is. Zo is men niet meer strikt gebonden aan de terminologie - en de taal! - van een boek of andere informatiedrager. Per publicatie of informatie-item kan men meerdere descriptoren (thesaurustermen) toekennen. Een itemsgewijze beschrijving wordt zodoende versterkt door een systematische ontsluiting. Er bestaan thesauri voor vele wetenschappelijke disciplines. Zo bestaan voor de beschrijving en ontsluiting van erfgoed bijvoorbeeld de Art and Architecture Thesaurus en de erfgoedthesaurus van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Beide richten zich vooral op materiële cultuur en objecten. Voor het beschrijven van de iconografie van beeldende kunst is er Iconclass, een meertalig classificatiesysteem. <br/> <br/> Taxonomieën zijn aan thesauri verwant. De benaming thesaurus wordt ook gebruikt in de taalkunde voor de grote gegevensbestanden met de woordenschat van het Latijn, de Thesaurus Linguae Latinae te München, en die van het Grieks, de Thesaurus Linguae Graecae van de Universiteit van Californië. Het is dan de "schatkamer" van oorspronkelijke teksten, waarop men zich baseert om de dode taal (Latijn of Grieks) te reconstrueren. <br/> <br/> Thesauri treft men in papieren vorm (boek) aan, maar ook als elektronisch medium. Een juiste vakterm kan ook worden gezocht, als het internet wordt uitgesloten, door het raadplegen van een beeldwoordenboek.  
De getagde structuur is ontworpen om gemakkelijk uit te breiden en veel leveranciers hebben eigen speciale tags geïntroduceerd - met als resultaat dat geen enkele lezer elke smaak van het TIFF-bestand verwerkt. [ nodig citaat ] TIFF's kunnen lossy of lossless zijn, afhankelijk van de gekozen techniek voor het opslaan van de pixeldata. Sommige bieden relatief goede compressie zonder verlies voor afbeeldingen op twee niveaus (zwart-wit) . Sommige digitale camera's kunnen afbeeldingen opslaan in TIFF-indeling met behulp van het LZW- compressie-algoritme voor verliesloze opslag. TIFF-afbeeldingsformaat wordt niet algemeen ondersteund door webbrowsers. TIFF blijft algemeen geaccepteerd als standaard voor fotobestanden in de drukkerij. TIFF kan apparaatspecifieke kleurruimten verwerken, zoals de CMYK die wordt gedefinieerd door een bepaalde set drukpersinkten. OCR- softwarepakketten (Optical Character Recognition) genereren gewoonlijk een of andere vorm van TIFF-afbeelding (vaak monochroom ) voor gescande tekstpagina's. Luchtfoto's worden meestal door de opdrachtnemer in het tif formaat uitgeleverd.  +
De tijd wordt wel gezien als een opeenvolging van tijdstippen. Daarnaast kan bepaald worden hoeveel tijd een gebeurtenis na een andere plaatsvindt. Het betreft dan de tijdsduur tussen twee tijdstippen. Met het begrip tijd worden deze volgorde en duur beschreven. Tijd kan na hoogte, breedte en lengte gezien worden als een vierde dimensie. Naast het verschijnsel van de lineaire, kwantitatieve en meetbare (klok)tijd, is tijd ook een ervaring van elk subject die op een unieke eigen kwalitatieve wijze beleefd wordt. Zie ook: tijdsperceptie. In de filosofie en taalwetenschap, met name de semantiek, wordt tijdslogica onderzocht. Dit zijn formele logische systemen die het begrip tijd formaliseren. De speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein stelde het begrip bij van tijd, causaliteit en snelheid waarmee informatie zich kan verplaatsen.  +
(bron: DIV)  +
Dit heeft betrekking op hoe oud data zijn. data moeten periodiek opnieuw worden gemeten of gecontroleerd of ze nog correct zijn. Het kan ook zijn dat het bij actualisatie noodzakelijk is dat de oude data worden verwijderd. Dit is de meest voorkomende interpretatie van actualiteit, maar is in deze context specifieker gedefinieerd omdat actualiteit ook betrekking heeft op frequentie.  +
De reeks legt de waarden vast van een type parameter over een periode. Waterstandmetingen zijn een duidelijk voorbeeld van een waardereekstijd. Er worden op 1 meetobject gedurende langere tijd met vaste intervallen waterhoogten bepaald. (bron: STOWA/Unie-stekkerdoos / Aquo) <br/> Reeks van waarden van parameters variërend in tijd. (bron: DIV)  +
Meestal betreft het gegevens die gedurende een bepaalde periode op equidistante tijdstippen zijn waargenomen. Voorbeelden van tijdreeksen zijn de dagelijkse sluitingswaarde van de Dow Jones index en het jaarlijkse stroomvolume van de Nijl bij Aswan. Tijdreeksanalyse beoogt onder andere zinnige statistieken en andere karakteristieken te beschrijven. Tijdreeksanalyse wordt veel gebruikt om met behulp van een model een goede voorspelling te geven, zoals de waarde van een aandeel. Tijdreeksgegevens hebben een natuurlijke tijdsordening. Dit onderscheidt tijdreeksanalyse van andere gemeenschappelijke data-analyseproblemen, waarbij er geen natuurlijke ordening van de waarnemingen is. Een tijdreeksmodel zal over het algemeen waarnemingen in de nabije toekomst beter voorspellen dan waarnemingen verder weg in de toekomst.  +
Bijvoorbeeld de periode tussen twee opeenvolgende tijdstippen waarvoor een model binnen de simulatieperiode de hydrologische processen en gesteldheid berekent. (bron: Aquo) <br/> <br/> Tijdsverschil tussen twee tijdstippen. (bron: DIV)  +
(bron: Aquo / DIV)  +
(bron: Hunze en Aa's) <br/> <br/> Geheel of gedeeltelijk droogvallende gronden die buitendijks gelegen zijn. (bron: Informatiemodel van de Basisregistratie Topografie (IMBRT) / SOR)  +
(bron: VROM, 1995: Gegevenswoordenboek milieubeheer, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1 juni 1995, pag. 93. / Aquo / DIV)  +
Bron: NTA 8035. Unieke configuratie van informatie (toestands-variabelen) in een programma of machine (definitie uit de automaten theorie). In de tunnelstandaard wordt ‘State’ gebruikt voor de toestand van de TTI van verkeersbuizen. (bron: LTS-1.10) Entiteit gedurende een periode tussen twee gebeurtenissen. Een toestand wordt gekenmerkt door de eigenschappen en relaties van de entiteit. (bron: NEN 2660-1 (Ontw))  +
De gevolgschade is groot en de zekerheid over faaltijdstip klein, de toestand van de onderdelen moet regelmatig worden geïnspecteerd en vervanging vindt preventief plaats als het interventieniveau wordt bereikt. (bron: Wegwijzer BOP, versie 1.1, 14 juni 1996 / Aquo) <br/> <br/> Methode van preventief onderhoud op basis van vooraf gestelde criteria. Als voorbeeld een vooruit werkende inspectie of meting (periodiek controleren van kritische parameters). Zo'n korte inspectie kan opgevolgd worden door uitgebreider onderhoud na overschrijden van belangrijke grenswaarden. TAO is een planmatig soort onderhoud, kritieke parameters controlerend en pas bij noodzaak planmatig herstellend (conditieafhankelijk) vervangen van onderdelen. Deze vorm van onderhoud heeft een zeer hoge voorspelbaarheid vanwege de controles. (bron: Wikipedia) <br/> <br/> Dit is onderhoud dat wordt uitgevoerd, nadat tijdens een inspectie is gebleken dat het interventieniveau van een visuele of door meting vast te stellen grootheid is overschreden. (bron: DIV)  +
Bron: WWB0044. <br/> Gerichte toetsing, mede gebaseerd op risicoanalyse, voor het vaststellen van de huidige toestand en het huidig functioneren van objecten en onderdelen alsmede de houdbaarheid van de aangedragen risico’s en onder-houdsinterventies (maatregelen) met bijbehorende planning. (bron: Vraagspecificatie Algemeen PRC (oud)) <br/> Resultaat van een conditiemeting betreffende gebouwen of installaties (bron: Objecttypenbibliotheek Rijkswaterstaat (NL)) <br/> Gerichte inspectie (toetsing), mede gebaseerd op risicoanalyse, voor het vaststellen van de huidige toestand en het huidig functioneren van objecten en onderdelen alsmede de houdbaarheid van het bijbehorende instandhoudingsplan. (bron: Inspectiekader RWS) <br/>  +
(bron: LTS-1.10) <br/> Relatie tussen twee toestanden (van een entiteit), waarin de begintoestand overgaat in de eindtoestand. (bron: NEN 2660-1 (Ontw))  +
Toetsing vindt plaats binnen een dataset zelf (door overtalligheid in de metingen).  +
De toetsingswaarden zijn niet gebaseerd op (eco)toxiciteitgegevens. De toetsingswaarden liggen op of boven de grenswaarden nieuw gevormd sediment en op of onder de interventiewaarden waterbodem. (bron: WSV-info, aangepast / Aquo) <br/> <br/> Waarde die aan de normwaarde getoetst wordt (bijvoorbeeld 90-percentiel van de in een jaar gemeten concentratie). (bron: DIV)  +
In het geval van wegenbeheer is er sprake van een CROW-norm. (bron: GW'96 / Aquo / DIV)  +
(bron: DBW / Aquo / DIV)  +
Bijvoorbeeld 90-percentiel van de in een jaar gemeten concentratie. (bron: Aquo / DIV)  +
Een fout die niet door een functie kan worden beschreven, (ofwel waarvan de waarde statistisch onafhankelijk is van voorgaande of latere waarden.) De kansverdeling van deze variabele wordt beschreven door een willekeurige, begrensde functie. De toevallige fout wordt (meestal) beschreven door de standaard deviatie. (bron: Aquo) Bij toevallige fouten is de gemiddelde fout nul. Bij voldoende waarnemingen zullen deze fouten zich volgens de normale verdeling rond de werkelijke waarde, de verwachting μ, vormen. Hierbij geldt dat bij meer metingen de normale verdeling steeds beter gevolgd gaat worden en dat het gemiddelde de werkelijke waarde steeds beter benadert. Doordat veel waarnemingen afgerond worden, zal er ook sprake zijn van een uniforme verdeling. (bron: Wikipedia)  +
(bron: GW art. 133 - Waterstaatswet 1900 S.176) / Verwijzend en verklarend juridisch woordenboek, N.E. Algra en H.R.W. Gokkel, 1995 / Aquo / DIV) <br/> <br/> De door de Kroon uit te oefenen controle op de behartiging van de waterstaatszorg (incl. het provinciale toezicht). (bron: DIV)  +
(https://webuildapps.com/definition/tool) <br/> <br/> Softwaregereedschap. Een tool is vaak een klein programma voor het uitvoeren van algemene taken. (https://www.encyclo.nl/lokaal/10230) <br/> <br/> Gereedschap. Middelen waarmee je de bewerkingen uitvoert. Gewoonlijk altijd bediend met de muis. De muispijl kan verschillende vormen aannemen, bijvoorbeeld een potloodje, een gummetje, een luidsprekertje of een nootje. Dat zijn allemaal verschillende tools. (https://www.encyclo.nl/lokaal/10272) <br/> <br/> Een tool is vaak een klein programma voor het uitvoeren van vaak terugkerende taken. Bijvoorbeeld in reporttool: een programma waarmee op een gemakkelijke manier overzichten uit een database kunnen worden gemaakt. (bron: Ensie)  +
(bron: Aquo / DIV)  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
(bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/> <br/> Op waterkeringen wordt de deklaag, ook wel toplaag genoemd, vooral gebruikt om de slijtweerstand van de waterkering te verbeteren. <br/> <br/> Het betreft een overkoepelend object met enkele algemene attributen die gelden voor elk type toplaag. Daarnaast is het object Toplaag een specialisatie van bekledingslaag, waardoor het zodoende naast de eigen attributen ook alle attributen van bekledingslaag bevat. Elk object dat een type toplaag beschrijft (bijvoorbeeld ToplaagAsfalt) erft zowel de attributen van bekledingslaag als van Toplaag. <br/> <br/> In onderstaande afbeelding staat de afbakening in dwarsrichting van een aantal bekledingconstructies met verschillende type toplagen. (Bron: DAMO begrippen)  +
(Bron: werkgroep IMWA Waterveiligheid / Aquo) <br/> <br/> Toplaag asfalt is een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. toplaag asfalt erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO)  +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. ToplaagBetonbekleding erft de attributen van Toplaag. (Bron: DAMO)  +
Een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. toplaag gras erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO)  +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag losgestort materiaal erft de attributen van toplaag. (Bron: DAMO)  +
Een specialisatie van Toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag steenzetting erft de attributen van toplaag. (bron: DAMO)  +
Een specialisatie van toplaag, waardoor het naast de eigen attributen ook alle attributen van Toplaag bevat. Toplaag verpakte bekleding erft de attributen van Toplaag. (Bron: DAMO)  +
Voorbeelden hiervan zijn: Het lijnenwerk op (een elektronische representatie van) een landkaart. Beschrijving van hoogteligging en -verdeling ten opzichte van een referentievlak. (bron: RWS, 1997: themagroep Geografie/Watersystemen / Aquo / DIV) <br/> <br/> Het lijnenwerk op (een elektronische representatie van) een landkaart. (bron: DIV) <br/> <br/> Beschrijving van hoogteligging en -verdeling ten opzichte van een referentievlak. (bron: DIV) <br/> <br/> Topografie (uit het Grieks, letterlijk "plaatsbeschrijving") is de studie van de beschrijving van kenmerken van plaatsen en gebieden. Tot de topografie behoort ook de studie van de ligging en de namen van plaatsen, wateren, bergen, streken, landen, en andere geografische vormen. Het woord topografie komt uit het Oudgrieks (τόπος topos, plaats, plek; γράφειν graphein = schrijven, beschrijving). Wordt gebruikt voor het nauwkeurig, grafisch in kaart brengen van natuurlijke en door de mens gemaakte landschapselementen van een specifiek verstedelijkt gebied, stuk land of andere plaats, met name om hun ligging ten opzichte van elkaar en hun hoogte te laten zien. Gebruik 'topografie (kenmerk)' voor de reliëfelementen of de oppervlaktekenmerken van een plaats of object, waaronder natuurlijke en door de mens gecreëerde elementen. Het belang van topografie is in de moderne geografiebeoefening sterk afgenomen, omdat bijna alle plaatsen eenvoudig opgezocht kunnen worden met een gedetailleerde atlas of computerprogramma. Het belang van bezit van parate kennis is verschoven naar de vaardigheid het te kunnen opzoeken. De werkelijke waarde van topografische kennis is niet alleen het weten waar een stad of rivier ligt. De waarde van de topografie schuilt in het vormen van een juiste mentale kaart van een gebied. Men dient bij de topografie niet op de absolute maar de relatieve ligging of afstand te wijzen. De relatieve ligging van een plaats is de ligging ten opzichte van een andere plaats. Een relatieve afstand wordt uitgedrukt in de tijd, geld en/of moeite om die afstand te overbruggen. Topografie is om de volgende redenen nog van belang: * Zonder topografie kan men in feite geen geografie bedrijven. In de geografie is de basisvraag immers "waar is het en waarom is het daar?" De nadruk in het thematisch geografieonderwijs ligt vooral op het waarom daar?, maar die vraag krijgt pas zin na het antwoord op de vraag waar?. * Topografie is een symbolische taal, een systeem dat zich manifesteert in een landkaart. Door de studie van de topografie wordt de leerling getraind in rangschikking en associatie. * Topografie is nuttig en noodzakelijk in het dagelijkse leven. Als er iets in China gebeurt, moet men een idee hebben of het ver weg is gelegen of juist dichtbij. * Een basiskennis van de topografie bevordert het inzicht in feiten en gebeurtenissen die met elkaar samenhangen in de ruimte. <br/> De keuze van plaatsen die geleerd moeten worden, wordt bepaald aan de hand van geografische en didactische criteria. Voorbeelden van geografische criteria zijn: * het aantal inwoners (grote steden wel, kleine dorpjes niet), * de geografische afstand tot de plaats (een stad van 200.000 inwoners in China niet, een kleine stad in de eigen provincie wel), * het politieke, historische, of economische belang van de plaats (bijvoorbeeld hoofdsteden, historische machtscentra). <br/> Voorbeelden van didactische criteria zijn: * beperking van de selectie tot een aantal dat in redelijke tijd te leren is. * het selecteren van plaatsen die horen bij een bepaald thema, waaraan speciale aandacht wordt besteed, bijvoorbeeld "kolonisatie", of een bepaald werelddeel. (bron: WIkipedia)  
Een topografische kaart is dus voor algemeen gebruik bedoeld, in tegenstelling tot een thematische kaart. In principe kan in iedere schaal een topografische kaart gemaakt worden, maar meestal gaat het om kaarten in de schaal 1:50.000 of 1:25.000. In het dagelijks taalgebruik duidt men dit soort kaarten ook wel aan met de (ietwat verouderde) term stafkaart. De kleur van een vlak kan eveneens als symbool worden aangemerkt, daar zij informatie over de terreingesteldheid geeft. Om alle informatie op schaal weer te geven is een schaal van 1:25.000 of gedetailleerder nodig. Op deze schaal kan een weg nog net op schaal worden weergegeven (een weg van 2,5 m breed wordt 0,1 mm breed afgebeeld). Bij 1:50.000 en kleinere schalen moeten concessies worden gedaan. Wegen worden dan breder (dus niet op schaal) afgebeeld en objecten zoals gebouwen aan de weg worden daarvoor iets verschoven afgebeeld. Om de kaart leesbaar te houden worden kleinere wegen en andere details weggelaten (zie generalisatie). Door de keuze van de schaal en van de kaartprojectie is de vervorming op topografische kaarten klein: in alle richtingen is de schaal gelijk, de hoeken die je op de kaart meet komen overeen met die in het veld en ook de vorm van de afgebeelde percelen is correct (hoekgetrouwe projectie). Om een kaart leesbaar en overzichtelijk te houden worden er voor de afbeelding van bijzondere objecten, terreinkenmerken en bestuurlijke grenzen symbolen gebruikt. Enkele voorbeelden: wegwijzers, gemeentehuis, hunebedden, taludlijnen, bruggen, torens, hoogtelijnen, gemeentegrenzen. De kleur van een vlak kan eveneens als symbool worden aangemerkt, daar zij informatie over de terreingesteldheid geeft. Paars kan op een kaart bijvoorbeeld een heideveld aangeven, terwijl de heide slechts enkele weken per jaar paars bloeit. Gebruikelijke keuzes voor de kleuren zijn groen voor bos, geel voor zand, blauw voor water en rood of zwart voor bebouwing. Afhankelijk van de uitgever kunnen er andere kleuren en symbolen worden gebruikt, daarom is er een verklaring van gebruikte tekens (legenda) opgenomen. (Bron: Wikipedia)  
Met topologische regels kun je controleren of een duiker op een watergang ligt of dat een stuw op het einde van een watergang ligt maar ook op de begrenzing van een peilgebied ligt. De topologie is een uitgroeisel van de meetkunde, maar anders dan de meetkunde, houdt de topologie zich niet bezig met metrische eigenschappen zoals de afstand tussen punten, maar met eigenschappen die beschrijven hoe een ruimte is samengesteld, zoals samenhang en oriëntatie. Het woord topologie wordt zowel gebruikt om het studiegebied zelf aan te duiden, als voor de familie van verzamelingen die bepaalde eigenschappen beschrijft die worden gebruikt om een topologische ruimte te definiëren (het basisobject van de topologie). Van bijzonder belang in de studie van de topologie zijn de vervormingen die homeomorfismen worden genoemd. Informeel kunnen deze functies worden gezien als functies die de ruimte uitrekken zonder deze echter te scheuren of verschillende delen samen te plakken. Een meer abstracte notie van een vervorming is een homotopische equivalentie, een begrip dat ook een fundamentele rol speelt. Toen de discipline aan het eind van de 19de eeuw ontstond, noemde men de topologie aanvankelijk geometria situs (Latijn: meetkunde van plaats) en analysis situs (Latijn: analyse van plaats). Topologie is intussen een grote tak van de wiskunde, die op zijn beurt weer vele deelgebieden kent. Van ongeveer 1925 tot 1975 kende de topologie een bloeiperiode en was zij een belangrijk groeigebied in de wiskunde. De meest basale en traditionele verdeling binnen de topologie is de driedeling tussen de point-set topologie, die de fundamenten van de topologie neerzet en concepten zoals compactheid en samenhangendheid onderzoekt; de algebraïsche topologie, die algemeen gesteld probeert om de graden van samenhang te meten, en die daar gebruikmaakt van algebraïsche constructies, zoals homotopiegroepen en homologie en ten slotte de meetkundige topologie, die in de eerste plaats variëteiten en hun inbedding in andere variëteiten bestudeert.  
Een voorbeeld van topologisch editen is het tegelijkertijd verplaatsen van de begrenzing van 2 peilgebieden die een gemeenschappelijke geometrie bevatten.  +
De topologie in termen van verbindingen verandert meestal niet als de posities van de items veranderen.  +
Dit gaat over de relatie die verschillende vlakken met elkaar hebben. Deze vlakken kunnen onderdeel zijn van dezelfde geometrie (één attribuutwaarde) of van verschillende geometrieën (meerdere attribuutwaarden). Er zijn verschillende interpretaties bij topologische consistentie, waarbij bijvoorbeeld zelf-intersecties of onnodige slivers soms als onderdeel van geometrische correctheid worden gezien en soms als onderdeel van topologische consistentie. (bron: ArchiXL)  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
(bron: CHO (544) / Aquo / DIV)  +
Bron: NEN 2660-1 (Ontw).  +
Denk aan aandrijfas van een voertuig, of aan een boring naar olie of gas. De boorkop bevindt zich honderden meters of kilometers onder de grond en hij wordt aangedreven via een lange pijp. Deze pijp ondervindt torsie. Torsie vervormt de pijp, zodat de boorkop ettelijke omwentelingen achter kan lopen op zijn aandrijfmechanisme. Torsie kan ontbonden worden in schuifkrachten, waarbij de schuifkracht toeneemt naarmate het verder is verwijderd van het zwaartepunt van het profiel. Bij een gelijke hoeveelheid materiaal per meter (ofwel een gelijk gewicht per meter) is een holle staaf daarom veel beter in staat om torsie op te nemen dan een massieve staaf.  +
(bron: Aquo / DIV)  +